Scheepsch, bw. -- Is naauwelijks meer in gebruik dan in de volgende

Spreekwijzen: Geen S-- verstaan (de taal der zeelieden niet verstaan:

overdrachtelijk: geen kennis van de scheepvaart hebben).

Op zijn groot S-- (op zijn rijke-luis).

Scheepsgebruik, z. n. o. -- Gewoonte aan boord der schepen heerschende.

Scheepsgelegenheid, z. n. v. -- Gelegenheid om met een schip te

gaan. Hy is met S-- vertrokken. Hy moet aldaar lang verwijlen, by

gebrek aan S--.

Scheepsgevecht, z. n. o. -- Gevecht tusschen schepen.

Scheepsgezellen, z. n. m. mv. -- Manschappen. Hun rechten en

verplichtingen zijn vervat in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV,

art. 394-452.

Scheepsjongen, z. n. m. -- Knaap, die aan boord het geringe werk

verricht.

Scheepskist, z. n. v. -- Kist, die men aan boord noodig heeft.

Scheepskok, z. n. m. -- Kok van een schip.

Scheepskroon, z. n. v. -- Kroon van scheepssnebben, die by de Romeinen

vereerd werd aan den vlootvoogd na 't behalen van een zeetriomf,

en hoedanige in de allegorische voorstellingen op grafsteden van

zeehelden, op platen enz. veelvuldig voorkomen.

De zee Alciden, die zich wenschen in den brant

Te smoren, of bekranst met scheepskroon en laurieren,

In 't aanzien van de nijt, te helpen zegevieren,

Antonides Bellone a. B.

Scheepslengte, z. n. v. -- Lengte van het schip als afstandsbepaling

gebezigd. Wy liepen hem twee S--n afstand vooruit. De sloep was, toen

zy zonk, naauwlijks eene S-- van ons af. Men moet die twee werken

een S-- uit elkaêr zeilen.

Scheepsmakelaar, z. n. m. -- Makelaar, die zich met het bezorgen van

schepen, bevrachting enz. bezig houdt.

Scheepsofficieren, z. n. m. mv.--Benaming van hen, die, op een

koopvaardyschip, onder den schipper met eenig bevel of toezicht

belast zijn, als de Stuurlieden, Bootslieden enz. Lees hun rechten

en verplichtingen in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art 394-452.

Scheepsraad, z. n. m. -- Krijgsraad, die aan boord van een schip

belegd wordt. Wy moeten S-- beleggen.

Scheepsrecht, z. n. o. -- Recht, aan boord van een schip gedaan.

Spreekwijze: Drie maal is S-- (alle goede zaken bestaan in drieën):

het gezegde is daarvan herkomstig, dat aan boord vele zaken in drieën

gedaan worden. Zoo hoort men by het strakzetten van stag en want Een,

twee, drie! Zet aan! Zoo wordt een Hoezee driewerf aangeheven. Zoo,

wanneer een lijk, dat in zee begraven zal worden, op een plank aan

de valreep gelegd is, wordt het met een: een, twee, drie, in Gods

naam, over boord gezet. Een onbetamelijkheid gedurende het schaften

wordt met drie slagen gestraft: by welke gelegenheid hy die met de

kastijding belast is, de volgende formule opzegt:

"Dat 's voor de bak" (meteen een slag op de bakskist gevende).

"Dat 's voor je g--t."

"Dat 's voor je kwaad doen."

"En dat 's op dat je 't niet weer zult doen."

Verspreekt hy zich, dan moet hy de kastijding zelf ondergaan. Deze

straf, waarby vooral zout op de bakskist moet gestrooid zijn, wordt

genaamd: "een kapjen."

Scheepstimmerman, z. n. m. -- Handwerksman, die 't zij schepen bouwt,

't zij masten, raas, of andere scheepstoebehooren vervaardigt. De

Oppertimmerman behoort aan boord tot de scheepsofficieren.

Scheepstoebehooren, z. n. o. -- Masten, raas, enz. al wat tot de

tuigaadje van een schip behoort.

Scheepstriomf, z. n. m. -- Overwinning, door Schepen behaald.

Scheepstuig, z. n. o. -- 't Zelfde als Scheepstoebehooren.

Scheepsvaarwater, z. n. o. -- Zie Vaarwater.

Scheepsvolk, z. n. o. -- Zy die dienst doen aan boord van schepen. Zie

Manschap, Zeevolk.

Scheepswerk, z. n. o. -- Werk, dat aan boord verricht wordt. S-- doen.

Scheepvaart, z. n. v. of Zeevaart. -- De vaart met schepen. Handel

en S-- waren van ouds de bronnen onzer welvaart. Binnenlandsche S--

(die op de binnenwateren wordt uitgeöefend).

Scheer, z. n. v. -- of Schaar. Zoo worden die banken genaamd die in

twee verreuitstekende punten even als een geöpende schaar, uitloopen;

deze zijn daardoor gevaarlijker, dewijl men zich in een dier punten

kan vergissen.

Gesloopt, verzant, gestrant, op riffen en op scheeren.

Vondel, het lof der Zeevaart.

Scheerbout, z. n. m. of Spiebout. -- Bout, die tot scheer of spijl

dient.

Scheergang, z. n. v. of Sent. -- Zie ald.

Scheerhaak, z. n. m. -- Benaming voor het hout, de lat, den afstand

bevattende van het Scheren der Wevelingen (zie Wevelingen).

Scheerlijn, z. n. v. of Zwichtlijn. -- Zie ald.

Scheerstokken, z. n. m. mv. -- Zie Schaarstokken.

Schef, z. n. m. (veroud.) -- Lange stok, gelijk een ragebol gebezigd

om te duiveljagen, of te traven.

Scheg, z. n. v. -- Getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt,

en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woeling van den

boegspriet.

Scheggelood, z. n. o. -- Strook Lood, die langs den voorkant der

Scheggen van het bitstuk wordt gelegd, en zich van den bovenkant der

dubbeling tot onder de kiel uitstrekt.

Schelp, z. n. v. -- Zie Schulp.

Schenen, z. n. v. mv. -- Yzeren plaat, waarmede de inlating van een

roer of van een kaapstander bekleed wordt.

Spreekwijze: Iets voor de S-- hebben (iets hebben, waar men op

steunen kan). Iemand iets voor de S-- smijten (hem een onaangenaam

verwijt doen).

Schenkel, z. n. m. -- Zie Schinkel.

Schepeling, z. n. m. -- Al wie zich aan boord bevindt, met uitzondering

van de passagiers.

Schepen, b. w. voor Inschepen. -- Zelden meer in gebruik, dan in

zijn afleidingen en samenstellingen. Zie Gescheept, Inschepen,

Uitschepen enz.

Schepnet, z. n. o. -- Net, waar visch mede geschept wordt.

Scheppen, b. w. -- Eig.: Water putten met een Schepper of

lepel.--Oneig. inademen, tot zich nemen. Lucht S--. Een zeil laten S--

(het den wind half laten vatten).

Spreekwijze: Men Schept het hier uit geen sloot ('t is hier zoo

ruim niet).

Schepper, z. n. m. -- Hoosvat, lepel, waar men mede Schept.

Scheren, b. w.--De touwen zoodanig stellen, dat zy heen schieten door

de bloks en langs de richtingen, welke zy moeten doorloopen. Die looper

is goed Geschoren (hy komt waar hy wezen moet). De kabelaring S--

(die om het spil leggen).

Scherp, b. n.--Snijdend, hoekig. Een S--e kant, S--e rotsen. 't Is

een S--e wind (een wind die iemand als in 't gezicht snijdt). Een

S--e zeiler (die de golven met snelheid klieft).

Scherp, b. w. -- 1o. Snijdend, S--e zeilen. Het waait S--.

2o. Hevig. Er werd S-- gevochten. Het ging er S-- toe.

3o. Bekrompen, als 't ware S-- afgemeten. Wy hadden S-- half wind. Wy

kwamen S-- dien hoek om.

4o. Dicht S-- aan-den-wind zeilen.

Scherp, z. n. o. -- Alle yzerwerk aan boord, 't zij kogels, bouten,

schroot enz. Met S-- schieten (in tegenoverstelling van "met los

kruid") Zet er dubbel S-- op (laadt dubbel).

Scherpen, o. w. -- Tegen loopen. De wind begint te S-- (uit een

verkeerden hoek te waaien).

Schets, z. n. v. -- Afteekening, plan. De S-- van een schip.

Scheur, z. n. v. -- Opening, spleet, loslating der deelen. Er is een

S-- in 't hout. Er is een S-- in die wolk.--(veroud.) Bui.

Scheurbuik, z. n. v. -- Ziekte, waaraan de zeevarenden by verre tochten

zijn blootgesteld, en die zich openbaart door het zwellen en bloeden

van het tandvleesch.

Scheut, z. n. v. -- 't Zelfde als Schot of Schoot.

Spreekwijze: Een S-- onder water krijgen. (Een zet of verwijt krijgen,

dat die het treft, zeer goed voelt, ofschoon de omstanders 't niet

merken).

Scheut geven, b. w. -- Bot geven, Vieren.

Schieman, z. n. m. -- Onderofficier aan boord, die met het opzicht

over de tuigaadje enz. van het voorschip belast is.

Volgends Winschoten zoû het woord eigenlijk Schimman moeten luiden en

zoo veel beteekenen als Schim of schaduw van den Hoogbootsman. Volgends

Bilderdijk zoû 't Schuimman zijn, omdat hy, toen de schepen lager en

kleiner waren, altijd in het schuim stond. Beide afleidingen komen

my even gedrongen voor. Waarom behoeven wy zoo ver te zoeken wat,

dunkt my, zich als van zelf voordoet. Schiën beteekent volgends

Bilderdijk zelf (zie zijn Gesl. in v. Schip) "voortstreven," waarvan

Schieten een frequent is. Kan dus niet Schieman eenvoudig "voorganger"

beteekenen, 't zij om dat hy de bootslieden voorgaat, 't zy om dat

hy zijn werk op de voorplecht verricht? Even zoo beteekent S-- een

"voortschietende schuit."

Schiemannen, b. w. -- Opredderen, bepaaldelijk: het tuig.

Schiemansgaren, z. n. o. -- Zie Garen.

Schiemansgasten, z. n. m. mv. -- Matrozen van het voorschip.

Schiemansmaat, z. n. m. -- Hulp, adjunkt van den Schieman.

Schieschuit, z. n. v. -- Soort van trekschuit. Zie Schieman.

Schietbout, z. n. m. -- Yzeren Bout, dienende om het kanon te laden.

Schieten, o. w. -- 1o. Geschut of vuurwapenen lossen. Met gloeiende

kogels, met los kruit, met scherp, met kogels, met een blikken doos

S--. In het volle hout, in den romp van een schip S--. Met opene

geschutpoorten S--.

Spreekwijze: Met spek S--. (Dit werd oudtijds gedaan om schepen

in brand te schieten: by goede voorzorgen deed het echter weinig

uitwerking, maar gaf des te meer stank. Hiervan werd aan de uitdrukking

langzamerhand de beteekenis gehecht van: "iets zeggen, dat heel wat

klinkt (riekt) maar in den grond weinig te beduiden heeft."

2o. Zich met snelheid bewegen. De visch Schoot als een pijl door de

baren. Een schip voorby S--.

3o. Zich vrij bewegen. Laat dat touw wat S--. (Laat het wat minder

gespannen staan).

4o. Van zijn plaats gaan. De ballast Schiet. Zie Ballast.

Schieten, b. w. -- 1o. Uitwerpen, omwerpen, byvieren, losgaan. Een touw

rondS-- (een touw in de rondte op den grond oprollen). De netten S--

(uitwerpen). Een steng S-- (laten zakken). Ballast S-- (verwerken).

2o. Treffen. Een walvisch S-- (hem met een harpoen treffen). Een

schip reddeloos S--.

3o. Waarnemen. De zon S--, een ster S--.

Gelijk mijn zanggodin, hier eindlijk meê gelant

Geen maghtiger gestarnt kan met haar graadboog schieten

Als 't geen de heirbaan wijst aan alle zeen en vlieten.

Antonides, IJstroom.

Schietgat, z. n. o. -- Opening, waardoor geschoten wordt; min

gebruikelijk dan Geschutpoort.

Schietgeweer, z. n. o. of Vuurwapen. -- Geweer, waarmede geschoten

wordt.

Schietschuit, z. n. v. of beter nog Schieschuit. -- Soort van markt-

of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zy door de vaart Schiet.

Schild, z. n. o. -- Wapenbord, dat op den spiegel van jachten en

andere schepen prijkt.

Schildbank, z. n. m. -- Zware plank, tot steun dienende aan de enden

van het braadspit.

Schildhoofd, z. n. o. -- Hout, dat de gedaante van een Hoofd heeft,

dienende eensdeels tot cieraad, anderdeels om touwen aan te beleggen.

Schildknoop, z. n. m. -- Knoop, in een touw, die als een Schild dient

om het doorschieten van het touw tegen te gaan.

Schildpad, z. n. v. of Schootbos. -- Plat blok, langer dan de gewone,

en voorzien met een yzeren hoekstrop, ten einde er een touw in te

doen keeren. De strop kan met een scharnier geöpend en gesloten worden.

Schinkel, z. n. m. of Schenkel. Zie Draairing. -- Kort en dik

touw om een mastkop en waarvan de enden op het want hangen. S--

van het sloeptakel. S-- van een bras, brasS--. S--s voor de

onderlijzeilsvallen. RiftalieS--. PoortS--. (Touw waarvan de beide

enden door 't scheepsboord heenloopen en vast gemaakt zijn aan

de ringen van de geschutpoortluiken, welke daarmede kunnen worden

opengehaald en opengehouden).

Schinkelhaken, z. n. v. mv. -- Strop of leng, met een Haak aan ieder

end voorzien en dienende om vaten mede op te hijschen.

Schip, z. n. o. -- Algemeene benaming van alle groote vaartuigen,

die in zee gaan. OorlogS--. LinieS-- (die ten oorloge uitgerust

zijn). AmiraalS-- (dat de Amiraalvlag voert). VlaggeS-- (dat een

kommandant aan boord heeft.) S-- van den eersten rang (dat 120

stukken voert.) S-- van den tweeden rang (van 100 stukken.) S--

van den derden rang (van 90 stukken.) S-- van den vierden rang

(van 80 stukken.) VrachtS--, BeurtS--, VeerS--, StoomS-- enz. S--

dat in lading ligt. S-- dat voor anker, dat op de reede ligt. S--

dat onder zeil is. Opgelegd S--. Gehavend, ontredderd S--. Gerazeerd

S-- (linieschip, waarvan het bovenste is afgezaagd.) Blank S--, (dat

schoon gespoeld is.) Het S-- Argo, Pallas. De zee maakte schoon S--

(spoelde alles van het dek af.) Het gaat over S-- en goed. (De schade

raakt niet alleen de reeders, maar ook de eigenaars der ingeladen

goederen.) Vrij S-- vrij goed.

Spreekwijze: Dure Schepen blijven aan wal. (Juffers, die haar waar

te veel op prijs houden, komen niet aan den man).

Hy reedt mede aan dat S-- (hy is mede in de zaak betrokken).

Het is een diepgaand S-- (hy heeft veel noodig om zijn uitgaven

te dekken).

Groot S-- groot Water (hoe meer uitgaven men doet, hoe meer men

noodig heeft).

Het S-- aan de zee overgeven (iemand aan zijn lot overlaten, de handen

van hem aftrekken).

Het is een S-- daar men de hand aan moet houden (het is iemand,

dien men niet veronachtzamen moet).

Het is tusschen Kaai en S-- gevallen (het is weggeraakt).

Het S-- moet op de helling. Zie Helling.

Een S-- op strand, een baken in zee. Zie Baken.

Daar komen zoo groote Schepen aan als er afvaren (er zal zich nog

wel een gelegenheid opdoen--meestal tot vertroosting aangewend,

als een huwelijk afraakt).

Oude Schepen blijven aan land (oude vrijsters vinden geen man).

Schoon S-- maken (zijn maag van het overtollige ontlasten).

Klein S--, klein zeil (kleine huishouding, kleine zorgen).

Het kan beter van een S-- dan van een schuit (rijken kunnen het beter

missen dan behoeftigen).

Het S-- dragende houden (zich in denzelfde staat houden).

Zie verder Scheep, Scheepsch, Scheepjen, Zeeschip, enz.

Schipbreuk, z. n. v. -- Verlies van een Schip dat strandt of

vergaat. Het woord wordt zelden anders gebezigd dan als onderwerp van

het w. w. lijden of ondergaan. Zy hebben op een bank S-- geleden. De

bepalingen van hetgeen by S-- in acht genomen moet worden zijn te

vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, Art. 545-568.

Spreekwijze: S-- lijden. (Missen, of verliezen wat men beöogd of

gewenscht had). Zoo: S-- lijden in zijn verwachting.--Zijn uitzichten

leden S-- op den tegenzin des mans, van wien de vervulling daarvan

afhing.

Schipbrug, z. n. v. -- Brug, over een rivier, uit nevens elkander

liggende platboomsschuiten met planken belegd samengesteld.

Schipper, z. n. v. -- Gezachvoerder op een koopvaardy- of ander schip,

dat niet ten oorloge is uitgerust. Ook aan hem, die een schuit voert,

wordt de naam van S-- toegekend. BeurtS--, VeerS--, TurfS--, S-- op

een trekschuit. Aan boord van een oorlogschip, is de S--, de hoogste

dekofficier, belast met het bestier van alle scheepswerk, en het beheer

der scheepsbehoeften. Zie Ouwe (de). De rechten en verplichtingen

van den S-- zijn aangewezen in het Wetb. van Kooph. Boek I, Tit. V.,

Afd. III, Art. 91-98, en Boek II, Tit. III, IV Art. 341-452 en in

Art. 8, 9, 10, 12, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 37, 38, 54, 55,

59, 60, 61, 62, 69, 153, 205, 209, 210, 211, 212, 221 en 231 der

Alg. Wet van 26 Aug. 1802.

Spreekwijze: Hy is S-- te voet geraakt (hy is afgezet, van zijn

bediening ontslagen).

Hy is S-- en stuurman tevens. (Hy neemt de besluiten en voert ze

uit. Zoo zegt Hooft van Prins Willem I "dat Godt hem wijsheid en

wakkerheid verleende, om als Schipper en stuurman tevens, in d'

uiterste raet, zoowel heilsame order te geven, als gedurighlijck aen

't roer te staen.")

S--s pozen niet wanneer zy onder zeil zijn. (Knappe lieden laten een

zaak niet varen die zy begonnen hebben.)

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 55 / 74 题