Spreekwijze: V-- achter iets zetten (haast maken.)

2o. Het Varen zelf. De V-- vermindert.

Spreekwijze: Het zal zulk een V-- niet loopen (het zal zoo erg

niet gaan).

Vaart, z. n. v. -- 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee

gelegen plaats of streek. De V-- op Oostindiën. De V-- op Bordeaux.

2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee

plaatsen tot stand te brengen. De V-- tusschen Amsterdam en Haarlem. De

Leydsche V--.

3o. Het Vaarwater. Er zijn dit jaar weinig schepen in de V--.

Het is een schippers woort, het is een oude leer,

Al waer geen Vaert en is, en hoeft geen baken meer.

Cats, Emblem.

Vaartgeven, o. w. -- Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe

koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.

Vaartuig, z. n. m. -- Algemeene benaming voor elk zeeschip of

zeeschuit. ZeilV--, RoeiV--, OorlogsV--, DriemastV--. Dat V-- is een

der grootste onzer vloot. Lichte V--en (sloepen, booten, jols enz.).

Vaarwater, z. n. o. -- Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk

volgen. Het Groot Scheeps V--. Een naauw V--.

Spreekwijze: Blijf in dat V-- (volhard in dat gedrag).

Uit het V-- geraken (van zijn onderwerp afdwalen).

Hij zeilt een verkeerd V-- (hy handelt verkeerd).

Het is een gevaarlijk V-- (het is een netelige zaak).

Hy ligt dwars in 't V-- (hy belet den voortgang der zaak).

Blijf uit mijn V-- (wees my niet in den weg).

Elkander in 't V-- zitten (elkander hinderlijk zijn).

Iemand uit zijn eigen V-- dringen (van zijn eigendom berooven).

Vaatjen, z. n. o. -- Klein tonnetjen. Een V-- buskruit.

Vaatwerk, z. n. o. -- Tonnen, kuipen, enz. Wy stuwden het V--.

Vaas, z. n. v. -- Draad, vezel. De benaming Vazen duidde aan boord

zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om

't schuren te beletten.

Spreekwijze: Het zijn maar vieze Vazen (maar snorrepijpen, maar

onbeduidende zaken).

Vadem, z. n. m. -- Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik

gemeten worden. Twintig V--en touw. Op die plaats is de diepte twintig

a dertig V--en. Groote V-- (van 1.884 el), Middelbare V-- (van 1.698

el), Kleine V-- (van 1.570 el), Fransche V-- (van 1.624 el), Deensche

V-- (van 1.884 el), Grieksche V-- (van 1.758 el), Engelsche V-- (van

1.829 el), Zweedsche V-- (van 1.782 el), Spaansche V-- (van 1.674

el), Portugeesche V-- (van 1.627 el), Napelsche V-- (van 1.624 el),

Russische V-- (van 1.832 el). Ende het dieploot uytgeworpen hebbende,

vonden sy twintich V--en. Handel. XXVII, 28. De diepte op alle

vaarwaters is bij V--en afgeteekend. Aldaar de wal tot op acht V--

aanloopende, moeten wy wenden.

Val, z. n. m of Kardeel. -- Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een

ra, een zeil, enz. op te hijschen. KluiverV--len, StagzeilV--len. V--

der bonnetten, LijzeilV--len (zie Piekeval). GrootmarszeilV--,

KruiszeilV--len, BramV--len, MarseV--len.--DobbelV--len (looze V--len,

dienende om andere in geval van nood te vervangen.) VlaggeV--,

WimpelV--.

Vallen, o. w. -- Dalen, gaan liggen. Het water is aan 't V-- (aan

't ebben.) De wind is aan 't V-- (waait minder hard.) Over boord V--

(in 't water V--.) Het schip wil niet V-- (niet van-de-wind gaan.) Van

de ra laten V-- (zie Ra.) In de boot V-- (in de boot springen).

Valling, z. n. v. -- Het overvallen, overhangen, vooruitsteken. De V--

van een mast. Dat schip heeft weinig V--. (De punt van den steven

springt niet ver vooruit). V-- der achtersteven (de hellende stand

van dat deel).

Valluik, z. n. o. -- Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.

Valpoort, z. n. v. -- Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery

sluit. Losse, looze V--. Dubbele, halve, halfopenstaande V--en.

Valreep, z. n. v. -- 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op

de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem,

die den trap opkomt of afgaat te helpen:--van daar

2o. Die plaats zelve.

Spreekwijze: Een glaasjen op de V-- (een glaasjen tot afscheid).

Valwind, z. n. m. -- Wind, die van over een berg of klip invalt. By

't inloopen van Porto Prayo, kregen wy een V-- van over de bergen,

waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.

Vangen, b. w. -- Grijpen, onderscheppen. De boei V--. De onderraas

met kettingen V-- (ze er in hangen.) Een zeil V-- (Zie Zeil).

Vanglijn, z. n. v. -- Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.

Varen, o. w. -- 1o. Oorspronkelijk: Met de trekschuit V--. Schuitjen

V--.

D'uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,

Meent Amsterdam is van dien avont leegh gevaeren.

Antonides. IJstroom.

2o. Een betrekking aan boord bekleeden. Hy Vaart als schipper, als

schieman, als licht matroos. Ten oorlog, ten koopvaardij V--.

3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig

spreekt. De bagijnebras Vaart langs het grootwant. De Marszeilvallen

Varen langs de masten, enz.

4o. 't woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen

van 't V-- aanduidt: hy heeft zich rijk Gevaren; hy heeft zijn schuit

lek Gevaren.

Spreekwijzen: Hoe Vaart gy? (De vraag naar iemands welstand is aan

het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).

Voor wind en stroom V-- (voorspoedig zijn).

Hy vaart tegen den stroom op (hy biedt alle hindernissen het hoofd).

In een anders zog V-- (een ander navolgen).

By den wal langs V-- (zich niet bloot geven, niets wagen).

Met dubbele passen V--. Zie Pas.

Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat (hy maakt veel omslag, hy is niet

klaar).

Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst (hy maakt veel leven over

niets).

Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart. (Hy is en blijft even dom).

Zy V-- in ééne beurs (zy handelen voor gemeene rekening).

Wie in de schuit is moet meêV--. Zie Schuit.

Waar men voor scheep komt, daar moet men voor V--. Zie Scheep.

Hy heeft de kooi lek Gevaren. Zie Kooi.

Het is kwalijk met hem Gevaren (slecht met hem afgeloopen).

Van Duinkerken ter haring V--. Zie Haring.

Varensgezel, z. n. m. of Varensman. -- Iemand, die zijn beroep van

de zeevaart maakt.

Varensman, z. n. m. -- Zie Varensgezel.

Varken, z. n. o. -- 1o. Legger, watervat.

2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.

Varkenen, b. w. -- Een schip met Varkens schoonmaken.

Varsebalie, z. n. v. -- 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch,

spek, visch enz. ververscht wordt.

2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voor V--.

Vast, t. w. -- V--draaien! V--halen! (komm. van uit te scheiden,

op te houden).

Vasteland, z. n. o. -- Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.

Vaste wal, z. n. m. -- Benaming van het land, in tegenoverstelling van

de zee. Hy is aan den V--n Wal gebleven (hy is aan land gebleven). Hy

is behouden aan W--.

Vastkeggen, b. w. -- Met keggen vastzetten.

Vastliggen, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het,

door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan

slingeren.

Vastmaken zonder opgaan, o. w. -- Een gespannen touw vastmaken,

zonder dat het minder strak staat.

Vastraken, o. w. -- Stooten, stranden, aan den grond raken. Wy Raakten

op een zandbank Vast.

Vastspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Vastzetten.

Vastwerken, b. w. -- Op het drooge Werken. Pas op, dat gy ons niet op

het land Vastwerkt. Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.

Vastzetten, b. w. -- Stijf vastmaken. De brassen V--, vóór dat 't

volk op de raas uitentert. Het roer V-- (de roertalies stijfhalen,

op het drooge werken.) De onhandige schipper Zette zijn schuit op

het zand Vast.

Vastzitten, o. w. -- Aan den grond zitten.

Vat, z. n. o. -- Ton. Zie HoosV--, KruitV--.

Vatten, b. w. -- Grijpen, vangen, houden. Dit zeil wil geen wind V--

(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.) Het anker

heeft eindelijk Gevat (een zijner armen heeft den grond geraakt).

Vechten, o. w. -- Slaan, strijden.

Vechtvlag, z. n. v. -- Zie Strijdvlag.

Veer, z. n. o. -- Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en

aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd

worden. Het Leydsche V--, het Goudsche V-. Kommissaris van het V--

(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).

Spreekwijze: Over de V--en gaan (overal aanleggen).

Veer, z. n. m. -- Zie Veerbouten.

Veerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan het achtereind met een kop

en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer

genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander

geplaatste spijkergaten voorzien. De V-- worden van rond yzer gemaakt

en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De

Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel

aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels

of bandnagels.

Veerhuis, z. n. o. -- Huisjen, waar de kommissaris van 't Veer zijn

kantoor houdt.

Veerman, z. n. m. -- Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.

Veerschip, z. n. o. -- Schip, dat aan een gezet Veer vaart.

Veerschipper, z. n. m. -- Schipper eener beurt- of Veerschuit. Zie

Beurtschipper.

Veerschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een vast Veer behoort.

Vegen, o. en b. w. -- Wordt overdrachtelijk in verschillende

beteekenissen gebezigd. De lucht is van wolken schoon Geveegd: Dat

schip Veegt er goed door (maakt veel gang.) Een Geveegd schip (een

schip, dat van onder scherp toeloopt.) De zee schoon V-- (vyanden en

roovers uit zee jagen).

Was nu de Straet geveeght van hun die luttel stuyten.

zegt Vondel in zijn klinkd. op het III Deel van 't Licht der Zeevaart.

Vellen, b. w. -- 1o. Omhakken, slechten, kappen. De masten

Vellen. Kosten van het V--. Zie Hakgeld.

2o. De fok V-- (veroud.) (die scherp in den windvang stellen).

Velling, z. n. v. -- Omhakking, slechting: de daad van Vellen.

Vendumeester, z. n. m. -- Beämbte, aan wien het toevoorzicht over

den verkoop van goederen is opgedragen.

Ventjager, z. n. m. -- Vaartuig 't welk, langs de schepen varende,

eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer,

zeildoek in betaling neemt.

Ventjagery, z. n. v. -- Het bedrijf der Ventjagers.

Veranderen, o. w. -- Van zeilen V-- (die, welke hangen, tegen andere

verwisselen.) Van koers V-- (een anderen koers nemen.) Van boeg V--

(wenden.) Van kwartier V-- (de wacht aflossen.) De wind verandert

(loopt om).

De droogte duurt; de lucht weet nog van geen Veranderen,

zegt Abjathar in Vondels Gebroeders.

Verband, z. n. o. -- Samenvoeging der deelen. Het V-- van een schip.

Verbeteren, b. w. -- Fouten herstellen, zich vergewissen. Het bestek,

den koers van een schip V--. De miswijzing V--. Volgends het uurbord

V-- (een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).

Verbinden, b. w. -- 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen. Het want V--

(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).

2o. Een schip V-- (veroud.) Het, door het verstuwen van eenige

ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste

scheepsdeelen, hoog zeilende maken.

Verbindingsklos, z. n. m. of Draagbalk. -- Boordstuk, op, en tegen

hetwelk een balk komt te leggen.

Verboden goederen. -- Zie Goederen.

Verbreedingstukken, z. n. o. mv. -- Twee planken, tijdelijk op de

beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge

doortochten, een spoediger werking voort te brengen.

Verdek, z. n. o. -- Naam, dien sommige Romanschrijvers en

Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. Zie Dek.

Verdrinken, b. w. -- Te laag by het water brengen. De battery V--

(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn

brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.) De

grootste wijdte van het schip V-- (het schip zoodanig door zijn

dracht laden, dat het in 't midden op zijn grootste wijdte beneden

de waterlijn komt.)

Verdrinken, o. w. -- In 't water omkomen.

Spreekwijze: V-- eer men water gezien heeft (zich zedelijk of

lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).

Verdubbelen, b. w. -- Een dubbele huid om een schip spijkeren.

Verdubbeling, z. n. v. -- 1o. Daad van Verdubbelen.

2o. De omgelegde huid zelve.

Vereenigingsbout, z. n. m. -- Zie Knevel.

Vergaan, o. w. -- Te gronde gaan, zinken. Er zijn met den laatsten

storm vele schepen V--. Met man en muis V--.

Zoo 't al moest zinken en Vergaan,

Waar bleef de zwaan?

Vraagt de Rei van Staatjufferen in Vondels Noach.

Vergadering, z. n. v. -- Het tegen elkander komen van twee stukken

van inhouten. V-- van een korte vrang en een onderbuikstuk. De V--en

worden loodrecht op het inhout gericht.

Vergasten, o. w. (veroud.) -- Veranderen van richting, als een gast

die vertrekt. Het tij Vergast.

Verhalen, o. w. -- Van ligplaats veranderen, in een dok of haven

liggende. Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op

stroom om uit te halen.

Verkennen, b. w. -- Onderzoeken. Land V--. Een baai V--. Verkend raken

(bemerken, waar men is).

Verkenning, z. n. v. -- Onderzoek. Er werden eenige schepen op V--

vooruitgezonden.

Verklaring (generale), z. n. v. -- Aangifte der lading, door de

binnenkomende schippers en stuurlieden by 't binnenkomen aan de

uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te

vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.

Verklikker, z. n. m. -- 1o. of Spaansche waker: kleine windwijzer,

gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.

2o. of Asciometer. Zie ald.

Verlaat, z. n. o. -- Sluis, uitwatering.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 64 / 74 题