A.

Aak, z. n. -- Onder Aken verstond men oudtijds die lastschepen, welke

met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zy ook doorgaands

Keulsche aken, en door sommigen, met eene in onze taal vrij gewone

voorvoeging, Haken werden genaamd. Deze schepen waren plat van bodem,

van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toeloopende:

voor en achter met een breeden steven, in den vorm van een beitel,

waarom zy ook beitel-aken werden geheeten. De naam Aken werd echter

ook gegeven aan zoodanige langwerpige en laag op 't water liggende

vaartuigen, die achteraan dreven, om daarmede, met een breeden riem

of schepper, van en aan boord te roeien: thands echter verstaat men

door A-- meer byzonder een vaartuig, met zoomwerk opgeboeid.

Aal, z. n. -- Rivier- en Zeevisch.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 7 / 74 题