D'r zijn menschen, die al zeeziek worden bij de lucht van een
botboerkar. Je zou zoo iets _over_gevoeligheid kunnen noemen.
Zóó erg ben ik niet!... Maar toch kan ik slechts weinig zeelucht
verdragen. Dat is spijtig. En wel omdat ik juist zoo heel veel van
de zee hou'. Maar niet van de zee-_ziekte_!...
Daar lokt die zee, met altijd weer haar krachtigen golfslag; zee
tegen, zee van achter, zee aan bakboord, zee aan stuurboord.
Is er prachtiger bewegelijkheid denkbaar?.... want zoo ben ik toch
ook weer, dat als een zee zònder golfslag en glad ligt, zoo'n
beweginglooze zee me maar als half ècht voorkomt!
Dus ben ik onverbeterlijk. Telkens wanneer ik tegenover die zee sta,
bedenk ik weer een tochtje, al is het maar 'n spelevaartje van één
dag, mits ik op dien wijden plas mag.
Maar ook onverbeterlijk ben ik dan, wat m'n zeeziekte betreft. Nog
geen uur, of...
Maar laat ik jullie vertellen!
Ik herinner me, hoe ik eens een indruk wilde wekken omtrent mijn
algemeene bevarenheid ter zee. Tegenover me had ik een eenvoudig
man, die wel àlles had willen gelooven wàt ik hem ook maar zou
verteld hebben, -- ... slechts dit ééne geloofde hij niet!
{Illustratie}
't Was schipper Schaap uit Huizen. En toen we samen waren uitgevaren
op zijn bottertje, van het bijna verzande Zuiderzee-haventje van ons
Gooische kustplaatsje, wilde ik hem al den eersten avond aan boord,
onder het maal van roggebrood met gebakken bot, gaan vertellen, dat
degeen, dien hij als passagier aan boord had, maar niet zoo'n gewone
landrot was; maar dat ik gevàren had, àlle wereld-zeeën over!
Hij begon er eigenlijk zelf over; want toen hij wat lang moest
blazen over den rand van zijn kommetje koffie, nog te heet om te
drinken, -- en haast hadden we ook volstrekt niet, omdat ik geteekend
had voor minstens een week, om het leven van een botvisscher op onze
Zuider-zee eens op m'n gemak af te kijken, -- toen sprak hij goedig,
na me zijn ouwe verhalen van bijna zestig jaar varen op dien plas te
hebben verteld:
"En jij, mejong, dat zel hier wel je eerste vaart zijn op 't zoute
water, wàt?"
"Nee!" zei ik. Ik houd niet van opsnijden, bij voorkeur niet
tegenover eenvoudige menschen; maar ik wilde mijzelf op dit
oogenblik een houding geven. -- "Neen!" herhaalde ik, "schipper
Schaap, daar zou je je nou net mee vergissen!"
"Hè-je méér zee 'ézien!?" deed hij ongeloovig.
"Meer dan je zou denken," sprak ik, een weinig gewichtiger dan hier
juist noodig scheen; maar schipper Schaap moest het maar aanstonds
weten.
"Kom nou!" grinnikte hij nog ongelooviger; hij had een slok koffie
genomen, spoelde er met bolle wangen z'n mond mee. "Kom nou!",
spotte hij met zijn glundere oogjes, en hij spoelde den teug in-eens
naar binnen, "wou jij er 'n ouwe botvisscher tussche neme?"
Ik gevoelde me een weinig geprikkeld; ik houd ervan, dat menschen,
die naar me luisteren, me ook gelooven zullen, tenminste, dat ze
zich gedragen, _alsof_ ze me gelooven. Dus sprak ik op een toon, die
in het lage roefje van de botboot wat gezwollen moet geklonken
hebben:
"Ik heb zelfs véél gevaren!"
"Hê je waarachtig, mejonge?", vroeg Schaap, weer met dat kleine
twinkeltje in z'n oogen, wat ik niet kon verdragen. "Laat maar 's
hoore wàt jij al zoo gevare hèt." Hij keek strak in z'n kommetje,
waarin de koffie schommelde als een zwarte zee!
Dus begon ik met mijn opsomming:
"De Noordzee; ken jij die soms?"
"Nee," antwoordde schipper Schaap deemoedig, "alleen van hooren
zeggen; tegeswoordig gaat er veel jong volk op de trawlers mee naar
buiten. Maar ik ben nooit zoo ver van 'uis 'eweest."
"Meer dan ééns ben ik naar Engeland overgestoken, dan eens van
Amsterdam uit, dan weer van den Hoek, ook wel over Vlissingen."
"Sjonge! Sjonge!", schudde de ouwe schipper z'n hoofd, "hê-je?"
Hij spotte nu niet meer, maar aan zijn turen in de koffie-kom meende
ik toch te merken, dat ik hem nog niet geheel overtuigd had. Ik zou
hem den vollen laag moeten geven. Ik herinnerde me een zekere
jeugd-reis naar den Levant.
"Als jongen al heb ik een groote zeereis gemaakt," somde ik op, "het
Engelsche Kanaal door, de Golf van Biscaye met Kaap Finistère,
Afrika met den Apenberg, en aan den anderen kant Gibraltar op den
hoogen rots, de Italiaansche kust langs, dan Griekenland, Turkije,
Klein-Azië, langs de Afrikaansche noordkust terug..."
Schipper Schaap had zijn koffie leeg-gedronken; hij schudde langzaam
z'n ouwe hoofd.
"Wat 'n lande, mejong!... En dat wou je allemaal 'evare hebbe?"
Hij was bepaald ergerlijk ongeloovig, die ouwe Zuider-Zee-vaarder.
Ik ging echter voort, terwijl mijn stem nog altijd gezwollener klonk
dan mijn bedoeling was:
"Den Atlantischen Oceaan ben ik overgestoken naar Amerika..."
"Heb je dàt water ook al bevaren?" vroeg hij.