Wil ik jullie eens een beschrijving trachten te geven van een van de
grootste schepen, die de wereld-zeeën bevaren?
Ik noem er den naam niet van. Helaas! wie weet, of er vandaag of
morgen zoo'n prachtige drijvende stad niet door den een of anderen
gluiperigen onderzeeër in den grond wordt geboord?
Het Nederlandsche schip, dat ik op het oog heb, en waarop ik een
reis over den Atlantischen Oceaan heb gemaakt, van de Amerikaansche
hoofdstad New-York naar Europa, dit schip was zóó groot, dat de
week, welke ik er aan boord doorbracht, veel te weinig tijd was, om
het geheele vaartuig te leeren kennen.
De afmetingen van dien kolos waren eventjes 250 meter lengte, met
een diepgang van 10 meter; en de inhoud was tusschen de 30.000 en
40.000 scheepstonnen.
Het aantal menschen dat de reis tegelijk met me maakte, bedroeg
ongeveer 5000 personen. Ik heb ze niet nauwkeurig geteld. Ze waren
over het geheele schip verdeeld, -- van de commando-brug, tot diep
onderin de laagste scheepsruimten, waar de machine-vuren worden
gestookt.
Om het schip voort te bewegen waren machines noodig, en deze werden
aan den gang gehouden door electriciteit en stoom, waarvoor dag en
nacht een aantal geweldige vuren moesten worden gestookt. Om de
benoodigde voorraad steenkool aan boord te laden, waren noodig
geweest 30 treinen, elk bestaande uit 28 tien-ton-wagens, geladen
met steenkool.
Teneinde al die menschen gedurende de reis te voeden, had men aan
boord als proviand meegenomen een hoeveelheid vleesch, welke
afkomstig was van 50 koeien, 150 schapen, evenveel varkens, alles
geslacht in halve of kwart-beesten. Deze vleesch-voorraden waren in
de koelkamers opgehangen, opdat gedurende de geheele reis -- zelfs
voor het geval, dat zoo'n reis langer dan eenige weken mocht duren
-- steeds versch vleesch op tafel zou zijn. Verder bestond het
proviand uit onnoemelijke hoeveelheden boter, kaas, vruchten (6000
kilo), meel (40.000 kilo), thee, koffie, wijnen, -- en dit alles in
reusachtige voorraden.
Om het schip te besturen, de machines te bedienen, de vuren te
stoken, de dekken en kajuiten schoon te houden, om al die passagiers
van 1ste, 2de en 3de klasse te bedienen, waren er meer dan 1000 man
personeel noodig.
{Illustratie}
Eerst natuurlijk het hoofd van alles -- zoowel de baas over het
schip, als over de bemanning en de passagiers -- de gezagvoerder,
terzijde gestaan door een tiental hoofdofficieren, alle voorzien van
het kapiteins-diploma; vervolgens 350 man machine-personeel, staande
onder toezicht van 30 gediplomeerde machinisten-officieren.
Teneinde het eten behoorlijk en lekker klaar te maken, waren er 60
koks werkzaam; terwijl een 500 bedienden, ingedeeld volgens
verschillende rangen, en aan boord aangeduid als "hofmeesters",
zoowel mannelijke als vrouwelijke, voor de bediening der passagiers
hadden te zorgen.
Dan mag ik de aanwezigheid niet vergeten van eenige doktoren, van
drie telegrafisten voor de bediening der toestellen der draadlooze
telegrafie; en om dit alles te regelen een viertal
"administrateurs". Een afzonderlijk orkest telde twintig uitnemende
beroeps-muzikanten. Er waren afzonderlijke bedienden voor de
telefoon-toestellen, welke in elke kajuit en in elk slaapvertrek
waren aangebracht. Ook bevonden zich eenige drukkers aan boord, want
dagelijks verscheen een keurig verzorgde scheeps-krant, met allerlei
nieuws van de wereld gevuld, en met aardige prentjes van de
voornaamste gebeurtenissen, welke gedurende de reis aan boord plaats
grepen.
En eindelijk de passagiers, die van Amerika naar Europa moesten
worden overgebracht.
Onze passagiers-lijst eerste-klas telde 700 namen; die van de
tweede klas 600, die der derde klas 2000. Van deze laatsten waren de
meesten landverhuizers, die van de Nieuwe Wereld naar de Oude terug
wenschten te keeren, nadat ze eenige jaren geleden waarschijnlijk
dezelfde reis in omgekeerde richting hadden afgelegd.
Alles tezamen ongeveer 4000 passagiers.
Wat van de inrichting van het schip zelf te vertellen?... Een
levend wonder!
De mooiste kamers aan boord waren geen zier minder smaakvol
ingericht dan de logeerkamers in onze prachtigste hôtels. Bij de
eerste klas-kamers behoorde een afzonderlijke badkamer; bij sommige
afzonderlijke salonnetjes. De groote salons, de eetzalen en
zitkamers, de muziekzaal en de bibliotheek waren elk in een
afzonderlijken bouwstijl ingericht. Er was een aparte
gymnastiekzaal, met alle mogelijke toestellen voor gymnastiek en
verschillende soorten sport. Wilde je zwemmen, dan was er een
Romeinsch bad van 68 voet lengte en 41 voet breedte, zoowel met
watervalletjes als water-ververschers.
Zoo leefde ik daar in één doorloopende verbazing, de zeereis
makende aan boord van zoo'n modern reuzen-schip!
Waarin ik het meeste belang stelde, was echter wel de vraag, hoe het
toch mogelijk was, zoo'n geweldig drijvend gevaarte niet slechts aan
den gang te brengen en aan den gang te houden, -- doch hoe het
wenschelijk vernuft er in geslaagd was, machines te vervaardigen,
krachtig genoeg, om dit alles met een sneltreinvaart dwars over den
Atlantischen Oceaan te stuwen?
Want zulke groote schepen varen tegenwoordig met een snelheid van
500 zeemijlen per etmaal. Dus zien ze kans, in ongeveer tien dagen
den afstand af te leggen tusschen New-York en onze Europeesche
havens. Kijk maar eens na op jullie atlassen, wat dit beteekent!
Gedurende mijn reis waren er dan zelfs nog lastige en overhaastige
passagiers, mopperende, omdat het hun nog niet snel genoeg naar den
zin ging! Nu moet ik er jullie bij zeggen, dat er inderdaad een
staking onder de stokers was uitgebroken, kort vóór het schip van
Amerika zou vertrekken. De directie had toen ander stokerspersoneel
in dienst moeten nemen, en die menschen waren niet zoo goed voor
hun nieuwe taak berekend als de anderen. Hieruit leeren jullie, hoe
zelfs het stokersvak een handwerk is, dat vakkennis vereischt. In
elk geval was dit oorzaak, dat ons schip iets minder snel liep, dan
zijn gewone snelheid te halen, waartoe het anders in staat zou zijn
geweest. En zoo scheelde het ons zelfs een halven dag op den
overtocht van het eene werelddeel naar het andere.
Jullie zouden waarschijnlijk even verbaasd als ik geweest zijn, dat
zoo iets onbelangrijks, als het steenkolen-bijgooien op de
scheepsvuren, zulk een groot schip zooveel in snelheid kan doen
schelen. En toen ik tegenover een van de machinekamer-officieren
hierover mijn verwondering uitsprak, was hij wel zoo vriendelijk,
mij uit te noodigen, met hem mee omlaag te dalen naar de
stookplaatsen, om me eens te laten zien, wat het wel te beteekenen
heeft, een modern schip te _stoken_.
't Was een tocht als ter hellevaart! Het schip zelf is groot en
mooi, met zijn breede gangen en ruime dekken, de salons en trappen,
met eetzalen en halls; overal de weeldeversiering en de zorgelijke
bediening, zoodat je het idée "schip" al dadelijk kwijt bent, en je
je in een weelderige buitenplaats gelogeerd denkt. Maar daar voert
de scheepsingenieur me de lange gangen door, de trappen af, veel
lager dan de passagiersverdiepingen. Door ijzeren deuren, die
middenin het schip een soort van gepantserde gevangenis afsluiten,
kom je in de machineruimten. Onder je voeten, door een vloer van
ijzeren stangen, zie je het snelle geflits van blinkende dingen, die
met lange zuchtende armslagen omlaag en omhoog springen; in diepe
ronde deksels kruipen zij weg, en bliksemsnel schieten ze omhoog,
alsof het een woeste uitval naar je is. Steile gladde trapjes voeren
nog dieper. En nu gaat de verdere tocht langs vreeslijke raderen,
die geluidloos rondsuizen, een blinkenden cirkel met hun wentelende
glimspaken beschrijvend. Overal drijven lange stangen zware metalen
stoothamers vooruit; hun gladde geluidloosheid, met niets dan het
zachte slurpende geluid van de vette olie, die overal neerdruipt,
geeft er iets geheimzinnig-angstigs aan. Daar is dan een laag
ijzeren deurtje, waar je bukkend door moet kruipen; meteen slaat een
vette benauwde stikkend-zware hitte je tegen. Langs een hoogen,
zwarten ketelwand, zóó heet, dat je zoover mogelijk terugdeinst
tegen het ijzeren beschot, moet je nog verder.
{Illustratie}
En eindelijk sta je in een schemerlichte, rumoerige ruimte, waar
vuile kerels, onherkenbaar zwart hun spookgezichten, groote vuile
plekken op hun naakte lijven, voor de woeste hitte van de ronde open
haarddeuren werken. Met lange stangen wroeten zij in die vlamkuilen,
tot een vurige vonkenregen vooruit stuift, en over den vloer
rondspat. Overal staan groote zwarte hoopen steenkool op den grond.
Zonder rusten scheppen zij, als mijnwerkers onder in de aarde, hun
schoppen er in, zwaaien schep na schep de steenkool in de blakerende
brand-muilen. Telkens kleppert met mokerend geluid de haarddeur
dicht; maar dadelijk rammelt daarnaast weer een andere open. En
zonder ophouden scheppen de schoppen er het zwarte gruis in.
Hoe vlugger ze werken, hoe dieper ze elken schopvol met steenkool in
den vuurhaard mikken, hoe handiger ze met hun stangen de gloeihitte
onder den ketel weten uit te spreiden, des te grooter hitte geven de
haarden, des te meer stoom leveren de ketels, en des te sneller
klieft ons schip het water.
Toen ik weer boven op dek kwam, na eerst het morspak uitgetrokken en
mij van rook, gruis en olie gereinigd te hebben, was er een
wandelconcert op het open tweede-dek. De muziekkapel speelde een
vroolijk programma; de passagiers wandelden druk pratend het lange
dek af. In den rooksalon hadden eenige ondernemende Amerikanen een
weddingschap aangegaan om vijftig dollar op de vaart van het schip.
Toen de uitslag bekend werd gemaakt, was er een algemeen gemopper,
dat er niet harder gestoomd werd.
{Illustratie}
Een lawaaiïg heer, die met Duitschen tongval Engelsch sprak, schold,
met z'n sigaar in duur bandje tusschen de tanden, op het geluier van
die beunhazen beneden in de stookplaatsen, die het schip eenige uren
zouden doen missen bij aankomst thuis.
Wat me niet minder aan boord trof waren m'n medereizigers, de
derde-klas-passagiers. Ze zijn op het voorschip gehuisvest. Overdag
leven ze op het dek van dit scheepsgedeelte. Van de hooge
verschansing, die het promenadedek afsluit, kun je omlaag kijken als
in een kuil. Daar zie je dan beneden, hoe al die armoe op elkaar
hokt, en den langen dag maar troosteloos zit uit te staren over de
groote, zwijgende zee. Het zijn voor het meerendeel
beklagenswaardige menschen, omdat de meesten landverhuizers zijn,
die naar hun vaderland in Europa terugkeeren, nadat zij in Amerika
niet geslaagd zijn om werk te vinden.
Op de heenreis, naar Amerika, bestond er nog altijd de hoop, die hen
ophield; ze waren wel arm en mislukt, ook ontmoedigd uit hun
vaderland vertrokken; doch het nieuwe vaderland liet immers alles
verwachten met zijn lokkenden naam: Amerika!
Nu zij daar echter ook mislukten, nog meer verarmden, hun laatste
restje moed verloren hadden, leidt hun laatste tocht hen naar het
vaderland terug!
Maar dan is ook alle fut en kracht, alle moed er uit. Zoo'n troep
huiswaarts keerende landverhuizers, ouwe mannen, vermoeide vrouwen,
onverschillige jonge-kerels, uitgezwakte kinderen daar bij elkaar te
zien zitten, is het ellendigste wat jullie je bedenken kunt, omdat
je weet, dat zelfs het laatste schijntje hoop hun ontnomen werd. 't
Is dan niets anders dan nog een restje menschelijk uitschot, zoodat
je medelijden om hunnent wille je in opstand brengt tegen al die
promenade-concerten en de weelde der salons, tegen de smulpartijen
aan tafel. Maar zelfs wanneer je gevoel zich door hun ellende mocht
laten verteederen, dan zijn er de zware hekken, welke de
verschillende klassen van elkaar scheiden; en is er ook nog een
bordje, net als in "Artis", waarop geschreven staat: "het is ten
strengste verboden, voorwerpen naar de derde-klas-passagiers te
werpen."