Achterplecht, z. n. v. -- Zie Plecht.
Achterruim, z. n. o. -- Zie Achteronder.
Achterschip, z. n. o. -- Dat deel van het schip, 't welk van den
bezaansmast af tot aan het einde toe naar achteren staat. Zie Schip.
Achterslemphout, z. n. o. -- Verzameling van op elkander gestapelde
houten, benoodigd om den hoek te bewaren van den achtersteven met
de kiel.
Achterspant, z. n. v. Zie Spant.
Achtersteven, z. n. m. -- Zwaar en rechtstaand stuk hout, dat, aan
het uiteinde der kiel van een schip opgericht, het sluitstuk van zijn
romp uitmaakt.
Achtertocht, z n. m. of Achterhoede -- Het smaldeel eener vloot,
dat achter aan zeilt, en gewoonlijk door den derden Hoofd-officier
in rang wordt aangevoerd.
Achtertouw, z. n. o. -- Tros of kabeltouw, waarmede men achter aan den
wal gemeerd is of dat men voor verhalen gebruikt om het Achterschip
te bedwingen.
Achteruit, bw. -- Beteekent in de samenstelling, wat zich bevindt
aan de zijde van den achtersteven. Gy moet A--komen: (gy moet by den
Kapitein in de kajuit komen). A-- viktualieruim (het eerste magazijn,
dat zich achter den grooten mast bevindt).
Achteruitzeilen, o. w. -- Achterblijven, de schepen, waarby men
behoort, vooruitzeilen.
Spreekwijze: A-- (achter uit teeren, teruggang ondervinden).
Achtervinkenet, z. n. o. (veroud.) voor Kuildek.--Zie ald.
Achtervloed, z. n. m. of Navloed. -- Het laatste van den Vloed.
Achterwerk, z. n. o. -- Het snijwerk van den achtersteven.
Achterzeilen, z. n. o. mv. -- De zeilen, die tot den grooten en
bezaansmast behooren. De A-- en doen het schip oploeven, de voorzeilen
afvallen.
Adelborst, z. n. m. -- Kadet, eerste graad in de Zeedienst. Het
woord heeft dezelfde beteekenis als Edelknaap: om dat de Adelborsten
oorspronkelijk vrijwilligers van edelen huize waren.
Admiraal, Admiraliteit enz. -- Zie Amiraal, Amiraliteit, enz.
Adviesboot, fregat, jucht. -- Vaartuig, dat berichten of lastgevingen
overbrengt.
Afbakenen, b. w. -- Met merken of tonnen bezetten. Men heeft eindelijk
besloten, die ondiepte Af te Bakenen.
Afbetalen, b. w. -- Betalen en wegzenden. Het schip is opgelegd en
het scheepsvolk is Afbetaald.
Afblazen, b. w. -- De kanonnen A-- (ze met los kruit afschieten om
ze schoon te houden.
Afbrassen, o. w. -- Zie Volbrassen.
Spreekwijze: Hy brast af: (hy schuurt zijn piek).
Afbrengen, o. w. -- Vlot maken. Het schip zat op den bank en het
kostte niet weinig moeite, het er Af te Brengen.
Afbuien, o. w. -- Eindigen met Buien. Het weer Buit Af.
Afdanken, b. w. -- Uit de dienst zenden, naar huis zenden, ontslaan. Al
de manschappen worden Afgedankt.
Afdanking, z. n. v. -- De daad van afdanken. Nu de oorlog een einde
nam had er een algemeene A-- der troepen plaats.
Afdeeling, z. n. v. -- Zie Eskader, Smaldeel.
Afdrijven, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, dat door den stroom
wordt mede gevoerd. Met den stroom A--. Met de neer A--. Een schip
doen A--.
Afdwalen, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, als het uit zijn koers
of van de vloot afraakt: -- en van een man, als hy vermist wordt. Hy
is Afgedwaald (hy is buiten boord geraakt.)
Afgaand, b. n. -- Vallend. Zie Tij.
Afgetakeld, b. n. -- 1o. Afgetuigd. Zie Aftakelen.
2o. Gehavend. (Dat schip ziet er deerlijk A-- uit).
Spreekwijze: Hy is zeer A-- (hy is mager geworden).
Afgieren, o. w. -- Als men voor anker ligt met een gier van plaats
veranderen.
Afgrond, z. n. m. -- Zie Diepte, Kolk, Maalstroom.
Afgronden, die geen loot kan peylen, noch beworpen, zegt Vondel. Lof
der Zeevaart.
Afhangen, b. w. -- 1o. Uit zijne scharnieren lichten. Het roer A--.
2o. Iemand van zijn wapenen enz. ontdoen. Hangt dien man Af (ontneemt
hem zijn zijdgeweer, enz.)
Afhouden, o. w. -- 1o. Zich ergends van verwijderd houden. Wy moeten
van die kust A-- anders vervallen wy op de zandgronden.--Hadden wy niet
nog in tijds Afgehouden, dan had die brik ons overzeild.--Van den wind
A-- (door de werking der zeilen of van het roer een slag in de rondte
doen) voor den wind A-- (de richting van den wind volgen, zoo dat men
hem den achtersteven toekeert). In eens A-- (wanneer de beweging met
snelheid geschiedt). Gaande weg A-- (wanneer zy langzamerhand plaats
heeft). Door een kontramarsch in elkanders kielwater A--.
2o. Plaats maken. De schepen die den stroom opvaren, moeten naar den
wal A-- om de stroom-afkomende te laten voorbygieren.
Afhouden, b. w. -- Verwijderen: het anker van den boeg A-- (ten einde
schuring te voorkomen). Als een touw, ketting of kabelaring om een
spil gewonden wordt, zijn er menschen, die de afgewonden part stijf
houden en terughalen, dat men A-- noemt.
Afkeuren, b. w. -- Ongeschikt, onbruikbaar verklaren. Dat schip werd
Afgekeurd (het werd geöordeeld, niet langer zee te kunnen bouwen:
het kreeg den bijl voor den kop.)
Afknijpen, b. w. -- t. w. de loef, wordt van uw schip gezegd, wanneer
het een ander de loef afwint.
Afkomen, o. w. (Op iemand). Dat schip Kwam op ons Af (naderde ons
schip.)
Afleggen, b. w. -- Zich verwijderen. Wy moeten van het land A--
(versta: het roer).
Afloopen, o. w. -- 1o. Van stapel loopen. Zie Stapel.
Spreekwijze: Hoe zal dat A--? Dat Loopt goed Af. (Wat zal de uitslag
zijn? Die uitkomst is voorspoedig). Het A-- van een schip is namelijk
altijd een hachlijke zaak, aan het goed slagen waarvan vrij wat
gelegen is.
Het wel A-- van het scheepjen is van ouds her de dronk, aan een
vrouw toegebracht, die zich in gezegende omstandigheden bevindt. De
spreekwijze behoeft geen opheldering.
2o. Afzakken, zich met den wind verwijderen. Voor den wind A--.
Afloopen, b. w. -- De uitdrukking een schip A-- wordt wel gebezigd,
als het scheepvolk zich oproerig toont.
Aflossen, b. w. -- Verpozen, ontslaan en de plaats of taak innemen
van den ontslagene. De wacht A--.
Afnemen, o. w. -- Wordt de maan gezegd te doen, wanneer zy vol is
geweest en haar omtrek schijnbaar vermindert.
Afpassen, b. w. -- Gereed maken, bepalen. Een bestek A-- (een bestek
zetten).
Afraken, o. w. -- Zich verwijderen. Na een langen strijd Raakten de
beide schepen van elkander Af.--Wy moeten ons best doen, dat wy van
die kust A--.
Afreizen, o. w. -- Heenreizen, uitzeilen.
Afschaken, b. w. -- Bot geven, vieren. Een touw A-- (wanneer men
het vasthoudt, het vieren om het gemakkelijker door een blok te
laten glijden).
Afschepen, b. w. -- Met een schip wegzenden. Goederen naar Engeland
A--.
Spreekwijze: Iemand A-- (zich van iemand ontslaan, iemand met een
kluitjen in 't riet sturen).
Afscheper, z. n. m. -- Bevrachter.
Afslaan, b. w. -- 1o. Afweeren. 't Gelukte hun, des vyands eersten
aanval Af te Slaan.
2o. Strijken, wegnemen, bergen, het tegenovergestelde van ophijschen,
bijzetten. De zeilen A--.
Afslaan, o. w. -- Met geweld afraken. Hy is van zijn anker Afgeslagen.
Afslechten, b. w. -- Verdunnen, b. v. een stuk hout.
Afslechten, o. w. -- Bedaren. De zee slecht af (wordt stiller,
effener).
Afsluitingdeelen, z. n. o. mv. -- De deelen van een schip, die bestemd
zijn om het Af te sluiten en waterdicht te houden.
Afsnijden, b. w. -- Een schip: het in zijn koers hinderen, of beletten
dat het zich begeve waar het wil. Een schip van den wal A-- (zich
tusschen den wal en het schip plaatsen. Een schip den terugtocht A--
(zich zoo te plaatsen, dat het niet ontwijken kan). Een Afgesneden
schip. (Een schip, dat door de beweging des vyands zoodanig van de
vloot waar het toe behoort gescheiden is, dat het zich daarmede niet
kan hereenigen.)
Afstand, z. n. m. -- 1o. De betrekking, waarin zich eenig voorwerp tot
een ander bevindt ten opzichte van de plaats waar zy zijn. Op verren
A-- zijn. Dat schip ligt op een A-- van twee mijlen.--Op den bepaalden
A-- van zijn voorman blijven. Maans A--. De A-- der maan van de zon,
planeten en vaste sterren. Het observeeren der A--en dient tot het
vinden der lengte op zee en vereischt byzondere bekwaamheid.
Spreekwijze: Hy neemt een goeden A-- (hy is een goed waarnemer of
observateur).
2o. Of verlating. De daad van iets af te staan. Hy heeft A--
van dat schip gedaan aan de Assuradeurs ('twelk geschieden kan
behoudens de bepalingen voorkomende in het Wetb. van Kooph. Boek II,
Tit. IX. Afd. V. Art. 663-680.
Afsteken, o. w. -- Zich in een licht vaartuig verwijderen. Met de
sloep A--.
Afsteken, b. w. -- Afwinnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.
Afstooten, b. w. -- Terugstooten.
Aftakelen, b. w. -- Onttuigen, aftuigen. Een schip A-- (van zijn
takelaadje ontdoen). Zie Afgetakeld.
Aftocht, z. n. m. -- Terugtocht, meestal zoodanig een die gedwongen
is. De vyandelijke vloot tot den A-- dwingen:--Den A-- slaan (door
trommelslag het sein tot den A-- geven).
Aftonnen, b. w. -- Een vaarwater geheel van Tonnen voorzien. Men
mocht die baai wel A--.
Aftuigen, b. w. w. -- De tuigaadje afnemen, onttuigen, onttakelen. Een
schip A-- (van zijn tuig ontdoen.)
Afvaart, z. n. v. -- Vertrek van een schip of boot. De A-- van den
beurtman. De Aan- en A-- der stoombooten.
Afvallen, o. w. -- 1o. Wordt van een schip gezegd, als het door
tegenwind omzwenkt. Het schip Valt Af. Over bakboord, over stuurboord
A--.
2o. Ter zijde af wegzeilen, en met of tegen dank niet zoo dicht als
doenlijk by-de-wind houden.
Afvieren, b. w. -- Een touw laten schieten. Lus van een touwgeer
afschrikken.
Afvalling, z. n. v. -- Hieling, achterdeel der kiel, het stuk dat
wegvalt by 't afloopen.
Afvaren, o. w. -- Van de legplaats vertrekken. De schuit Vaart Af. Het
uur van A-- heeft geslagen. Afgevaren breedte (de breedte waarvan
men is afgevaren).
Spreekwijze: 't Bestek zetten naar de afgevaren breedte (van een vast
punt uitgaan).
Afwaaien, onp. w. -- Onophoudelijk waaien. Het heeft in deze laatste
dagen al schoon wat Afgewaaid.
Spreekwijze: van den wal Afgewaaid (niet tot zijn oogmerk gekomen).
Afwenden, o. w. -- Als men by-de-wind zeilende in den wal ligt,
er over den anderen boeg uitzeilen.
Spreekwijze: Tegen de nacht van den wal afwenden (tijdig voorzorgen
nemen).
Afwerken, o. w. -- Tegen wind of stroom A--, d. i. zwaar naar binnen
komen, uit zee doorlaveeren, op een rivier door het uitbrengen van
trossen, ook, by stilte, doorboegseeren.
Afwerpen, b. w. -- 1o. Schielijk en onverwacht ergends van daan zeilen
(veroud.). Afgeworpen worden heeft by het enteren dezelfde beteekenis
als afgeslagen worden by een beleg.
Afwinnen, b. w. -- Van iemand winnen. Ik heb het hem in snelheid
Afgewonnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.
Afwijken, o. w. -- 1o. Scheuren, gapen: worden b. v. planken gezegd
te doen, als de naden zich uitzetten.
2o. Zich verwijderen. De magneetnaald Wijkt Af. (Zy verwijdert zich
van het ware Noord.)
3o. Met een werpanker, dat men met een sloep of boot uitbrengt, het
schip verhalen; b. v. als men met een schip in de nabyheid van klippen,
banken als andersins geänkerd is en men kans heeft met zwaaien of
wat harden wind er op te raken, als men met stilte niet verzeilen
kan of er geen plaats is om onder zeil te komen en het schip elders
ten anker te brengen, dan geschiedt dit met behulp van een werp.
Afwijking, z. n. v. Deklinatie. -- Miswijzing van de kompassen.
Afzakken, b. w. -- Afdrijven b. v. een stroom. Het was een fraai
schouwspel, die vloot de rivier te zien A--.
Spreekwijze: Hy is Afgezakt (hy is zonder gerucht heengegaan).
Afzakkertjes, z. n. o. -- Dronk, dien men by 't heengaan, of om de
spijs te doen zakken, gebruikt.
Afzeilen, o. w. -- De haven verlaten. Er zijn met dien wind vele
schepen afgezeild.
Afzeilen, b. w. -- Dat schip kan veel wind A-- (veel wind verdragen).
Afzenden, b. w. -- Heenzenden, verwijderen. Een schip van de vloot
A--. Goederen A--.
Spreekwijze: De volle laag A--, d. i. al het geschut te gelijk afvuren
(al zijn kracht op eens aanwenden).
Afzender, z. n. m. -- Hy, die een lading, of goederen heeft Afgezonden.
Afzetten, o. w. -- Zich afstooten. Ook: voor 't stooten vrij houden. Wy
moesten van den wal A--; Zet Af! (komm.).
Akerkloot, z. n. m. -- (Veroud.) Eikelvormige kogel: heet nu
druivetros, en bestaat uit kleinere kogels, op een ronde schijf
opgehoopt en in zeildoek gebonden, waarvan het geheel den vorm heeft
van een aker of druivetros.
Kardoezen, akerkloots, mammierings en kardeelen.
Antonides, Ystroom.
Aletta, z. n. v. -- Windveringen of galeiwolf. Verlenging van het
boeghout op den achtersteven der Levantijnsche vaartuigen.
Allarm, z. n. o. -- 1o. Wapenkreet, van 't Ital. All'arme, "te
wapen." A-- blazen. Valsch, loos A--. Aan boord der Nederlandsche
oorlogschepen slaat de tamboer op zijn trom A--, waarop ieder naar de
hem aangewezen plaats in de geschuts- en gevechtsrolle gaat en zorgt,
dat alles op die plaats tot het gevecht gereed zij.
2o. Oploop, beweging, misbaar, by het ontstaan van onraad of
gevaar. Een geweldig A-- verwekken.
Allarmrol, z. n. v. -- Verdeeling van de Equipaadje in geval van
gevecht.
Alle zeilen byzetten, byhouden. -- Zie Byzetten, Zeil.
Alles tot een gevecht klaar maken. Een gedeelte der kooien afnemen
en naar de brassen brengen om tot verschansingen in te richten en
tevens tot dekking van de talrepen der wanten, de schotten tusschen de
vertrekken enz. wegnemen, alles uit den weg ruimen wat aan de vrije
beweging der strijdenden hinderlijk zoû kunnen, zijn, de pompen,
brandspuiten, grondschotproppen, stoppers, putsen, het slagverband
klaar maken, wapens uitdeelen en ieder op zijn aangewezen plaats.
Alles wel! 1o. Gewone begroeting, welke de schepelingen van twee
elkander praaiende vaartuigen elkander toevoegen, en die zoo wel een
vraag als een antwoord in zich sluit.
2o. Roep van de uitkijk voor op de bak, op de fokke- en marsenra by
het slaan der halfuursglazen. Wanneer er van het halfdek door den
wachthebbenden Officier gepraaid wordt: "wel uitkijker voor!" moet
deze, om te toonen dat hy niet slaapt, dit beantwoorden met A-- W--!
Alles wel aan boord. -- Gewone uitdrukking om te berichten, dat op een
vaartuig, 't welk zich op reis bevindt, noch ziekte noch belangrijke
avery hebben plaats gehad.
Almadie, z. n. v. of Kathurie. -- Soort van vaartuig, in Indiën en
op de kust van Guinea in gebruik. Het heeft een zeer fijnen romp, aan
beide einden in een punt uitloopende, en een vierkante verschansing.
Aming, z. n. v. (veroud.) -- Hoogte van 't schip boven 't water.
Amiraal, Ammiraal of Admiraal, (welke laatste schrijfwijze door
misbruik en navolging der Engelschen is ingeslopen, als zijnde
het woord afkomstig van Emir, dat Opperhoofd beduidt), z. n. m. --
Vlootvoogd. Vroeger had men by ons te lande:
Een A-- Generaal, welke waardigheid achtereenvolgends door de
Stadhouders van Holland is bekleed geworden.
Een Luitenant A-- Generaal, hoedanig de zeehelden Marten
Harpertz. Tromp, Michiel Adriaansz. de Ruyter, Kornelis Tromp,
achtereenvolgends zijn geweest.
Luitenant A--en en Vice-A--en van de onderscheidene Amiraliteiten,
door welke zy benoemd werden. Zie Amiraliteit.
Sints de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden, worden,
ingevolge de Grondwet, de Amiralen, even als alle andere Officieren,
door den Koning benoemd.
De benaming A-- wordt by onze schrijvers ook gebezigd om den
bevelvoerder van eenig afzonderlijk smaldeel aan te duiden. Zoo zeide
men b. v. De Kapitein A voerde als A-- den middeltocht aan, de Kapitein
B als Vice-A-- den voortocht en de Kapitein C, als Schout-by-Nacht,
den achtertocht.
Spreekwijze: De A-- heeft geschoten. (De gastheer heeft zijn glas
opgenomen en daardoor het sein gegeven.) Elken avond gaat aan boord
van het Amiraalschip het wachtschot; dan moeten licht, vuur en pijpen
uit, en de nachtwacht begint. Evenzoo luidt elken morgen het dagschot
en ieder moet de kooi uit. Ook in een gevecht geeft het Amiraalschip
het sein om te beginnen.
Amiraal, z. n. m. -- Zeildoeksche slagputs om water te hijschen by
't schoon schip maken.
Amiraalschap, z. n. v. (veroud.) -- Het verdrag, dat onder een vloot
schepen gemaakt werd, wie het opperbevel zal voeren, en naar welk
verdrag ieder zich in der tijd had te gedragen.
Amiraalschip, z. n. o -- Schip, dat den Amiraal aan boord heeft
of verwacht.
Amiraalsvlag, z. n. v. -- Vlag, welke de Amiraal laat waaien, en
waaraan men weten kan, op welk schip hy zijn verblijf houdt.
Amiraalzeilen, o. w. -- Hardzeilery met kleine vaartuigen, hoedanig
van ouds o. a. op den Aemstel plach te geschieden.
Amiraliteit, z. n. o. -- Kollegie, dat het opperbewind plach te
hebben over zeezaken. Onder de Republiek had men hier te lande vijf
zoodanige Kollegiën, t. w. de A-- van de Maas, van Texel, van Zeeland,
van Friesland en van het Noorder kwartier.
Ammunitie, z. n. v. -- Zie Krijgsvoorraad.
Amplitudo, z. n. v. -- De streek van den op- en ondergang der
hemellichamen, van het ware Oosten of Westen gerekend.
Anker, z. n. o. -- IJzeren werktuig met dubbelen weêrhaak, dat,
uitgeworpen wordende, zich in den bodem der zee vastklemt en het schip,
waaraan het is vastgehecht, belet weg te drijven. Als zware A--s heeft
men aan boord der schepen: het Daagsch A--: het Boeg A--, het Tui A--
en het Plecht A--, soms nog het Nood A--; als lichte A--s: het Stop-
en de Werp A--s.--Het A-- voor den boeg vieren (het gereed stellen als
men ankeren wil). Het A-- werpen, ten A-- komen, het A-- uitbrengen,
laten vallen (het in zee laten zakken). Het A-- gaat door, laat los
(het krast over den grond). Het A-- doen doordringen. (Het uitgeworpen
A-- al varende over den bodem van het water laten slepen, 't welk
geschiedt wanneer men, door snel stroomende rivieren varende, by het
ontmoeten van een ondiepte, onmiddelijk kan ten anker komen). Het A--
staat stagswijze (de ketting van het A-- staat evenwijdig met het
fokkestag). Het A-- katten, verkatten. (Een werp-A-- op een zwaar A--
zetten, om het doordreggen te beletten.) Het A-- kippen. (De bezorging
van 't A-- na 't katten: de hand van 't A-- over boord halen.) Het A--
lichten (uit het water ophalen). Het A-- is klaar (als het gezien is by
't ophalen en recht naar boven komt). Onklaar A-- (als het in het touw
of op andere wijze verward is. Hy is gezien! (het A-- is gezien by 't
uit het water komen.) Het A-- is recht op en neder! (wordt geroepen,
wanneer de ketting by 't ophalen recht op en neder staat). A-- is
voor (het is opgehaald en voor aan den boeg). Het A-- vrij houden (te
beletten, dat het tegen boeg of boord aanslaat). Het A-- t'huis halen
(het naar boord winden). Het A-- opkatten (het in den ring met het
katsblok onder den kroonbalk hijschen). Het A-- laten slippen (een boei
op het eind van het touw steken en dat de kluis doen uitloopen.) Het
A-- visschen (naar een verloren A-- zoeken en ophalen). Het A--
kappen (het touw kappen, waar het A-- aan vast zit). Het A-- is blind
(zonder boei, zoodat men niet zien kan waar het is).
Spreekwijzen: Hy is het A-- mijner hoop (hy is de man waar ik op
steun). Men weet dat het A-- het zinnebeeld is der hoop.
Van zijn neus een A-- maken (niet verder willen zien dan zijn neus
lang is).
Hy is zoo vet als een Spaansch A-- (hy is zoo mager als een hout).
Op een A-- te land komen (tegen alle verwachting te recht komen).
De kat op het A-- zetten (zijn koetjens op 't droog zetten--omdat
een gekat A-- dubbel zeker ligt). Ook wel: (een vast besluit nemen).
Het A-- lichten (vertrekken, zich verwijderen).
Ergends zijn A-- laten vallen (Ergends zijn intrek nemen).
Het A-- is doorgegaan (de grond is hem ontzonken).
Hy slacht de A--s, die altijd te water gaan en nooit leeren zwemmen
(hy komt nooit voort, hoe gunstig de gelegenheid ook zij).
Zijn A-- houdt niet (wordt van een klaplooper gezegd, die weggestuurd
wordt).
Hy moet zijn A-- kappen (hy moet overhaast de vlucht nemen).
Hy ligt voor zijn laatste A-- (het is slecht met hem gesteld).
Hy ligt voor twee A--s (hy heeft dubbele hulp).
Hy heeft klaar A-- (hy heeft vasten steun in zijn zaak).
Ankeraadje, z. n. v. -- Oude benaming voor het geld, dat men aan de
havenmeesters verschuldigd was voor het werpen van de ankers.
Ankerarmen, z. n. m., mv. -- Armen van het anker: de gedeelten,
welke van onderen, aan beide zijden van de schacht zich boogswijze
verheffen en aan hun uiteinde van een weêrhaak zijn voorzien.
Ankerbedding, z. n. v. -- De plaats waar het anker vastzit. Een
bekwame A--.
Ankerbladen, z. n. o., mv. -- De driehoekige bladen of lepels aan
het uiteinde der armen van het anker.
Ankerbrug, z. n. v. -- Uittimmering tegen den boeg, over welke de
hand van het anker wordt opgehaald.
Ankeren, o. w. -- Het anker laten vallen, ten anker komen.
Spreekwijze: Ergends geänkerd zijn (zich ergends bevinden, waar men
zich niet gemakkelijk van daan laat brengen).
Ankergrond, z. n. m. -- Grond, tot ankeren geschikt. Wy vonden hier
een goeden A--.
De minste vlieten zijn bequaem tot ankergronden.
Antonides, Ystroom.
Ankerhals, z. n. v. -- De plaats waar de ankerstok door de schacht
gaat, of omgekeerd.
Ankerhanden. Hetzelfde als Ankerbladen. Zie aldaar.
Ankerkip, z. n. v. -- Balk of stut waarover het kiptakel heen loopt.
Ankerkruis, z. n. o. -- Kruis van het anker en plaats waar de armen
van het anker zich met de schacht vereenigen.
Ankermoeren, z. n. o., mv. -- Zie Ankerneuten.
Ankerneuten, z. n. v., mv. -- Koppen of moeren. Verdikking van de
schacht, daar waar de stok door heen gaat.
Ankeroog, z. n. o. -- Oog van het anker; gat in de schacht, waar de
ring door heen gaat.
Ankerpeiling, z. n. v. -- Het bepalen door middel eener kruispeiling,
waar het anker ligt.
Ankerplaats, z. n. v. -- Plaats, waar een schip ten anker ligt. Wy
vonden hier een veilige A--.
Ankerpunt, z. n. v. -- Punt of bek van het ankerblad.
Ankerring, z. n. m. -- Ring boven het anker, door welken het kabeltouw
wordt heengestoken.
Ankerroering, z. n. v. -- Touw en zeildoek, ter bekleeding van den
ankerring, dienende om het stukscheuren van het touw te beletten.
Ankerschacht, Ankerstuk, Ankerroede, z. n. v. -- De ijzeren staaf,
die het lichaam van het anker vormt.
Ankerschoen, z. n. m. -- Een hout, dat onder de hand van een anker
gebracht wordt, by vervoer of verplaatsing.
Ankersmedery, z. n. v. -- Werkplaats, waar ankers vervaardigd worden.
Ankersmid, z. n. m. -- Werkbaas of werkman, die ankers smeedt.
Het ankersmeden zich aenmeten de Tyrrhenen.
Vondel, Lof der Zeevaert.
Ankersteek, z. n. m. -- Wijze van het touw op het anker te bevestigen.
Ankerstok, z. n. m. -- Stok, uit twee deelen zamengesteld, en die
achter by de neut van het anker gebezigd wordt om de armen beter in
den grond te doen vatten.
Spreekwijze: Hy is zoo vet als een A-- (zoo mager als een hout).
Ankerstokbouten, z. n. m., mv. -- Bouten, waardoor het verschuiven
van den ankerstok in de schacht belet wordt.
Ankerstokband, z. n. m. -- IJzeren band, dienende om de twee deelen
van den ankerstok te verbinden.
Ankertalie, z. n. v. veroud. (Zie Pentertalie, Kat).
Ankertouw, z. n. o. -- Kabel, waaraan het anker vastzit.
Ankervoering, z. n. v. -- IJzeren bekleedsel der ankerbrug, om deze
van beschadiging vrij te waren.
Antwoorden, o. w. -- Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet,
hijscht men de vlag, en dan wordt dat schip, door zijn vlag te
vertoonen, gezegd te A--. In eigen spraak A-- (schieten op wie eerst
geschoten heeft).
Apostels-, z. n. m., mv. of Judas-ooren. -- Opstaande houten, die de
eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken.
Appointé, z. n. m. -- In oorlogstijd werden soms twee kapiteins op
hetzelfde schip geplaatst; doch de een was kommandant, de andere werd
genaamd A--. Zoo noemde men ook wel een officier, die tot een andere
equipaadje behoorde.
Spreekwijze: Hy vaart als A-- (hy is een leêglooper, een dagdief).
Arbeid, z. n. m., Werk. -- Aan den A--! (komm.). Zie Zorren.
Arbeiden, o. w. (veroud.) -- Een schip wordt gezegd in zee te A--
als het veel slingert of rolt.
Archipel, z. n. m. -- Eilandszee. De Grieksche A--, de eilanden van
den Indischen A--.
Ark, z. n. v. -- Soort van keg, die in de nagels geslagen wordt.
Arm, z. n. m. -- Palm, klaauw, tak, slinker, nok, handvatsel:
uitstekend of uitspringend end, balk, staaf of bocht, voornamelijk
zoodanige, als dienen om iets aan te vatten of te hanteeren. De A--
van een knie, de A-- van een Anker (zie Ankerarm), enz.
Artikelbrieven, z. n. m., mv. (veroud.) -- Verzameling van reglementen
en ordonnantiën op het zeewezen.
As, z. n. v. -- Spil, waar eenig voorwerp om heen draait.
Assuradeur, Assurantie, Assureeren, enz. -- Zie Verzekeraar,
Verzekering, enz.
Astragaal, z. n. v. of Kamerband. -- Ring of band tot verzekering
van een stuk geschut.
Atlantische zee, z. n. v. -- Zie Oceaan.
Atlas, z. n. m. -- Gebruikelijke naam voor verzameling van
waereldkaarten. Een Zee-A-- (die alleen zeekaarten bevat). Een Hand-A--
(dien men gemakkelijk hanteeren kan). Een Zak-A-- (dien men by zich
steken kan).
Avary, avery of havery, van 't Ital. Avaria. -- Zeeschade, op wat wijze
ook te weeg gebracht. Volgens Art. 696 van het Wetb. van Kooph. worden
onder A-- begrepen alle buitengewone onkosten, ten dienste van
het schip en de goederen, gezamentlijk of afzonderlijk gemaakt;
alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt gedurende de
tijdruimte by het II Boek, Tit. IX, afd. III deszelfden Wetb. ten
aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald. Voorts stelt
Art. 698 twee soorten van A--, als A-- gros, die over het schip,
de vrachtpenningen en de lading wordt omgeslagen, en Eenvoudige
of Byzondere A--, die ten laste komt van het schip of van het goed
afzonderlijk, 't welk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt
heeft. Wat verder tot dit onderwerp betrekking heeft wordt in het II
Boek, XI Tit. Afd. I en II van gezegd Wetb., Art. 696-740, behandeld.
Spreekwijze: daar is A-- (daar is schade geleden); doch daar-en-tegen:
daar zal A-- vallen (daar zal voordeel vallen), 't welk niet te
verwonderen is; naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun
rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen.
Avegaar, z. n. m. -- Soort van boor, waar groote gaten mede geboord,
en die met twee handen moet omgedraaid worden.
Spreekwijze: Iemand met een A-- door den neus boren (iemand grovelijk
bedriegen).
Avontuur (op), bijw. -- Zonder bepaalde bestemming, op goed geluk. Op
A-- zeilen (zich op zee begeven, zonder bepaald te weten waar, of
welke vracht men bekomen zal).
Axiometer, z. n. m., of Verklikker. -- Een wijzer op een plaat,
die tegen het stuurrad geplaatst is, welke wijzer aanduidt hoe de
roerpen ligt, zoodat de roerganger den wachthebbenden Officier op
dat punt nimmer misleiden kan.
Azimuth, z. n. o. -- De streek, waarin zich een hemellichaam
bevindt van het Noorden naar het Zuiden. By de op- en ondergang
der hemellichamen is het A-- dier hemellichamen het komplement der
Amplitudo.