Bezem, z. n. m. -- gebruikelijk in de

Spreekwijze: den B-- in den mast voeren (de zee schoon vegen).

Toen 't Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien,

Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien,

Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt,

De korenvloot van 't Y, en rooft ze met gewelt,

Dorst Amsterdam (hoe klein 't zich toonde voor twee eeuwen)

Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen

Te samen rukte, in zee begeven, en het strant

Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant

Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken,

Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken

Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght,

Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.

Antonides Ystroom.

Bezet, bw. -- Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in 't ijs

B--: op de kust B-- zijn: op lager wal B-- zijn.

Bezuiden, bw. -- 't Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag

B-- het eiland.

Bieden, b. w. -- Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand

de breedzijde te B-- (om hem te beschieten namelijk). De kapitein

deed het fregat de breede zijde B-- aan het fort.

Biezetouw, z. n. o. -- Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche

zee wel gebruikelijk.

Bil, z. n. v. -- Ronding van het achterschip.

Billen, z. n. v. mv. -- De uitpuilende deelen van het achterschip.

Binden, b. w. -- Vastmaken met touw of andere wringbare

zelfstandigheid.

Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).

Bindgaren, z. n. o. -- Bindtouw. Zie Garen, Touw.

Bindsel, z. n. o. -- De uitkomst van het Binden. Een B-- leggen. Zijn

voor B--. Plat B--. B-- van een ankersteel. KruisB--. NokB-- enz.

Binnen, vz. -- 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats,

waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen

zijn B-- (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B--

(binnen scheepsboord).

Spreekwijze: Hy is B-- (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De

uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die,

hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en

nooit meer verliezen kan.

2o. Voor "B-- bereik van": de schepen zijn B-- Schot.

Binnenachtersteven, z. n. m. -- Beplanking, die van Binnen aangebracht

is en tot steun dient van den achtersteven.

Binnengaets, bw. -- Binnen de monding van een zeegat of stroom.

Die wel ervaren maets

En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.

Vondel.

Binnengeschutgang, z. n. v. -- Naam, op geschutdekken, aan de

tusschenwegers gegeven.

Binnenhaven, z. n. v. -- Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam

en Dordrecht zijn B--s.

Binnenkiel, z. n. v. -- of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot

versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen

en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.

Binnenkomen, b. w. -- Uit zee in de haven komen. Binnengekomen:

de vrouw Maria, uit Riga.

Binnenlandsch, b. n. w. -- Wat zich binnen de grenzen van het Rijk

bepaalt. Hy drijft alleen B--en handel. Dit schip is alleen voor de

B--e vaart gebouwd.

Binnenlek, z. n. v. -- Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte

der zee tusschen het strand en de Breêveertien.

Binnenloods, z. n. m. -- Loods, die zijn ambacht uitoefent op de

binnenwateren.

Binnenloodsen, b. w. -- of Inloodsen. Zie Loodsen.

Binnenloopen, b. w. -- Inzeilen. B-- wordt meestal gezegd, wanneer

het uit nood geschied.

Binnenrahout, z. n. o. -- of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant

der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de

geheele lengte van het schip doorgaande.

Binnensteven, z. n. m. -- De binnenkant van den Steven. Zie Steven.

Binnenvaart, z. n. m. -- De vaart op de stroomen en wateren van

het Rijk.

Binnenvoorsteven, z. n. m. -- Het verlengde van de binnenkiel,

loopende van het slemphout tegen den voorsteven op.

Binnenwegering, z. n. v. -- Een langsscheeps-verband, loopende tegen

de spanten van den voor- naar den achtersteven.

Binnenzeilen, b. w. -- Uit zee binnenkomen.

Bit, z. n. o. -- Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of

snede genaamd. Zie ald.

Bitstuk, z. n. o. -- Zie Loefhouder.

Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. -- Enden van kabels. Deze,

als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren

gebezigd.

Blaasbalg, z. n. m. -- Vulling van hout, die onder de slooiknieën

wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste

dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten,

dat de zee er te veel kracht op oefene.

Blaauw inzetten, b. w. -- (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.

Blaauwschuit, z. n. v. -- Oude, echt Hollandsche benaming voor

scheurbuik. Zie ald.

Bladstil, bw. -- Geen windtjen.

Blafteren, o. w. -- (veroud.) Een schip werd gezegd te B-- als het

met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen.

Blad, z. n. o. -- Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B--. B-- van

een riem (het platte en breede end van een riem). B-- van een anker

(Zie Ankerblad.)

Blaken of Blakeren, b. w. -- Wordt men gezegd een schip te doen,

wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van

den worm te bevrijden.

Blakeren, -- Zie Blaken. B-- is meer in gebruik.

Blank, b. n. w. -- Zie Zeil.

Blakhol, z. n. o. -- 't Eng. black hole, een donkere kerker aan boord.

Blazen, b. w. -- (veroud.) Een schip B-- noemde men, wanneer het op

zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met

blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was.

Blekhel, z. n. o. -- Zie Hel.

Blikken, o. w. -- of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker

weer van andere schepen ontdekt te worden.

Bliksem, z. n. m. -- Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring.

Blikvuur, z. n. o. -- Seinvuur. Zie Blikken.

Blikvuren, o. w. -- Zie Blikken.

Blind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan

den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste

droeg den naam van: het groote B--: het tweede of bovenste dat van:

het kleine B-- De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht,

dat de B-- de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men

"een blinde muur" zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is.

Blind, b. n. w. -- Zie Klippen, Ra, Steng, enz B--e Ra (die onder

den boegspriet hangt.)

Blinden, z. n. v. mv. -- Luiken.

Blink, z. n. m. 1o. -- Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het

licht, dat een streep wolken of dampen by 't opstijgen tusschen zich

en den gezichteinder laat.

2o. Wit, onbegroeid duin.

Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer

D'aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, 't gevaer

Van 't varen overzien.

Bloedvlag, z. n. v. -- of roode vlag.

1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover

hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich

verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B-- te hijschen.

De bloetvlag uitgesteken

Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken.

Antonides, Ystroom.

2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen.

Blok, z. n. o. -- In 't algemeen een klompvormig stuk houts: op

schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent

dan zoodanig Blok, 't welk van eene of meer keepen is doorsneden,

binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer

vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het

lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in

't mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.--Enkel B--

(dat maar een schijf heeft). Dubbel B-- (dat er twee nevens elkander

heeft). GeinB--, JijnB-- (groot B-- dat er onderscheidene nevens

elkander heeft). Drieschijfs B-- Drieschijfs GeinB-- Dubbele B--s

voor geschuttalies. VioolB--s (die uit twee nevens elkander geplaatste

B--s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB--s (die uit twee

boven elkander geplaatste B--s bestaan) KatB-- (dat drie schijven

heeft.) Plat B-- (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is

met de B--s aan de hoofden der masten, en met de hanger B--s voor

de marse-draai-reep). KinnebaksB--s (waarvan de zijde opengesneden

is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft,

om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B--s (die men

voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige

B--s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van

de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen

doorloopen). WartelB--s, DraaiB--s (die, in groot aantal en vertikaal

geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B--s voor de buik-

en dempgordings. VoetB--s (die alleen dienen om een gespannen touw

een andere richting te doen nemen). LeiB--s (die geplaatst zijn om

een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB--s

(die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht

der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB--s

(die in 't midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der

onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB--s (waar de

toppenants door moeten). StengelwindreepB--s (die men bezigt om een

mars op te brengen). StagB--s (die aan het einde der stags geplaatst

zijn). GordingB--, DraaireepB--, GeitouwB--, TalieB-- enz. TopreepB--s

(dienende om een schip dat by 't kalefateren op zijde ligt, weder op

te heffen). DrilB--s (zware en lange B--s, waarmede men de schepen

in of uit de dokken trekt). KielB--s, (dienende om de masten op een

schip te brengen). StraatB--. HaakB-- enz. (waarvan de strop met een

zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-,

tot achtschijfsB--s.

Spreekwijze: Het schijfjen in 't B--jen (de zaak is in orde).

Blokhout, z. n. o. -- Hout, waar Bloks van gezaagd worden.

Blokkenet, z. n. o. -- Net, dat in 't kabelgat hangt tot berging van

de kleine Bloks.

Blokschijf, z. n. v. -- Schijf, die in het Blok zit.

Blokstrop, z. n. m. -- End touw, dat men om een Blok splitst om het

ergends aan te bevestigen.

Blokwangen, z. n. v. mv. -- De zijden van een Blok.

Blijven, o. w. -- Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in

dezen storm.

Bocht, z. n. v. -- 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B--en

doen opschieten.

2o. De ronde kant van eenig voorwerp.

3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B-- van Guinea, de B--

van Frankrijk.

4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om

veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet

te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B-- gehaald.

5o. of TouwB-- die, welke men voor de Beting heeft, als men ten

anker komt.

6o. Ontuig, drek. Ik kan die B-- niet drinken.

Spreekwijze: Een B-- achter den arm houden--'twelk een noodzakelijke

voorzorg is by het vieren--(gepaste voorzorg nemen).

Een ander aan de B-- springen (een bekwamer man by het B-- vieren

zetten).

Bochtsteek, z. n. m. -- of Engelsche Kink. Een soort van Steek,

gebruikelijk by het vastmaken van Bloks.

Bodem, z. n. m. -- 1o. Grond, vloer. De B-- van de zee; de B-- van

het schip.

2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B--s verloren (voor

vijf schepen) 's Lands B-- (het schip).

Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren

Die moeten over zee op eenen bodem varen.

Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam.

Bodemery, z. n. v. -- Overeenkomst tusschen een geldschieter en

een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding

van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met

dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door

toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op

de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit

een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl,

wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt,

de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden.

De bepalingen omtrent B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek

II. Tit. VIII. art. 569-591.

Bodemerybrief, z. n. m. -- Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie

daarover art. 273 Wetb. van Kooph.

Bodemstuk, z. n. o. -- 1o. Zool van een rolpaard.

2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit

vroeger een stuk geschut bestond.

Bodemstukken, z. n. o. mv. -- of Fundatiebalken: de zware balken,

waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt.

Boeg, z. n. m. -- 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het

voorste gedeelte van 't schip, 't Beteekent "kromming" even als boog

en buiging. Een vette, ronde, holle B--. Een magere, scherpe B--. Met

den B-- in den wal liggen.

2o. Boord. Over beide B--en. Van B-- veranderen, (over een anderen B--

gaan liggen (wenden)). B-- tegen B-- loopen.

3o. 't Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich

bevindt, en 't welk is afgescheiden van den ziekeB--.

Spreekwijze: Iemand dwars voor den B-- komen (iemand in zijn gang

stuiten, tegenhouden).

Op één B-- zeilen (eene streek houden).

Het op een anderen B-- wenden (van koers veranderen, iets op een

andere wijze doen dan te voren).

Het moet over dien B-- gaan, of gewend worden (die streek moeten wy

houden, op dien voet moet het beproefd worden).

Het over alle B--en wenden (alle middelen by de hand nemen).

Wy krijgen al het geld op een B-- (gelijktijdig, niet by gedeelten).

Een mensch met een breeden B-- (een deftig mensch).

Dan scheen zy met een breeden boeg

Het vlot voor uit te trekken.

Bilderdijk. Elius.

Boeganker, z. n. o. -- Een der vier of vijf ankers aan boord.

Boegband, z. n. m. -- Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg,

dienende tot steun der dekken.

Boegen, o. w. -- (veroud.) Varen, zeilen.

Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost.

J. de Marre.

Boeghouten, z. n. o. mv. -- Die lengten van het Barghout, die niet

gebogen worden.

Boegkruisen, o. w. -- Het water met den Boeg kruisen, alzoo

Laveeren. Zie ald.

Boeglegger, z. n. m. -- (veroud.) De schipper of het schip, dat het

eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet.

Boegmal, z. n. m. -- De Mal of vorm van den Boeg.

Boegpomp, z. n. v. -- Pomp om zout water te slaan, gebruikt by 't

schoon schip maken.

Boegseerboot, z. n. v. -- Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet

wordt.

Boegseeren, b. w. -- Met behulp van sloepen van plaats doen

veranderen. De sloepen zijn aan het B--. (zy trekken een schip aan

touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen

dan met behulp van sloepen, die hen B--.

Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half

dronken) binnen gekomen).

Boegseertros, z. n. v. -- Tros, waar de sloepen by 't Boegseeren aan

gespannen zijn.

Boegslag, z. n. m. -- Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 18 / 74 题