Spreekwijze: Hy is een koopman in A--shuiden (hy doet geringe zaken.)

Aan, v. z. 1o. Op. naar. A-- boord (op het schip). A-- wal (op den

wal, te land). A-- den grond zitten (vast zitten op een bank of

droogte). A-- lij (op de lijzijde).

2o. By, naby. A-- zee gelegen (dicht by de zee).

3o. Tot, in handen van. Hy gaf last A-- het volk: -- hy gaf het bevel

A-- den eersten officier over.

4o. Stijf, dicht. Haal de schoot A--.

5o. Aan 't lijf. Trek uw uniform A--.

6o. Ten. A-- 't werk.--A-- den arbeid!--A-- 't sjouwen.

Aanbeeren, o. w. (veroud.) -- Alle zeilen byzetten en zijn best doen

om voort te komen.

Aanboorden, b. w. (veroud.) -- Aan Boord komen.

2o. Scheepstimmermans-uitdrukking, waarmede bedoeld wordt: het maken

der bovenste deelen aan de scheepszijden.

Aanbrassen, o. w. -- In den zin van Bybrassen. Stuurboord,

bakboord. A--.

Aandiepen, o. w. -- Al loodende naar land varen.

Aandoen, b. w. -- Een haven of kust A--, een haven of kust met een

vaartuig bezoeken, doorgaands alleen in 't voorbygaan, en zonder

oogmerk er lang te verblijven. Er binnen loopen, binnen vallen. Door

het verlies van onzen grooten mast, waren wy genoodzaakt, die haven

Aan te Doen.

Aandraaien, b. w. -- Een bindsel van lichte lijnen met een draaier

of spaanspil stijf draaien.

Aandrijven, o. w. -- 1o. Uit zee naar wal drijven. Het lijk van den

stuurman kwam heden morgen A--.

2o. Tegen iemand: Het schip kwam tegen ons A--. Zie Aanvaren.

Aangaan, o. w. -- Op of Aanhouden. Wy moeten recht op dat eiland A--.

Aangang maken, o. w. (veroud,) -- Voortzeilen, gang of vaart maken.

Aangeven, b. w. -- Verklaring doen van hetgeen men in-, uit- of

doorvoert. Men mag geene aan belasting onderworpen goederen binnen

brengen, zonder die Aan te Geven.

De wetsbepalingen omtrent het A-- zijn vervat in het XII Hoofdstuk der

Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 (Staatsbl. no. 38) art. 118-126.

Aangifte, z. n. -- Daad van aangeven, verklaring. Die schipper heeft

verzuimd, A-- te doen van zijn lading.--Hy is wegens gebrekkige A--

beboet.--Art. 120 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 schrijft voor wat

het biljet van A-- moet inhouden.

Aanhaken, o. en b. w. -- Met een haak of kram ergends aan vasthouden

of gehouden worden: aan boord haken, klampen.

Aanhalen, b. w. -- 1o. Stijf halen, strak maken. De schoot A--.

2o. In beslag nemen. De gandsche lading is ten gevolge eener verkeerde

aangifte Aangehaald geworden. Wanneer de ambtenaren goederen A--

zijn zy verplicht die naar het naaste kantoor op te brengen.

Aanhalen, o. w. -- Krachtiger worden. De wind Haalt Aan (het begint

harder te waaien).

Spreekwijze: Het haalt wat aan (het geeft vrij wat voordeel).

Aanhaling, z. n. -- In-beslag-neming. Een A-- doen van verboden,

van verkeerd aangegeven goederen.

Aanhangen, b. w. -- b. v. het Roer. Vastmaken, op zijn plaats brengen.

Aanhouden, o. w. -- Richten, sturen, op een plaats of streek. Wy

moeten, om de haven binnen te komen, op die lantaren A--.

Aanhouden, b. w. -- 1o. In beslag nemen, beletten verder te gaan. De

Engelschen Hielden, gedurende dien oorlog, alle schepen Aan, die hun

verdacht voorkwamen.--De ambtenaren hebben, op vermoeden van sluikery,

zijn goederen Aangehouden.

2o. t. w. Touw: het vast maken, als er genoeg uitgevierd is.

Aanklampen, b. w. -- Aanhaken, enteren. Zich aan een ander vaartuig

vasthechten, aan boord klampen.

Spreekwijze: Iemand A-- (iemand op eene, 't zij onvriendelijke, 't

zij althands lastige wijze aanspreken. Ook wel "iemand--doorgaands

tegen zijn zin--een arm geven").

Aanklamper, z. n. -- Hy die aanklampt.

Aanklamping, z. n. -- De daad van aanklampen.

Aankomen, o. w. -- Uit zee aan wal of in de haven komen. Er is gebrek

in 't land: 't is tijd dat de graanschepen A--.

Aankrammen, b. w. -- Met kramgarens hechten.

Aanleggen, o. w. -- Een hoofd of kaai aandoen, aan wal komen. Hier

is de kaai, waar wy moeten A--.

Spreekwijze: Ergends A-- (een herberg of kroeg in 't voorbygaan

bezoeken

Zoo: Willen wy hier eens A--. Hy is gewoon aan alle kapelletjens Aan

te Leggen.)

Aanleggen, o. w. -- Op- of naar een plaats:--Op een plaats

aanhouden. Hoe legt het aan? (welken koers moeten wy houden?) Tegen

iemand A-- (met den steven naar een ander schip gericht daarop

afzeilen.)

Wy leggen 't op de ree

De zee van Reden, aan.

Huygens, Hofwijck.

Aanleggen, b. w. -- Omleggen. Het want A--.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 8 / 74 题