Shimonoseki! ... wie van jullie heeft dezen naam gehoord, hetzij bij
de aardrijkskunde -- , dan wel in de geschiedenis-les?
Shimonoseki! voor ons land is het de herinnering van al meer dan 50
jaar geleden, aan een kranig staaltje van marinedurf; voor Japan
beteekent Shimonoseki den aanvang van een groote omwenteling in de
tweede helft der negentiende eeuw, welke dit land van een
achterlijke Oostersche mogendheid, binnen den tijd van een halve
eeuw tot een van de voornaamste wereld-mogendheden deed klimmen.
Ik zie geen kans, jullie in dit boekje, gewijd aan enkele
belangrijke gebeurtenissen van Nederlands zee-geschiedenis uit den
laatsten tijd, uitvoerig te vertellen het indertijd roemrijk
avontuur van Shimonoseki; maar het is aardig dat ik het jullie wel
in het kort kan vertellen, opgeschreven uit den mond van den
laatsten overlevende.
Hoe deze het me vertelde, moeten jullie hier maar lezen!
Ik verlangde naar een levend en kleurrijk verhaal, naar het relaas
van de zèlf-beleefde en nu zelf-na-vertelde gebeurtenissen uit dien
Japanschen oorlog.
Speelde ons land daarbij niet een belangrijke rol, omdat het op ònze
vlag was, dat de verraderlijke Japansche Daimios den aanslag
ondernamen? Was het niet een Nederlandsch oorlogsschip, de "Medusa",
dat toen het eerst en het hevigst in het vuur was geweest? En was er
niet nog één der opvarenden van dit schip in leven, die mij er van
zou kunnen vertellen?
Ik wist waar ik den man moest zoeken. Ik had uitgevischt, dat ergens
aan een der Amsterdamsche bruggen een heel oude man z'n dagelijksch
kostje ophaalde; de oud-matroos, krasse kerel van een stuk in de
tachtig, scharrelde z'n verdiensten bijeen als karrentrekker! Zijn
naam was ik ook te weten gekomen: hij heette Jan van Beeren.
Ik stapte er op af, om m'n held van Shimonoseki te zoeken. Het hoofd
vol van zeemansverhalen en van bloedige episodes uit dien zeeslag,
waarbij ons Nederlandsche oorlogsschip zoo duchtig was bekogeld,
maar niettemin, dwars door den ijzeren regen heen, zijn weg had
vervolgd, om straks terug te keeren en bij de voorsten te zijn, die
het bombardement op de Japansche kustbatterijen openden, deel te
nemen aan de landing, welke de Japansche troepen op de vlucht dreef,
en hun geschut vernagelde.
Hij behoefde me niet van moeilijke Oostersche politiek, noch van
Japansche ingewikkelde staatsintriges te vertellen; ik was hiervan
behoorlijk op de hoogte. Wat ik hem slechts wilde vragen, was me te
vertellen zijn verhaal van oud-matroos aan boord van de "Medusa",
van dien eersten onverwachten overval, en daarna over de tuchtiging
der Japanners.
Een levende bladzijde krijgsgeschiedenis, een roemrijk, zelf-beleefd
hoofdstuk uit het verleden, verteld door een der overlevenden,
-- dit verwachtte ik van hem!
Evenwel, ik had de méér dan vijftig jaren vergeten, die ons
scheidden van 1863. En vergeten was ik ook, hoe men in een halve
eeuw tot een ouden man kan worden; dat een armelijk sjouwerleven,
met sappelen om het dagelijksch brood, iemand zijn frischheid als
verteller kan doen verliezen; en ook, dat het baantje, om dag in dag
uit de groente- en bakkerskarren tegen een brug te helpen optrekken,
waarvoor soms een betaling, uit medelijden, met 1 cent geschiedt,
iemand het heldhaftige voorkomen van rustend zeeheld kan doen
verliezen.
Jan van Beeren, de karre-trekker van een der Amsterdamsche bruggen,
toont zich wel heel oud onder zijn last van jaren; als een verarmde
stakkerd ziet hij er uit. Over z'n sjofele smalle schouders draagt
hij het touw met den haak, waarmee hij de handkarren de niet eens
hooge brug helpt optrekken; in een hand draagt hij een roestigen
stang, welke vermoedelijk voor hetzelfde doel moet dienen.
Hij stond er te wachten tot een kar de richting van de brug zou
nemen. Er reden op dit uur maar weinig karren voorbij. Een enkele
maal strompelde hij een van de gracht aanratelende handkar tegemoet;
maar telkens riep de man, die achter de kar te duwen liep: "Nee,
laat maar, ouwe!"; een paar maal riepen ze er bij: "Ik kan 't alleen
wel af!" En dan bleef het oude kereltje daar maar staan, de pet diep
op de grauw-grijze haren, het touw gestrengeld over de magere
schouders, weggedoken in het slobberjasje, de verzakkende broek
plooiïg over z'n schuiten van schoenen.
Toen stapte ik hem opzij, en keek hem in zijn verweerde, vermoeide
gelaat, waarin de oude oogen sufferig staarden, en vroeg:
"U is wel Jan van Beeren, niet?"
"Jawel..." zei-die, en hij schoof een bevende hand omhoog, om naar
zijn petrand te zoeken.
"Laat je saluut maar," probeerde ik gemoedelijk te doen.
"Jawel..." mummelde zijn ouwe slappe mondje terug.
"Ik heb van je gehoord," zei ik, luid en duidelijk, bij zijn
verwezen kijken; "je bent toch Jan van Beeren, die de geschiedenis
van de "Medusa" nog heeft meegemaakt?"
"Jawel, jawel..." verschrok hij zoo'n beetje, en langzaam keek-ie
rond naar weerskanten van de brug, of er geen klantjes wilden
geholpen wezen. Maar er was geen kar te zien.
"'t Is nou niet druk," trachtte ik te beginnen. Maar in-eens zei ik:
"Je moest er nu vandaag maar verder 'n vrijen dag van maken, Van
Beeren, en dan drinken we samen een glaasje bier, en rooken 'n
sigaartje, en als je wilt, vertel je me wat van die ouwe historie
met je "Medusa", want daar ben ik nieuwsgierig naar geworden, omdat
het net zoowat vijftig jaar geleden moet zijn, niet?"
Toen keek hij me weer aan, heel oud en ernstig met z'n slappe,
suffende oogen, en zei met bevend lip-geprevel:
"Ik drink geen bier, ziet-u ... enne rooke doen ik ook liever niet,
ziet-u..."
"Dat zei ik ook maar zoo, Van Beeren, en als je 't mij vraagt, heb
ik ook liever 'n kop warme koffie. Want 't is hier in Amsterdam nog
geen Japan, man!"
Maar die grap ging volstrekt niet op, omdat hij alweer de gracht
afkeek, of d'r geen kar aankwam, waaraan hij z'n centje zou kunnen
verdienen.
"Kom nou!" monterde ik den ouwen man op; "laat ik je dat daggeldje
nou 's mogen betalen. En als we dan samen daar in het
Volkskoffiehuis op den hoek ons bakje troost gingen drinken?"
"Jawel..." mompelde hij.
En achter me aan strompelde hij de brug af naar het koffiehuis.
{Illustratie}
Daar hebben we lang en langzaam over onze heete koffie geblazen, en
dat smaakte den ouwen man en mij wat goed, omdat het weer zóó'n
griemelige dag was, dat het mummelmondje van het ouwetje wel scheen
te beven van de kou.
Hij zei maar telkens weer: "jawel ... jawel"; en soms wisselde hij
dit af met een bedenkelijk: "Vijftig jaar, mot u bedenke, dat is nou
alweer zoo lang gelee', ziet u"...
Zoodat dit het on-succesvolste onderhoud was, dat ik ooit met iemand
voerde. En een geschiedkundige verhandeling zou ik het niet durven
noemen, omdat ik mijn vragen van een omslachtige uitvoerigheid en
duidelijkheid moest maken, terwijl de antwoorden daarop slechts
volgen met een aarzelend hoofd-schudden van den grauw-grijzen kop,
of met een suffig "jawel..."
"Maar die Japanneezen hadden toch niet van tevoren gewaarschuwd,
toen de "Medusa" daar door de Straat van Shimonoseki kwam aanvaren,
niet?"
Hij wachtte lang, schudde toen gewichtig z'n ouwen kop, scheen iets
te willen zeggen, maar zei niets.
"Ze schoten goed, wat?" vroeg ik. "Vlogen de flarden d'r af?"
Hij keek me uit de moeie oogen aan, zocht lang in zijn herinnering,
mummelde toen:
"Jawel ... jawel... Nou, en of!"
"Hadden jullie nog gewonden aan boord? ... of gesneuvelde
kameraden?... want zij mikten goed die rakkers, hè?"