Den dag, dat onze Koningin zich had voorgenomen, een officieel
bezoek te brengen aan een der oorlogschepen der Nederlandsche
Marine, was het zulk afschuwelijk weer, dat niet slechts de leden
der hofhouding, maar ook de marine-autoriteiten den raad meenden te
moeten geven, af te zien van deze inspectie, en het betreden van het
oorlogschip tot eenige dagen later uit te stellen, tot het booze
weer wat gebeterd zou zijn.
Natuurlijk wilde de Koningin hiervan niets weten. Al gaf de
stormwaarschuwingsdienst te Vlissingen nog zulke onheilspellende
berichten, de bezoekster had dezen dag vastgesteld voor haar
kennismaking met haar Nederlandschen oorlogsbodem en zijn bemanning;
-- weer of geen weer. zij sprak als haar wensch uit, dat de tocht
buitengaats zou plaats hebben. En zoo ging dit officieele
koninklijke bezoek dan ook door.
{Illustratie}
Omdat dit het éérste bezoek was, dat onze Koningin aan boord van een
der Nederlandsche oorlogsschepen zou brengen, was ik daar een boord
genoodigd. Met nog een anderen journalist. Als goede kameraden en
vrienden hadden we op onze manier krijgsraad gehouden. En daarna
hadden we den commandant van het oorlogsschip onze bezwaren kenbaar
gemaakt. Niet dat wij er tegenop zagen, bij zulk stormweer den tocht
naar buiten mee te maken -- als immers de Koningin het goede
voorbeeld gaf! -- maar we voelden ons eenigszins belachelijk, nu we
daar aan boord zouden hebben te verschijnen, gekleed volgens de
hof-etiquette, namelijk in de zeer weinig zeemansachtige dracht van
rok-witte-das en hoogen hoed!
De commandant, een wijs man, wist aanstonds raad. Hij liet ons in
olie-jassen steken, verschafte ons zuidwesters, zoodat we er
waarlijk _eenigszins_ als loodsen uitzagen. Aldus waren we ook beter
bestand tegen het grimmige weer, dat van alle kanten ons
pantserschip besprong, toen het den boeg buitengaats stak. Aldus
ontkwamen we ook tevens aan de anders ongetwijfeld ons deel zijnde
belachelijkheid van hooggehoede landrotten aan boord van een
oorlogschip, dat den koninklijken standaard laat wapperen!
Dadelijk buiten de Vlissingsche haven begon het oorlogschip te
slingeren en te stampen, dat het een lust was. De hooge bezoekster
had zich zoolang in de commandantskajuit begeven, teneinde pas
later aan dek te verschijnen, wanneer het schip buiten zou zijn.
Ik wil jullie wel vertellen, hoe ik mij dien tusschentijd nuttig
maakte, door dit oorlogschip eens wat beter te bekijken. Er waren
eenige der zeeofficieren, zich dadelijk beschikbaar stellende, om
aan mijn nieuwsgierigheid te voldoen.
En als ik daarvan voor jullie hier iets over vertel, dan is dit
minder om te vertellen van al de oorlogstoerustingen, welke aan
boord van een groot oorlogschip natuurlijk onmisbaar zijn, dan wel
om jullie aandacht te vestigen op eenige bizonderheden, wat betreft
de behandeling van dit schip, zijn besturing, commando- en
communicatiemiddelen, waardoor zoo'n oorlogsbodem zooveel afwijkt
van schepen der handelsvloot.
Daar is al dadelijk de zware commandotoren, waarvan het bovenste
gedeelte gepantserd is, en dat zich hoog boven het dek verheft,
alsof hij het geheele schip beheerschen wil. In het gevecht is in
dezen toren de plaats van den commandant van het schip; van hieruit
overziet hij den strijd, hier verneemt hij de resultaten van het
geschutvuur op den vijand, zendt zijn bevelen uit naar de
batterij- en machinekamers, bepaalt zijn koers en regelt de vaart.
In deze kleine ruimte wordt hij terzijde gestaan voor de bediening
der spreekbuizen, sein-inrichtingen, het roer en somtijds nog de
richt-middelen der torpedo-lanceer-inrichtingen, door twee of drie
officieren, den roerganger en een of twee man. Het uitzicht naar
buiten wordt verleend door een spleet tusschen den torenwal en een
opschroefbare torenkap. De afstand tot den vijand, van af
uitkijk-bordessen met afstandmeters bepaald, en de verbetering
-- zoo noodig! -- in verband met de, uit een observatiepost in den
mast waargenomen aanslagen der weggeschoten granaten, dit alles
wordt naar een algemeen seinstation onder in het schip overgeseind.
Ook worden hierheen de bevelen gemeld, op welk doel gevuurd moet
worden en met welk soort munitie.
Dit alles liet ik me met de grootste belangstelling uitleggen. Welk
een monster is toch zoo'n gepantserde oorlogsbodem!
Maar hoewel onze vaart met dit zwaar-gewapend vaartuig stormachtig
was, zoodat het oorlogschip steigerde op de grauwe, schuim-gekopte
golven, -- toch was de tocht een vreedzame. Ons oorlogschip trok,
God-zij-dank! niet ten oorlog uit. Wij hadden de Koningin aan boord
voor een vredelievende inspectie!
En terwijl de bezoekster nog in de tot statievertrek ingerichte
commandants-kajuit vertoefde, ging ik met mijn hulpvaardige
geleiders het verdere schip rond. Ze lieten me alles zien, waarin ik
als onbevaren, niet-militaire leek slechts belang kon stellen. En
dat was veel, -- zooals je wel kunt begrijpen. Wie van jullie had
daar niet in mijn plaats aan boord willen zijn!
Zoo zag ik het bovengenoemde seinstation, geplaatst beneden in het
schip, evenals de sein- en communicatiemiddelen, onder de waterlijn
van het schip gelegen, en dus beschut voor 's vijands vuur. Daar
waren te vinden de stuurinrichtingen, de spreekbuizen en schellen,
kompassen en verschillende telefoon-aansluitingen met de batterijen
en machinekamer.
Daar aanschouwde ik den ziekenboeg, met de daarachter gelegen
operatie-kamer; verder de volks-logiezen, de tafels en banken in het
midden geplaatst, de kisten tegen boord, de kastjes tegen den
muur, met het eetgerei van Janmaat daarin; de hangmatten netjes
opgetuigd, ter eere van het deftig bezoek aan boord.
{Illustratie}
En nu gingen we langs de batterijen, voorbij de groote vuurmonden,
door de munitiekamers, -- kortom, alles wat tot een modern
oorlogschip behoort, en waardoor zoo'n stalen oorlogsbodem in staat
moet zijn, een vijandelijken aanval te doorstaan, en, als het moet,
ook zelf de kanonnen af te vuren, teneinde de eer onzer
Nederlandsche vlag hoog te houden.
Daar hoorde ik boven aan dek het joelen der matrozen!
Ik spoedde me naar boven.
Even had ik dus een blik mogen slaan aan boord van een onzer groote
oorlogschepen, een vluchtigen indruk opgedaan van het scheepsleven
aan boord. Misschien kon ik me alles nu beter voorstellen, wanneer
later gesproken werd van de daaraan verbonden harde ontberingen;
maar ook zou ik me duidelijker kunnen voorstellen, wanneer er sprake
zou zijn van al de vele aantrekkelijkheden, welke het leven aan
boord van een oorlogschip kenmerken.
Prachtige kerels! dacht ik.
Dat vrije gevoel van den zeeman, zich losvoelend van het beklemmende
steedsche, van het alledaagsche, van het gewone gedoe aan land; een
vrije kerel midden op den oceaan, aan alle kanten omringd door een
oneindige watermassa, boven zich het onmetelijke hemelruim.
Hoe leeren ze aan boord van zoo'n oorlogsschip de moeilijkheden
overwinnen; hoe gaan ze hier op elkaar vertrouwen; hoe worden hier
de karakters gevormd en gestaald; hoe leert men elkaar over-en-weer
waardeeren!
Toen ik aan dek kwam, bleek de storm nog kwaadaardiger te zijn gaan
spoken.
{Illustratie}
Telkens spatten de zware zeeën tegen de scheepswanden; en dan
striemde het water met driftige slierten, als zweepslagen zoo
scherp, over het dek, dat glom van het overstroomende water.
Maar daarop lette ik niet. Ik wilde mijn aandacht geven aan iets
anders dan aan het woeste geweld van den storm. Ik stond
weggescholen, terzijde van de commandobrug, gehuld in m'n oliejas,
den zuidwester stevig om den kin gebonden.
De Koningin was aan dek verschenen; zij had haar verlangen te kennen
gegeven, het manoeuvreeren van het oorlogsschip, staande naast den
kapitein, te volgen. En ik was heel nieuwsgierig, hoe onze Koningin
zich daar staande zou houden op de commando-brug van het
zwaar-slingerende schip.
Daar zag ik nu boven op de commando-brug, in den driesten wind en
het gestriem der regenbuien, terwijl telkens de driftige golven zich
te pletter kwamen beuken tegen ons bakboord, -- daar zag ik omhoog
het kleine figuurtje eener jonge vrouw staan, de Koningin. Zij was
gehuld in een eenvoudig grijzen regenmantel; met de eene hand hield
ze den hoed vast, met de andere klemde zij den mantel samen, omdat
deze telkens bol opwoei in den rukkenden stormwind.
Op de reede lagen enkele onzer oorlogsschepen, op de wilde zee te
hobbelen, om hun Koningin met vlagsein en kanon-gebulder het saluut
te brengen. Voor elk dezer bodems had de Koningin haar groet; van de
hooge brug van ons schip boog ze telkens even, een bevallige,
koninklijke nijging voor elk donderend saluut, voor elken dalenden
standaard. Zij bleef rustig staan in den storm.
En als dan de revue was afgeloopen, en de Schout-bij-nacht met
oprechte woorden van bewondering de Koningin toesprak, om haar hulde
te brengen namens de Nederlandsche Marine, haar dankend voor haar
bewijs van belangstelling, waardoor de banden nog meer versterkt
waren, welke onze marine verbonden met Hare Majesteit, -- toen
antwoordde zij eenvoudig en kalm met een: "Ik dank u voor de
gevoelens, die u vertolkt namens mijne marine."
Op dit "_mijne_" werd, naar het mij voorkwam, even door onze
Koningin de klemtoon gelegd, zooals zij dit weet te doen, wanneer
zij zoo zuiver onze Nederlandsche taal uitspreekt.
En ik, -- als toeschouwer tegenwoordig geweest bij deze eerste
kennismaking van de Koningin met de Zee, -- ik heb na dèzen dag
nooit vergeten, hoe zij daar, op de commando-brug staande van haar
oorlogsbodem, onbewogen in de felle stormslagen, zich dit recht
verworven had.
'n Tochtje met/de nieuwe Reddingboot {Illustratie}
Ik wil jullie hier iets vertellen over de manier, waarop in ons land
het reddingwezen ter zee geregeld is.
Waarlijk niet een van de minst belangrijke onderdeelen van onze
vaderlandsche zeevaart, jongens!
In Nederland bestaan er twee vereenigingen, welke er haar
afzonderlijk werk van maken, zorg te dragen, dat er bij storm aan
onze kwade kust en bij het verkeeren van schepen in nood, hetzij
ergens op het strand, dan wel bij een der vele brokkelige
insnijdingen in onze kustlijn van rivier of binnenzeeën, dadelijk
pogingen in het werk kunnen worden gesteld, om een schipbreuk te
voorkomen, en zoo zulk een ramp onherstelbaar is, tenminste de
opvarenden veilig en wel aan land te brengen.
Hier zijn twee namen, die elke Nederlandsche jongen uit het hoofd
moet kennen: de "_Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij_",
gevestigd te Amsterdam, en de "_Zuid-Hollandsche Maatschappij tot
Redding van Schipbreukelingen_", waarvan de zetel te Rotterdam is te
vinden.
Over de heldhaftige daden van de eigenlijke redders hebben jullie in
een vorig hoofdstuk al een afzonderlijk verhaal gelezen, namelijk
dat van den Levensredder uit Den Helder, "opa" Rijkers, die goed
geteld 36 reddingen en 471 geredden op z'n boekje heeft staan!
Maar hier wilde ik jullie het een en ander vertellen over de manier,
waarop een van de nieuwe reddingbooten dezer maatschappijen haar
eerste stormreis volbracht. En daaraan moet ik wel laten voorafgaan
een beschrijving van de inrichting dezer redding-maatschappijen,
-- iets wat jullie om den drommel niet mogen overslaan!
Het was bijna honderd jaar geleden, dat aan de kust bij Huisduinen
een scheepsramp plaats greep, die de menschen zoo deed ontstellen en
hen zóózeer overtuigde, dat onze reddingsmiddelen geheel onvoldoende
waren, dat men in het jaar 1824 besloot de handen ineen te slaan en
het reddingwezen in Nederland behoorlijk te regelen. In dat jaar
werden toen beide maatschappijen tegelijk gesticht; de een zetelde
te Amsterdam, de ander te Rotterdam, beide het werk aldus
verdeelende, dat de eene maatschappij zich zou belasten met de
kustbewaking langs den noordkant, en de tweede met de verzorging van
het reddingwezen langs de zuidelijke kusten van ons land.
{Illustratie}
Beide maatschappijen richtten daarop een aantal kust-stations op,
voorzien van het noodige reddingmateriaal, hetwelk bij voorkomende
gevallen, onder deskundige leiding, ter beschikking van onze stoere
kustbewoners gesteld kon worden, om een poging te wagen, de in
doodsnood verkeerende medemenschen op zee ter hulp te snellen.
Geregeld werden oefeningen gehouden met booten, schiet-toestellen om
lijnen over te brengen tusschen het schip in gevaar en de
reddingboot of de kust; de daartoe beschikbaar gestelde redders
werden ook geoefend in het bijbrengen van drenkelingen. Kortom, het
geheele moeilijke reddingwerk werd zoo goed mogelijk geregeld, om
steeds gereed te zijn, wanneer daarginds in de dolle, witte branding
een schip in gevaar verkeert.
Het aantal schipbreukelingen, reeds gered dank zij de middelen der
beide maatschappijen, bedraagt niet minder dan 7000
menschenlevens...! Je ziet dus, dat dit nog eens de moeite waard mag
heeten.
Willen jullie ook weten, waar deze stations langs onze kust te
vinden zijn?
De "Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij" heeft de hare
te Rottum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel,
Nieuwediep, Callantsoog, Petten, Egmond, Wijk-aan-Zee, IJmuiden,
Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Moddergat, Harlingen, Gaast en Hinde
loopen. Tezamen beschikken deze "stations" over 34
redding-vaartuigen, waarvan 2 motor-reddingbooten en 20
lijnwerp-toestellen.
De "Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen"
heeft "stations" te Ter-heijde, 's Gravenzande, Hoek-van-Holland,
Brielle, Hellevoetsluis, Oudorp, Brouwershaven, Burgsluis,
West-Kapelle, Vlissingen en Sluis aan de Wielingen. Het materiaal
bestaat uit 16 reddingvaartuigen, waarvan 2 motor-reddingbooten en 2
stoom-reddingbooten, en 10 lijnwerp-toestellen.
{Illustratie}
De reddingbooten, welke niet met behulp van een stoommachine of
motor worden voortbewogen -- natuurlijk zijn deze laatste de beste
-- worden voortbewogen door riemen en zeilen; terwijl ze nog
onder-verdeeld kunnen worden in zelfrichtende- en niet-zelfrichtende
booten.
De eerste soort booten worden meestal gevonden op plaatsen, waar het
reddingstation gelegen is aan een haven, zoodat de reddingboot langs
een helling in de haven kan worden neergelaten. De
niet-zelfrichtende reddingboot is meer een strandboot en moet met
behulp van een wagen over het strand naar de plaats worden gereden,
waar de redders zich het dichtst bij de schipbreuk bevinden.
Eer ik jullie iets over zoo'n redding-vaart zelve vertel, moet
jullie me nog even je aandacht schenken, om jullie te beschrijven,
hoe het meest voorkomende type reddingboot, dus de strandboot, er
wel uitziet.
De boot is voorzien van een dek, zooals alle reddingvaartuigen in
Nederland er een bezitten; en hieronder bevinden zich 8
water-ontlastbuizen, welke dienen om het overstroomende water weer
dadelijk kwijt te raken. De ruimte onder het dek is zooveel mogelijk
opgevuld met koperen luchtkisten. Ook vin' je er een
water-ballasttank in; verder een middenzwaard voor het evenwicht der
boot; en natuurlijk het noodige zeiltuig.
De eigenlijke inventaris -- de beteekenis van dit woord begrijpen
jullie wel uit het volgende -- bestaat uit riemen, van eschhout
vervaardigd, zwemvesten van kapok, een anker en een sleepzak. Deze
laatste dient, om, bij het landen door een hooge zee, het dwars- en
omslaan van de reddingboot te verhinderen.
De door een machine voortbewogen reddingbooten worden niet
voortgestuwd door een schroef; neen, hier wordt het systeem
toegepast, dat het water met kracht wordt uitgestooten, hetgeen de
vereischte voortbewegingskracht vormt. De machine brengt namelijk
een centrifugaalpomp in beweging, die het zeewater door een breede
buis in het vlak van het vaartuig opzuigt. Deze buis vertakt zich
weer in buizen, welke naar voren en achteren buitenboord uitmonden.
Door het water naar achteren te spuiten, beweegt de machine dus de
boot vooruit; spuit ze het water naar boven, dan beweegt het
vaartuig zich achteruit. Terwijl men ook, door aan de eene zijde het
water vooruit en de andere zijde achteruit te doen uitspuiten, de
boot kan besturen. Natuurlijk begrijpen jullie wel, dat het een
groot voordeel oplevert, dat zulke booten niet op een schroef zijn
aangewezen om vooruit te gaan.
De vaklui beweren echter, dat het aller-beste model voor een
reddingboot datgene is, waar een motor de voortbewegende kracht
oplevert voor de machine. Beide maatschappijen hebben er eenige op
haar voornaamste "stations" ter beschikking.
En al is het nu niet bepaald gisteren gebeurd, toch wil ik jullie
hier iets vertellen over een dezer motor-reddingbooten, en hoe ze in
dienst werd gesteld op een stevigen stormdag in de kwaje maand
November.
De stormwind gierde langs het zwerk, zwaar weer uit het noordwesten,
en een zee zoo ruw, als je maar wenschen kon voor een proeftocht met
een nieuwe reddingboot, die het bewijs had te leveren wat ze waard
was!
Drie dagen achtereen duurde de proefvaart. Maar de nieuwe motorboot,
"De Brandaris" geheeten, naar den geweldigen vuurtoren op
Terschelling, ranselde het ruige water, en met haar sterken kop
rameide ze de wilde waterbergen, die haar woest besprongen.
Al dadelijk buiten de Oranje-sluizen, de rumoerige Zuider-Zee op,
liep de boot z'n 8 mijl per uur, en dat tegen het tij in. 's Morgens
acht uur buiten en 's middags 4 uur al in Terschelling binnen. Dat
is 72 zee-mijlen. Niet kwaad voor 'n begin!
Al dadelijk kon de boot ook laten zien, hoe ze zich hield in het
Stortemelkgat, waar 'n zee stond van wat-ben-je-me! Dat ging best.
Den volgenden dag blies de wind nog wat harder. De zeelui schatten
de kracht van den wind in meters per sekonde; het woei uit het kwade
noordwesten met een vaart van 6 tot 7 meter. 'n Holle zee. Ja, dat
was wel wat de nieuwe reddingboot begeerde, om haar proef af te
leggen!
De schipper van "De Brandaris" koerste door het Boomkensdiep tot de
vaarton aan den Engelschen Hoek, naar de gevaarlijke Zandplaat, waar
zoovele schepen vast raken in den storm; en dan door den ingang van
het Thomas Smit Gat. Het water roerde zich ongemakkelijk. Niet meer
dan 14 voet water, -- dat is niet veel als de zee hol staat!
{Illustratie}
Maar hij dee 't! Aan den wal stonden al die zeerobben uit te kijken.
Dat zijn daar allemaal zoowat vaklui. Als er bij de eilanden boven
Den Helder 'n schip in nood zit, staan ze al bij bosjes op hun kans
te loeren, om mee te helpen "gnusjen", -- zoo noemen ze daar het
reddingwerk met hun eigen woord.
Zoo heel veel vertrouwen hadden ze aan den wal niet, toen die
"nieuwe motoor" de wilde zee op ging...
Maar na haar eersten proeftocht door stug weer, met een stormwind
uit den leelijken hoek, kregen ze er wat meer eerbied voor!
De volgende dag was echter 'n nog smeriger dag. "Zooveel te beter",
dacht het volk van "De Brandaris", -- "nou kunnen we eens laten zien
wat onze boot precies kan in den storm!"
D'r stond buiten een hooge zee, en de wind was pal noord geloopen.
Weer het Stortemelkgat in, tot de stompe ton daar, die het nummer 3
draagt; toen bij ton nummer 5, bij het Schuitengat, naar de
buitengronden. Br! zooals 't er spookte!... Maar toch
heen-en-thuis-terug, een afstand van 16 zeemijl, in zoowat twee uur.
Mooi zoo!
Toen ging de wind minderen. Maar de schipper kende dat wel. Buiten
was het heele water "dicht" en vol branding. Terug, dat ging niet;
en dwars door zee leek al te gevaarlijk, zelfs voor een
reddingboot...
En daar wil het geluk, dat gemeld wordt, hoe er buiten een schip zit
vastgeloopen. Van Ameland was het bericht geseind, en vijf
sleepbooten stoomden er op af, om 'n handje te helpen. Later bleek,
dat het schip zich zelf had kunnen vrij maken; maar dat wisten de
kapiteins van de sleepbooten toen nog niet. En ook de schipper van
"De Brandaris" wist dat evenmin. Zoo werd 't dus een soort
wedstrijd, wie er het eerst bij zou zijn.
Nu was het aardige van het geval, dat de sleepbooten, die daar toch
anders al wat zware zee gewend waren, met het nijdige weer er de
brui aan gaven, den kortsten weg te nemen; dan hadden ze door
dat gemeene Thomas Smit Gat moeten sturen. Maar de reddingboot koos
den kortsten weg, dwars er door. Terwijl de vijf andere buiten-om
stoomden.
Ze konden de kleine reddingboot zien werken in de zware branding.
En toen dan "De Brandaris" er goed door kwam, had ie 't ook voor
goed gewonnen bij het Terschellingsche zeevolk. Daar gingen de
petten en mutsen af. En joelen en wuiven naar dat kleine, sterke,
kranige ding!
Zoo was zijn proefvaart, het pleziertochtje van de nieuwe
motor-reddingboot.
Later heeft ze wel bewezen wàt ze inderdaad waard was, als ze er
ècht uit moest, op 'n schipbreuk af, om ginds menschen te redden van
den dood!