L. Franssoons Grietjen Wouters.

Beeldwerk, z. n. o. -- of Tarmen. Snijwerk, cieraden aan den spiegel

van een vaartuig.

Beeting, z. n. v. -- Zie Beting.

Begeven, o. w. -- Losraken, stukgaan. Het B-- van een mast, huid,

plank.

Begeving, z. n. v. -- De daad van Begeven.

Begieten, b. w. -- Nat maken. De scheepszijden B--.

Begroeten, b. w. -- of Salueeren. Teekenen van beleefdheid, ontzach of

eerbied geven. Het B-- geschiedt op zee door middel van kanonschoten,

altijd in oneffen getal. De oorlogschepen, die door koopvaardyschepen

begroet worden, lossen gemeenlijk het derde van het aantal schoten,

die ter hunner eer gedaan worden. Een vloot, een vlag, een citadel

B--. Met scherp B-- heeft alleen ter eere van koningen plaats. Het

B-- geschiedt ook somtijds door het strijken van de vlag, en door

het laten vallen van het marszeil. Dat de Amiraal van Gent in 1671

goed vond het Engelsche koningsjacht de Merlijn niet op die wijs te

begroeten, gaf (onder meer) aanleiding tot oorlog met Engeland. De

zee begroet den wal, (de schepen B-- de forten.)

Behouden, b. n. -- 1o. Gelukkig, gunstig. B-- koers, breedte,

vaart. Een B-- aankomst (aankomst met het vaartuig waarmede men is

afgereisd). Iemand B-- reis wenschen (Voorspoedige reis).

2o. Gered, veilig. Het schip is vergaan; doch de manschap B-- aan

wal gebracht.

Spreekwijze: Een B-- man (die uit den nood, uit den brand is).

Behouden, b. w. -- achtereenvolgend houden, bewaren. Wy bleven

denzelfden wind gedurende veertien dagen B--. Het gelukte my, mijn

koers te B--.

Beitel, z. n. m. -- Timmermans gereedschap, dat van onderen scherp

en van boven ingericht is om er op te kloppen.

Spreekwijze: Kom voor den B--. (Kom voor den dag: toon, wie ge

zijt.) Een vaatjen op den B-- zetten (ten beste geven).

Beitelaak, z. n. v. -- Zie Aak.

Bekaaien, o. w. -- Beteekent: op de Kaai of op den wal bederven en

wordt byzonder gezegd van visch, die zoo lang aldaar gelegen heeft,

dat zy begint te sterven.

Spreekwijze: 't Is alles Bekaaid (bedorven).

Hy komt er Bekaaid af. (Hy heeft er schande meê behaald: omdat Bekaaide

visch als een slecht onthaal wordt aangemerkt, waar de huiswaard geen

eer mede inlegt.) Doch zie Bilderdijk Gesl. op Kade. Ook Witsen legt

het woord anders uit en beweerd, dat een stuk hout, hetwelk aan boord

nergends past of sluit, gezegd wordt Bekaaid uit te komen.

Bekaaier, z. n. m. -- B-- van den bezaan wordt de toppenant genoemd,

die aan de bezaansra vast zit.

Bekabbelen, b. w. -- Kabbelende schuren.

En IJ- en Amstelstroom bekabbelen zijn gront.

Sylvius, Amsterdam.

Bekbout, z. n. m. -- Bout, die met een bek of kromming eindigt.

Bekeuren, b. w. -- Wegens overtreding een boete of andere straf

aanzeggen.

Bekeuring, z. n. v. -- De daad van Bekeuren.

Bekleeden, b. w. -- Bedekken, bewoelen, verzorgen tegen schuring

of beschadiging of wrijving. Het buitenwerk van een schip B-- (het

met dunne planken bedekken, er enden touw om heen woelen of het met

leder benaaien.)

Bekleeding, z. n. v. -- Huid, bedekking.

Beknijpen, b. w. -- Een end touw beklemmen tot dat het op een klamp

belegd is: twee touwen, b. v. de stuurrepen, op elkander binden.

Belabberd, b. n. -- Of Labberlottig; wordt het weer gezegd te zijn,

wanneer de wind, in plaats van frisch door te waaien, slechts

labbert en met tusschenpozen waait: ('t is 't Maleisch Palabber,

vergadering--omdat daar by hen alles langzaam toegaat.)

Spreekwijze: Het ziet er B-- uit (ongunstig, onaangenaam uit).

Beladen, b. n. -- Zwaar geladen. Dat schip is te sterk B--. Die boot

is met te veel goederen B--.

Beleggen, b. w. -- Aanslaan, naaien, sjorren: ook wel een touw

aan een paal of ander voorwerp vastmaken. De schoot, de bras B--

(die vastzetten.)

Spreekwijze: Het was: Hou en beleg. (het was: houd het touw en maak

het ter dege vast: oneigenlijk "goede raad was duur, men had handen

vol werk".)

Daar is geen touw aan te B-- (Er is geen touw aan te vinden: overdr.:

Die kwant stuit niet veel: met hem is niet te geworden.)

Belegklampen, z. n. v. mv. -- Kruisklampen, bestaande uit een dwarshout

en twee halvermaanswijze daarop geplaatste stukken. Zoodanige klampen

worden tegen het binnenboord van een vaartuig gespijkerd en dienen

om er enden touw aan te bevestigen.

Beloop, z. n. o. -- Fatsoen van een schip en, meer bepaaldelijk,

de omloop van den achtersteven.

Beloopen, b. w. -- Bezeilen. B-- worden beteekent: "overvallen worden",

b. v. door een storm.

Bemallen, b. w. -- Zie Mallen.

Bemannen, b. w. -- 1o. Van manschap of volk voorzien.

2o. Van een loods voorzien. Het schip is Bemand (er is een loods

aan boord: omdat de loods, zoo lang hy dienst doet, als de Man by

uitnemendheid beschouwd kan worden.)

Bemanning, z. n. v. -- Het scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt. Dat

schip had maar geringe B--. Zie Manschap, volk.

Bemasten, b. w. -- of Masten. Van Masten voorzien. Dat schip is nog

niet Bemast.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 16 / 74 题