Die aan de steng kan komen, zal de vlag wel krijgen.
--o--
"Ik zal vóór niet afvallen", zei de stuurman, en hij stond
achter het roer.
--o--
Naar de Oost is de wereld nog niet.
--o--
Wie jufferhanden heeft, moet met geen matrozen
klop-in-'t-handje spelen.
--o--
Wie onder zeil is gegaan, moet aan boord blijven.
--o--
't Is leuk zeilen met den wind achter.
--o--
De voorspoedige wind maakt geen goed matroos.
--o--
Het moeten hooge masten zijn, die bij 't zwerk zullen zeilen.
--o--
Geef een hond een kwaden naam, dan mag hij wel over boord
springen.
--o--
Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil.
--o--
"Daar geef ik de vierkante wereld om," zei de matroos.
--o--
Men moet het roer leggen over het boord, waar men het wil
binden.
--o--
Een goed zeeman valt ook wel eens over boord.
--o--
Als de wind komt voor den regen,
Daaraan is niet veel gelegen:
Maar als regen komt voor wind,
Berg je zeilen dan gezwind.
--o--
De beste stuurlui staan aan wal;
De slechte vindt men overal!
--o--
Aan woorden en aan wind, neem altijd wat tegen het krimpen.
--o--
"Het is koel op zee," zei de snijder, en hij voer over den
Amstel.
--o--
Zeeroovers tegen huns gelijken doen zelden goede zaken.
--o--
Hij ziet gaarne zout water, maar in zijn moeders vischketel.
--o--
Daar dienen geen twee groote masten op één schip.
--o--
Wie raakt er in den mars zonder touwtrappen en klimmen?
--o--
"Alle vrachten moet men lichten!" zei de schipper en hij smeet
het eerst zijn vrouw over boord.
--o--
"Een stuivertje kan raar rollen," zei de matroos; want hij vond
bij Kaap de Goede Hoop het stuivertje terug, dat hij bij Vlaardingen
verloren had.