Saaiem, z. n. o. -- Zeer naauw gebreid net, gebruikelijk voor de
garnalenvisschery.
Saiek, z. n. v. -- Soort van Levantijner vaartuig, met twee masten
voorzien en geen bramzeil voerende.
Welaen dan, zeit den Turk, met Saiken en Tartanen
En Roofgaleien, trots beschaduwt met zijn manen.
Antonides, Bell. aen bant.
Salueeren, b. w. -- Zie Begroeten. Met het geschut S--.
Saluut, z. n. o. -- Begroeting, eerbewijs, welke vaartuigen of vloten
elkander doen. Zie Begroeten. Het S-- weigeren. Het S-- beäntwoorden.
Saluutschot, z. n. o. -- Schot, dat als groet of eerbewijs gelost
wordt.
Samenvloeing, z. n. v. -- Plek, waar twee rivieren in elkander vloeien.
Samoreus, z. n. v. -- Groote aak, aldus genoemd omdat zy oorspronkelijk
op de Sambre en Maas voeren, zijnde S-- een samentrekking van
Sambre et Meuse.--Het afkomen in grooten getale van dergelijke
vaartuigen te Amsterdam deed aan de groote brug over den Amstel
(den zoogen. Hoogesluis) waar zy onder door kwamen, den naam geven
van Samoreuzenbrug, 't welk in den Franschen tijd door misverstand
vertaald werd met le pont des amoureux.
Samkyd, z. n. m. -- Turksch kustvaartuig.
Sampan, z. n. m. -- Klein Sineesch of Japansch kustvaartuig, zonder
spijkers of bouten, en alleen met houten nagels vastgezet.
Sandaal, z. n. m. -- Lichterschuit aan de noordkust van Afrika.
Sas, z. n. v. -- Kom of bassin, in de lengte van een vaart uitgegraven,
om er het water in te vergaderen, dat men naar vereischten door de
sluis, boven welke het gebouwd is, laat afloopen. S-- van Gent.
Satie, z. n. v. -- Soort van Levantijnsch vaartuigjen.
Schaaf, z. n. m. -- Werktuig dienende om de oppervlakte van het
hout gelijk te maken. Met den S-- over een plank gaan.--De S-- bijt
niet. Het huis, het blok van den S--, BoogS--, BoorS--, PlatS--,
RondS--, VlakS-- enz.
Schaal, z. n. v. -- 1o. Lijn, die in deelen wordt afgedeeld,
waarmede strepen, ellen, roeden, graden, minuten, mijlen, enz. worden
voorgesteld, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de
betrekking der afstanden en hoegrootheden, op de kaart ons aangewezen,
met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden, 't Woord
is van 't Lat. of Ital. scala (ladder, trap) en geheel iets anders als
scala, waar 't "schotel of schedel" beteekent. S-- van tien uur gaans,
S-- van tien mijlen. S-- van een lijn op de roede, van een Ned. duim
op de Ned. el. Die kaart is op een groote, op een middelbare, op een
kleine S-- vervaardigd.
2o. Hier 't zelfde als schedel of Wang.--Stuk hout, van meerdere
of mindere lengte, een weinig hol aan de eene en bol aan de andere
zijde, en dat men tegen een ander aanbrengt om dit laatste te
versterken. BalkS-- (op een balk.) Waarlooze S--en (die aan boord zijn
om in geval van nood te dienen.) ZijS--en (die tot de samenstelling van
een mast dienen.) Hoofd-- (stuk hout, dat, op het achterste gedeelte
eener onderra gewangd, strekt om het verwijderd te houden van den mast,
waar het aan hangt).
3o. De eerste en de laatste plank, die uit een ruwen balk gezaagd
wordt.
Schaar, z. n. v. -- Snijdend werktuig, dienende om iets af te knippen
of van een te scheuren. De tongen van dien bank steken uit als een
geöpende S--.
Schaarstokken, z. n. m. mv. -- Boordplanken, die hooger dan de overige
planken van het dek en op de balken gekeept zijn; zy begrenzen het
middel perk.
Schacht, z. n. v. of Stander. -- Spier, steng. S-- (of koning) van
het roer (zwaar stuk hout, dat zich uitstrekt van den boven- tot den
onderkant van het roer en gelijk met den onderkant der kiel eindigt).
Schade, z. n. v. -- Zie Zeeschade.
Schadeloos, Schaêloos, b. n. -- Beteekent niet "zonder schade,"
als men uit de gewone beteekenis van 't woord loos zou opmaken,
maar "met groote schade". Die schepen zijn S-- geschoten, zijn S--
binnengeloopen, (zoo, dat zy geen schade meer kunnen doen).
Schaffen, b. w. -- Opdisschen. Wat Schaft de kok van daag?
Schafmeester, z. n. m. -- Die gesteld is, om voor de proviand te
zorgen.
Schakel, z. n. m. of Schalm. -- Ring van een ketting.
Schaken, b. w. -- Vieren, botvieren. Zie Afschaken.
Schalen, b. w. -- Met Schalen voorzien, sjorren.
Schalm, z. n. m. -- Ring van een ketting. Ketting van 100 S--en.
Schalmen, b. w. -- Men noemt: De luiken S-- (de prezennings, waarmede
men die by ruw weer overdekt, met latten vastmaken).
Schampdek, z. n. o. -- Zie Schandek.
Schampen, o. w. -- Affluiten. Zie Afschampen.
Schampscheut, z. n. o. -- Schot, dat afschampt.
Spreekwijze: Het is maar een schampscheut. (Het heeft niet veel
te beduiden).
Schandek, z. n. o. -- Ook wel schampdek genoemd, doch waarschijnlijk
Schansdek, als zijnde het Dek nevens de Schans of verschansing.
Schans, z. n. v. of Verschansing. -- Het dek van het staande boord
des voorstevens wordt ook wel S-- genoemd.
Schanskleed, z. n. o. -- Gekleurde strook laken, waarmede men de
schepen by feestgelegenheden bekleedt. In de masten zijn aan de
achterzijde twee yzeren staanders, waardoor een yzeren leider loopt,
aan welken de S--en gespannen zijn.
Schanskleed, z. n. m. of Schanslooper (veroud.) -- Roerkleed, dat hy
aandoet, die by nacht of guur weer, de verschansing op en neder gaat.
Schanslooper, z. n. m. -- zie Schanskleed.
Schansnet, z. n. o. -- Net van lijnen, 't welk men aan boord van
oorlogschepen op yzeren leiders, die op staanders met dubbele armen
rusten, langs het staande boord spant en waartusschen zich geteerd
zeildoek bevindt. Daarin worden de kooien (hangmatten) gestuwd om
zich tegen het geweervuur van een vyandelijk schip te verschansen.
Schaven, b. w. -- Met een schaaf arbeiden, Effenen.
Schavielen, o. w. -- 1o. of Stukschavielen. Door gestadige wrijving
of schaving slijten en bederven. Dat touw begint te S--. 't Woord is
waarschijnlijk afkomstig van Schaven.
2o. Het S-- van den wind (het langzamerhand veranderen van den wind).
Scheep, bw. -- voor te scheep op of naar het schip. S--gaan, S--komen.
Scheep! Scheep! nu zijt getroost mijn lief! de tijt is kort,
zegt Gijsbreght tegen Badeloch.
Spreekwijze: Die voor hond S-- komt, moet knoken eten (men wordt
geëerd al naar dat men zich voordoet). 't Zelfde beteekent:
Daar men voor S-- komt moet men voor varen.
Ga niet S-- zonder beschuit (neem by het aanvangen uwer onderneming
de behoorlijke voorzorgen in acht).
Scheepjen, z. n. o. -- Klein Schip. Een net gebouwd S--.
Spreekwijze: Op het wel afloopen van 't S-- (is een oud Hollandsche
dronk, ingesteld op de voorspoedige bevalling eener aanstaande
kraamvrouw).
Zijn S--s op het drooge hebben (wat waarschijnlijk de oorspronkelijke
lezing is van het spreekwoord, in plaats van schaapjens, en met de
oude uitspraak van laatstgemeld woord overeenkomt). Zie Droog.
Scheeprijk, z. n. v. -- Rijk aan Schepen. Een S--e Haven (een haven,
waar zich veel Schepen bevinden).
Waarby den welstant groeyt van de Scheeprijcke steden,
zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart.
Scheepsbehoeften, z. n. v. mv. -- Al wat tot de uitrusting van een
schip behoort.
Scheepsbeschuit, z. n. v. -- Soort van harde Beschuit, die lang bewaard
kan worden, en daarom inzonderheid voor zeereizen wordt medegenomen.
Scheepsbestier, z. n. o. -- 1o. Bestier over een Schip.
2o. Bekwaamheid om een Schip te bestieren.
Scheepsboord, z. n. o. -- Boord van het schip.
Scheepsbouw, z. n. m. -- Kunst om Schepen te bouwen of het bouwen
zelf. De S-- heeft aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Die stad heeft
haar meeste vertier van den S--.