Scheepsspreekwoorden {Illustratie}

Die aan de steng kan komen, zal de vlag wel krijgen.

--o--

"Ik zal vóór niet afvallen", zei de stuurman, en hij stond

achter het roer.

--o--

Naar de Oost is de wereld nog niet.

--o--

Wie jufferhanden heeft, moet met geen matrozen

klop-in-'t-handje spelen.

--o--

Wie onder zeil is gegaan, moet aan boord blijven.

--o--

't Is leuk zeilen met den wind achter.

--o--

De voorspoedige wind maakt geen goed matroos.

--o--

Het moeten hooge masten zijn, die bij 't zwerk zullen zeilen.

--o--

Geef een hond een kwaden naam, dan mag hij wel over boord

springen.

--o--

Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil.

--o--

"Daar geef ik de vierkante wereld om," zei de matroos.

--o--

Men moet het roer leggen over het boord, waar men het wil

binden.

--o--

Een goed zeeman valt ook wel eens over boord.

--o--

Als de wind komt voor den regen,

Daaraan is niet veel gelegen:

Maar als regen komt voor wind,

Berg je zeilen dan gezwind.

--o--

De beste stuurlui staan aan wal;

De slechte vindt men overal!

--o--

Aan woorden en aan wind, neem altijd wat tegen het krimpen.

--o--

"Het is koel op zee," zei de snijder, en hij voer over den

Amstel.

--o--

Zeeroovers tegen huns gelijken doen zelden goede zaken.

--o--

Hij ziet gaarne zout water, maar in zijn moeders vischketel.

--o--

Daar dienen geen twee groote masten op één schip.

--o--

Wie raakt er in den mars zonder touwtrappen en klimmen?

--o--

"Alle vrachten moet men lichten!" zei de schipper en hij smeet

het eerst zijn vrouw over boord.

--o--

"Een stuivertje kan raar rollen," zei de matroos; want hij vond

bij Kaap de Goede Hoop het stuivertje terug, dat hij bij Vlaardingen

verloren had.

In de Hollandsche Branding · 第 7 / 16 题