Ik vaar gelijk een held nae veer gelegen kusten,
Was het niet om het geld, veel liever zou ik rusten.
En blijven op het land en houden mijn gemak
En drinken een glas wijn of rook een pijp toebak.
--o--
De schipper zeilt in zee, de koopman blijft aan strant,
Zoo gaat de koopman voort te waater en te lant.
--o--
In 't kouwe Groenlant in Straat Davis vangt men vis
Daar hondert man aan één genoeg had op den dis.
--o--
Klaas Joosten van der Marken is schipper van dees schuit,
Om met Gods zegen te varen, daar zijn wij over uit;
'k Wensch maar een goede vracht, om eerlijk van te leven.
Ik hoop de Hemel zal mij die ook altyt geven.
Wij varen altyt voort of 't droog is ofte diep;
De jager slaat maar deur; de wind zit in de zwiep.
--o--
De mensch, die seilt sijn coerse wel,
Die Godt neemt tot zijn metgezel.
--o--
Moog Sint Pieters Scheepje hellen,
Toch zal 't nooit vergaan,
Blijf op God uw hope stellen,
Gij zult vast en zeker staan.
--o--
Die wil varen en sijn getije niet can gissen,
Noch sijn tou can splissen,
Noch sijn geit en can bewaren,
Die en dient op alle uuren niet te vaeren.
--o--
Heyl hem, die op Godt vertrout,
En op nering schepen bouwt.
Maar die een Schip wel bouwen kan,
Dat is een Meester Timmerman.
--o--
"Door de keel
Kan veel!"
Sprak kaptein Vanderhoopen,
Want hij zag
Op een dag,
Dat hij zijn driemaster had verzopen.