Aanlegplaats, z. n. -- Plaats, bestemd of geschikt om aan te leggen. De
A-- der stoombooten.
Aanloeven, o. w. -- By- of oploeven: Met een ruimen wind zeilende
het schip dichter aan den wind doen komen.
Aanloop der zee, z. n. -- Het slaan van een zwaren golf.
Aanloopen, o. w. -- 't Zelfde als Aanvaren.
Aanlijken, b. w. -- Een lijk aan een zeil zetten.
Aanmaken, b. w. -- 1o. Aanzetten, aanhechten, vastmaken, aanslaan:
en meer in gebruik dan dit laatste.
2o. Maken. De Equipaadje was bezig met het A-- van matten.
3o. Handen reppen. Maak wat Aan!
Aannemen, b. w. -- Werven, in dienst nemen. Er is voor dien tocht
vrij wat volk Aangenomen.
Aannemend, b. n. Toenemend. A--e koelte (een wind, die toeneemt).
Aanneming, z. n. v. -- Werving, in-dienst-neming. Er heeft nog geen
A-- van volk plaats gehad.
Aanrakken, o. w. -- De Rakken aanhalen.
Aanranden, b. w. -- Met slechte inzichten overvallen, aanvallen. Wy
werden op die hoogte door roovers Aangerand.
Aanrijgen, b. w. -- Door een koord, draad of lijn verbinden. De
bonnet A--.
Aanslaan, b. w. -- 1o. Zie Aanmaken. Een zeil A-- (het hechten
of aankrammen, aan raas, gaffels of leiders met het lijk daarvoor
bestemd).
2o. Vatten, grijpen. Een vat A--: (er een strop om heen slaan).
Aanslibbing, z. n. v. -- of Aanspoeling. Land, dat op zee gewonnen
wordt.
Aanspoelen, o. w. -- Uit zee naar 't strand gedreven worden. Daar
kwamen vele kisten uit het verongelukte schip A--.
Aanspoeling, z. n. v. -- of Aanslibbing. Land, dat op de zee gewonnen
wordt.
Aanstampen, b. w. -- Vaststampen, stuwen, vast op elkander pakken.
Aanstellen, b. w. -- Een macht- of lastbrief geven. Hy is tot
bevelhebber der onderneming Aangesteld.
Aanstelling, z. n. v. -- 1o. Macht- of lastbrief. Hy heeft zijn A--
als Luitenant, als Tweede Stuurman ontfangen.
2o. De benoeming in dien lastbrief vervat.
Aanvaart, z. n. v. -- Landingsplaats. De plaatsen van Af- en A--
der stoombooten.
Aanvaren, o. en b. w. -- Tegen een schip op eenig voorwerp varende,
stooten. Hy is tegen de kaai Aangevaren. De stoomboot heeft hem
Aangevaren. De schade, door het A-- veroorzaakt, moet vergoed
worden. Zie Aanzeilen.
Aanvaring, z. n. v. -- De daad van het aanvaren.
Aanwenken, o. w. -- Het doen springen der lijfokkebras en het byvieren
der magermans en voorbramboelijn op het kommando van Wenk wat aan voor.
Aanzeilen, o. w. -- Koers houden. Oost of West A--. Hy kwam met geen
vyandelijke inzichten A--.
Aanzeilen, b. w. -- Tegen een ander schip zeilende stooten. In het
Kanaal loopt men dikwijls gevaar van A--. De schade, door het A--
veroorzaakt moet vergoed worden. Zie daarover het Wetb. v. Kooph. II
B. VI Tit. Art. 534-544.
Aanzeiling, z. n. v. -- De daad van Aanzeilen.
Aanzetklos, z. n. m. -- Klos aan 't vooreind van den aanzetstok,
die in 't kanon gestoken wordt.
Aanzetten, b. w. -- Instampen, stampen, een stuk geschut laden.
Aanzetter, z. n. m. -- Stok, aan het eene eind voorzien van een klos,
waarmede de kardoes en de kogel in het stuk geschoven en aangezet
wordt: by kleine stukken is het eene eind van den A-- soms voorzien
van een wisschersbol.
Aap, z. n. m. (veroud). -- Benaming van het bezaanstagzeil.
Aardewind, z. n. m. -- Zie Gangspil.
Abab, z. n. m. -- Benaming van een vrijen Turkschen matroos.
Abandonnement, z. n. m. -- Bastertwoord, dat de Wetgever heeft
verkozen te gebruiken, ofschoon hy daarvoor even gemakkelijk Afstand
of Verlating had kunnen zeggen. Zie Afstand.
Accijnsgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen met accijns bezwaard. Zie
Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art 3, art. 67-74, art. 78, 144-152.
Achter, bw. -- Door A-- wordt aangeduid wat zich op, of om, of achter
het A-- schip bevindt. Waar is de bootsman? Hy is A-- (op het A--
schip). Wy hebben N. diepgang A--. (De diepgang van het A-- schip
is N.).
Achter af, bw. -- In een verwijderde plaats. A-- brengen: (in de
provoost, in de gevangenis brengen).
Achterbaks, bw. -- Eigentlijk, Achter den Bak. A--houden (terug houden,
verborgen houden). Hy heeft zich A-- gehouden (hy heeft niet voor
den bak durven komen, hy heeft zich schuil gehouden). Doch zie Bak.
Achterdwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede een schip achter door de
poorten heen kan vastgemaakt worden.
Achtereb, z. n. v. -- Het laatste gedeelte van de eb.
Achterhalen, b. w. -- Inhalen, bereiken. Wy zeilden te goed. Zy konden
ons niet A--.
Achterhiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel. Zie
Hiel.
Achterhoede, z. n. v. -- De Schepen van het derde smaldeel eener vloot,
wanneer de vloot in gewone orde opzeilt. Meer gebruikelijk plach by
ons te zijn Achtertocht. Zie ald.
Achterkasteel, z. n. o. of Schans. -- Achterste gedeelte van het
schip. Het wordt ook genomen voor dat des lichaams.
Achterkiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel, of
hieling van de kiel.
Achterlastig, b. n. -- Zie Stuurlastig.
Achterluik, z. n. o. -- Luik van het achterschip.
Achterlijk, z. n. o. -- Lijk, langs den opstaanden kant van een zeil
naar de zijde van het achterschip.
Achterom, bw. -- Achter het schip om. A-- komen (zich achter een
schip stellen om het te volgen). A-- loopen (zich, uit eerbied voor
een hooger officier, wiens schip men kruist, hem aan den kant van
zijn achtersteven voorbygaan).
Achterop, bw. -- Van achteren. Wy kwamen het schip A--. (Wy haalden
het in).
Achteronder, z. n. o. -- Achterruim. De ruimte, die achter in 't
onderschip is.
Achterpiek, z. n. v. of alleen Piek. -- Achterste schuinte van
het schip.