Eb of Ebbe, z. n. v. -- Het afloopen of vallen van het water, en alzoo
het tegenovergestelde van "Vloed". Daar gaat E-- (het water begint
te vallen). Een zware E-- (het afloopen heeft snel plaats). Halve E--
(wanneer de E-- in snelheid afneemt). VoorE--, achterE-- (het begin,
het laatste van de E--).
Spreekwijze: Gewoonlijk wordt E-- altijd voor tegenspoed, gelijk
Vloed voor voorspoed genomen, in gezegden als: Des Waerelds goed,
Is E-- en vloed.--Na hooge vloeden lage E--n.
Eeken, z. n. o. of Ekken. -- (veroud.) Achter of voor een E-- zitten
wordt gezegd, als een schip voor of achter vast zit.
Eendemossel, z. n. o. -- Schelpen, die zich aan den romp van een
ongekoperd vaartuig hechten.
Eereschoten, z. n. o. mv. -- Kanonschoten, ter begroeting of ter
viering eener heuchelijke gebeurtenis gelost.
Eerste officier aan boord, z. n. m. -- Officier, in rang op den
kapitein volgende, en aan wien het algemeen toezicht is opgedragen. Op
een linieschip volgt de E-- O-- op den Kapitein-Luitenant.
Eerste wacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot middernacht.
Eiland, z. n. o. -- Eivormig of rond land: t. w. dat rondom bepaald
is door de zee. SchierE-- dat met een strook aan 't vaste Land vast
is. E--en boven den wind. E--en onder den wind.
Einde, z. n. o. -- In zeemanstaal weinig gebruikelijk. Zie End.
Eisch (naar den) bw. -- Overeenkomstig de omstandigheden. Touw steken
N-- d-- E--, als het Eischt (het zooveel byvieren als dienstig is).
Eischen, o. w. -- Begeeren, verlangen, vorderen. Het touw
Eischt. (t. w. gevierd, gestoken te worden) Hy (het anker) Eischt
(houdt vast in den grond).
Ekken, z. n. o. -- Zie Eeken.
Elkander, (in of uit) bw. -- wordt gezegd de betrekkelijke plaatsing
van twee vaste voorwerpen, die tot merken genomen worden om den koers
of afstand te bepalen, b. v. Als men den toren en den molen I-- of U--
E-- ziet, moet men wenden. Als men de vuurbaak en het fort I-- of U--
E-- krijgt, kan men afhouden. Wanneer men voor een schip over zeilt,
en men krijgt de masten daarvan U-- E--, dan is men er vrij van. Den
vuurtoren en 't kasteel een windboomslengte U-- E-- houdende, blijft
men in 't vaarwater.
Emballaadje, z. n. v. -- Ingepakte balen en zulke goederen. Zie
Fustaadje.
Embargo, z. n. o. -- Ital. woord: Verbod aan de koopvaardyschepen,
die zich in een haven of op een zee bevinden, om die zonder verlof
te verlaten: 't zij, dat de Regeering die in hare dienst wil nemen,
of dat hy die eener Natie, aan welke hy den oorlog verklaren gaat,
wil terug houden. Zie Beslag.
Emer, z. n. m. -- (veroud.) Vaartuig, van eem (water).
Emmer, z. n. m. of Eemer. -- Waterhaler, waterschepper. Zie
Bild. Gesll. op Eimer.--BrandE-- (lederen vat, dienende om brand
te blusschen). Zie Puts. KoelE-- (houten vat met ijzeren beslag,
waarmede gedurende het gevecht het water uit de koeltobbe geschept
wordt om het geschut koel te houden).
Emmerzeil, z. n. o. -- Soort van vierhoekig zeil, waarvan de ra op
een derde van hare lengte door den mast wordt opgehouden.
End, z. n. o. -- Voor "touw", en meer gebruikelijk dan einde of eind,
welk woord men nooit uit den mond eens zeemans hooren zal. E-- voor
E-- (wordt gezegd, wanneer kabels of loopende want ten einde toe
zijn uitgeloopen: hetgeen geschiedt om gemakkelijk te rijden). By
stormweer laat men de ankertouwen E-- voor E-- uitloopen.
Spreekwijze: Ik weet niet waar het E-- vast is (ik weet den rechten
grond der zaak niet). Hy heeft het aan 't rechte E-- (hy begrijpt de
zaak goed).
Enkhuizer, z. n. m. -- Herhaalde slag van een kabel om de beting. Een
E-- op het touw leggen.
Enterbijl, z. n. v. -- Bijl, met een scherpe punt aan den
tegenovergestelden kant van het scherp voorzien, en alzoo geschikt om,
by 't Enteren, zoo wel te houwen en te kappen, als, wanneer het Enteren
door Chaloupen geschiedt, door het in 't hout slaan van gemelde punt,
daarby op te stijgen.
Enterdreg, z. n. v. -- Dreg, die, in 't staande want van een vyandelijk
vaartuig geworpen, dient om de beide schepen tot elkander te halen
en alzoo by den vyand aan boord te komen.
Enteren, b. w. -- 1o. Het vyandelijke boord beklimmen. Het woord is
waarschijnlijk verbasterd van 't Lat. intrare (binnenkomen).
2o. Eenvoudig: "klimmen," In 't want E--. -- Enter op! (komm).
Enterluik, z. n. o. -- (veroud.) Een luik, voor in den bak of achter
in de kajuit gemaakt, om, in geval van nood, als de vyand meester
is van het bovenschip, daardoor op den overloop te komen en hem van
onderen te keer te gaan.
Enternet, z, n. o. -- Zie Vinkenet.
Entrepôt, (spreek uit Antrepoo) z. n. o. -- of Stapelplaats, beteekent
oorspronkelijk een plaats of haven, waar koopmansgoederen vrij worden
toegelaten, en alzoo een vrijplaats of vrijhaven. In onze taal heeft
dit bastertwoord een meer bepaalde beteekenis verkregen. Volgends
art. 88 der Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 over de heffing der
regten van In- Uit- en Doorvoer enz. (Staatsbl. no. 38) verstaat men
door E--s oplagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen en
is de strekking daarvan, den eigenaren of gekonsigneerden van niet
ten invoer verboden goederen, gedurende den tijd van twee jaren na
den dag der lossing, of somtijds langer, de gelegenheid te laten, die
goederen ten verblijve binnen 's Lands of ten doorvoer aan te geven,
tegen betaling der alsdan daartoe staande rechten. Zy onderscheiden
zich in Publieke E--s, òf algemeene bewaarplaatsen onder het opzicht
van het Bestuur en wederzijdsche sluiting zoo van wege dat Bestuur
als van wege den handel: Partikulier E--, zijnde een bewaarplaats
in een door den handel aangewezen en door het Bestuur goedgekeurd
pakhuis of magazijn, mede onder wederzijdsche sluiting: Fiktief E--
zijnde de oplage van goederen in des handelaars byzonder pakhuis of
bergplaats, onder zijn toezicht en buiten sluiting van de zijde des
Bestuurs. De wetsbepalingen, waarby het stelsel van E-- geregeld wordt,
zijn te vinden in het Elfde Hoofdstuk van gezegde Wet, art 88-107.
Entrepôtdok, z. n. o. -- Besloten Dok, waarin die schepen liggen,
welke hun goederen in het algemeen Entrepôt lossen.
Equipaadje, z. n. v. -- Bastertwoord voor: Bemanning, Manschap. Zie
ald. Het schip is door de E-- verlaten. De gandsche E-- is ziek
geweest.
Equipaadjemeester, z. n. m. -- Direkteur der bewegingen en
verrichtingen op eene der Rijks werven.
Esch, z. n. m. -- Het hout, dat op de Hollandsche schepen gezien werd,
en waar op de Leeuw rustte.
Eskader, z. n. m. -- Zie Smaldeel.
Etat-major, z. n. o. -- Staf van een oorlogschip, bestaande
uit den kapitein, de officieren--ook die van gezondheid en van
administratie--de adelborsten en scheepsklerken.
Etmaal, z. n. o. -- Vier-en-twintig uur. Wy waren geen E-- in zee of
kregen tegenwind.
Evennachtslijn, z. n. v. -- Zie Linie.
Expediteur, z. n. m. -- Iemand, die zich met het doen vervoeren
van koopmanschappen te land of te water bezig houdt. Zijn rechten
en verplichtingen zijn omschreven in het Wetb. van Kooph. II. B. V
Tit. II. Afl. art. 86-96 en in art. 118-119 der Alg. Wet van 26
Aug. 1822.
Ezelshoofd, z. n. o. -- Dik met ijzer beslagen half rond plat hout,
over den top van den mast gelegd; aan het vooreinde een gat, (hommer)
hebbende, waardoor de steng loopt. Onder aan dat hout hangen de bloks
om de stengen op te hijschen of te strijken. De marszeilraas rusten
op het E-- als zy gestreken zijn. Waarschijnlijk is aan dit blok de
naam van E-- gegeven, omdat het als een kop op den mast zit, en als
een Ezel tot het dragen van lasten bestemd is.