Gier, z. n. m. -- Giering of Gierslag; draai, zwenking, uitwijking,
welke een schip met goeden voor-de-wind maakt, 't zij aan bak- of
stuurboordzijde.--Een G-- doen (een geänkerd schip met behulp van
het roer doen Gieren.)
Gieren, o. w. -- Gevolg van de werking van een sterken stroom op
een Geänkerd schip, waardoor het voorschip meer of min merkbaar van
de rechter- naar de linkerzijde, of omgekeerd, zwenkt. Op het G--
passen (het G-- voorkomen met behulp van het roer of van een opgezet
zeil). Over bakboord, over stuurboord G--. Het schip Giert op zijn
touw.
Giering, z. n. v. -- De daad van Gieren. Zie Gier, Gieren.
Gieten, o. w. -- Nat maken, hozen.
Gieter, z. n. m. -- Hoosvat, waarmede de zeilen, voornamelijk op een
klein vaartuig, worden nat gemaakt.
Spreekwijze: Hy ziet er uit alsof hy uit een G-- gedronken en de
droppels op zijn gezicht gekregen had. (Hy is pokdalig).
Gig, z. n. v. -- Licht Engelsch vaartuig.
Gillen, b. w. -- Schuin afsnijden of afzagen.
Gilling, z. n. v. -- Van Gillen, en dus oorspronkelijk een schuins
afgezaagd stuk hout. Thands echter verstaat men onder G-- den staanden
kant van het houten boord, wanneer dit niet onder de geheele lengte van
het schip doorgaat. Zoo gebeurt het b. v. dat het houten boord langs
het opperdek zich van achteren af tot by den grooten mast uitstrekt. De
plaats, waar het aan den voorkant afbreekt, is dan een G--.
Gissing, z. n. v. -- Zie Bestek.