Baai, z. n. v. -- Zeeboezem, inham van de zee in het land, doorgaands
van binnen breeder dan aan haar opening. De B-- van Napels enz.
Baaitjen, z. n. o. -- Verkleinwoord van baai (wollen stof),
oorspronkelijk gebezigd om het wollen buisjen, de gewone kleederdracht
der matrozen, aan te duiden, en, by toepassing, de gebruikelijke
benaming van alle bovenkleeding van 't zeevolk.
Spreekwijze: Op zijn B-- krijgen (slagen krijgen). Zy hebben op hun
B-- gehad (Zy hebben de nederlaag geleden).
Baaivanger, z. n. m. -- Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie
Wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem
aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren
zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte B--
(een doordraaier). Men placht ook den naam van B-- aan een hooggetuigd
schip te geven.
Baak, n. v., of Baken -- is elk teeken, dat aan Loods of Schipper
het vaarwater aanwijst. Het wordt ook voor kustlicht genomen. Zie ald.
Spreekwijzen: Een schip (of wrak) op strand, een B-- (of Baken) in
zee (de ramp of het ongeval, den eenen overkomen, is den anderen tot
waarschuwing): omdat een schip, dat gestrand is, of vastzit, bewijst,
dat te dier plaatse zich een ondiepte bevindt, en dus de Schippers,
die voorbyzeilen, waarschuwt af te houden. Zie Cats Zinnebeelden.
Te louver, man te roer, te louver, lieve maet!
Kijck, hoe het met schip van onzen buerman staet.
Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen:
En daer en is geen hulp, hoe fier de gasten bomen.
Dus soo er nu een wint komt dringen nae de wal,
't Is seker dat de kiel in stucken bersten sal.
Ghy sie dan naerstigh toe en let op uwe saken,
Een schip op 't droogh gestelt dat is een seker baken,
En 't is naer mijn begrip geen onvoorsichtig man,
Die op eens anders seyl de syne toomen kan.
De Baken komen uit (men kan geruster doorgaan) omdat, wanneer de baken
"uitkomen", of zich duidelijk vertoonen, het schip gerust zijn weg
vervolgen kan.
Als het tij (of de stroom) verloopt, moet men de Bakens verzetten
(by veranderde omstandigheden moeten andere maatregelen genomen
worden). Dit verzetten van bakens is daarom noodzakelijk, omdat de
verandering van het tij (de beweging van op- en afloopend water)
ten gevolge heeft, dat de bevaarbare stroom zich, door aanvoer van
zand of slijk, verplaatst, en, wat vroeger diepte was, nu ondiepte
wordt. Geestig wordt dit uitgedrukt door Cats:
Sie, waer ik heden stae, daer speelden eens de baren.
Daer quamen alle daegh de schepen ingevaren;
Daer sag men menig hulck, die met syn vollen last
Quam stuyven uit de zee, de vlaggen op de mast.
Nu is hier enkel sant en niet dan drooge platen,
Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten;
Waer eertijds was de kolck is maer een enge sloot
Men siet er niet één schip, men siet er niet één boot.
Vuur aan wal, altijd geen B-- (schijn bedriegt).
Baal, z. n. v. -- Zak, die overal is dichtgenaaid. Een B-- rijst,
een B-- koffy.
Baar, z. n. v. -- Zeebaar of golf, is eene dier oneffenheden of ruggen,
welke zich boven het woelende water vertoonen en door wind of stroom
gevormd worden. De wentelende B--en en Door de B--en overstelpt zijn.
Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oogh de baren
Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.
zegt Badeloch by Vondel.
Spreekwijze: Geen B-- (ook wel golf of zee) komt hem te hoog (of te na)
(niets kan hem schaden).
Hy meent dat hem geen Baren te hoog kunnen gaan (dat hy voor niemand te
wijken of te zwichten heeft). Zoo schrijft Hooft, "dat de Bondgenooten,
wanende, dat hun geene zee te hoog mogte gaan, zich onderwonden met een
nieuwe en ongelooflijke vermetelheid, een koningsgedeelte te vergen."
Baar, z. n. v. -- 't Fr. barre, in zijn verschillende beteekenissen
van: 1o. staaf; 2o. bank, rug in zee; 3o. dwarsbalk (in de wapenkunde).
Baar, z. n. m. -- Zoo wordt een nieuwling aan boord genoemd. 't
Woord schijnt van Maleischen oorsprong, in welke taal Baro
"vreemdeling, nieuw aangekomene" beteekent: Zoo heet het logement
voor nieuwaangekomenen: roema baro het kantoor der O. I. Kompagnie:
kantor-baro.
Baarhaven, z. n. v. -- Haven, die door een baar of bank wordt
afgesloten.
Baarsch, b. n. -- Onnoozel, dom: Een B--e streek (een domme streek).
Baartse, z. n. v. -- Een soort van oorlogschip, by onze voorouders in
gebruik. In den Gelderschen krijg werd in 1518 by die van Hoorn en de
omliggende dorpen, ter bevestiging der kust, een groote B-- gebouwd,
die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy
kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar
grootte en voerde veel zeil.--De Schutteryen van "de Voetboghe" en
van "de Handboghe" te Amsterdam moesten oudtijds, en ter vergelding
der hun in 1480 afgestane visschery in "'t gouden water" (de Binnen-
en Buiten Amstel zoo ver Stadsvrijheid strekte) onderhouden twee
bairdzen met hetgeen er toe behoorde ter dienste der stad. Zie den
giftbrief by Wagenaar, Amsterdam, VI D. II Boek, bylage A.
Baas, z. n. m. -- Meester, opperhoofd B-- van een werf; TimmermansB--.
Baggeren, b. w. -- Modder ophalen, modder visschen.
Baggernet, z. n. o. -- Net, waarmede gebaggerd wordt.
Baggerschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede gebaggerd wordt.
Bagijnbras, z. n. m. -- Bras van de Bagijnra: zie ald.
Bagijnra, z. n. v. -- De onderste Ra aan den bezaansmast. De naam van
Bagijn is vermoedelijk aan die Ra gegeven, omdat zy geen zeil draagt
en alleen dient om het bovenwerk in te houden. Zoo worden runderen,
die horenloos zijn, bagijnen genoemd.
Bagijnzeil, z. n. o. -- Zeil, dat tegenwoordig op vele nieuwe schepen
aan de Bagijnra gevoerd wordt.
Baidar, z. n. m. -- Met leder bekleede Schuit, by de Kamschadalen
in gebruik.
Bak, z. n. m.-- 1o. Het voorste bovendek, voor den fokkemast.
2o. Eetbak, schaftplaats, balie.
3o. Scheepsafdeeling. De Equipaadje is afgedeeld in B--ken, als
BootsmansB-- SchiemansB-- KonstapelsB-- MatrozenB--, volgends Bakrol.
Spreekwijze: Iets achterbaks houden. (iets in zijn kist houden)
verbergen, er niet mede voor den dag komen. De kist van den Baksmeester
staat achter de Bakskist: hy heeft de keus by de rantsoenverdeeling
en bergt het zijne in de kist: welk aandeel alzoo niet ter tafel
gebracht wordt, niet aan den Bak komt.
Zie Achterbaks, waar een andere verklaring van het woord voorkomt,
zonder dat ik beslissen wil, welke de ware zij.
Bakbeest, z. n. o. -- Bynaam, dien men aan de zware ankers geeft. Van
daar ook toegepast op elk lomp, onbehabbeld voorwerp.
Bakboord, z. n. o. -- De linkerzijde van 't schip, wanneer men van den
achtersteven ziet. Zy draagt den naam van B--, volgends sommigen, om
dat aan die zijde de Bak of Balie plach gezet te worden als men visch
of vleesch weekte of ververschte;--volgends anderen, omdat de Stuurman,
op kleine vaartuigen, wanneer hy aan het roer stond, zijn bak met eten
aan de linkerzijde zette, ten einde de rechterhand vrij te hebben om
het roer te regeeren; waarom dan ook de rechterzijde Stuurboord genoemd
wordt. Volgends een derde, en misschien de eenvoudigste verklaring,
zoude de oorsprong dezer benaming te zoeken zijn in den tijd der eerste
uitrustingen, toen de stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter
rechterzijde in zeildoeksche hutten, en de matroozen ter linkerzijde,
in bakken afgedeeld, logeerden. B-- aanbrassen (De brassen aan B--
aanhalen) Aan B-- overgehaald zijn, liggen. Een eiland aan B--
laten. Niet over B-- gieren. B-- vieren! Aan B-- het roer! B-- wat
(hoû het roer een weinig naar B-- zijde) Haal op aan B-- (haal, roei,
beter, harder aan B--).
Spreekwijze: Iemand van B-- naar Stuurboord zenden: (iemand om een
beuzeling heen en weder sturen).
Bakboordsbrassen, z. n. m. mv. -- De touwen, die aan Bakboordzijde
bestemd zijn tot het omhalen der raas.
Bakboordshalzen, z. n. m. mv. -- De halzen aan Bakboord. B--
toe! (komm.)
Bakboordsquartier, z. n. o. -- Zie Bakboordswacht.
Bakboordswacht, z. n. v. -- of Bakboordsquartier. Die helft van de
manschap, welke aan Bakboord huist.
Baken, z. n. o. -- Zie Baak. In 't Fr. D. wordt bakon reeds als
lichtend teeken, en wel voor de Ster der Oostersche wijzen, gebruikt.
Bakenen, b. w. -- Met Bakens bezetten.
Bakening of Bebakening, z. n. v. -- Het zetten van Bakens.
Bakengeld, z. n. o. -- Geld, dat door de Zeevarenden betaald moet
worden tot goedmaking der kosten van afbakening.
Bakliggen, o. w. -- Tegenliggen, wordt van een schip gezegd, wanneer
zijn zeilen de werking van den wind van voren ondervinden.
Baksen, o. w. -- Een stuk van achteren omzetten, rechts of links
by het pointeeren. Zooveel mogelijk vooruit B-- (Het geschut zoo
schuins mogelijk op een vluchtend schip uit de geschutpoorten van
den voorsteven, op een vervolgend schip uit de achterpoorten, richten).
Baksgast, z. n. m. -- Ieder matroos noemt al wie met hem aan denzelfden
Bak schaft, zijn B--, in den zin van Baksmaat.
Baksjongen, z. n. m. -- Hy die het eten aanbrengt en den kok helpt:
Zie Baks-Zeuntjen.
Bakskist, z. n. v. -- Kist, waarin het rantsoen wordt bewaard en die
tot etenstafel dient. Niemand mag op de B-- gaan zitten.
Baksmaten, z. n. m. mv. -- Die aan denzelfden (etens-) Bak aanzitten.
Baksmeester, z. n. m. -- Die het oppertoezicht over den Bak heeft,
het rantsoen verdeelt en orde houdt aan den Bak. Hy alleen mag zitten
onder het schaften.
Bakspier, z. n. m. -- Een der stukken hout, die uitgevoerd worden
op de hoogte van den fokkemast en dienen tot het uitvoeren van de
buitenschoot van het onderlijzeil, of, wanneer men op een reede ligt,
tot het vastmaken en van boord vrij houden van sloepen.
Bakstag, z. n. v. -- Benaming der touwen, die den boegspriet, het
kluif- en het jaaghout zijdelings steunen, en op den Bak worden
vastgemaakt.
Bakstags, bw. -- Breed, ruim. Een B--wind hebben (ruimhouden,
ruimschoots zeilen.)
Bakstagswind, z. n. m. -- Een tamelijk harde wind, zoodat de Bakstag,
daar het zeil tegenkomt, stijf staat en niet labbert.
Bakstagskraag, z. n. m. -- Kraag of strop, waarmede de Bakstag op
den boegspriet bevestigd wordt.
Bakstent, z. n. v. -- Tent, die voor den fokkemast wordt opgeslagen.
Bakszeuntjen of Zeuntjen, z. n. m. -- Diegene die de schaftery haalt
en na het maal het scheepsgerij in den Bak moet schoonmaken. Ieder
doet dit op zijne beurt.
Bakzeilhalen, o. w. -- Het zeil verkeerd halen, waardoor het schip
terugdeinst. 't Is niet van Bak, maar van 't Eng. Back.
Spreekwijze: B-- inhalen (niet volharden by zijn opzet, achteruit
krabben.)
Balancella, z. n. v. -- Napelsche schuit met één mast voorzien, puntig
aan beide zijden uitloopende en ongeveer 18 à 20 riemen voerende.
Balans, z. n v. -- (veroud.) Benaming, die plach gegeven te worden aan
de verklaring, welke een schipper deed van de door hem aangebrachte
goederen.
Balanceerspanten, z. n. o. mv. -- Spanten, door het oplichten waarvan
men plach te berekenen of een schip in aanbouw behoorlijk in evenwicht
stond.
Balansrif, z. n. o. -- Schuinsch rif in het Bezaan- of Brikzeil.
Balie, z. n. v. -- Groote watertobbe. Voorheen plach men dagelijks
in de B-- den noodigen drank voor de manschap te gieten. KoelB--
(die het water bevat, bestemd om gedurende den strijd het geschut
af te koelen). LoodlijnB--, DeelB-- (waarin, na het looden, de natte
loodlijn wordt ingelegd).
Baliën, uitbaliën, o. w. -- Met een Balie water uit een open vaartuig
gieten.
Balk, z. n. m. -- Afgehouwen en vierkant gezaagde boom. Langste
B-- (de B--, die op de grootspanten rust, en waarvan de lengte de
hoofdbreedte van het schip bepaalt). B-- van de luizeplecht (die op
de hoogte van de bovenste battery 't naast aan den boegspriet gelegd
is.) B-- van de kampanje (de bovenste B-- van den achterspiegel,
die tot steun dient van de dekplanken der kampanje.) Halve B--,
halve Dek B-- (die tegenover den rand van een luik ligt.) Last B--
en (die tot steun van groote schepen dienen en er de koebrug van
uitmaken). Gelaschte B-- en (die wegens hun lengte uit meer dan een
stuk moeten worden samengesteld).
Balkhaak, z. n. m. -- Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak.
1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt.
2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast
verplaatst of op de hoogte brengt, waar zy wezen moeten.
Balkschaal, z. n. v. -- Zie Schaal.
Balkweger, z. n. m. -- Weger, waar een dekbalk op rust.
Balkwegering, z. n. v. -- Het inwendig langsscheeps verband tegen de
boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen.
Ballast, z. n. m. -- Hierdoor verstaat men het zand, de steenen,
of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om
het schip dieper in het water te doen zinken, ten einde het niet
te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B-- varen, op
zijn B-- vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB--, SteenB--,
Vliegende B-- (vaten met B-- gevuld, die men naar verkiezing naar deze
of gene zijde van 't schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt,
kan vervoeren). Op zijn B-- liggen (wordt van een schip gezegd,
dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B-- schiet (valt van
de eene plaats naar de andere.) B-- verschieten (dien van plaats
doen verwisselen.) B-- is eigenlijk slechte, niets deugende last,
gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur.
Spreekwijze: Hy is een onnutte B-- (hy is een onnut meubel, een last
voor de waereld.)