Benarren, b. w. -- Benaauwen. Wy zaten benard (op lager wal.)

Beneden, bw. -- Onder, omlaag, in het beneden gedeelte van het

schip. Zend het volk B--.

Benepen, b. n. -- (Veroud.) Werd een schip gezegd te zijn, als het niet

vlotten of niet over droogten geraken kon door schaarsheid van water.

Bengel, z. n. m. -- De klok op een koopvaardyschip. De B-- luidt om

te schaften. Zie Klok.

Spreekwijze: Een kwade B-- wordt van een lastigen knaap gezegd,

die ons met zijn bengelen of janken verveelt.

Benoorden, bw. -- 't zelfde als Noordwaart, ten Noorden. Wy praaiden

dat schip N mylen B-- de linie. De wind is B-- het oost.

Benoorden-om, bw. -- Om Engeland heen. Wanneer, in oorlogstijd, het

Kanaal onveilig was, zeilde men Engeland om, wat de reis aanmerkelijk

verlengde. Hiervan de Spreekwijze: Hy gaat B-- (hy is langzaam in

zijn doen, in zijn spreken, in zijn werken.)

Beoosten, bw. -- 't zelfde als Oostwaart, ten Oosten. Die eilanden

liggen B-- Java.

Bepalen, b. w. -- Naar een vaste berekening zich van iets

verzekeren. De juiste ligging eener plaats B--, den afgelegden

koers B--.

Bepekt, of Bepikt, b. n. -- Met pek besmeerd: Vondel bezigt in zijn

Lofsangh op de Scheepsvaart de uitdrukking Bepeckte Vlercken voor

"zeilen."

Bergen, b. w. -- 1o. Stuwen, pakken. Dit schip kan nog al wat B--

(nog al wat goederen inhouden).

2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B--), het in het dichtst mogelijk

bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden.

3o. Laten vallen: een vlag B--, die nederhalen en wegsluiten.

4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het

schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen

B--. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph.

Berger, z. n. m. -- Hy, die gestrande goederen helpt Bergen.

Berghout, z. n. o. -- Zie Barghout.

Berging, z. n. v. -- Ruimte. Er is weinig B-- in dat schip.

Bergloon, z. n. o. -- Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der

moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het

B-- wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van

Kooph. vermeld. De B--en behooren in de eerste plaats onder de

bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen

kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts

art. 547, 548, 750, 757.

Berkhout, z. n. o. -- 't zelfde als Barghout. Zie ald.

Berkoen, z. n. m. -- 't zelfde als Barkoen. Zie ald.

Beschadigd, b. n. -- Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze

schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van

goederen, door 't zeewater B--.

Beschadigen, b. w. -- Schavielen, wrijven, schade aanbrengen.

Beschieten, b. w. -- 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers

aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B--.

2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten.

3o. Met geschut bevechten.

Beschouwen, b. w. of met den deel hebben -- voor "zijn deel ontfangen"

is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst

van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst,

en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn

aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half,

drie kwart of volle man.

Beslaan, b. w. -- 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B--.

2o. Al de zeilen zijn Beslagen.

3o. In beslag nemen. Zie Beslag.

Beslag, z. n. o. -- Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B--

genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd

gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende

Mogendheid). Zie Embargo.

Beslagbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat.

Beslagen, b. w. -- met ijzer bekleed.

Beslaglijnen, z. n. v. mv. -- Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan-

en stagzeilen Beslaat.

Beslagseizings, z. n. v. mv. -- Gevlochten enden touw, tot vasthechting

der zeilen aan de raas.

Besloten, b. n. -- Dicht. Een B-- reê (waaruit men de volle zee niet

zien kan.

Besmeeren, b. w. -- Insmeeren, met smeer bestrijken.

Besneden, b. n. -- Gevormd. Een fijn B-- schip (een schip dat een

fijne Snede heeft).

Bestek, z. n. o. -- 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich

bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting

van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden

heeft. Met het B-- voor- of achteruit zijn, zijn B-- vooruit loopen,

achter zijn B-- zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de

gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats,

waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich

in zijn B-- vergist. Gegist B--: bevonden B--: verbeterd B--: B--

opmaken: B-- zetten.

2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een

schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten.

Bestemd, dw. -- wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat

schip is naar Java B-- (het moet naar Java). Die goederen zijn tot

geschenken B--.

Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. -- Plaats, waarheen iets

Bestemd was. Dat schip heeft zijn B-- bekomen.

Bestevenen, b. w. -- Den steven ergends heen wenden, waar men met

goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te

veranderen.

Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt

niet altijd wat men verlangd had).

Bestier, z. n. o. -- Zie Scheepsbestier.

Betakelen, b. w. -- Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen

te beletten.

Betanen, b. w. -- Tanen, met Taan bestrijken.

Beting, z. n. v. of Betings mv. -- Naam van twee sterke staanders,

door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast

geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen. 't

Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).

Betingsbalk, z. n. v. -- Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting.

Betingsbout, z. n. m. -- Een der zware ijzeren bouten, die in de

Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen

te bewaren.

Betingskop, z. n. m. -- De enden van de stijlen, waar zy boven den

Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd.

Betingleggen, o. w. -- De ketting of het touw om den Betingsbalk

Leggen.

Betingsknie, z. n. v. -- De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent

en tegen omslaan bewaart.

Betingsslag, z. n. m. -- De Slag, dien de ketting of het touw over

de Beting neemt.

Betingsspenen, z. n. v. mv. -- Zie Betingskop.

Betingsspoor, z. n. o. -- Een stuk of stukken houts, waarop het

vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten.

Betingsstopper, z. n. m. -- De eerste Stopper, dien men achter de

Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten.

Beetingsstut, z n. o. -- De recht opstaande Stut, waaraan de

Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient

om het zwaar touw daarom te leggen.

Betingsstijl, z. n. m. -- Zie Beting.

Betonnen, b. w. -- Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B-- van dat

vaarwater heeft vrij wat gekost.

Beugel, z. n. m. -- Band, hoepel. De B-- van het kompas (koperen

ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij

in beweegt.

Spreekwijze: Dat kan niet door den B-- (dat kan er niet door).

Iemand door den B-- jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe

en moeilijke plaatsen heenslepen).

Beugelarm, z. n. m. -- Bevestiging van den Beugel aan het hout.

Beugtijd, z. n. v. -- De tijd van November tot February, wanneer

de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst

uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd.

Beuling, z. n. v. -- Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang.

Beun, z. n. v. -- of Bun, is de plaats in het schip waar de visch

levendig gehouden wordt, welke daarvan B--visch genoemd wordt.

Beurtman, z. n. m. -- Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen

twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf

genomen. De B-- op Zwol is afgevaren. De B-- ligt aan den steiger.

Beurtschip, z. n. o. -- Hetzelfde als Beurtman. Zie ald.

Beurtschipper, z. n. m. -- Schipper van een Beurtschip.

Beurs, z. n. v. -- Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars,

reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B-- komen:

Ik heb hem op de B-- gesproken.

Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B-- komen (hy mag er gerust

mede in 't openbaar, in 't gezelschap van menschen, komen).

Beursvaatjen, z. n. o. -- Benaming van een vaatjen met buskruit,

dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat

er geen vonken in zouden vallen.

Bevaarbaar, b. n. -- Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee

mijlen van haar monding niet langer B--.

Bevaren, b. w. -- Al varende of zeilende over een water gaan. De zee

B-- (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door

niemand was B--.

Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren

Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren.

Antonides, Ystroom.

Bevaren, b. n. -- Die gewoon is te varen. B-- volk. Een B-- matroos

(die zijn roergang verstaat).

Bevrachten, b. w. -- Laden. Het woord B-- wordt echter niet gebezigd

voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de

Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het

zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.--Een schip,

door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht.

Bevrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip bevracht, of huurt

om te Bevrachten--in tegenstelling van Vervrachter. Zijn

verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel

II. Tit. V. Afd. II. art. 464-498.

Bevrachting, z. n. v. -- De daad van Bevrachten. De overeenkomst van

B-- wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de

B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I

art. 453-463 en Afd. III. art. 499-506.

Bevrijden, b. w. -- Vrij maken. Een schip B-- (van water, of van

den vyand).

Bewaking, z. n. v. -- Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende

schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading

geheel of gedeeltelijk in 't geheim en zonder aangifte zullen

lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26

Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153-156.

Bewateren, b. w. -- met water vullen. De pomp B--.

Beweerd, bw. -- Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De

schepen lagen daar B--.

Beweging, z. n. v. -- Zie Manoeuvre.

Bewesten, bw. -- 't Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B--

de Kaap van een storm overvallen.

Bewimpelen, b. w. -- Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden

worden masten en stengen Bewimpeld.

Spreekwijze: Zijn opzet B-- (met bedriegelijken schijn omkleeden,)

Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder

tooisel voordragen).

Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte

schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een

oorlogs- of transportschip.

Bewindhebber, z. n. m. -- Naam, die vroeger gegeven werd aan hem,

die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische

maatschappy.

Bewoelen, b. w. -- Vast en aan alle kanten omwinden: 't geen

voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt.

Bewoeling, z. n. v. -- De daad van Bewoelen.

Bezaan, z. n. v. -- 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De

B-- op haar gat zetten (de schoot der B-- sterk aanhalen).

2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een

driemastschip.

3o. Groote B-- die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek

vervaardigd is.

Bezaanmast, z. n. m. -- De achterste Mast op een driemastschip.

Bezaansmars, z. n. v. -- Zie Mars.

Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. -- Touwen, waarmede de Bezaan

wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen.

Bezaanspispotten, z n. v. mv. -- De brassen van de bezaansra, nu door

een gaffel vervangen.

Bezaansroede, z. n. v. -- of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast,

die thands niet meer in gebruik is.

Bezaansrusten, z. n. v. -- Zie Rusten.

Bezeild, b. n. w. -- Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig

is voor den koers. Zie Wind.

Bezeildheid, z. n. v. -- Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip

wint in het in B-- van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft

zijn B-- verloren of terug bekomen.

Bezeilen, b. w. -- Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten

die haven zien te B-- (al zeilende bereiken).

Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).

Men kan geen haven met hem B-- (men kan met hem niet te recht komen).

Men kan niet altijd zijn koers B-- (het loopt wel eens tegen).

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 17 / 74 题