Verlating, z. n. v. -- Zie Afstand.
Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) -- Zeer boos weer op zee.
Verlengen, b. w. -- Rekken, uitbrengen.
Verloop, z. n. m. -- 1o. Verandering, teruggang. Het V-- van het tij:
het V-- van stroomen en zeegaten.
2o. Hevige windvlaag met regen.
Spreekwijze: V-- van jaren. V-- van zaken.
Verloopen, o. w. -- Wegloopen, wegvloeien. Het getij Verloopt.
Spreekwijze: De neering is V-- (is achter uit, is te niet gegaan).
Verloren, b. n. -- 1o. Te loor gegaan. Een V-- reis (een reis,
die niets heeft opgebracht.) Er zijn vele schepen V-- geraakt
(vermist.) Een V-- lip (een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden
is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).
2o. Fluitwijze gewerkt. V-- lip (die aan het eene end als een fluit
eindigt).
Vernaaien, b. w. -- De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.
Vernagelen, b. w. -- Met Nagels dichtslaan. Het geschut V-- (het,
door 't in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).
Vernietigen, b. w. -- Te niet doen. Een sein V-- (door middel van
een sein tegenbevel geven).
Vernieuwen, b. w. -- Het gesletene vervangen.
Verongelukken, o. w. -- Schipbreuk lijden, stranden, vergaan. Op een
kust, op een klip V--.
Verpoozen, b. w. -- Aflossen. Iemand van zijn vracht V--.
Verrekijker, z. n. m. -- Koperen of houten uitschuivende buis met
geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke
met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.
Versche schoot, z. n. m. (veroud.) -- Strook zoet water, die onvermengd
een eind in zee loopt.
Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) -- Voorbyschieten: wordt van balken en
planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken
en knieën V--, hoe sterker het schip is.
2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.
Verscherven, o. w. -- Het voorby elkander schieten der verschillende
lengten, die tot een verbinding dienen.
Verschansen, b. w. -- Het gedeelte van een schip, dat boven water
komt, afwerken.
Verschansing, z. n. v. -- Schans, bovenwerk van een schip.
Verschieten, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Den ballast V--.
Verschil, z. n. o. -- Onderscheid. V-- in capaciteit, in
waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip
(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare
stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters,
door het achterschip verplaatst.) V-- in zee tusschen de gissing
en de waarneming ('t welk plaats heeft, wanneer, by 't opmaken van
't bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).
Versebalie, z. n. v. -- Zie Varsebalie.
Versteken, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Zie Ververschen.
Versteken, b. n. (veroud.) -- Een V-- schip (een schip, dat zijn
reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).
Versterking, z. n. v. -- Hulp, bystand.
Verstikt, b. n. -- Zie Touw.
Verstoppen, b. w. -- Lucht- of waterdicht maken. Het zand heeft de
pomp Verstopt. De ballast Verstopt de loggaten.
Verstouwen of Verstuwen. -- De Stuwaadje van plaats doen
veranderen. Het ruim opbreken om te V--.
Verstuwen, b. w. -- Zie Verstouwen.
Verteeren, b. w. (veroud.) -- Breken, scheuren. De masten zijn
Verteerd.
Vertieren, o. w. -- Achteruitgaan. Een schip dat veel
Vertiert. Oudtijds werd het voor "voortgaan" genomen.
Vertimmeren, b. w. -- Herstellen, op nieuw timmeren.
Vertimmering, z. n. v. -- De daad van Vertimmeren.
Vertooien, o. w. -- Zie Zorren.
Vertuien, b. w. -- Het Tuianker uitwerpen. Een schip V-- (een schip
tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed,
het tuianker voor de Ebbe.) Langsstrooms V-- (een anker recht voor-
en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest
aan wal te drijven.) Te stijf Vertuid liggen (als de touwen te stijf
gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.) Ergends Vertuid liggen
(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk
van daan kan raken).
Vertuind, b. n. -- Van een Vertuining voorzien.
Vertuining, z. n. v. of Gebroken Gang. -- Gedeelte van het
scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.
Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) -- Planken van het
achterkasteel.
Verval van het water, z. n. o. -- Het verschil van diepte by vloed en
ebbe. Er is hier een groot V-- van water. -- Op die reede is een V--
van water van drie tot vier vadem.
Vervallen, o. w. -- Op een plaats komen waar men niet wezen wil. Op
de kust V--. In een engte V--. Onder den wind V--.
Vervaren, b. w. -- 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand
vermeerderen. De kabelaring schrikken, V-- aan het spil (beletten,
dat de bochten zich by 't ronddraaien kruissen). Een talie V--.
2o. Veranderen. Met stenge en raas Vervaard liggen (met gestreken
stengen en de onderraas langsscheeps).
Ververschen, b. w. -- Men wordt gezegd het touw enz. te V--, wanneer
men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde
wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.
Vervuren, o. w. -- Inwendig vergaan. Vervuurd hout.
Vervrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip verhuurt om bevracht te
worden. Zie Bevrachter.
Vervrachting, z. n. v. -- De daad van Vervrachten. Zie Bevrachting.
Verwaaid, b. n. -- Door den wind verhinderd. Zy lagen daar eenige
dagen V-- (door tegenwind belet hun reis voort te zetten).
Verwateren, b. w. -- Wateren, met water vullen. Het vaatwerk V--
(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten
te behoeden.
Verwerken, b. w. -- Omwerken, overpakken. Goederen V--, naar een
andere legplaats V--.
Verwisselen, b. w. -- Aflossen, De wacht V--, de strengen V--.
Verzanden, o. w. -- Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd
te V--, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand,
in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.
Verzegeling, z. n. v. -- Zie de bepalingen omtrent de V-- van geladen
schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153-156.
Verzeilen, o. w. -- 1o. Te land komen waar men niet wezen wil. Wy
raakten op een koraalklip Verzeild.
2o. Van ligplaats veranderen. Wy verzeilden naar den zuidwal.
Verzeilen, b. w. -- Verliezen. Een schip V--.
Verzeisen, o. w. (veroud.) -- Veranderen, verschieten. De wind wordt
gezegd te V--, 't zij hy goed of slecht wordt.
Verzekeraar, z. n. m. -- Hy die tegen schade verzekert.
Men hoeft geen zee-verzekeraer
Nu alle watren zijn geveilight voor gevaer.
Vondel, Zeemagazijn.
Hy wenscht ons toe alreede, en blijft verzekeraer
Te vrijen onze kiel van schipbreuk en gevaer.
Vondel, Lof der Zeevaert.
Verzekeren, b. w. -- Aannemen, de schade, die schip of lading mocht
lijden, te vergoeden. Men vindt de bepalingen betreffende V-- tegen
zeegevaren in het Wetb. van Kooph. B II, Titel IX, art. 592-683 en
die betreffende het V-- tegen de gevaren op binnenwateren in den
volgenden Titel, art. 686-695.
Verzekeren, (de battery). Het kanon met den tromp tegen boord gevlucht
met dubbele sjorrings voorzien, wat by hevig en langdurig slingeren
van het schip geschiedt.
Verzekeren, (de vlag). By 't ophalen der vlag een schot doen.
Zoo werd der Geuzen vlag verheven;
't Geschut verzekert dese vlag.
Van Haren, de Geuzen.
Verzekering, z. n. v. of Assurantie. -- De daad of overeenkomst van
Verzekeren. Polis van V-- (zie Polis).
Verzinken, o. w. -- Geheel zinken, te gronde gaan.
Verzoeken, b. w. (veroud.) -- Onderzoeken, nazien. Het schip V--
(de naden en openingen nazien, om ze te herstellen en te vullen).
Verzuipen, o. w. -- 't Zelfde als verdrinken, doch plat. Vondel echter
veredelt het in zijn Lof der Scheepvaart:
Wanhopigen, die hulp in 't uiterste begeeren,
En hangen aan een rots, of zwemmen op een planck,
d'Een levend, d'ander doot, verzopen, flaeu en kranck.
Vice-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.
Vice-Konsul, z. n. m. -- Zie Konsul.
Vierbot, z. n. v. -- Verbasterde, op onze zeedorpen gebruikelijke
benaming van Vuurbaak.
Vieren, o. w. of Vuren. -- Vuren opsteken, lantarens uithangen,
illumineeren. De wind Viert (plach men te zeggen, als de lucht rood
werd aan de zij van waar men wind verwachtte).
En Swanenburregh viert,
zegt Egmond in Vondels Gysbrecht.
Vieren, b. w. -- Bot geven, uitpalmen. Een touw V--, stadig aan V--,
afschrikken.
Men viert het armdick touw zomwijl tweehondert vadem.
Vondel, Lof der Zeevaart.
Spreekwijze: Iemand V-- (iemand zijn zin laten doen, zijn gemak
laten nemen).
Vierkant, b. n. -- Dat Vier zijden heeft. V-- wulf (de plaats daar
het wapen achter tegen aan staat).
Vierkant, bw. -- Voor: in 't vierkant. Een schip, dat V-- getuigd is
(waarvan de zeilen V-- staan). V-- brassen (zie Brassen).
Vierlooper, z. n. m. -- Takel met twee dubbele haakbloks.
Viktualie, z. n. v. -- Mondbehoefte, levensmiddelen. V-- voor een
zeetocht. De V-- is nog niet aan boord.
Viktualiemeester, z. n. m. of Spijsverzorger. -- Beämbte, die gesteld
is, om de mondbehoeften te bezorgen.
Viktualiewant, z. n. o. -- Ketels, pannen, lepels, bakken enz. Zie
Kommaliewant.
Vilhout, z. n. o. -- Schippers boom.
Vin, z. n. o. (veroud.) -- Druil. Zie ald.
Vingerling, z. n. m. -- Benaming van zware poorthengsels, wier armen,
op den achtersteven vastgenageld, zich over het barghout uitstrekken,
en een deel van het roerstel uitmaken. Zy zijn voorzien met boven
elkander geplaatste oogen, om de pennen der roerhaken te ontfangen.
Vinkenet, z. n. o. -- Zie Boevenet.
Vioolblok, z. n. o. -- Langwerpig dubbel blok.
Vioolstukken, z. n. o. mv. -- Zware beplankingen, welke men tegen
den kop van den boegspriet van een groot vaartuig aanspijkert, om,
des gevorderd, den kluiver te steunen.
Visch, z. n. m. -- Vliegende V--.
Spreekwijze: Zoo gezond als een V-- (om dat een V-- zelden van koorts
of rhumatiek schijnt te weten).
Groote Visschen eten de kleine (de grooten verdrukken de geringen).
Groote V--en scheuren het net en springen uit den ketel. (De grooten
verbreken de wetten en ontkomen aan de straf).
Hoe meer V-- hoe droever water (hoe meer volk hoe minder de bedeeling).
V-- laat den mensch zoo als hy is (V-- is niet voedzaam).
Vischben, z. n. v. -- Zie Vischkorf.
Spreekwijze: Zoo rein als een V--.
Vischjen, z. n. v. -- Kleine Visch.
Spreekwijze: Een klein V-- een zoet V-- (men moet een kleinigheid
niet verwerpen).
Die een goê V-- heeft, mag het wel in den ketel houden (men moet een
verkregen voordeel niet rond kraaien).
V-- spring in (man, wees welkom)!
Vischkaar, z. n. v. -- Kaar, waarin men den Visch bergt.
Vischkorf, z. n. m. of Vischben. -- Korf of mand, waarin de Visch
wordt gedragen en gevent.
Vischnet, z. n. o. -- Net, tot de vischvangst gebezigd.
Vischperk, z. n. o. -- Zie Rietpark.
Vischschuit, z. n. v. of Visscherman. -- Schuit, die ter Vischvangst
uitgaat.
Vischstaart, z. n. m. -- Bosch hout, met snijwerk voorzien en dienende
om de galery tegen den aanslag van 't water te beschermen.
Vischvangst, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Visschen.
Visschen, o. w. -- 1o. Visch vangen.
Recht op luim en tij te gissen
Voegt in 't vrijen en in 't visschen.
Oudaan.
Spreekwijze: Achter het net V-- (slib vangen, te laat komen).
Met een zilveren hengel V-- (door geld tot zijn doel komen).
Voor eens visschers deur V-- (vergeefsche moeite doen).
In troebel water is goed V-- (in tijden van omwenteling is het
gemakkelijk vooruit te komen).
Elk Vischt op zijn getij (ieder zoekt op zijne wijze vooruit te komen).
2o. Eenig voorwerp in het water opzoeken. Naar het anker V--. Naar
een touw V--.
Visscher, z. n. m. -- Hy, die zijn kostwinning van het visschen
maakt. Een OesterV--. Een PaerelV--.
Spreekwijze: zie Visschen.
Visschers, z. n. m. mv. -- Zware balken, in het dek, waar de mast
doorgaat.
Visschersman, z. n. m. -- Zie Visschschuit.
Visschery, z. n. v. -- De uitoefening der vischkunst. De
KoraalV--. De PaerelV--. De Groote V-- (de HaringV--). De kleine V--
(de WalvischV--). De binnenkomende schepen der groote V-- zijn niet
aan inklaring onderworpen. Zie art. 24 A. W. 26 Aug. 1822.
Vissing, z. n. v. -- Ronde of eironde opening in de dekken gemaakt,
om er masten of kaapstanders door te laten gaan.
Visiteur, z. n. m. -- Beämbte der In- en Uitgaande rechten, die
byzonder belast is met schepen in- en uit- te klaren of te onderzoeken.
Vlaag, z. n. v. -- Bui, wind, die kort duurt. By V--en (by buien). Een
zomerV-- (een bui, die spoedig over is). Een onweersV--. Een regenV--.
Spreekwijze: Heer! hoe wonderlijk vallen de V--en (zei de man, die
by mooi weer bezopen in de sloot geraakt was, en voor zijn vrouw niet
weten wilde hoe hy zoo nat kwam).
Vlag, z. n. v. -- 1o. Langwerpig vierkante banier, die tot
herkenningsteeken dient. Vroeger was de V-- niet anders dan het
blazoen van hem, aan wien het schip behoorde of die er op streed;
en voerde elk vaartuig de V-- van den Soeverein, van de Stad, van de
Amiraliteit, van den Edelman of van den Reeder, ten wiens koste het
was uitgerust. Zoo had men de KoningsV--, de PrinceV--, de StatenV--,
de AmiraliteitsV--, de V-- van Amsterdam, enz. In vervolg van tijd
diende de V-- ook om de Smaldeelen of Eskaders hunner vloot te
onderscheiden: zoo had men, in Engeland: de Amiraals van de blauwe
V--, van de roode V-- enz. Sedert den oorlog tusschen Engeland en zijn
Amerikaansche Koloniën, en toen deze, zich onafhankelijk verklarende,
een eigen V-- aannamen, begon men ook te spreken van een Nationale V--,
welke uitdrukking zich hooren laat, daar, waar de Natie soeverein is;
doch louter wartaal is wanneer zy toegepast wordt op de V-- van een
Land, waar een Vorst regeert, en aan het hoofd der zee- en landmacht
staat. By het op die wijze verwarren van gezonde begrippen, dient,
sedert de omwentelingen in 't laatst der vorige eeuw, de V-- meer
algemeen om te onderscheiden, tot welke natie een schip behoort. Zoo
spreekt men van: de Fransche V--, de Belgische V-- enz. Echter heeft
men ook V--gen, die de rangen der scheepsbevelhebbers onderscheiden,
als: de AmiraalsV--, die van den grooten top, de Vice-AmiraalsV--,
die aan den voortop, de Schout-by-NachtsV--, die aan den kruistop wordt
gevoerd op de schepen, waarop die Hoofdofficieren zich bevinden. Voorts
de Onzijdige of neutrale V-- (in oorlogstijden door de schepen der
neutrale natie gevoerd.) LoodsV-- (die op de loodsschuit gevoerd
wordt.) SeinV-- (zie ald.) Witte V-- of VredeV-- (uitgestoken aan
boord van een schip, dat met krijgsgevangenen of andere vredelievende
bedoelingen tot den vyand gezonden wordt.) OorlogsV--, strijdV--,
bloedV-- (waarmede het teeken tot den aanval gegeven wordt.) Roode
V--, (die aan den voortop geheschen en door een schot verzekerd,
het sein is tot het houden van krijgsraad.) De V-- hijschen, in
top halen. De V-- strijken, neêrhalen.--Zijn V-- verzekeren (onder
't ophalen der V-- een stuk geschut lossen.) De V-- dekt de lading
(de handel der onzijdige natiën moet door de krijgvoerende Natiën
geëerbiedigd worden.) Handel drijven onder N-- sche V--.
2o. De zeemacht zelve. De Britsche V-- heerscht niet langer over alle
zeeën. Die Amiraal heeft de eer onzer V-- gehandhaafd.
Spreekwijze: Hy voert de V-- (hy is de baas).
Hy voert de groote V-- (hy voert het hoogste woord).
Hy laat zijn V-- geweldig waaien, of hy wil de V-- overal voeren
(hy wil overal den baas spelen).
Onder iemands V-- varen (onder iemands bescherming staan).
Het met V-- en wimpel winnen (met glans winnen).
Dat staat als een V-- op een modderschuit (die opschik komt niet met
de rest overeen).
Veel V--gen, luttel boters (het innerlijke beäntwoordt niet aan
het uiterlijke).
De V-- strijken. Zie Strijken.
Men kan aan de V-- zien, hoe de wind waait, of, als Huygens zegt:
Scheepsvlagghe wijst den wint geduurigh waar hy draayt
En elcke kabel dient? Wat doen ons jonge Heeren?
Met linten op den broek en op den hoet met veeren?
Die vlagghe wijst den wint, die in haar hoofden waayt.
Wat voert hy in zijn V-- of in zijn schild--namelijk welk blazoen? (Wat
is zijn bedoeling? Welk een man is hy)?
V--en en geen schip (veel geschreeuw, en weinig wols).
Vlaggedoek, z. n. o. of Dundoek. -- Stof, waar Vlaggen van vervaardigd
worden.
Vlaggejongen, z. n. m. -- Algemeene naam voor scheepsjongen,
ten oorlog.
Vlaggejonker, z. n. o. -- Oude benaming van den oudsten Adelborst
aan boord.
Vlaggekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Vlaggen der onderscheiden
Mogendheden zijn afgebeeld.
Vlaggekapitein, z. n. m. -- Kapitein, die het Amiraalschip kommandeert.
Vlaggekist, z. n. v. -- Kist, waarin de Vlaggen geborgen worden.
Vlaggelijn, z. n. m. -- Lijn, waarmede de Vlag wordt geheschen.
Vlaggen, o. w. -- Alle Vlaggen uitsteken. Het is heden Konings
verjaardag: alle schepen zullen V--.
Vlaggestok, z. n. m. -- Stok van de Vlag, die midden boven 't hakkebord
geplaatst is.
Vlak, z. n. o. -- 1o. Kim, buik, denning van een schip. Dat schip
heeft een fraai V-- (een fraai beloop onder de kim). Het heeft een
scherp, een plat V-- (heeft veel, heeft weinig opneming in de kim).
2o. Voor "vlakte, watervlak." Het V-- der zee.
Vlak, b. n. -- Effen. De zee is V--. Die kust is V--. V-- water.
Vlak, bw. -- Volkomen, ten eene male. Wy hebben den wind V-- tegen. V--
voor 't lapjen. Zie Lapjen.
Vlakgang, z. n. v. -- Beplanking der kim.
Vlakwegers, z. n. m. -- Zie Weger.
Vleet, z. n. v. -- 1o. Mast- en tuigwerk. Verloren V-- (verloren
masten en tuigaadje).
2o. De haringnetten, als zy in zee liggen.
3o. Een net vol, en van daar de ongetelde menigte, waarby de kleine
visch wordt verkocht.
Spreekwijze: Garnaal is in geen tel, die koopt men by de V--. (Iemand
wiens oordeel weinig opmerking verdient.)
4o. of Vlet, kleine schuit.
Rondom hen op den grond van 't enge slaapvertrek,
Lag al het tuig door een, waarmeê hun vlijt zich voedde,
Als zetkorf, schakelnet, en riet en angelroede,
Met koord en garen, grom en zeegras, boei en fuik
En oude vletschuit, lek en niet meer in gebruik.
Bilderdijk, de Visschers.
Vlerk, z. n. m. -- Dat gedeelte van een scheepswand, 'twelk aan den
voorkant door de windveeren en aan den achterkant door de hekstutten
wordt bepaald.
Vlerken, b. w. -- De boegplanken op kleine vaartuigen over elkander
slaan.
Vlet, z. n. v. of Vleet. -- Kleine schuit of schouw.
Vleugel, z. n. m. -- 1o. Windwijzer of kleine gesplitste vlag op
een mast.
2o. Afdeeling eener vloot in slagorde. De rechter V--, de linker V--.
Vlieboot, z. n. v. (veroud.) -- Oorspr. een zeeschuit, die de wateren
van 't Vlie bevaarde. Later werd de benaming gegeven aan de vaartuigen
der Watergeuzen, die niet veel beter of grooter waren.
Vliegen, (laten) b. w. -- In eens losgooien. De bui was zoo hevig,
dat wy, om het schip te helpen, genoodzaakt waren, den grooten Schoot
te L-- V--.
Vliegend, b. n. -- 1o. Wordt gezegd van de zeilen, waarvan de schoten
niet zijn aangehaald.
2o. Is somtijds gelijkluidend met "geweldig." Een V--e storm (een
geweldige storm).
Vlieger, z. n. m. -- Zie Middelstagzeil.
Vliet, z. n. m. -- Vloeiend of stroomend water.
Vlieten, o. w. -- Vloeien, stroomen.
Vloed, z. n. m. -- Stroom, en, in 't byzonder, wassend tij. De V--
duurt doorgaands 6 uur 12 min. en voert de hoogte van het water
op sommige plaatsen tot 48 voet op. De schepen kwamen met den V--
opzetten. VoorV-- (het begin van den V--). Zie Eb.
Spreekwijze: By hooge V--en, lage Ebben (Zie Ebben).
Al wat men qualyck won of tegen reden nam
Dat is maar eb en vloet, het gaat gelyck het quam.
Cats.
Vloot, z. n. v. -- Scheepsmacht, verzameling van schepen, doorgaands
van oorlogschepen, die onder het bevel eens Amiraals staan. Al de
schepen van de V--. De Engelsche V-- is uitgezeild. De onverwinlijke
V-- (die welke in 1588 door Filips II tegen Engeland uitgezonden
en byna geheel vernield werd). Zie verder HaringV--, KoopvaardyV--,
RetoerV--.
Vlooteling, z. n. m. -- Die tot de Vloot behoort.
Vloothouder, z. n. m. -- Vaartuig, dat, ofschoon geen eerste zeiler,
toch by de Vloot kan blijven, en de andere niet noodzaakt zeil te
minderen om het in te wachten.
Vlootleider, z. n. m. -- Het schip dat voorzeilt en waarop de overige
zich richten.
Vlootvoogd, z. n. m. -- Amiraal, hoofdbevelhebber eener Vloot.
Vlot, b. n. -- Drijvend. Wordt van een schip gezegd, dat, na vast
gezeten te hebben, weêr los komt. Wy zijn met het opkomend tij weder
V-- geworden, weder V-- geraakt.
Vlot, z. n. o. -- Verzameling van verbonden balken, die een soort
van vloer vormen, somtijds dienende om menschen, paarden en goederen
te vervoeren. De schipbreukelingen hebben een V-- gemaakt, waarop
zy zich gered hebben. Men noemt ook V-- een vereeniging van balken
timmer- of brandhout, welke men de rivieren laat afzakken. Een V--
rondhouten, een V-- masten, een V-- scheepstimmerhout.
Vlotgaand, b. n. -- Een V-- schip, dat weinig diepte van water
noodig heeft.
Vlotgras, z. n. o. -- Zeegras, of Wier, dat met den vloed rijst,
en met de eb daalt. Zie Wier.
Spreekwijze: Ontgaat u de wal, hou u aan 't V-- (verliest gy den
sterken steun waar gy op rekenen mocht, klem u aan een geringeren
vast).
Vlotten, o. w. -- Drijven.
Spreekwijze: Het wil niet V-- (er is geen voortgang by de zaak).
Vlucht, z. n. v. -- Zie Zeegt.
Spreekwijze: In de V-- zijn (verlegen, bedremmeld zijn).
Vluchten, b. w. -- Om hoog pointeeren. Het kanon V--.
Voeg, z. n. v. -- Voeging, verbinding, lasch, verband, klinkwerk.
Voer, z. n. o. -- Wat mede gevoerd wordt.
Spreekwijze: Het is bootsgezels V-- zijn eigen koopmansgoed mede
te brengen.
Voeren, b. w. -- Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn
heele lading niet V--. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te
V--. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee
reeven in de marszeils V--. De Amiraalsvlag V--.
Spreekwijze: Een groot schip V-- (een zaak van gewicht by de hand
hebben.)
Voering, z. n. v. (veroud.) -- 1o. Kleine koopmanschap, welke aan de
manschappen vergund wordt mede aan boord te nemen, ook garniering.
2o. Voor Voeding. In de oude ordonnantiën komt het woord dikwijls voor,
b. v. Drye man voor huyr en V--.
Voert, z. n. v. (veroud.) -- Inham of zeeboezem.
Voet, z. n. o. -- Onderend van een mast, schoor, stut of stijl.
Voetblok, z. n. o. -- Blok, dat omlaag is vastgemaakt.
Voetstuk, z. n. o. -- Benedenste rand der galerij.
Voetyzer, z. n. o. -- Krom kalfaatyzer.
Vol, b. n. en bw. -- 1o. Gevuld. Met V--le zeilen (gevulde, gepannen
zeilen). Het schip slaat V-- hout. Zie Hout.
2o. Open. De V--le zee (de open zee). De hoogste vloed.
Volbrassen, b. w. of Afbrassen. -- De Brassen aanhalen om de zeilen
te doen Volstaan.
Vol-en-by, bw. -- Niet te scherp aan-de-wind. V-- en B-- zeilen.
Volhandig weer, z. n. o. -- Weer, dat de Handen Vol geeft.
Volhouden, o. w. -- Vol-en-Byhouden: ook, na bygedraaid te zijn,
weder koers zeilen (houden).
Spreekwijze: Men moet V-- (volharden, het niet opgeven).
Volstaan, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, wanneer het de Volle
werking van den wind ondervindt. Dat zeil Staat Vol, Staat goed Vol,
Staat geheel Vol. De zeilen staan Vol.
Spreekwijze: Laat dat V-- (laat het zijn gang gaan).
Voor, bw. -- 1o. Voor den boeg van het schip. Het anker is V--
(het hangt V-- den boeg).
2o. Het voorste gedeelte van 't schip, de bak (Wenk aan V--, (fokke
hals opsteken, losgooien).
Voor en achter dicht, bw. Alle zeilen dicht gereefd.
Voorbyloopen, o. w. -- Voorby zeilen, varen. Een haven V-- (wanneer
men die wil ingaan, doch by ongeluk, of ten gevolge eener verkeerde
beweging, er voorby vaart.) Een schip V-- (een schip, dat gelijken
koers houdt, inhalen en vooruitkomen.
Voor-de-wind, bw. -- Den wind recht van achteren.
Spreekwijze: Het gaat hem V-- (het gaat hem voordeelig).
Voor-de-wind, z. n. m. of Voorwind. -- Voordeelige wind. Met een
frisschen V-- zeilen.
Hunlieden niets gebrack als voorwind en ghetij,
Vondel, Lofz. op de Scheepsv.
Wat vint men hier een maght die op haar ankers draeit
En wacht een voordewint om voort in zee te steken.
Vondel.
Voordwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het schip van voren aan
eene der zijden is vastgemaakt.
Vooreb, z. n. v. -- Zie Eb.
Voorganger, z. n. m. -- Het voorste end van het touw, 't geen aan
het anker vast is.
Voorhoede, z. n. v. -- Zie Voortocht.
Voorkasteel, z. n. o. -- Zie Kasteel.
Voorland, z. n. o. -- Land, 't welk men bezeilen wil.
Spreekwijze: Dat is uw V-- (dat is de omstandigheid, waar toe gy
't eerst vervallen zult).
Voorlast, z. n. m. of Voorlastigheid. -- 't Zelfde als Achter- of
Stuurlast, maar met betrekking tot het voorschip.
Voorlastig, b. n. -- Voor te veel Last hebbende: het tegenovergestelde
van achter- of stuurlastig.
Voorlooper, z. n. m. -- Klein stuk vlaggedoek, in de draden der
loglijn gestoken op een afstand gelijk aan dien van het vaartuig.
Voorluik, z. n. o. -- Luik aan het Voorschip.
Voorlijk, z. n. o. -- Zie Lijk.
Voorman, z. n. m. -- Die de Voorste roeit, enz.
Voormarszeil, z. n. o. -- Zie Marszeil.
Spreekwijze: Met het V-- betalen (zijn schuldenaars ontloopen).
Voormiddagwacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot aan den middag.
Vooronder, z. n. o. -- Kleine kombuis of keukentjen voor in een schuit
of binnenschip.
Vooroverloopen, o. w. -- Voorby den boeg van een schip heenzeilen: een
manoeuvre in 't gevecht, om den vyand de laag langsscheeps te geven.
Voorraad, z. n. o. -- Scheepsbehoeften.
Voorscheen, b. w. -- Zie Klimmen.
Voorschip, z. n. o. -- 1o. Voorste gedeelte van het schip, van den
fokkemast tot aan 't galjoen.
2o. Het schip, dat vooruitzeilt. Zich op zijn V-- richten.
Voorslemphout, z. n. o. -- Zie Slemphout.
Voorsteven, z. n. m. -- Verzameling der kromme stukken, die het
Voorste gedeelte van een schip uitmaken.
Voortent, z. n. v. -- Tent, die Voor den fokkemast wordt opgeheschen.
Voortocht, z. n. m. of Voorhoede. -- Het Smaldeel eener vloot,
dat Vooruitzeilt, en doorgaands onder 't bevel staat van den
Hoofd-Officier, die op den Vlootvoogd in rang volgt.
Vooruit, bw. -- Waarmede de betrekkelijke stelling van een persoon
of van een vaartuig wordt aangeduid. V-- zijn (zich op de voorhelft
van een schip, of eener vloot bevinden).
Voorvloed, z. n. m. -- Zie Vloed.
Voorvoet, z. n. m. (veroud.) -- Voorrang. Den V-- hebben (vooruit
zijn).
Voorwaarts, t. w. komm. -- Om Vooruit te gaan.
Voorwind, z. n. m. -- Zie Voor-de-wind.
Voor-wind maeckt rechte streken.
Huyghens. Hofwijck.
Voorzeiler, z. n. m. -- Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen
geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of
uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.
Voorzien, b. w. -- Helpen, steunen, beschutten. Een touw V-- (het
bekleeden). De booten van roeiers V-- (bemannen).
Vracht, z. n. v. -- 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd
is over te brengen. Op V-- varen (varen, om lading, om V-- te
bekomen). Een schip, dat V-- zoekt.
2o. Hetgeen voor de overvaart, 't zij van goederen of personen,
betaald wordt. Voor halve V-- meêvaren. Hoe veel is de V--?
Spreekwijze: Hy heeft de vracht beet (hy heeft geld gewonnen).
Hy heeft de vracht in (hy is dronken).
Alle vrachtjens helpen (veel kleintjens maken een groot).
Vrachtbrief, z. n. m. -- Zie Cherteparty.
Vrachtlijst, z. n. v. -- Lijst, waarop de ingeladen goederen staan
vermeld.
Vrachtschip, z. n. o. of Vrachtvaarder. -- Schip, dat goederen
overbrengt.
Vrachtvaarder, z. n. m. -- Zie Vrachtschip.
Vrachtvaart, z. n. v. -- De vaart met Vrachtschepen. De V-- op dat
land is zeer uitgebreid.
Vrang, z. n. v. -- Het middel- of buikstuk van elk spant, dat
in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit. Halve V-- van het
groot spant. De voet, hiel, onderkant van een scherpe V--. Vlakke,
platte, scherpe V--en. Half scherpe V--en, ingetrokken V--en. V--en
van het vlak, middelV--en. V--en van een kattespoor. Halve V-- der
kattesporen. Gemaakte halve of heele V--. Gelaschte halve of heele V--
(die uit twee stukken is saêmgesteld).
Vredevlag, z. n. v. -- Zie Vlag.
Vreetschepen, z. n. o. mv. -- Eigenaardige benaming, welke men aan
de konvooischepen plach te geven.
Vreevuur, z. n. o. -- Zie Dwaallicht.
Vriezen, o. w. -- Tot ijs stollen.
Vroegkost, z. n. v. -- Ontbijt.
Vrijbuiten, o. w. -- Op roof uitgaan.
De Britten afgericht op rooven en vrybuiten,
Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.
Vondel, Zeevaert.
Vrijbuiter, Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zeeroover. Antonides bezigt
in zijn IJstroom den min gewonen vorm: Vrijbuitenaar:
De zeevrybuitenaars verdelgende in hun vlucht.
Vrijhouden, b. w. -- Ontslaan, ontdoen, vrijwaren. Een schip van
water V--. Zie Lens. Een anker V-- (beletten dat het, by 't ophalen,
tegen het schip stoote).
Vrijzetten, b. w. -- Nagenoeg 't zelfde als Vrijhouden.
Vuil, b. n. -- Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of
andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust,
die met verborgen klippen is bezet.
Spreekwijze: V--e gronden bederven de kabels. Zie Kabel.
Vuilebras. z. n. v. (veroud). -- De tobbe of kuip, waar de varsebalie
het vleesch in plach te ververschen.
Spreekwijze: Hy trekt aan de V-- (hy werkt door, of verkeerd, tot
eigen schade)--om dat, wie aan de V--B trok, het vuile water over
't lijf kreeg.
Vuilen, z. n. m. mv. -- Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen,
of waarin het anker niet houdt.
Vuil water maken, o. w. -- Door den modder zeilen zonder vast te raken.
Vuist, z. n. v. -- Zware hamer, by 't scheepssmidgereedschap.
Vulhout, z. n. o. -- Hout, gebezigd om de luchten te vullen.
Vullen, b. w. -- De wind wordt gezegd de zeilen te V-- als hy die
doet volstaan.
Vullingsgaten, z. n. o. mv. of Walmgaten. -- Zoggaten, sleuven langs
al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende,
en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des
vaartuigs naar de pompen loopt.
Vullingsplank, z. n. v. -- Plank, waarin de Vullingsgaten zijn
aangebracht.
Vullings, z. n. v. mv. -- Openingen, die by het bouwen van een schip
langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan
lucht of aan water.
Vuren, o. w. -- 1o. Vuur geven, schieten. Zy hielden niet op met
V--. Vuur bakboord, Vuur stuurboord (lost het geschut van bakboord,
van stuurboordzijde).
2o. Lichten. Het water wordt gezegd te V--, wanneer de zee 's nachts
by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich
daardoor op een afstand kennen.
Vuur, z. n. o. -- 1o. Baak, kustlicht. Wy hebben het V-- van Marken
in 't gezicht (het licht van den Vuurtoren.) Op dien kaap is een
draaiend V-- geplaatst (een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar
zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.) Drijvend V-- (vuurschip,
dat tot baken dient.) Rood, oranjegeel V-- (gekleurd licht).
2o. Schot. V-- geven (schoten doen.) Over beide boorden V-- geven
(het geschut van wederszijden van het schip lossen.) Wy dwongen
den vyand zijn V-- te staken (met schieten op te houden.) Een goed
onderhouden V--.
3o. Branding. Zie Vuren. Een V-- in lij!
4o. St. Elmus V-- elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de
nokken en toppen vertoonen.
5o. In zijn gewone beteekenis: Als de wacht opgezeten, moet V--,
licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.
6o. Kanker, die het hout wegvreet. Zie Vervuren.
Vuurbaak, z. n. v. -- Zie Baak.
Vuurblaas, z. n. m. -- Benaming, welke men oudtijds aan een schip
van Vuren hout plach te geven.
Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) -- Flesch met buskruit gevuld, en van
een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke
schepen plach te werpen.
Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Natte huiden, waarmede men de
barrings tegen 't werpen van granaten plach te bedekken.
Vuurschip, z. n. o. -- Schip, dat tot kustlicht dient.
Vuurtoren, z. n. m. -- Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang
van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten
branden, om aan de schepen tot baak te dienen.
Vijgetouw, z. n. o. -- Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel
gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd
vroeger zeer algemeen gebezigd.
Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) -- Bouten, met yzeren banden
doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het
spoor te houden.