Siet hier een versche beeck die met de soute baren
Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren.
Cats. Zinnebeelden.
Diep, b. n. -- Geeft de hoogte van een gespannen zeil te kennen. Dat
zeil is niet D-- genoeg. Dat marszeil is ... N ellen D--.
Diepen, o. w. -- Al peilende naar land varen. Zie Aandiepen.
Spreekwijze: Het Diept noch droogt niet, (het geeft noch neemt,
men vordert er niet mede).
Diepgaan, o. w. -- In 't water zakken. Dat schip gaat ... N ellen
Diep, het zinkt ... N ellen in 't water. Dat schip Gaat Diep genoeg
(het gedeelte, dat beneden de waterlijn zinkt, is naar zijn grootte
en vorm evenredig aan den last, dien het dragen moet om veilig en
met goed gevolg te varen). Dieper gaan (wanneer een nieuwe last in
't schip geladen wordt, en dit daardoor dieper zinkt.)
Spreekwijze: Een Diepgaand schip (iemand, die veel verkwist en veel
noodig heeft:--omdat Diepgaande schepen veel werks vereischen).
Diepgang z. n. m. of Dieptreding. -- De bepaling van het getal ellen,
welke het schip in het water zinkt. D-- voor, D-- achter, Gemiddelde
D--. Zie Stuurlast, Stuurlastigheid.
Diepgangsmeter, z. n. m. -- Werktuig, uitgedacht om de hoegrootheid
in ellen en palmen van Diepgangen aan voor- en achtersteven tot het
best bezeild doen zijn van een schip te bepalen.
Diepgangsmerken, z. n. o. mv. -- Schaal, in voeten en halve voeten
verdeeld en op de zijkanten van den voor- en van den achtersteven
afgebeeld, en dienende om den Diepgang van het schip te weten.
Dieplood, z. n. o. -- Peillood, of eenvoudig Lood, welk laatste meest
gebruikelijk is. Zie Lood.
Dieploodlijn, Dieploodworp. Zie Looding, Worp.
Diepte, z. n. v. -- 1o. Wordt somtijds voor de zee genomen. Zie Diep.
Ontsiet de diepte niet, al is haer aensicht straf,
Vondel. Lofs. op de Scheepsv.
2o. De bepaling van de diepte. Wy ankerden op de D-- van zes vademen.
3o. Van een zeil. (de hoogte van een uitgesponnen zeil).
Dieptredend, z. n. v. -- 't zelfde als Diepgaand. Een D-- schip
(waarvan de romp diep in 't water zinkt. Zie Diepgaan, Diepgang).
Dieptreding, z. n. v. -- Zie Diepgang.
Dikte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de onder- en
bovenkanten der kiel.
Dinga, z. n. v. -- Kromgekield vaartuig, aan de Malabaarsche eilanden
in gebruik.
Dinguy, z. n. m. -- Vaartuig, op den Ganges in gebruik.
Dirk, z. n. v. -- Looper van den Gaffel, zeilbooms toppenant.
Dissel, z. n. m. -- Grootdissel, Klosdissel. Kromme bijl, dienende
om hout te effenen en scherp te maken. In de kruitkamer gebruikt men
een koperen D--.
Distinktievlag, z. n. v. -- Zie Vlag, Wimpel.
Doek, z. n. o. -- Voor zeildoek, en, by de dichters, ook voor het
zeil zelf genomen.
De doeken hangen slap: men twijfelt of het waait.
Vondel. Lof der Zeevaart.
Zie verder KarrelD--, zeilD--, vlaggeD--.
Doeken, b. w. -- (veroud.) Zeilen aanslaan; op kleine schepen.
Doemen, o. w. -- Zich vertoonen. Zie Opdoemen.
Doft, z. n. v. -- Roeibank. Het woord is Deensch, en beteekent een
ledigen grond, doch in 't byzonder een zitplank in een schuit.
Dogger, z. n. m. -- Eigenlijk zeehond (als zijnde D-- niet anders dan
"dog, hond"): van daar voor kabbeljauw genomen, en, by toepassing,
in gebruik gekomen als benaming voor een soort van vischschepen,
die naar den Doggersbank varen, om kabbeljauw te vangen. Een D--
voert een grooten mast in 't midden en een kleinen mast van achteren,
vierkant getuigd: voorts boegspriet en fok.
Dogschuit, z. n. v. -- Schuit, die by een Dogger behoort.
Dok, z. n. o. of havendok. -- Deze naam werd vroeger aan een besloten
plaats gegeven, waar schepen gemaakt werden: thands verstaat men er
een kom door, van sluizen voorzien en met kaaien omringd, die tot
een veilige ligplaats strekt. D-- van aanbouw. (Zie Droogdok).
Dokken, b. w. -- (veroud.) In een Dok het schip vast aan den grond
zetten.
Dokkig, b. n. -- Mistig, donker: D-- weer (betrokken lucht).
Dol, z. n. m. -- Pen of nagel, die in het boord van booten of
andere lichte vaartuigen geslagen wordt, om de riemen by 't roeien
te bedwingen.
Zoo zingt Hooft, op den duim van 't metalen beeldt des Hertogen
van Alva.
Den Duim, die rechte wederhandt,
Die eertijdt, van gansch Nederlandt,
Zich kussen deed, terwijl hy 't schond,
Heeft nu matroos in zijnen mond
Oft wringt hem, wil hy, in een hol,
En bruikt den dwinger voor een dol.
Spreekwijze: Het zijn maar oude D--len: "maar lorren": omdat versleten
D--len weinig waard zijn;--tenzij men hier aan "oude poppen" ['t
Eng. Doll] te denken hebbe.
Dolborden, z. n. o. mv. of Bosbank. -- Houten, aan weêrskanten eener
galei of sloep op de boorden geslagen en tusschen welke de riemen
zich bewegen.
Dolgat, z. n. o. -- Gat, waar de Dol wordt ingestoken of geslagen.
Spreekwijze: Had ik uw vinger in het D-- (kon ik u klemmen als een
dolpen beklemd wordt, ik zou u wel doen klappen).
Dommekracht, z. n. v. -- Soort van werktuig, met een getand rad en
zwengel voorzien en strekkende om zware lichamen op te tillen. Het
woord is eigenaardig van uitdrukking, als zijnde het werktuig zelf
onbewust van de uitwerking, welke het te weeg brengt.
Dompen, b. w. -- Het geschut met den tromp of 't vooreinde doen zakken
en achter oplichten, om lager te kunnen schieten zonder het stuk te
doen zinken. In een rechte lijn pointeeren, vluchten en D--.
Dompelen, b. w. -- Frequentatievum van Dompen, en alzoo:
"herhaaldelijk, by voortduring Dompen," meer byzonder: "in het water."
Wanneer ik schielyk, op mijn onbedachte beê
Wiert over hals en hooft gedompelt in de zee.
Jan Vos.
Spreekwijze: Hy ligt er onder Gedompeld (hy is al dood en begraven).
Donderbus, z. n. v. -- Breed en zwaar handgeweer, in een mik draaiend,
en waarmede de marsen en barkassen gewapend worden.
Dood, b. w. -- Voor "dicht". D-- aanslaan (dicht aanslaan).
Doodeman, z n. m. -- Zie Snaauw.
Doodemans-oog, z. n. v. -- (veroud.) Eenige kleine touwtjens boven
aan den bezaan, die, meer tot cieraad dan tot nut strekkende, daarvan
hun naam ontleenen.
Doodloopen, b. w. -- Zie Doodzeilen.
Doodshoofd, z. n. o. of Stagkous. -- Houten, byna cirkelvormig blok,
in zijn omtrek met een sleuf voorzien, waar de stagstoppen doorloopen.
Doodstilte, z. n. v. -- Afwezigheid van alle wind, waardoor een stilte
heerscht als die des Doods.
Doodstroom, z. n. m. -- (veroud.) Afwezigheid van den stroom, waardoor
men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als
't water minst wast: ook tusschen eb en vloed. Zie Doodtij.
Spreekwijze: 't Is er D-- (er is geen handel, geen beweging, er valt
niets voor).
Doodtij, z. n. o. of Dood water. -- Het zwakste Tij.--Ook stil water,
stilstand tusschen eb en vloed.
Doodwater, z. n. o. -- (veroud.) Water achter den gang van 't schip.
Doodwerk, z. n. o. -- Zie Bovenschip.
Doopen, b. w. -- Met dezen naam bestempelt men een oud scheepsgebruik,
om de onbevaren maats, en die hun eersten tocht deden, op zekere
plaatsen, zoo om de Noord als om de West, met zeewater te begieten. Zy,
wien het niet lustte zich te laten begieten, kochten dit met geld
af. De jongens werden in een mand gezet, en hun tobben water over
het lichaam gegoten. Zelfs schepen, die nooit de door de zeelieden
uitgekozen Doopplaatsen waren voorbygezeild, waren aan het Dooprecht
onderworpen, en de schipper gehouden, by dat voorval, de maats met een
drinkpenning te vereeren. Verzuimde hy dit, dan stond het te vreezen,
dat de snuit stilzwijgend van het schip afgezaagd of eenig scheepsdeel
verduisterd werd.
Doorbreken, b. w. -- Doordringen, b. v. door een vyandelijke linie,
zoo dat men zijn schepen tusschen de vyandelijke vloot door laat
zeilen om zich onder-de-wind in linie te stellen en den vyand alzoo
tusschen twee vuren te brengen. Men tracht gemeenlijk de linie in
de achterhoede Door te Breken, die daardoor wordt afgesneden. Is
zulks gelukt, dan zoekt ieder schip zijn tegenparty. Het D-- van de
linie door de Engelschen deed de Hollanders den slag van Kamperduin,
de Franschen en Spanjaarts dien van Trafalgar verliezen.
Doordreggen, o. w. -- Wordt gezegd van een anker, dat niet vatten wil
en door het schip over den bodem gesleept wordt. Het anker Dregt over
den grond, Dregt Door, is driftig.
Doordrijven, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
Doorgaan, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
Doorgaande koelte, z. n. v. -- Stijve, gelijke koelte.
Doorgezakt, b. n. -- of Doorgezet, wordt een schip genoemd, dat een
kromte of katterug heeft. Zie Katterug.
Doorgezet, b. n. -- Zie Doorgezakt.
Doorkaaien, o. w. -- Zie Gijpen.
Doorklieven, b. w. -- Doorsnijden, doorvaren. Hy heeft lange jaren
de zee Doorkliefd (hy heeft lang gevaren).
Doorploegen, b. w. -- Doorklieven, aanhoudend beploegen. Zie Ploegen.
Waerom sy of, en aen, nu uyt, en weder in,
Door-ploeghden 't vochte veld met voorspoet en gewin.
Vondel. Lofs. op de Scheepsv.
Door laten staan, b. w. -- Niet zwichten, met volle zeilen
voortvaren. Hooft, Ned. Hist. blz. 53, gebruikt het oneigenlijk voor
"niet krenken."
Doorvoer, z. n. m. -- Zie omtrent den D-- van goederen de Alg. Wet
van 26 Aug. 1822, Tiende Hoofdst. art. 75-87.
Doorzetten, o. w. -- Een katterug krijgen. Zie Katterug.
Doorzetting, z. n. v. -- Zie Katterug.
Doove jut, z. n. v. -- Zie Jut.
Dop, z. n. m. -- Een ronde houten kring, voor de gaten gespijkerd, waar
de touwen door gevierd worden. D-- van de kompasroos, hol kegeltjen,
op het spil van de kompasroos geplaatst ter bevestiging van de naald.
Doppen, b. w. -- De schepen met een Dop of teeken merken, om te weten,
hoe veel last een schip zoû kunnen voeren, of hoeveel last een schip
groot is.
Dorpel, z. n. m. -- Zie Drempel.
Draad, z. n. m. -- 1o. Ineengedraaide of gevlochten vezels hennep,
ook getrokken ijzer of koper. Zie Garen.
2o. De richting, waarmede de vezelen door het hout loopen. Het hout
met, tegen den D-- kloven, wordt gezegd op gelijke wijze als "het
vleesch met of tegen den D-- snijden."
Spreekwijze: Er loopt een D-- door (het is niet richtig).--De oorsprong
van deze spreekwijze wordt op de volgende wijze verklaard. Toen
er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden
tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in
Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest
van onze kooplieden strookte, werd 's Lands Regeering beschuldigd,
"dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen," met
andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen
om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der
Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt,
drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak:
"de schepen kunnen niet weg: zy liggen vast aan de kaai, en er loopt
een D-- door het Touw."
Draadshout, z. n. o. -- Wordt in den scheepsbouw zoodanig hout genoemd
dat meer in de lengte dan in de breedte gebezigd wordt.
Draadkogels, z. n. m. mv. of Boutkogels. -- Twee kogels, met een bout
verbonden: Men noemde ze vroeger kneppelkogels, ook kettingkogels,
als zy met een ketting aan elkander zaten.
Draaibas, z. n. v. -- of Steenstuk. Soort van klein kanon, op een
staander of mik draaiende, en waarmede somtijds de oorlogsvaartuigen
gewapend zijn.
Draaiblok, z. n. o. -- Blok met een leirol voorzien.
Draaien, o. w. -- Van richting veranderen. De wind Draait naar
't Oosten.
Draaier, z. n. m. -- 1o. Stuk hout, dienende om al draaiende kracht
uit te oefenen, en gebezigd by het inbinden of stroppen van blokken,
het aanzetten van bindsels enz.
2o. Zie Peiler.
Draaikolk, z. n. v. -- Maalstroom of Wieling. Hevig draaiende
waterstroom, waarin de schepen verzwolgen worden. De D-- by Messina.
Draaireep, z. n. v. -- Touwbeslag, waarvan het eene end is vastgemaakt
aan een op te heffen voorwerp, het andere aan een takel.
Draaispant, z. n. v. -- Spant, wier armen niet loodrecht op het
middellijnig ontwerp van een schip vallen.
Draagbalk, z. n. m. -- Zie Verbindingsklos.
Dracht, z. n. v. -- Van een schip gezegd, beteekent de grootte of
het gewicht dat het laden kan. De zeilen staan ter D-- (zy staan zoo,
dat zy alle dragen en wind vangen).
Dragen, o. w. -- Goed bystaan. De zeilen D-- (vatten wind).--Het
D--de houden (heen en weder zeilen op dezelfde hoogte). Wy hielden
het D--de om den wal niet te vroeg te naderen.
Dreg, Dregge, z. n. v. -- Ronde ijzeren bout, hebbende aan het
eene uiterste vijf binnenwaarts gebogen armen en aan het andere een
ring, waar een tros of kabel wordt doorgehaald. De D--gen zijn voor
kleine vaartuigen wat de ankers voor groote zijn; doch zy hebben
geen ankerstok.
Dreggen, o. w. -- 1o. Met een Dreg den bodem der zee bekrabben, om
de oesters, mosselen of schelpen los te maken, of de in zee gevallen
voorwerpen op te visschen.
2o. 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
Dregtouw, z. n. o. -- Het Touw, waaraan de Dreg vast is.
Drempel of Dorpel. -- Dik en breed stuk houts, dat den onderkant van
een geschutpoort bedekt.
Drenkeling, z. n. -- Iemand die in het water verdronken is: by
toepassing iemand, die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar allen
schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee
begraven worden. Van een, die, beschonken zijnde, over boord valt,
zegt men wel: hy is geen D--; want hy is zoo vol jenever, dat er geen
zout water meer by kan loopen.
Dreum, z. n. o. -- Zie Drom.
Drevel, z. n. m. -- Houten pen of nagel, dienende om de beplanking
op den waterspiegel te bevestigen.
Driedekker, z. n. m. -- Schip met drie Deks. Zie Dek.
Driemast, Driemaster, z. n. m. -- Vaartuig met Drie Masten.
Drift, z. n. v. -- Het dwars afdrijven van het schip, door stroom,
slechtbezeildheid of anderszins.
Driftig, b. n. -- Al wat van zijn plaats begint te drijven, wordt
gezegd, D-- te worden. Zoo wordt een plank, zoo het ijs, D--. Een D--
schip is een schip, dat van zijn ankers laat of waarvan het anker
doordregt. Zie Doordreggen.
't Driftigh eicken huis
is de eigenaardige naam, dien Vondel aan het schip geeft, in zijn
Lof der Zeevaart.
Dril, z. n. m. of Drilboor. -- ijzeren werktuig, waarmede gaten in
ijzer of andere metalen zelfstandigheden kunnen gedrild, gedraaid,
of geboord worden.
Drillen, b. w. -- 1o. Oorspronkelijk hetzelfde als "Trillen,"
heen en weder brengen, draaien; doch, by toepassing, "een vaartuig
voortwinden," omdat het touw, door het sterk aanhalen, gedurig staat
en Drilt.
2o. Opwinden: 't schip op de helling D--.
Drom, z. n. v. of Dreum. -- Wollen stof, waarvan de harpuiskwasten
vervaardigd worden.
Droog, z. n. o. -- Drooge plaats, waar geen zee op staat. Het
afloopende water liet de schuit op D--.
Spreekwijze: Zijn schaapjens (of scheepjens) op 't D-- hebben (in
behouden haven zijn, voor geen tegenspoed meer te vreezen hebben). Zie
Scheepjen.
Op D-- varen (zich verderven).
Dat schip houdt altijd D-- dek: er loopt geen zee overheen. (Het gaat
hem altijd voorspoedig).
Droogdok, z. n. o. of Dok van aanbouw. -- Soort van werf, waar de
schepen in gebouwd, hersteld en vlot gemaakt kunnen worden.
Droogen, o. w. -- Droog worden. Zie Diepen.
Druif, z. n. v. -- 1o. Knop, die aan het eind van boomen of bootshaken
vast zit, om tegen de borst te worden gehouden en het door de hand
glippen te beletten. Zie Hooft, Ned. Hist., bl. 304.
2o. Het bolvormige gedeelte, waar een kanon aan den kant van den
stortbodem uitloopt.
3o. Schroot, kleine kogels, op een ronden schijf gestapeld in den
vorm van een druiventros, en door zeildoek en lijn verbonden.
Druil, z. n. m. -- Een klein onderzeil, dat aan een mast op den
achtersteven van een klein vaartuig geheschen wordt om het beter aan
den wind te houden.
Spreekwijze: Iets met den D-- doen (iets langzaam doen).
Druilsra of Druilsroede, z. n. v. -- Hout of spriet, die waterpas
van den achtersteven uitsteekt en waaraan het onderlijk van den Druil
wordt uitgehaald.
Druipen, o, w. -- Het anker zoetjens laten afzakken tot voor den boeg.
Drukker, z. n. m. -- Een stut, waardoor de kraanbalk van onderen
gestut of gedrukt wordt.
Drukkingspunt, z. n. o. -- Punt, waar de drukking van den wind
op werkt.
Drijfbouten, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de ijzeren banden om
de masten enz. worden vastgeklonken.
Drijfdok, z. n. o. -- of Drijvend Dok.
Drijfzeil, z. n. o. -- Zoo noemen sommige schrijvers een Zeil, dat
onder water uitgestrekt werd, wederzijds scherp vast aan zijn schoten,
om het schip by stilte voort te doen Drijven waar de vloed ging. 't
Verhaal klinkt echter als een sprookjen.
Drijfzand, z. n. o. -- Zand, dat door den stroom gedreven wordt.
Drijven, o. w. -- 1o. Zich met het water mede laten gaan, zorgende
door behulp van den wind of door brassen, eenigen stuur in het schip
te houden. Zoo wordt een schip gezegd te D-- met den vloed, met de eb,
op zijn ankers enz.
Af drijvend onder zeyl, dat 's mackelixt van alle.
Huyghens. Tryntje Cornelis.
2o. Zich ergends heen begeven. Op de kust D--: by een ander aan
boord D--.
3o. Van de wolken. Uit het zuiden D--, uit het noorden D--, breed,
ruim D--. De wolken D-- zuidoost.
Spreekwijze: Het maar laten D--. Op Gods genade D-- (de zaken maar
laten loopen zoo als het valt.) Iemand op zijn eigen wieken laten D--
(iemand aan zich zelven overlaten, zijn eigen hoofd laten volgen). Dat
schip kan zeilen noch D-- (het deugt nergens toe).
Hy Drijft op zijn last (hy heeft een akkoord met zijn schuldeischer
aangegaan, en houdt het, even als een ontheisterd schip, niet door
zijn tuig of takelaadje, maar door zijn last of lading--het geld van
anderen--nog Drijvende).
Drijven, b. w. -- De naden en reeten met werk vullen.
Dubbelblok, z. n. o. -- Blok, met twee nevens elkander geplaatste
schijven.
Dubbeling, z. n. v. -- Bekleeding of besmeering van een vaartuig met
de eene of andere stof, geschikt om het tegen bederf te bewaren.
Duikelaar, z. n. m. -- Zie Duiker.
Duiken, o. w. -- Zich onder water begeven. Zie dat schip eens D--
(den boeg onder water steeken by hooge zee).
Duiker, z. n. m. of Duikelaar. -- 1o. Iemand, die zich onder water
begeeft.
2o. Water-verlaat.
3o. Kleine spijker zonder kop, die alzoo in 't hout wegduikt.
Duikersklok, z. n. v. -- Werktuig, waarin men onder water mede gaat
en het een tijd lang kan uithouden, door de lucht, welke er van boven
wordt ingepompt. Het is aldus genoemd naar zijn oorspronkelijken vorm.
Duim, z. n. m. -- Breed en plat ijzer, regthoekig omgebogen, en
dienende om er de duimelingen in te hangen. De D--en van de roerhaken,
aldus naar de gelijkenis genoemd.
Duimelingen, z. n. v. mv. -- (veroud). De ijzers van de achterstevens,
waar de voorhaken in hangen.
Duin, z. n. o. of Blink. -- Heuvel van zand, en in 't byzonder van dat
zand, hetwelk door de zee wordt opgeworpen: gelijk dan ook Bilderdijk,
even waar als treffend, de D--en noemt:
Het bolwerk, dat de zee zichzelf ten teugel wrocht.
Duizendbeen, z. n. o. -- (veroud.) Lange smalle kast, die, in
verscheidene gaten of keepen, ettelijke elkander volgende schijven
bevatte. De D--en werden vertikaal vastgemaakt, ieder aan elke zijde
van den mast van den boegspriet en van de woeling van dien mast:
en zy dienden om den doortocht te bevorderen van het afdalend want.
Duiveljagen, b. w. -- Een soort van stuwen, 'twelk daarin bestaat,
dat men zware steenen over de lading heenrolt. Ook het inperssen van
wolzakken in de schepen of het zoo genaamde Traven wordt met dien
naam bestempeld.
Spreekwijze: Leg my zoo niet te D-- (Plaag my zoo niet, val my niet
lastig).
Duivelsklaauw, z. n. v. -- Een soort van dubbelde haak, die over iets
heen komt en het met beide haken pakt.
Duivels toejager, z. n. m. -- 1o. Benaming van de bout, waarop de
ankerketting gestoken wordt in de kettingbek.
2o. Schimpnaam van ouds aan de zoodanigen gegeven, die voor de wervers
op een zieltjen uitgaan, en hun die in handen weten te spelen of toe
te jagen.
Dukdalf, z. n. v. -- Een zwaar paalhoofd, in het water geslagen,
en dienende om er schepen aan te beleggen. Volgends Winschoten
is het woord een verbastering van "Duk d'Alva" in welk geval het
zijn oorsprong daarin zou hebben, dat dit paalwerk even hard en
onverzettelijk zoude zijn als gemelde Hertog was. Bilderdijk houdt
het echter voor 't eenvoudige dok-dolf, d. i. paal of blok in een dok.
Durk of Dork, z. n. v. -- De plaats, waar het vuile water onder in het
schip inloopt, anders ook de Zoo genaamd. Zie Pompzoode. Waarschijnlijk
is het woord een samentrekking van de Hurk of De Urk, 'twelk een laag
vaartuig beteekent. Zie Hurk.
O Dorck van alle quaed, o gote van ellende!
Joh. de Brune. Emblemata.
Dwaallicht, z. n. o. of Vreêvuur. -- In 't Eng. Jack with the lanthorn,
in de zuidelijke talen "het St. Elmus-vuur" genoemd, en waaronder
men zekere vlammende luchtverhevelingen verstaat, die, by duistere
nachten en stormweer langs de masttoppen en raas heen en weder dwalen.
Dwalen, o. w. -- Zwerven, verkeerd gaan. Een D--de naald. Zie
Naald. Buiten boord D-- wordt by wijze van eufemisme gezegd voor
"buiten boord raken."
Dwarlwind, Dwarrelwind, z. n. m. -- Wervelwind: gedurig draaiende wind.
Een zeestorm op d' Oostzee, neêrstortende met vlaegen,
Had in een dwarrelwint de Graenvloot omgeslagen.
Jan Vos.
Dwars, bw. -- Wordt gezegd van hetgeen zoodanig geplaatst is, dat
zijn lengte niet evenwijdig loopt met die van het schip. D-- stuwen;
-- D-- liggend vaatwerk; -- D-- voor den boeg komen (Met de zijde
voor den boeg van een ander schip komen. D-- vertuien (met een anker
voor- en achteruit, zoo dat het schip niet draaien kan. Dit geschiedt
b. v. als men zich voor een vyandelijke battery plaatst).
Dwarsdrijven, o. w. -- Dit zegt men van een schip, dat, niet naar
't roer luisterende, zijdelings wegdrijft.
Dwars in het vaarwater, bw. -- Wordt gezegd van een schip, dat dwars,
schuins tegen een ander aankomt.
Dwarsdrijver, z. n. m. -- Schip, dat niet naar 't roer luistert. Van
hier de
Spreekwijze: Hy is een D-- (hy hoort naar geen rede).
Dwars drijven (kwellen, hinderlijk zijn,) onheil verwekken:--omdat
het dwars aan komen van een schip zeer hinderlijk is, vooral wanneer
het met voordacht geschiedt.
Dwars liggen, o. w. -- t. w. van den stroom, van den wind, van de zee:
en dan beteekent het: aan stroom, wind of zee de breede zijde bieden.
Dwars van, bw. -- Op de hoogte van;--doch zoodanig, dat de zijde van
het vaartuig op een loodrechte lijn staat met het voorwerp waar men
D-- v-- is. D-- v-- de haven (op een loodrechte lijn met de monding
van de haven.)
Dwarsbalk, z. n. m. -- Dwarshout of Dwarsstuk: ieder hout, dat in
een getimmerte dwars geplaatst wordt.
Dwarshalen, b. w. -- t. w. een schip: Het zoodanig plaatsen, dat het
de zijde aan eenig bepaald voorwerp biedt.
Dwarsplaat, z. n. v. -- Plaat of zandbank, die Dwars voor de haven
ligt.
Dwarsscheeps, bw. -- In een Dwarsche lijn: De Amiraal lag D-- van ons.
Dwarsslede, z. n. v. -- Slede der scheepstimmerlieden, waarover een
vaartuig op het droog gehaald wordt.
Dwarsstroom, z. n. m. -- Stroom, die by het land heenloopt.
Dwarsstrooms, bw. -- Met de breede zijde in den stroom. Wy moeten
D-- ankeren.
Dwarstouw, z. n. o. -- Touw, dat overdwars en niet langsscheeps
wordt uitgevierd.
Dwarstij, z. n. o. -- Tij, dat zijlings invalt.
Dwarstijs, bw. -- Met de zijde tegen het Tij.
Dwarszalingen, z. n. v. mv. -- Dwars geplaatste zalingen.
Dwarszees liggen, o. w. -- Met de zijde van het schip tegen den
golfslag liggen.
Dwarszees zeilen, o. w. -- Tusschen de baren zeilen.
Dweil, z. n. v. -- Een hoop aaneengeregen en aan een langen stok
gespijkerde lappen, waarmede een schip wordt schoongemaakt, na
eerst met water te zijn afgespoeld. 't Is hetzelfde woord als dwaal
(handdoek).
Dweilstok, z. n. m. -- Stok, waaraan de Dweil wordt vastgemaakt.
Dijk, z. n. m. -- Zeeweering. ZeeD--, WierD--, RietD--.