Huygens, Hofwyck.
Glas, z. n. o. -- Zandlooper, uur-, halfuur-, kwartier-, minuut
G--. De tijd wordt aan boord berekend by Glazen van een half uur. Zoo
is b. v. vier Glazen in de hondenwacht, twee uur na middernacht. Elke
wacht heeft acht Glazen, dus vier uur.
Gods genade, (op) bw. -- Zonder te weten waarheen. Op G-- G-- drijven.
Goederen, z. n. o. mv. -- Alle voorwerpen van handel. By art. 3 der
Algem. Wet van 26 Aug. 1822 worden daaronder begrepen alle waren en
koopmanschappen, geene uitgezonderd, benevens paarden en allerhande
vee. De bepalingen betreffende sommige verleende vrijdommen van rechten
op goederen vindt men in art. 5 dezer wet. Gestrande of geborgen G--
(zie daaromtrent dez. wet, Vijfde Hoofdst. art. 30-36). Verboden
G--. (zie het Twaalfde Hoofdst. art. 108-117).
Goerabe, z. n. v. -- Indiaansch vaartuig.
Golf, z, n. v. -- Golving. Zie Baar.
Golf, z. n. m. -- Zeeboezem, inham. Zie Bild. Gesl. in V.
Golfslag, z. n. m. -- De kracht, welke de golven op een schip, het
strand, den oever of elk ander lichaam uitoefenen.
Gondel, z. n. v. -- Venetiaansch vaartuig, tot overtocht en tot
vermaak gebezigd, en 't welk, in evenredigheid tot zijn breedte,
langer is dan eenig ander vaartuig van gelijke bestemming.
Gorden, b. w. -- Ophalen van het middelste der marszeils en fok.
Gording, z. n. v. -- Opkorting, t. w. van een zeil. In den grond één
woord met gordijn.
Gort, z. n. v. -- Was van ouds de scheepskost en nog altijd een
geliefkoosd ontbijt voor de matrozen.
Spreekwijze: Een G--etelder (een gierigaard, een vrek). 't Is afkomstig
uit den tijd, toen de scheepsbevelhebbers nog een hoofdgeld kregen
om de manschap te voeden, en alles op 't zeerst werd uitgezuinigd.
Goteling, z. n. v. -- Een soort van kanon, vroeger op de schepen zeer
in gebruik, en zijn naam ontleenende van "gieten," om dat deze soort
tot de eersten behoorde, welke in haar geheel gegoten werden.
Graad, z. n. m. -- Het 360ste gedeelte van den omtrek eens cirkels,
van 't Lat. Gradus, dat "trap" beteekent.
Graadboog, z. n. m. Of Astrolabe. -- Werktuig, waarvan men zich plach
te bedienen, om de hoogte der zon te meten.
Grieten, z. n. v. mv. Of zwalpen. -- Steunbogen, die de balken beletten
tot elkander te komen.
Grietjen of Grietjen van Dijk, z. n. o. -- het Bovenkruiszeil. Volgens
de overlevering werd op zeker schip "den Eik," een der scheepsjongens,
die met het los- en vastmaken van het bovenkruiszeil belast was,
veroordeeld om met de knuttels te worden gestraft: dan toen men
hieraan zoû beginnen, ontdekte men, dat de bovenkruisraasgast een
meisjen was, Grietjen van Dijk genoemd. Haar naam werd sedert aan
dat zeil gegeven. Oude zeelieden herinneren zich nog fragmenten uit
een zeeliedtjen, dat door Janmaat op lamentabelen toon werd opgedreund:
Op 't schip den Eik, bequaeme
Margriet was haer naeme
Sla my met dagjens op den huid
Maar trek mijn kleeren toch niet uit,
'k Ben, vrouwspersoon wil weten.
Margriet ben ik geheeten.
Grietjenbras, z. n. m. -- Bras van het Grietjen.
Grietjensra, z. n. v. -- of Grietjensteng, steng, waar het Grietjen
aan is vastgemaakt.
Grietjenssteng, z. n. m. -- Zie Grietjensra.
Gril, z. n. o. -- Woord, vroeger by de scheepstimmerlieden in gebruik
om daarmede het afscheidsel aan te duiden tusschen het pit van een
boom of balk en het binnenste, 't Is het gril, de draaijing of ronde
omtrek van een boom.
Groenlandsvaarder, z. n. m. -- Het schip, of ook de schipper, die
naar Groenland vaart.
De Groenlandsvaarder tart, op saamgekleefde boomen,
In baare zee 't gewelt van stormen en van stroomen,
IJsbergen, rotsen en gedrochten.
Antonides, Ystroom.
Groenlandsche sloep, z. n. v. -- Sloep, by een Groenlandsvaarder
behoorende, en door haar spitse kiel en rankheid zich snel op het water
bewegende, waarom zy by uitstek geschikt was tot de walvischvangst.
Grond, z. n. m. -- Bodem van het water. G-- peilen (peilen hoe diep
het water is, eer men G-- voelt). Aan den G-- zitten (geboeid zitten,
stranden) Te G--e gaan (zinken, vergaan). Een schip in den G-- boren
(met kogels doorschieten, zoodat het te G-- gaat).
Spreekwijze: Iemands G-- peilen (iemands meening zoeken).
Ik voel G-- (ik begin te bespeuren, dat ik my niet verder wagen moet).
Aan den G-- zitten (zich in verlegenheid bevinden).
Iemand in den G-- helpen, te G--e richten (iemand in zulk een toestand
brengen, dat er geen redding meer voor hem op zit).
Vuile G--en bederven de kabels (kwaad verkeer bederft de zeden).
Stille waters hebben diepe G--en (met lieden die zich weinig uitlaten,
dient men voorzichtig te zijn).
Alle G-- is geen ankerG--(men kan zich niet op iedereen (of op elke
onderneming) verlaten).
Goede ankerG-- is de beste G-- (men moet zijn hoop en zijn verwachting
stellen op hetgeen vast is).
Grondgat, z. n. o. -- Het gat, dat door het anker in den bodem
geslagen is.
Spreekwijze: Ik moet dat G-- weten (ik moet het fijne van die zaak
leeren kennen).
Grondschot, z. n. o. -- Schot, dat een schip onder water treft en
doet zinken wanneer het lek niet tijdig gestopt wordt.
Spreekwijze: Dat is een G-- (een onherstelbare ramp).
Groot, b. n. -- Wordt toegepast op voorwerpen, die betrekking hebben
tot den Grooten Mast of zich in de nabyheid daarvan bevinden. Zoo:
G-- zeil, G-- bovenbrambrassen, G-- bovenbramstengepardoens, enz,
voor zeil, bovenbrambrassen enz. van den G--en mast. Zoo G-- Luik
voor het luik voor den G--en mast.
Guds, z. n v. -- Draaiende, holle Beitel. Timmermansbeitel, met
boogvormig lemmer. Platte G--, SteekG--, HokG--, DopG--. Het woord
schijnt zijn naam te hebben van het geluid, dat gehoord wordt als de
beitel door het hout gedrukt wordt.
Guur, b. n. -- Streng, straf. G-- weer, Gure wind.
Guineesvaarder, z. n. m. -- Een schip of schipper, die op de kust
van Guinee vaart.
Gij, Gijn, Gijen enz. -- Zie op Gein, Geien.
Gijk. -- Zie Giek.
Gijpen, o. w. -- Doorkruizen, overgaan: het naar de andere zijde
schielijk overslaan van den bezaans brikzeilsboom.
En nu gy 't alles wenscht in uwen klaeu te grijpen,
Ziet licht de laege Wael 't gespannen zeil aen 't gijpen.
Antonides, Ystroom.
Spreekwijze: Pas op de Gijp (wacht u voor de wisselvalligheid der
fortuin).