Somtijds wordt ook de stad zelve, waar de R-- aan gelegen is, met
dien naam bestempeld. Zoo zegt Vondel in zijn Lof der scheepvaart.
Elck deser steden was een wijdvermaarde Reede.
En de stad Goedereede of Goeree heeft er haar naam van.
Reeder, z. n. m. -- Hy, die een vaartuig uitrust of helpt uitrusten ter
kaap- of koopvaart. De rechten en verplichtingen der R--s onderling
tot den schipper, enz. zijn bepaald in het Wetb. van Kooph. II B II
T. art. 320-340.
Reeden, b. w. -- Uitrusten, gereed maken.
Reedery, z. n. v. -- Maatschap van Reeders. Zie Reeder.
Reef, z. n. v. -- Smalle strook zeils. Zie Rif.
Reeling, z. n. v. -- Samengetr. uit Regeling. Het dek tot aan de R--s
vol water.
Reep, z. n. v. -- End touw. Zie DraaiR--, KlokR--, ValR-- enz.
Reeven, o. w. -- Reven innemen, insteken; de zeilen inkorten. Dicht
Gereefde zeilen (alle zwevende zeilen vastgemaakt, verkort). Voor
Gereefde fok lenzen voor 't Gereefd grootzeil byleggen.
Reef, o reef en plooi somwijlen
Het al te zwellend zeil en schroom het overijlen.
Bilderdijk. Ziekte der geleerden.
Regalen, z. n. o. mv. -- Stukgoederen, niet tot de lading behoorende.
Regatta, z. n. v. -- Zeiloefening te Venetiën.
Regelingen, z. n. v. mv. -- Kromme en met snijwerk voorziene lijsten,
die den zwanenhals zijdelings schoren, de wanden van het galjoen
helpen vormen, en tot steun dienen van den botteloef.
Regen, z. n. m. -- Water, dat in druppelen uit den hemel valt.
Spreekwijze:
R-- breekt geen masten
Maar maakt slappe gasten.
Na R-- komt zonneschijn (voorspoed volgt op tegenspoed).
Reggen, b. w. -- De masten in lichte vaartuigen leggen: een mast op
zijn Reg of rug leggen.
Reilen, o. w. -- Thands buiten gebruik; maar dat, even als 't
Eng. reel, "draaien" beteekend moet hebben. Het is alleen nog gebleven
in de
Spreekwijze: Zoo als het Reilt en zeilt (zoo als het daar is: met al
zijn toebehooren):--ten zij men hier Treilt en zeilt moet lezen. (Zie
Treil).
Reiltop, z. n. m. -- Vlaggestok.
Reis, z. n. v. -- Tocht. De schepen hebben een voorspoedige R--
gemaakt. Wy hebben zwaar weer op R-- gehad. De terugR-- was beter
dan de heenR--. De R-- aannemen (vertrekken).
Spreekwijze: De groote R-- aannemen (sterven).
Retoer, z. n. v. -- 1o. Retoervracht, teruglading. Goederen, die
een schip voor zijn terugreis inlaadt en ruilt tegen die welke het
heeft aangebracht.
2o. De voordeelen dier terugvracht. De R--en zijn niet voordeelig
geweest (De terugvracht heeft slechte rekening gegeven).
Retoerschip, z. n. o. -- Schip, dat terugkeert. In de oorlogen met
Engeland werden veel Retoerschepen door den vyand genomen.
Retoervloot, z. n. v. -- Naam, welken men plach te geven aan de
vloot der Kompagnie, die uit de volkplantingen naar 't moederland
terugkeerde. De O. I. R--. De W. I. R--.
Retoervracht, z. n. v. -- Zie Retoer.
Reveille, z. n. v. -- Trommelgeroffel, dat met het krieken van den
dag plaats plaats heeft om het volk aan boord te wekken.
Rib, z. n. v. -- Strook houts, of balk, waarvan de verzameling
het geraamte van een schip uitmaakt even als de R--ben dat eens
menschenlichaams.
Ja, dan stoven balk en ribben uit de slingerende kiel.
K. W. Bilderdijk. Ralowsburg.
Ribbetjen, z. n. o. -- Kleine Rib. Het R-- van een luik; het R--
onder den bovensten spiegelboog.
Richten, b. w. -- Rechten, stellen. Zie Rechten. Het Geschut
R-- (pointeeren). Op het kernschot R--, recht vooruit R-- (het
mikpunt horizontaal nemen en het stuk in het midden van de poort
stellen). Schuins R--, baksen (de monding van het stuk naar den kant
van het voor- of van het achterschip wenden). Op het vaste boord, op
den romp R-- (het mikpunt op het midden der hoogte van het vyandelyk
schip nemen, in de richting van den grooten mast.) Op een grondschot
R--, dompen (het mikpunt beneden de waterlijn nemen.) Dat tuig is goed
Gericht, d. i. de raas zijn vierkant en waterpas gebrast en getopt.
Riem, z. n. m. of Roeispaan: -- min of meer lange spaan, tegen het
uiteinde waarvan een platte lepel of blad vastgespijkerd is, en
met behulp waarvan men het water terugdrijft en een vaartuig doet
voortgaan. Met een R-- sturen (door middel van een R-- in plaats
van roer, het vaartuig in zijn richting houden.) RoeiR--, StuurR--,
met kracht van R--en. Dubbele R--en (korte R--en, wier lengte twee
roeiers op denzelfden bank gedoogt). Enkele R--en (waarvan het end
binnen boords belet, dat er meer dan een roeier gezeten zij op elken
bank.) ScheepsR--en (zeer lange R--en, welke men door de geschutpoorten
van het achterschip brengt om brikken en lage vaartuigen by groote
stilte in beweging te brengen.) R--en snijden (met het vlak boven water
houden.) Vaartuig van N R--en (zoodanig ingericht, dat men N R--en kan
gebruiken om het voort te roeien.) Twintig R--en te water! (komm. om
20 R--en uit te brengen.) R--en op! R-- te boord (komm.).
Spreekwijze: Eerst in de boot, keus van R--en (wie eerst komt, die
eerst maalt).
Men moet roeien met de R--en die men heeft (men moet zich van de
bestaande middelen of werktuigen bedienen, al zijn zy de beste niet).
Hy roeit met zijn eigen R--en (hy beproeft zijn eigen krachten).
Iemand op zijn eigen R--en laten drijven (niet naar hem omzien,
hem laten voortsukkelen).
Een R-- onder 't zeil steken (met een R-- aan den lijkant roeien,
om het vaartuig meer aan-de-wind te houden: alzoo: meer kracht of
vaart aan de zaak byzetten).
De R--en binnenhalen (de zaak laten varen).
De siel is als een boot, die met ons gants vermogen
Wort tegen stroom geroeit en krachtig opgetogen
Gewis soo ons de riem maar eenmaal stille staat
Is 't zeker, dat de schuit in haast te rugge gaat.
Cats.
Riemblad, z. n. o. -- Het blad, of plat van een Riem, waarmede het
water in 't roeien geschept wordt.
Riet, z. n. o. -- Biezen, gewas, dat zich in de binnenwateren en ook
aan den mond der rivieren veelvuldig voordoet.
Spreekwijze: De boot in 't R-- sturen (iets in de war sturen: omdat een
schipper, zijn vaartuig in 't R-- sturende, zeker is, vast te raken).
Rietpark, z. m. o. -- Weer, vischput: soort van omtuining, met staken
enz. aan den oever der zee gemaakt, om visch te vangen en te bewaren.
Rif, z. n. o. of Reef, beide in 't mv. Reven. -- 1o. Gedeelte of strook
van een zeil, die by te sterken wind moet worden ingenomen. Een R--
insteken, innemen (het zeil in zijn hoogte inkorten). Een R-- uitsteken
(de seizings, die het op de ra vasthielden, weder los maken.) Aan
het laatste R-- zijn al de Reven inhebben.
Spreekwijze: Een Reefjen inbinden (zijn staat verminderen). Een
Reefjen losmaken (als men zich vol gegeten of gedronken heeft, een
broek- of vestknoop losmaken, om wat luchtiger te zijn).
2o. In 't mv. Rifs, Riffen: Rei van klippen, koraalbanken, enz., de
gedaante hebbende van een Rib, welk woord oorspronkelijk dezelfde
beteekenis had als R--. Het Schager R-- (een plaat aan den mond
der Oostzee).
Hier keert hy ze achter 't rif van Schagen
Daar in het Amelandsche rak.
Oudaan. Zweedse hoogmoed.
Rifband, z. n. m. -- Zie Seizing.
Rifleuvers, z. n. m. mv. -- Zie Leuvers.
Riflijn, z. n. v. -- End touw, dat in het rif van het onderzeil
gestoken wordt om het op het onderlijk te reeven.
Riftalie, z. n. v. -- Touw, waarmede het zeil by het reeven aan de
nok van de ra wordt uitgehaald.
Riggel, z. n. m. -- Regel, lat; strook houts, die op de naden tusschen
de planken gespijkerd wordt.
Ring, z. n. m. -- Cirkel van yzer, hout of koord. Zie AnkerR--,
RaR-- enz.
Ringbout, z. n. n. -- Yzeren of metalen bout, met een ring er aan,
in het boord gedreven en dienende om de rolpaarden tegen boord te
halen en vast te maken: ook midscheeps in het dek om het geschut
achteruit te halen.
Rob, z. n. v. -- De maag van groote visschen.
Spreekwijze: Hy slokt het al in zijn R-- (hy haalt alles naar zich
toe).
Roede, z. n. v. -- Ra, die in schuinsche richting aan den bezaansmast
hangt en dient om de bezaan op te houden.
Roef, z. n. v. -- Overdekte plaats in post- of trekschuiten, en andere
kleine binnenvaartuigen, waarin zich gewoonlijk de passagiers bevinden
of waarin men by slecht weer gaat schuilen. De ingang tot de R--
bevindt zich gewoonlijk tegen over den stuurstoel.
Roei, z. n. m. -- voor Roede (veroud.) voor Riem.
Roeidol, z. n. -- Opstaande pen in het boord van een roeivaartuig
geslagen om de riemen tegen te houden.
Roeien, o. en b. w. -- Een vaartuig door middel van Roeien, of
Riemen besturen. Met lange slagen R--, overlangs R-- (zoo dat elke
riemslag een gelijken cirkel beschrijft en met kracht aangehaald
wordt.) In-de-wind R--, op het zeetjen R-- (tegen wind, tegen stroom
R--.) Stuurboord, bakboord R-- (zich alleen bedienen van de riemen,
die rechts of links geplaatst zijn.) Gelijk R-- (van beide zijden
R--en.) R-- die klaar is, ophalen (de eenige riemen, die gereed zijn,
gebruiken). Met hangende bladen R-- (R-- zonder het water te doen
opspatten.) Komm. Geroeid! (uitscheiden, ophouden met roeien).
Spreekwijze: Men moet R-- met de riemen die men heeft (men moet zich
weten te behelpen).
Tegen den stroom is 't kwaad R-- (het is moeilijk, zich tegen de
openbare meening, de omstandigheden, of een overmachtigen invloed,
te verzetten).
Hy Roeit er aan of onder (hy heeft er de hand in).
Onder het staande zeil is goed R-- (het gaat gemakkelijk als men rijk
is, of als men krachtige hulp heeft).
Onder 't zeyltjen is goed roeyen,
Want 't sal niemant light vermoeyen.
Cats.
Met tien riemen naar lager wal R--. (Den boel opmaken, zoo dat men
't verderf te gemoet gaat).
Roeier, z. n. m. -- Hy die roeit. Een handig R--. Een sloep met tien
R--s bemand.
Roeiklamp, z. n. v. -- Klamp, op het dolboord geplaatst om steun aan
den riem te geven.
Roeistrop, z. n. m. -- Strop, aan den roeidol vastgemaakt, dienende
om er een riem door te steken.
Roeper, z. n. m. -- of Scheepsroeper. Blikken of koperen
spreektrompet, met behulp waarvan men zich op verren afstand kan
laten hooren. Enkele R--. SchuifR--. Groote R-- (die ingeschoven kan
worden.) GevechtsR--. BatteryR-- (die recht op en neêr de bevelen,
die boven gegeven worden, in de batteryen doet verstaan).
Roer, z. n. o. -- Getimmerte, waarvan de beide zijden evenwijdig
uitgestrekt en gelijk zijn, terwijl haar dikte onbeteekenend is in
verhouding tot haar overige uitgebreidheid. Het R-- is onmisbaar aan
elk zeevaartuig, om de werking, welke het ontfangt, daaraan mede te
deelen, en er een horizontale wending aan te geven, waartoe zijn
stelling aan het achterschip het in staat stelt. Hoek van het R--
(hoek, welken het R-- beschrijft, en die nooit grooter wezen kan dan
34 graden.) Het R-- over een ander boord leggen (de tegenzijde van
het R-- aan den aandrang van het water blootstellen.) Het R-- verkeerd
aan boord leggen (als het schip deinst of achteruitzet.) Uit zijn R--
loopen (als door hooge zee het R-- uit het water komt.) Goed naar het
R-- luisteren, scherp op zijn R-- zijn (wordt een schip gezegd te doen,
wanneer het gemakkelijk de werking van het R-- volgt.) Aan het R--
staan (sturen.) Te R-- staan.
En zoo lang om Noord en Zuyen
By den baas te roer gestaen.
Huyghens.
Het grootst gewelt, de grootste kraght
Wort in den haast tot niet gebraght,
Ten zy dat wysheit voor en na,
Ten zy beleid te roere sta.
Cats.
Spreekwijze: Het R-- in handen hebben (de zaak besturen).
Het R-- van Staat (de regeering, het hoofdbewind).
Hy is aan 't R-- gekomen (aan 't gezach).
Hou uw R-- recht (val niet, waggel niet).
Het R-- is van 't schip (er is geen orde of tucht).
Het R-- ligt er naar (het moet er mede door).
Zijn poos te R-- staan (zijn beurt hebben).
Hy houdt het R-- in het water (hy houdt de zaak aan den gang).
Men luistert niet naar het R-- (men is ongehoorzaam).
Hy steekt het R-- in de heg (hy scheidt uit met varen, hy blijft
aan land).
Hy hangt het roer aan de scheg (hy werkt geheel verkeerd).
't R-- aan boord leggen, en vast zetten (binden); dit geschiedt als
men voor storm bygedraaid is.--(Men heeft in tegenspoed alles gedaan
wat men konde doen, en moet nu op beter hopen.)
Het hoofd is het R-- van 't schip.
't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert
Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert.
Bilderdijk, Ziekte der Gel.
Roerband, z. n. m. -- Yzeren band, waarmede het Roer bedwongen
wordt. Ende als sy de anckers opgehaelt hadden, gaven sy het schip
de zee over, met eenen de R--en losmakende. Handel. XXVII: 40.
Roerganger, z. n. m. -- Man, die aan 't Roer staat.
Roerhaken, z. n. v. mv. -- Haken, aan het Roer van een schip gehecht,
met pennen voorzien, die in de openingen van de vingerlingen komen.
Roering, z. n. v. -- Bewoelingsbekleeding van den ring van het
Anker. Zie Ankerroering.
Roerklomp, z. n. m. -- Zogklomp, hak, klik van 't Roer. Stukken
eikenhout, aan de schacht vastgeklonken en het buitenste, uitspringende
gedeelte van het Roer vormende.
Roerpen, z. n. v. of Inspit. -- Hefboom, die met het eene einde in
de schacht vastzit, en met behulp waarvan men het Roer wendt.
Roersleuf, z. n. v. -- Sleuf, welke men gewoonlijk vindt op den
smalsten rand van het Roer.
Roerstel, z. n. m. -- Toestel, waarmede het Roer aan het schip hangt
en waardoor het draaien kan.
Roertalie, z. n. v. -- Talie, met metalen kettingen aan het Roer
bevestigd en dienende om het vast te zetten. Ook Noodtalie genaamd,
omdat men er, wanneer de roerpen gebroken is, het roer door moet
besturen.
Roezemoezig, b. n. -- Wild, onstuimig. R-- weer.--'t Ziet er R-- uit.
Roezemoezen, z. n. m. mv. -- Yzeren of gegoten banden, die den
voorsteven aan de kiel vastbinden.
Roffel, z. n. m. -- Soort van schaaf, waar het ruigste van de deelen
of planken meê wordt afgeschaafd.
Spreekwijze: Hy loopt er maar met den R-- over (maar los over heen).
Rog, z. n. v. -- Min geachte zeevisch.
Spreekwijze: Was er slimmer R-- aan zee, die zoû my aan boord komen
(slechter kon ik het niet treffen).
Rok, z. n. v. -- Lap prezenning, die ergends over getrokken is.
Spreekwijze: Zijn R-- keeren (zijn huik naar den wind hangen).
Rol, z. n. v. of Monsterrol. -- Algemeene lijst der namen en
hoedanigheden van al de personen aan boord, 't zij in dienst van 't
schip, 't zij passagiers. Geschutrol, waarby de manschappen aan de
batteryen zijn geplaatst. Zeilrol, waarby zy aan de onderscheidene
zeilen zijn verdeeld. Allarmrol, waarby ieder zijn plaats in 't
gevecht is aangewezen. Baksrol, waarby het volk in bakken is verdeeld.
Roller, z. n. m. -- Zware golf. Er loopt een geweldige zee, met
gevaarlijke R--s recht de baai in.
Rolling, z. n. v. -- Beweging van het water. Het rif is noch door R--,
noch door waterverkleuring op eenigen afstand zichtbaar.
Rolpaard, z. n. o. -- Scheepsaffuit.
Rolrand, z. n. m. -- Zie Kraalrand.
Romp, z. n. m. -- Het lichaam van een schip, van mastwiek en tuigaadje
ontbloot.
Ronde, z. n. v. -- Bezoek, 't welk een officier, 't zij aan boord,
't zij in een haven, doet, om te zien of alles in orde is.
Rondgat, z. n. o. -- Schip, waarvan de achtersteven Rond is.
Rondhout, z. n. o. -- Hout, dat rond is, als masten, stengen enz. Al
zijn R-- is hem afgeschoten.
Roos, z. n. v. -- 1o of Kompasroos.
Spreekwijze: Onder de R-- (in 't geheim, omdat in de kajuit een kompas
van de zoldering plach te hangen en hetgeen daar gesproken werd dus
onder de kompasR-- verhandeld werd).
2o. Zie Rozebouten.
Rooster, z. n. m. -- 1o. of Roosterwerk. Verzameling houten, die
elkander rechthoekig kruisen en tot grondslag dienen voor een schip
in aanbouw.
2o. Zware latten, in 't vierkant gekruist, die voor luiken op de
openingen van het dek gelegd worden en licht en lucht binnenlaten. Den
R-- klaar maken. De door den krijgsraad veroordeelde, wordt aan een
staanden R-- gebonden en met handdagen (zie Dag) afgestraft.
Rosbank, z. n. m. -- Zie Dolbank.
Rots, z. n. v. -- Steenen klip. De St. Paulus R--. Wy stooten op
een R--.
Rozebouten, z. n. m. mv. -- Bouten van rond yzer, aan het achtereind
met een kop voorzien, en aan het vooreinde gedeeltelijk plat, met
dien verstande, dat er eenige dammetjens of neuten, Rozen genaamd,
aan gespaard zijn. In het gebruik verschillen zy van de Voorbouten,
dat er geen spijkers, maar vierkanten krammen over geslagen worden,
waartegen de Rozen steunen.
Rug, z. n. v. -- Wordt het schip gezegd te hebben, of op te steken,
als het doorzet.
Ruggeton, z. n. o. (veroud.) -- Net bewerkte inschuifplank, tot
ruggesteun dienende aan een officier, die achter in een sloep gezeten
is, en hem afscheidende van den man, die aan 't roer zit; thands:
Hekkebord.
Ruggegraat, z. n. m. -- Zie Zwanenhals.
Ruggepaarden, z. n. m. -- Touwen, gespannen tot steun van de Rug,
en om 't vallen te beletten.
Ruilhandel, z. n. m. -- Handel, waarby koopwaren tegen goederen
verwisseld worden. De R-- wordt nog inzonderheid op de kusten
van Afrika gedreven, waar men, voor de aangebrachte goederen,
olifantstanden, stofgoud, gom, enz. in Ruil aanneemt.
Ruim, b. n. -- By zee of sop gevoegd, heeft R-- de beteekenis van
"open, vol." Wy voeren het R--e sop in (de volle zee in). De R--e
zee kiezen (zich van de kusten verwijderen).
Ruim, z. n. o. -- Binnenste diepte van een schip, van 't eene einde
tot het andere, onder het koebrugdek, of wanneer dit niet bestaat,
onder het tusschendek;--of gedeelte daarvan, als VoorR--, AchterR--,
WaterR--, WijnR--.
Ruimbalken, z. n. m. mv. -- Zie Lastbalken.
Ruimen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy, eerst
minder gunstig zijnde, uit een meer voordeeligen hoek begint te waaien.
Ruimen, b. w. -- Verlaten. De zee R-- (zich uit zee begeven).
Ruimgast, z. n. m. -- Matroos, bekwaam om by laden en ontladen in
het Ruim te werken.
Ruimschoots, bw. -- Den wind meer achterlijk dan dwars. Zie Schoot. R--
zeilen.
Ruimte, z. n. v. -- Voor: "de Ruime Zee" De R-- kiezen (zich in volle
zee begeven, ook: zich verwijderen uit gevaar).
Ruischen, o. w. -- Bruischen: dof geluid, dat de wind of de zee
maakt. Hoort gy de golven R--?
Ruitsgewijs, bw. -- Zie Orde.
Rukwind, z. n. m. -- Wind, die plotslings en met felheid waait,
zoodat hy verhevenheden omver Rukt.
Rusten, z. n. v. mv. -- Zware breede met yzeren band beslagen planken,
die, in hare breedte vlak liggende, aan het buitenboord ter hoogte
van het bovendek bevestigd zijn. Aan hare buitenzijde bevinden zich
de Rustyzers, die, schuins afloopende, in het boord zijn gehecht en
aan wier bovenkant de juffers (doodshoofden) vast zijn, waaraan het
staande want door de talreepen wordt vastgemaakt. De R-- dienen ook
om aan de onderwanden breeder te doen uitstaan en dus aan de masten
meer steun te geven.
Rustyzer, z. n. o. -- Zie Rusten.
Rustlijn, z. n. v. -- Touw, of keten, die het anker ophoudt als het
op den boeg ligt.
Ruw, b. n. -- Onstuimig, wild. R--weer.
Ry, z. n. v. -- Rang, gelid. Die schepen lagen in de eerste R--.
Rijbed, z. n. o. -- Schaal, die het voorste van een ondermast bedekt.
Rijden, o. w. -- Een schip wordt gezegd te R--, wanneer het voor
anker liggende vaartuig op en neder geslingerd wordt als een paard
dat galopeert. Hy is achter zijn anker ondergereden (gezonken).
Wat schaedt een ancker quyt,
Soo langh het schip in zee noch op een ander rijdt.
Huyghens, Mengelingen.
Rijgen, b. w. -- Vereenigen, door een klein touw of een raband te halen
door gaten, langs de lijken, welke men wil te samen voegen. Een zeil,
een lijzeil, bonnet R--.
Rijzen, o. w. -- Zich verheffen, overheengaan. Gemakkelijk op de zee
R-- (gemakkelijk over een golf heenglijden).