"En gekwetsten ook?"
Hij mompelde z'n stopwoordje weer:
"Jawel ... ook gekwetste..."
En toen, alsof hij zich verontschuldigen wilde over zijn gebrek aan
memorie, half stotterend: "U mot bedenke ... dat 's al weer zoo lang
gelee' ... vijftig jaar, ziet-u..."
Daarop keek hij me verwezen aan na dezen uitvoerigen zin, bewoog de
lippen nog wat na, of hij naar woorden zocht; maar schudde dan
eindelijk, dat-ie het zich toch niet meer wist te herinneren.
Neen! den zeeslag bij Shimonoseki uit 1863 heb ik niet voor me zien
opleven!
En m'n ouwe zeeman kan het waarachtig niet helpen, dat dit al zoo
lang geleden heeft plaats gehad.
Jan van Beeren was toentertijd matroos tweede klas; hij was al in de
dertig, toen hij het bombardement meemaakte; met de landingsdivisie
aan wal sprong, de gele Japannertjes als een zwerm musschen voor
zich uitdreef, de kanonnen vernagelde, den opmarsch land-inwaarts
meemaakte.
Wat weet hij er nog van in zijn oude suffige brein?... Wat weet hij
daar nog van na te vertellen?... Welke herinneringen van
gesneuvelde en gewonde kameraden van toen komen hem nog voor de
moeie, omfloerste oogen, wanneer men hem dat alles wil laten
navertellen?
... "Jawel ... jawel... Hoe lang is dat nou al weer gelee', vijftig
jare, ziet-u..."
Zoodat ik, uit medelijden voor dat afgeleefde ouwentje, maar weer
met hem opstapte, nadat de koffie was leeggedronken.
Daar strompelde hij weer met me mee. Naar huis ging hij niet. Wat
zou hij op dit uur thuis doen, bij z'n ouwe vrouw, bij z'n
zestigjarige ziekelijke dochter? D'r kwamen nog wel karren, die hij
z'n haak kon aanslaan. D'r waren misschien nog 'n paar centjes te
verdienen dien dag. Dat extra-handgeldje van me was altijd
meegenomen. 't Was 'n karig broodje, dat-ie elken dag bij z'n brug
bij-mekaar scharrelde, zoodat hij blij was met z'n buitenkansje.
Dus nam ik afscheid van Jan van Beeren. Hij tastte verlegen naar z'n
petrand, toen ik hem een hand toestak:
"Nou, Jan van Beeren, en wel bedankt voor het praatje, en dat was me
toen dan toch maar 'n heele geschiedenis met die "Medusa", en ik
hoop, dat 't je goed zal blijven gaan, hoor. En dat 't wat druk mag
blijven met de karren hier aan de sluis... En dan zien we mekaar
nog wel 's terug onder zoo'n warm bakje koffie, niet?"
Maar hij keek alweer naar links en naar rechts, of d'r geen karren
aankwamen, die misschien van z'n hulp gediend zouden zijn.