Bestaat er nog wel één jongen ter wereld, die na dezen vreeslijksten
aller schrikkelijke oorlogen te water en te land, _niet_ zou gehoord
hebben van een onderzee-boot?
Geen krant kun je opnemen, of er staat weer het geen of ander
staaltje van kranigheid of boosaardigheid te lezen, uitgehaald door
een der duikbooten van een der elkaar beoorlogende mogendheden...
Maar ik denk er niet aan, in jullie boek over de zee een
beschrijving te geven van al hetgeen een onderzeeër al voor nuttigs
en voor kwaads heeft uitgericht in de betrekkelijk weinige jaren,
sedert dit scheepstype in gebruik is genomen.
Toch wil ik jullie jongens iets vertellen over de inrichting van
zoo'n onderzee-vaarder, en als jullie naar me wilt luisteren wil ik
jullie ook vertellen van een tocht, welken ik aan boord van een
onzer Nederlandsche duikbooten onder water heb meegemaakt.
Eerst enkele woorden, om jullie een eenvoudig, maar duidelijk beeld
te geven van zoo'n boot.
Het best laat zich een onderzeeër vergelijken met een reusachtige,
holle sigaar, maar een, waarin zich menschen bevinden, om de
verschillende werktuigen te bedienen en om torpedo's onder water af
te schieten.
Het doel, dat deze vaartuigen beoogen, is het aanvallen van
vijandelijke schepen, door, in hun nabijheid gekomen, een of meer
torpedo's te schieten, of zooals de technische term luidt: te
lanceeren.
Dit naderbij-komen doen ze niet openlijk, zooals de boven water
varende oorlogschepen, voornamelijk dus als de eigenlijke
torpedo-booten, -- maar ongezien, onder-gedoken, verscholen onder
het water, naderen ze tot ze kans zien, den onderwater-aanval
te wagen. Zelf blijven ze dus meestal onzichtbaar en dus...
ontrefbaar.
Buiten het bereik van den vijand zal echter een onderzee-boot
gewoonlijk boven water varen; dan doet ze het meest denken aan het
scheepstype, dat torpedoboot heet. In dit geval worden de schroeven
door petroleum-motoren gedreven. Doch zoodra de boot zich heeft
laten zakken onder het water-oppervlak, wordt zoo'n manier van
voortbewegen bezwaarlijk; deze heeft dus plaats door middel van
electriciteit.
Voordat de boot gaat duiken, wordt alles wat aan dek staat, als
hekwerk, luchtkokers, enz. zooveel mogelijk opgeborgen. De
bemanning, welke beperkt is tot de hoogst-noodige hulpkrachten,
verdwijnt in de boot. Alle openingen worden zorgvuldig luchtdicht
gesloten.
Nu wordt het water binnengelaten in een paar afzonderlijk daarvoor
ingerichte afdeelingen; door het water-gewicht zinkt de boot, totdat
ze bijna onder water is verdwenen. Wanneer nu de schroeven in
beweging worden gebracht en de boot vooruitgaat, kan men door middel
van de horizontale roeren de boot op alle gewenschte diepten onder
water bewegen.
Teneinde den kapitein in staat te stellen, te zien wat er boven
water voorvalt -- opdat hij zich kan overtuigen of het oogenblik
reeds gekomen is, om een vijandelijk schip te naderen en aan te
vallen, wellicht ook of het beter is zoo'n vijandelijk oorlogschip
te ontwijken -- steekt boven het dek van de boot een lange buis uit.
Wanneer de duikboot niet te diep onder het zee-oppervlak vaart, kan
men door deze holle buis, met behulp van verschillend-gestelde
lenzen en spiegeltjes, beneden in den commando-toren precies zien
wat er aan de oppervlakte van het water voorvalt.
Zoo'n toestel heet -- zooals elke jongen tegenwoordig wel weet, want
hoeveel jongens zijn er niet, die zelfs bij hun speelgoed zoo'n ding
bezitten, waarmee je, zonder zelf gezien te worden, om een hoekje
kunt kijken -- een periskoop.
Dit is wel een van de voornaamste hulpmiddelen voor den kapitein, om
uit te kijken. Zakt de duikboot dieper onder water, zoodat ook het
bovenste puntje van den periskoop onder water is verdwenen, dan moet
hij op zijn kompas varen.
Verder bevinden zich aan boord natuurlijk de toestellen voor het
lanceeren der torpedo's, en de verschillende machines en reservoirs,
daartoe noodig. Zoodat er voor de bemanning maar heel weinig ruimte
overblijft. Daarbij komt nog, dat de luchtverversching daar beneden
nog al wat te wenschen overlaat. Immers, je kunt geen lucht van
buiten toelaten, zoolang het vaartuig zich onder water bevindt. Dus
moet men zich maar behelpen door lucht te tappen uit de aan boord
zijnde luchtreservoirs, gevuld met saâm-geperste lucht.
Toch bestaat er, al die onaangenaamheden bij elkaar genomen, veel
minder gevaar voor ongelukken onder dan boven water. Bijvoorbeeld is
men er betrekkelijk veilig tegen stormgevaar, wanneer de boot onder
gedoken is. Daartegenover staan natuurlijk weer een aantal kwade
kansen, die je op een boven water varend schip niet loopt.
Over dit alles behoef ik jullie, met je voldoende ontwikkelde
jongensverbeeldingskracht, niet uitvoeriger te onderhouden. Ik denk,
dat jullie het veel belangrijker vindt, te lezen, hoe ik zelf eens
zoo'n duiktocht meemaakte?
Ik meldde me daartoe aan de Vlissingsche haven, waar een
luitenant-ter-zee onzer Nederlandsche marine, die kapitein is van de
daar voor anker liggende onderzeeër, me aan de sluis opwachtte, om
me dadelijk uit te noodigen, mij aan boord te begeven van dat
wonderlijke ding, dat op alles geleek... behalve op een schip.
{Illustratie}
Uit het nauwe ijzeren torentje, even uitstulpend boven het
glad-stalen dek, wenkte de commandant me, hem naar omlaag te volgen.
"Welkom aan boord van den "Luctor"!... en u gaat dus zoo 's mee?...
en toch ook _onder_ water?"
"Graag!" antwoordde ik, en nauwelijks was ik beneden, of boven onze
hoofden werd op het torentje het deksel al dichtgeschroefd.
Daardoor kwam er van boven geen licht meer; boven mijn hoofd hoorde
ik tegen de stalen dekplaten de pruttelende geluidjes van klotsend
water. Ik begreep, dat de duikboot al zinkende moest zijn. De
bevelen van den commandant volgden elkaar snel en scherp op.
Elk bevel werd door een der bemanning beantwoord.
"Midscheepstank is vol, meneer!...." -- "Buitenboordskleppen zijn
dicht, meneer!" -- "Hoofdballast-tank is vol, meneer!..."
"De boot helt naar bakboordzijde;.... geef stuurboordzijde-tank nog
wat... Is de voortank leeg?"
"Bijna leeg, meneer!" -- "Zet 'm dan af." -- "Ja, meneer!"
Daarna sprak niemand meer.
De motor ratelde met fellen donderrommel, zoodat de echo's met
scherpen dreun langs de stalen wanden rondspookten; ... uit een hoek
siste het; ... dan was het, of de haastende slagen van den motor
zachter en doffer klonken; ... alle geluid scheen zich op te lossen,
weg te doezelen als in een droom... Het hamerde tegen m'n slapen,
omdat de saâm-geperste lucht het ademhalen bemoeilijkte; maar na een
minuut of wat was ik aan dit gevoel gewend.
En nu lette ik verder uitsluitend op het groote wijzerbord,
waarlangs een naald regelmatig voortschoof, dan vooruit, dan
achteruit, nu eens naar het cijfer 15, dan weer terug naar de 10.
Ik wist, dat dit de diepte in voeten aangaf, waarop we nu onder
water voeren. Soms helde de boot sterk naar voren, zoodat ik het
lichaam mee moest laten hellen; dan wees de voorkant weer omhoog,
zoodat ik achteruit moest leunen om in evenwicht te blijven. En bij
elke beweging omlaag trachtte ik het onaangename gevoel van mij af
te zetten, dat mijn niet meer te openen kerker voor goed, steeds
lager, steeds dieper in de waterkuil gleed...
Dit duurde een half uur, een uur, anderhalf uur?... Ik weet het
niet meer. Doch het scheen eindeloos. Tot dan eindelijk een korte,
driftige machine-bel tingde, en dadelijk stond de motor stil.
Tegelijk klonken weer de korte bevelen van den commandant naar het
bedieningspersoneel.
De matrozen werkten haastig en handig; ... het siste door de dikke
buizen langs de wanden; ... in de peilglazen daalde het water; ...
met zenuwachtige stoten schokte de naald over het wijzerbord, dat ik
nog steeds bestaarde.
Maar dan klonk er boven me, in het nauwe torentje, een zacht
geknars; daar tuimelde een eerste schemerende lichtstraal van
omhoog; en ook een frissche luchtstoot streek van boven tot ons
neer.
Reeds klauterden de zeelaarzen van den commandant door het kokertje
naar het dek; uit het tunneltje riep hij naar me, of ik hem niet
wilde volgen?
Door de toren-opening stroomde die goede sterke lucht van de zee als
een krachtige stortvloed omlaag; ik moest er tegenin klimmen.
Toen, vlak over den rand van het dek-torentje, zag ik haar weer: de
zee!
Ze lag kalm, met stil gekartel van goud-gekamde golfjes; als een
maatloos koepelend dak welfde zich daarboven de blauwe effen hemel.
En ineens stuwde het gezonde bloed naar mijn wangen terug, zoodat
die koele kloeke commandant spottend naar me riep:
"Daar beken je weer kleur!... Je had straks toch geen last van
zeeziekte?"
Neen, ik weet zeker, dat het ditmaal geen zeeziekte geweest was;
maar ik jokte er maar liever om, en antwoordde hem, dat ik me straks
een beetje onpleizierig had gevoeld. Ik zei dit maar, omdat het wat
dwaas zou geweest zijn, tegenover dien wakkeren zeeofficier, over
een gevoel van angst te hebben moeten spreken.
Hij liet me ook niet aan het woord.
"Zooals je hebt gezien, is er eigenlijk niets aan, om zoo'n
duikpartij mee te maken aan boord van een onderzeeër!..."
Van verre kwam de torpedo-boot "_Wajang_" full-speed op ons af; de
zwarte rook-slierten joegen er achter aan.
"Weet je wat," overlegde m'n duikboot-commandant; "als je onze
duikbeweging nu eens goed wilt zien, dan laat ik je aan boord van de
"_Wajang_" afzetten. Straks duikt de "_Luctor_" nog eens voor
je, en dan kun je alles van boord prachtig zien. Afgesproken?"
{Illustratie}
Reeds praaide hij den commandant van de torpedoboot, of die me wilde
komen opnemen.
En zoo heb ik dan de tweede duikproef kunnen zien van af het andere
schip.
Daar zag ik van het dek van den "_Wajang_" wat er nu gebeurde aan
boord van m'n onderzeeër. Eerst kwamen de matrozen uit het torentje
gekropen, takelden het verschansinkje af, gaven de koperen stangen
naar omlaag; dan verdwenen ze één voor één van het dekje; het laatst
wipte de commandant zijn zeelaarzen over den rand van het torentje,
daalde in het nauwe kokertje af. Dan sloot weer langzaam het deksel
boven hem dicht.
Eenige minuten bleef de onderzeeër zoo varen, een streep van het
glimmende dekje boven water, het eenzame torentje er boven-uit, met
een klein vlokkig schuimkopje voor den boeg, en wat wild water
achter zijn schroef. Het leek aldus een vreemd en geheimzinnig,
eigenlijk een onbeheerd vaartuig, een schepping van Jules Verne,
zooals dit vaartuig daar nu zonder menschelijk leven erop of erin,
voort schoof door de zee.
Nu begon langzaam het torentje te zakken; het dekje was het eerst
verdwenen, dan dompelde ineens het torentje onder, ... een smal wit
randje, -- en niets meer.
Dit duurde weer een half uur; misschien langer, wellicht korter.
Het scheen me alweer een eeuwigheid...
Ik wist wat daar onder water nu gebeurde!... Ik kon ze me
voorstellen, die zwijgende, moedige, kerels, ieder bij zijn eigen
toestel, klaar bij de kranen en hefboomen; het turen naar de
peilglazen, het staren op het wijzerbord, waarlangs de naald
regelmatig voortschokte ... vooruit .... achteruit... En midden in
het vaartuigje, in het nauwe torentje, de commandant, het stuurwiel
in de handen, en hoe zijn bevelen kalm en kort naar beneden klinken
moesten, om eentonig herhaald te worden door de matrozen en
machinisten.
Ik wist immers alles wat daarginds -- waar? -- nu zou gaan gebeuren,
te midden van het wilde gewentel der wielen en het gestamp van den
motor; met den snoerenden band om de slapen, de wrange lucht in de
beklemdheid van die kleine stalen gevangenis, die meters diep ergens
onder de zee voort-schoot.
En ik wachtte maar, wachtte ... _tot_ ergens boven de wijde
eenzaamheid der zee zich iets zou vertoonen.
Toen, in-eens, vlak naast onzen "_Wajang_", borrelde even het water,
en meteen kwam het kleine torentje boven water uit!
Ik zag het deksel opengaan; uit het kokertje staken het hoofd en de
schouders van den commandant; ... ik zag zijn witte trui, ik
onderscheidde zelfs de blonde knevels, opgedraaid boven den
vroolijken mond.
En eensklaps begon ik te wuiven naar dat vreemde, wonderlijke
verschijnsel, naar die kleine, zonderling gestreepte schelp, die
daar als van den zeebodem opgedoken kwam.
Nooit bracht ik vuriger groet aan onze Nederlandsche Marine dan
toen!
Van een Amerikaanschen kapitein en een leuken scheepsdokter
{illustratie}
Er wordt wel eens beweerd, dat in den tegenwoordigen tijd de
gezelligheid is zoek geraakt, welke vroeger het maken van lange
zee-reizen kenmerkte. Tot op zekere hoogte is dit waar. Dat komt,
omdat onze moderne zeeschepen veel te groot zijn, om het den
reizigers mogelijk te maken, hetzij het geheele vaartuig van boeg
tot plecht, van beneden tot boven te leeren kennen; en dat komt ook,
omdat het aantal passagiers dikwijls te groot is, soms wel ettelijke
duizenden, zoodat iemand gedurende de reis zich voelt, of hij zich
bevindt in een vreemd stadje, waarvan de bewoners alle talen der
wereld spreken, van wie er niet één bij een ander behoort, zoodat er
bijna niemand is, die gedurende de reis eenig belang stelt in zijn
omgeving.
Hoe grooter het schip, waarmee je vaart, -- hoe sterker je dit
verschijnsel zult waarnemen. Doch aan den anderen kant is dus ook
waar gebleven, dat hoe kleiner het schip is, waarop je een zeereis
maakt, hoe meer gelegenheid je hebt, met de mede-passagiers en ook
met de leden der bemanning kennis te maken.
Zoo herinner ik me als een van m'n aardigste zee-reizen den langen
overtocht van Yokohama, de Japansche haven aan de oostkust van het
Aziatische werelddeel, naar San Francisco, de westelijke haven van
het Amerikaansche werelddeel.
En van eenige der eigenaardigste leden der equipage, den kapitein en
den scheepsdokter, wil ik jullie vertellen, om jullie een indruk te
geven van twee van zulke bizondere personages aan boord.
De kapitein sprak onvervalscht Amerikaansch; daartoe kneep hij zijn
neus dicht, zonder zijn handen te gebruiken, en probeerde dan zijn
gerekte klanken er door te snauwen; hij was ònverstaanbaar. Zelfs
zijn landgenooten betreurden dit, want hij moest een hartelijk man
zijn, die met iedereen een dagelijksch praatje trachtte te maken, en
waardig aan het hoofdeinde der tafel plaats nam, en
verontschuldigingen voor zijn schip bedacht, wanneer het soms hevig
slingerde op den weinig-stillen Stillen Oceaan.
De kapitein hield des Zondags inspectie, en sprak dan Japansch met
de Japansche bemanning, en Chineesch met de koks en tafelboys, en
Engelsch met de passagiers, en zuiver Amerikaansch met zijn
stafofficieren, -- maar er was nooit iemand, die hiervan iets
navertellen kon; niemand kon hem ooit verstaan. Hij gaf ook eens een
korte verklaring bij de vertooning van een reeks lichtbeelden over
Japan en de Vereenigde Staten, doch noch Japanners, noch Amerikanen
herkenden zijn ongetwijfeld belangrijke aardrijkskundige
aanduidingen.
Zondag-ochtends leidde hij de godsdienstoefening in het groote
salon, dat dan met Amerikaansche en Japansche vlaggen behangen werd;
hij snauwde dan door zijn neus bladzijde na bladzijde van de
gebruikelijke formulieren af. Alleen de scheepsdokter, die hem als
voorzanger ter zijde stond, was daaraan gewend, en wist wanneer hij
den kerkgangers het teeken moest geven, om met de gezamenlijke
antwoorden in te vallen.
Toch was hij een uiterst voorkomend kapitein! Want toen na den
tienden dag de Hawaï-eilanden in de buurt kwamen en iedereen hem het
onmogelijke kwam smeeken, om toch wat sneller vaart te maken dan de
matige 325 mijl per dag, opdat wij niet 's ochtends, maar des avonds
tevoren op Hawaï zouden aankomen, liet hij de machines halve kracht
draaien om ons dus onzen zin te geven, opdat onze aankomst 's avonds
viel.
{Illustratie}
Hij was een goed zeeman. Al ging onze reis niet vlug, wat niet zijn
schuld was, toch kwam hij precies op tijd aan den overkant, na
zeventien gelijkvormige dagen met niets dan zee en lucht, van den
eenen kant van de grootste onzer wereldzeeën naar den anderen. En
omdat er -- behalve de nietige Hawaï-eilandjes -- op heel dien
langen weg geen stukje land, geen rotsje, geen zandkorreltje was, om
er zijn koers naar te richten, vond ik het -- zooals ik trouwens
èlke zeevaart knap vind -- een kranig stukje zeemanschap van hem.
Hij was een gelukkig zeeman bovendien, want als zijn reputatie gold,
dat, zoo lang hij reeds tusschen Japan en Amerika voer, hij op elke
reis naar San Francisco één dag had weten uit te winnen. Dat hij op
zijn terugvaart dan telkens weer een dag verloor, vergat men
wel-is-waar. Maar merkwaardig was dit verschijnsel toch wel. En de
dokter, die zich verbeeldde, dat hij veel geest bezat, hield eens,
terwijl al de jonge Amerikaansche meisjes dicht om hem heen zaten,
een soort openbare rekenles, om uit te rekenen, dat de kapitein
feitelijk _een jaar_ ouder was dan hij zich uitgaf, omdat hij bij
het bereiken van zijn 50-jarig kapiteinschap, met gemiddeld zeven
jaarlijksche reizen van Yokohama naar San Francisco, ongeveer 365
dagen zou hebben gesmokkeld. Toen de "Nippon-Maroe" op den zevenden
dag na het vertrek van Japan den 180sten lengtegraad passeerde, was
het dus de dokter, die een "drink" voorstelde op den smokkelenden
kapitein; waarop deze weer een dankdronk uitbracht, welke echter
voor niemand recht verstaanbaar was.
{Illustratie}
Ik denk wel, dat hij de rekenkundige opmerking maakte, dat hij op
zijn heen-en-weer reizen evenveel dagen _oostwaarts reizende_ won,
als _terugreizende naar het westen_ verloor.
De verklaring hiervan is de volgende, jongens!
De 180ste lengtegraad splitst den wereldbol in twee deelen. Bij
elken graad, welke in westelijke richting wordt afgelegd, is er een
verschil in zonnetijd van 4 minuten. Voor 2 x 180 of 360 graden
geeft dit 360 x 4 = 1440 minuten, of 24 uur. Door het kunstmiddeltje
toe te passen van den 180sten graad passeerende een dag te
verspringen, houdt men de tijdrekening in orde. Toen Magelhaen zijn
eerste reis om de wereld van oost naar west volbracht, passeerde hij
in September 1519 den 180sten graad; bij zijn terugkomst bemerkte
hij, tot zijn niet geringen schrik, dat hij één dag ten achter was,
zoodat hij en zijn katholiek scheepsvolk steeds op verkeerde dagen
hadden gevast!
Na den kapitein was de dokter de voornaamste man aan boord. Hij
gedroeg er zich dan ook naar. Voor de zieken had hij slechts weinig
tijd over, hetgeen in hun waarachtig belang was, zooals hij eens
zelf met treffende zelfkennis opmerkte.
Er was een Amerikaansche dame, die zich op elk uur van den dag in
steeds aantrekkelijker toiletten kleedde, en die de eenige was, in
staat, den dokter bij zijn beroep te houden. Zij was bij het
aan-boord-gaan uit haar rijtuig gevallen, had daarbij haar arm
gekneusd. Met Amerikaansche onpreutschheid liet zij ons allen haar
arm bekijken; doch alleen de dokter mocht die aanraken.
Er waren eenige ziekte-gevallen onder de voorschip-passagiers, doch
daar dit "voor de brug" bleef, liet hij de behandeling aan een der
bootslieden over. De zeezieke Japanners, die zijn hulp inriepen,
bekeek hij op een afstand, omdat hij als Amerikaan de meening
verkondigde, dat hij geen Japanners kon uitstaan, omdat hij hun gele
huidskleur niet verdragen kon.
{Illustratie}
Eénmaal trad hij slechts als dokter op. Een dikke vreemdeling
verscheen, met een stevig aangelegd hoofdverband aan tafel. "Wat
beteekent dàt?!" vroeg iedereen. En toen fluisterde de een den ander
toe, dat er in het rooksalon door de heeren onderling de een of
andere verjaardag was gevierd, en het slingerend schip een der
heeren zijn evenwicht had doen verliezen, zoodat deze met zijn hoofd
op een tafelrand was gevallen. Gelukkig was de dokter er toevallig
bij geweest.
"O!" zeiden de andere passagiers, ondeugend lachend, "zoo! zoo! was
de dokter tegenwoordig geweest bij dat verjaardagsfeestje!"
Iedereen begreep toen wel, dat het er gloeiend feestelijk moest zijn
toegegaan onder leiding van den scheepsdokter.
Onze dokter diende aan boord voornamelijk, om het gezelschap
gedurende de lange reis in de goede stemming te houden. Hij had
kleine handjes, vooral kleine voetjes, die in witte dekschoentjes
gekneld staken; hij droeg onberispelijk uitgesneden ochtend-,
wandel- en diner-jasjes, en onder zijn hoogen halsboord tipte een
marinestrikje, dat als een vlindertje boven het glanzend
overhemd-plastron fladderde.
Hij nam na tafel alle jonge meisjes beurt om beurt onder den arm en
wandelde met elk driemaal het dek af; en de oudere dames vertrouwden
hem al haar hartsgeheimen toe, wanneer hij gezellig naast haar
dekstoel kwam aanschuiven en geduldig haar lange verhalen aanhoorde.
Hij zong met een aardig smachtend tenoortje, en behalve wat wijsjes
uit operettes, kende hij ook malle negerliederen en Spaansche
ballade's, en neuriede drenzige Japansche geisha-liedekens.
{Illustratie}
Maar Zondagsochtends zat hij toch weer heel ingetogen naast den
kapitein en wist precies, wanneer hij het teeken aan de gemeente
moest geven om in te vallen; bij de plechtige gezangen zong zijn
smachtend tenor-stemmetje, hoog boven het gemurmel der anderen uit.
De dokter was ook een vurig beoefenaar en practisch voorstander van
sport. Hij bezat een oud jachtgeweer en daarmede lokte hij sommigen
onzer op de achterbrug, en bedacht een toestel, dat de vele leege
spuitwaterfleschjes in zee wierp, en ieder die een fleschje aan
scherven schoot, werd statig ingeschreven op een uitvoerige lijst
van prijswinners, om den laatsten dag plechtig gehuldigd te worden.
Op de dokterslijst stond ten slotte èlkeen, want hij wist zijn
wedstrijden zoo in te richten, dat elke passagier kans had op een
der tallooze Stille Oceaan-kampioenschappen.
's Morgens kreeg ieder der passagiers, die dan al aan dek was
gekomen, een langen schuifstok in de hand en moest met platte houten
schijven mikken naar een nummerbord, dat op de planken afgeteekend
stond. Deze kamp won een zeer luidruchtig Amerikaansch juffertje uit
Philadelphia, van wie vooral de jongelui veel werk maakten, totdat
er gemompeld werd, dat een der oudere heeren met
streepjes-opschrijven in haar voordeel geknoeid zou hebben, om aldus
zelf een streepje voor te krijgen. De partij slagbal won de
Amerikaansche groep glansrijk tegen de andere vreemdelingen; maar de
partijen waren niet eerlijk verdeeld, omdat elk Amerikaan een verzot
slagbalspeler is, en er onder de anderen waren, die den slagknuppel
voor het eerst en zelfs ten-onderste-boven hanteerden. Doch den
volgenden dag legde Amerika het weer af met touwtrekken; en dat de
tegenpartij het won, kwam door den Spanjaard, die, naar zijn
listigen aard, het eind van het touw stiekum door een dekring had
gehaald. Een hinderniswedstrijd won de Belg, die alléén bij de
eindstreep aankwam, omdat alle overige nationaliteiten voor het
roetvat teruggeschrokken waren. De Zwitser won den kegelwedstrijd;
Bill, de Amerikaan, won het diabolospel; een Japanner won, dank zij
zijn vlugge en verrassende sprongen, den schermwedstrijd; en de vele
andere behendigheids-wedstrijden werden gewonnen door elk der dames
één.
Nederland won óók een wedstrijd -- _ik_ mag er mij op beroemen! Want
àl de sportende heeren deden mee aan dien hardloopwedstrijd. Die
leuke scheepsdokter had 't bedacht; en dit ging zoo. We hadden elk
een fleschje bier in de hand; aan het eind van het dek zaten de
niet-sportende heeren met een kurketrekker op ons te wachten. Ze
hadden ons fleschje te ontkurken, haastig leeg te drinken, en wie
van ons dan het eerst zijn leege fleschje weer aan het begin van het
dek terugbracht, had 't gewonnen.
Ieder onzer koos zijn eigen partij-genoot. Er was een dikke oude
Duitsche heer en die wilde wel mijn helper zijn.
Dat won ik ze toen allemaal af, met wel een half dek voorsprong!
Want toen ik tegelijk met de anderen kwam aangerend, had de
Duitscher met beproefde hand den kurketrekker op de kurk gezet;
meteen plukte hij er vaardig de kurk uit; met één klokkend geluid
was het fleschje al door hem leeggedronken. Zelfs kon ik stapvoets
terugwandelen naar de eindstreep, terwijl de rest zich nog wanhopig
zat te verslikken.
{Illustratie}
Bij dit alles was de dokter de spelleider, de wedstrijd-regelaar, de
kamprechter. Bij de prijsuitdeeling voerde de kapitein wel-is-waar
het woord, doch de dokter moest het daarna duidelijkshalve nog eens
over doen. Dan ontving élke dame een zijden zakdoekje en élke heer
een paar manchetknoopen met den scheepsnaam er op, want elk van ons
had immers een wedstrijd gewonnen.
Toen ik het gewonnen knoopenpaar eerlijk wilde deelen met mijn
Duitsche wedstrijdgenoot, wilde deze daarvan niets weten; de
Duitscher lachte gemoedelijk en zei: "Ik heb het beste deel gehad
... het bier!"