Het verhaal van een levensredder {illustratie}

Dorus Rijkers heeft me aan het Heldersche station van den

ochtendtrein afgehaald. Hij droeg een paar medailles op z'n jas

geprikt, want daaraan zou ik hem -- zooals hij me had geschreven

-- herkennen; .... alsof je zoo'n ruigen ringbaard, zoo'n zeewolf op

z'n Zondagsch, zoo'n verweerden zeerob, die daar heel ongemakkelijk

op zijn te nauwe bottines te schommelen staat, niet zonder dàt in

zicht zou gekregen hebben!

Dorus Rijkers -- die officieel Theodorus heet maar op straat door

elken kwajongen en lichtmatroos van Nieuwediep met "Opa" wordt aan

geroepen -- heeft me door Den Helder geloods naar de haven, waar, in

een net steenen huisje de reddingboot ligt van de "Noord- en

Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij."

Dorus Rijkers heeft me daarna heel de stad door gekoerst naar zijn

huisje achter den hoogen zeedijk; daar ligt-ie bij z'n getrouwde

dochter in den kost, heel knap, heel best, heel naar het genoegen

van den ouwen man, -- zoolang 't met de verdiensten wat meevalt.

Want zonder nu te willen weeklagen, sta je toch raar te kijken, hoe

zoo'n kerel, met 'n veertigtal reddingen op z'n naam, met een rits

medailles en getuigschriften, op z'n ouwen dag nog moeite heeft, met

de vletterij uit 't water z'n eerlijke boterham op te halen.

Dorus Rijkers heeft me ook op stap genomen den hoogen zeedijk langs,

me daarover gekuierd, verrekijker in de hand, en dan weer dat ding

voor m'n oogen gehouden, om me 'n indruk te geven van den toestand

buitengaats, ja, eigenlijk daar vlak voor je. 'n Zacht kabbeltje van

golfslag tegen den steenen dijkvoet, maar wijders 'n glad, bijna

rimpelloos water, van dezen kant tot den verren overkant, waar 't

bij helderen winterdag wit schemert van Texels strand; en verder

naar buiten -- "zie je die boei? en daarachter die tweede? ... daar

ligt 't vaargat tussche door!" -- zoover als je kunt kijken met 't

bloote oog, is dat nu 'n vriendelijke, gladde zee.

{Illustratie}

Als hij je niet gewezen had met z'n hand, en je daarbij den kijker

niet voor je oogen had gedrukt, om de goeie richting voor je vast te

stellen, dan zou je niet eens gelet hebben op zoo'n enkelen

onrustigen golfslag over het verre water, in den vaargeul tusschen

den dijk en het overliggende strand van Texel -- "dat is nou die

Onrustplaat" -- en nog verder buitengaats, tegen den lichten

horizon, een verre smalle schuimlijn -- "en gunder daar dat zijn

nou die Haaksgronde, waar je wel van gehoord mot hebbe?"

"Niet genoeg!" zei ik; "daarom is 't me juist te doen, schipper...

En hoe haal je ze daar met je reddingboot af?... En hoeveel schepen

heb je daar al aan den grond zien zitten?.... En hoeveel man heb je

er wel in den storm van hun verongelukte schuiten opgepikt?"

Toen is hij uit zich zelf gaan vertellen.

In het schuitenhuis van de reddingboot vertelde hij al, terwijl hij

de reparatie van de boot inspecteerde na den laatsten knauw, die dat

ding had opgeloopen bij de redding van de bemanning van de ELFRIEDE;

nog niet zoo lang geleden, 't was half Januari geweest.

Hij vertelde al, terwijl we daar langs den hoogen, kouden dijk

scharrelden, om zicht te krijgen, door den kijker, op wat er nog te

zien lag aan wrakken op de verre Haaksgronden.

Thuis vertelde hij nog door, in den familiekring gezeten, theeblad

gezellig op tafel, van sigarenwalm de kamer vol; en Rijkers, telkens

deftig z'n bril op den neus geschoven, als z'n dochter 't beter wou

weten, omdat die netjes en trouw, met jaartal en scheepsnaam, van al

zijn reddingen aanteekening had gehouden op 'n pampier.

De schipper van de reddingboot vertelde:

"... Eerst kan ik je dat wel vertelle van de "Turbo"... Dat 's al

weer wat jaartjes gelee', in de winter van 1908... Die liep z'n

eige vast op de Noorder Haaks... Toen 't bericht uit de vuurtore

van Huisduin aan de have van Nieuwediep was overgebracht, hadde de

twee sleepboote al stoom op, en al m'n jonges al in de

reddingboot... 't Was zoo'n vuile nacht -- afijn, met mooi weer heb

ik ze d'r nooit hoeve af te hale! -- en donker als de hel... Maar

nou mot je 's luistere wat dan zoo'n groot schip van 6000 ton waard

is, as de zee 'm goed in z'n body te pakke hèt!.... Laat dat schip

nou 's avonds om zeve uur gestoote hebbe, en late we nou om half nege

uur op sleeptouw van de "Atlas" naar buite gegaan zijn... Toen we

d'r om 'n uur of nege in de buurt van de "Turbo" zitte -- want 't is

nog 'n knap eind van de have naar de Haaksgronde -- toen leit me die

kanjer van 'n schuit al in twee!... Maar nou mot je me

geloove, zooas ik je ankijk: niet gewoon met 'n barst over z'n

buitewand, maar gebroke in twee stukke, twee losse helfte, zoodat

m'n manne en ik denke, datte d'r daar twee schuite met mekaar in

aanvaring zijn geweest en dwars op mekaar vast zitte... Maar nog

geen half uur later hêt de zee de twee helfte zoetjes opgenome, en

zet ze 'n twee honderd meter van mekaar... Is maar om je 'n aperpoo

te geve van wat zoo'n stormzee uit 't noordwest kàn!

"Kortom, we zitte daar zoo effe te koekeloere, omdat op allebei die

halve schepe nog mensche aan boord ware. De "Atlas" houdt er z'n

zoeklicht op, en we zien op allebei de dekke zoo'n troepje manne...

Toevallig ligge we 't dichtst bij 't wrak, dat 't voorschip geweest

mot zijn; we lage met de sleepboot bove de wind en bezuie de

stroom... En meteen vechte we de reddingboot door de branding

heen.... Daar sting me 'n zee, brokke water als stadhuize... 'Maar

we rake bij 't wrak, en prakkiseere 'n lijntje aan boord... We

werke om m'n eigen boot vrij te houe, want dat is de heele foef, om

je eige gevaar geen moment uit 't oog te verlieze ... -- want

als je boot lek slaat op zoo'n wrak, nou, dan benne niet alleen die

andere drenkelinge, maar dan ben je met je eige volk ook

verkouwe!... --

{Illustratie}

Langs de lijn hale we d'r acht binne onze reddingboot, stokers en

olielui... "Wat stinke jullie naar de petrolie," snuif ik zoo. We

dachte, dat ze olie op de golve hadde gestort.... Maar 't bleek 'n

Engelschman te zijn, die van Rusland voer met tanklading petrolie,

en door 't breke van de schuit dreef me daar de zee vol van die

stinkolie... Tussche twee haakjes: we hebben in De Helder veertien

dage die zelfde lucht in de kokker gehouwe, en de dooie vissche en

vogels lage voor 't oprape langs 't strand.

"Ik ben nog an die redding toe... Ik zal eerst die acht geredde

manne an boord van de "Atlas" afzette, die 'n paar honderd vaam

buiten de felle branding lei...

{Illustratie}

Maar met die gekke zee, die dol te keer gaat, krijg 'k 'n jens van

de sleepboot en slaat ie met z'n kont m'n helmhout stuk, ... met

schaaf an 't roer, en de helft van onze rieme an splinters, om niet

te spreke van al de verdere averij... Ik krijg m'n boot toch

langszij van de sleepboot en die geredde kruipe wel an boord... Maar

nog acht zitte d'r op dat voorschip, en de storm wier nog kwajer...

Zoo was d'r geen beginne an... Die arme bliksems moste we in de

steek late, en de "Atlas" sleept onze reddingboot foelspiet naar

Nieuwediep.... -- "Reddingboot defek!" roept de kaptein de haven

in. Hou nou toch je mond!" roep ik er overheen. "Ben ik de schipper

van de reddingboot, of jij?" En in nog geen halfuur heb ik m'n

schuit weer klaar... Sleept de "Atlas" ons weer naar buite... Wat

zal ik je daar nou veel van vertelle?... Die andere acht krege we

d'r ook af... En de zestien man van 't achter-schip wete we an

boord van de "Herkulus" te scharrele... Opgeteld hebbe we 's

morgens half zeve die heele ekiepaasje van de "Turbo", met geen

mannetje te weinig, an de wal gebracht...

"Maar de "_Renow_" is de kwaaiste van allemaal geweest.... Die

redding leit al weer langer terug -- in 1887 -- maar die staat me

nog duidelijker voor m'n herinnering. En z'n eerste stuurman, die

toen onder m'n ooge verdronk, die mot ik nog altijd met dat

belabberde witte gezicht en z'n rooje kinbaardje voor me zien...

"Help me?" riep-ie op z'n Duitsch, want 't was 'n Duitsche bark.

Maar we mochte 't niet wage 'm te redde; hij was uit de mast geslage

en tussche 't wrak van 't schip gespoeld, en daar mocht ik de

reddingboot in zoo'n dolle zee niet tussche brenge, want aan alle

kante stake de scheepsbinte als de slagtande van 'n beest in 't

rond... Van dat schip was er toen al niks meer over. Ze sprake aan

de wal al van 'n _vergeefsche_ redding, omdat de reddingboot terug

had gemotte... Ik kon er m'n manne de derde keer niet meer in

krijge... "'t Is niet te doen, schipper!", zeije ze, en dat ware

toch geen kinders. Toen krijg ik de jongens van de loods-leerlinge

aan de rieme en we late d'r ons weer heen sleepe. Dat was de vierde

tocht in drie dagen, en nog altijd hinge daar buite op de uiterste

punt van de Razende Bol, wat wij de Pannekoek noeme, in de enkele

mast, die nog overend stond, die laatste manne van de ekiepaasje van

de "_Renow_". 't Was 'n driemaster, met rijst voor Hamburg; maar z'n

fokkie en groote mast ware al dadelik over boord geslage. Ze hadde

zich vastgebonde, zoo goed as 't ging. Ja! 'n jong van zestien jaar

glee' er de laatste maal, dat we d'r aan kome, dood uit de mast; die

was van pure ellende omgekomme...

{Illustratie}

Langs 'n lijntje krijg ik zoo verbinding met 'n stuk ankerketting en

daar langs konne we die laatste schipbreukelinge binne de

reddingboot hale... In vier tochte, met 'n drie-daagsche

onverminderde storm uit noordwest, hadde we d'r dus vijf-en-twintig

man levend afgehaald... En van de vorige Duitsche Keizer heb ik

toen 'n gouwe horloosie met inschrift gekrege en in dat zelfde jaar

ook Broeder in de Nederlandsche Leeuw... Maar ik was twee-en-zestig

uur aan één stuk niet uit de kleere geweest, en alsmaar vechte tege

die storm. Zoodat 'n kapitein van de mariniers me onder m'n arm

neemt en me naar z'n kamer brengt en me heete koffie en 'n cognakkie

te drinke geeft. Toen zou ik naar m'n huis gaan, heel aan de andere

kant van de stad, bij de windinrichting; maar daar krijgt ten leste

de moeiheid me te pakke. En wat met me gebeurd is weet ik niet, maar

ik wor' wakker en daar staat me 'n agent van politie voor me, en ik

zit op 'n stoep. -- "Wat is dat nou, Rijkers?" vraagt die agent; die

dacht zeker dat ik 'n stuk in m'n kraag had of dat ik daar m'n roes

zat uit te slape; "waarom slaap je niet thuis?" -- "Nou," zeg ik

zoo, "ik ben net opweg, agent, maar 't schijnt me onder de hand te

zijn overvalle." -- "Vooruit maar, omdat jij 't bent!" zeit ie; hij

dacht stellig dat ik sikker was, want toen ik opstond, om naar huis

te gaan, waggelde ik op m'n beene... Zóó moei was ik!

"In 1893 had ik ook 'n goeie winter, want de reddingboot haalt er

bij drie verschillende gelegenhede, kort na mekaar, de drenkelinge

van drie schuite, die me door de storm al weer op de Haaksgronde

ware gesmakt; dat ware twee Engelsche boote en een Deen. En van die

laatste Engelschman, de "_Wanddle_", haal ik er 23 af... Toen kreeg

ik 'n boodschap van 't havenkantoor, met de complimente uit Engeland

"en of de schipper van de Nieuwediepsche reddingboot d'r 's wou

optelle, hoeveel Engelsche hij al aan wal had gebracht?"

"Nou, wie telt dat zoo precies?... Als 't stormt met stukke water as

kanonschote, en hardstikkend nacht, met die vuile, witte branding om

je heen, dan kijk of vraag je niet of dat 'n Engelschman is, of 'n

Duitscher!... Maar m'n dochter had 't waschlijstje bijgehouwe, en

die gaat aan 't telle, en ze zeit:

"Vader, 't zijn d'r 195, die je d'r van af 1872 met je eige vlet en

later met de reddingboot en Gods hulp heb magge redde..." -- "Mot

je me nou!" vraag ik.

Ook noemt ze me de name van al die schuite, en jawel, dat ware 'r

krek 'n dozijn reddinge, die ik me stuk voor stuk scherp kon

herinnere; want dat cijfer van drenkelinge zal ook wel goed zijn

geweest. Toen kreeg ik weer zoo'n medalje met 'n getuigschrift...

Ik had er vòòr die tijd al een van de Koning van de Belse, 't

burgerkruis, ook met 'n getuigschrift, omdat we zeve man van 'n

Belsche visscherschuit, de smak "_Ferdinandes_" -- dat is geweest in

1887 -- in 'n vliegende storm van de Haaks hadde afgehaald... Afijn,

ik had d'r al meer van die medaljes met de getuigschrifte d'r bij,

want die heb m'n dochter altijd voor de arigheid bewaard...

"Zoo is d'r een van de manne hier uit De Helder, Dirk heette-ie, en

de meeste reddinge had-ie in m'n reddingboot aan de rieme gezete;

die zit nou in 't Prins-Hendrik-gesticht; wel twintig of dertig

groote reddinge hêt die Dirk samen met me mee gemaakt, maar niks

weet-ie d'r meer van, omdat al z'n getuigschrifte weg benne... Dat

's toch jammer, want wat hou je d'r anders van over?... De premies,

die zijn zoo vet niet, dat je daarvan potte kan; dat eet je onder de

hand zoo op... En 'n andere herinnering als zoo'n pampier in 'n

lijstje hou' je dus niet over...

{Illustratie}

"Hier heb ik 'n Italiaansche opvarende, van 'n Engelsche schuit

gehaald... Dat is nog kort gelee', en de medalje van de Koning

Moeder -- ik had d'r al een met 't portret van 't Koninginnetje

-- daar staat op "Heldenmoed en Naastenliefde"; die kreeg ik in 1907

met de redding van de "_Nina Paton_"...

"Die zat te rije in de storm op de Razende Bol; 37 man hale we d'r

met de vlet af, en 'n kwaje redding omdat 't donkere nacht was en je

dan de meeste moeite heb, met zoo'n ruwe boel om je heen, net

precies te weten hòè je ze hebbe mot... As je ze niet benadere kan

bòve wind en bòve stroom, laat 't dan maar... En altijd je door de

sleepboot tot op 'n paar honderd vaam late trekke, en dan met de

rieme of met 't zeil d'r op af, liefst dwars door de gekke branding,

wat daar altijd maar op de Haaks raast.

"Met die "_Nina Paton_" was 't al zóó slim, dat 't water met brokke

over de luike beukte... Maar al de bemanning krijge we in de

reddingboot... Hoewel niet alles in eens, snap je wel?... De groote

moeite heb je trouwens om dan weer uit de buurt van 't wrak te komme

en je geredde mensche an boord van de sleepboot over te zette...

Nou, bij die keer dat we de laatste lading zulle gaan hale, krijg ik

twee vrouwe an boord, de hofmeesteres en 'n zuster van d'r... Die

sla ik 'n touw om d'r middel en ik bind ze achterin de reddingboot

naast me vast... Dat ware 'n paar flinke meide... Geen kik gave

ze... Want toen hebbe we nog werk gehad om ons eige lijf te berge...

Daar was zóó'n geweld van water om ons heen, dat ik alleen maar de

boot z'n kop recht op de zee kon houe... 't Was wel klare dag, maar

zoo vuil weer, dat de sleepboot ons kwijt is... En omdat ik ook geen

kans meer zie, 'm te bereike, tracht ik op eige gelegenheid m'n

reddingboot tussche de Kapermeule-boei bij de Onrustplaat, en boei

nommer negen van 't Westgat te loodse... Nou, dat lappe m'n jonges

'm handig, alsof 't God behaagt, zoodat we na wat tobbe weer knap

alleenig thuis komme.

"Anderhalf uur later komt de sleepboot "Hercules" binne, met de

boodschap, dat de reddingboot omgeslage mot zijn, want dat ie geen

spoor van ons had kunne terugvinde... En zooals die keek, toen we

daar al an de wal stonde... Maar wat ik je eigelijk wou vertelle

van die twee vrouwe; Zweedsche ware 't, en geen woord gesproke of

gelamenteerd, zoolang we daar tege de storm an 't vechte ware...

"Maar toen ze de volgende dag met de trein weg zoue gaan, beginne ze

in-eens an 't station te zinge... Toen bleke 't twee vrouwelijke

Heilsoldaatjes te zijn. En ter eere van de redders zonge ze

voor ons 'n dankgebed an Onze Lieve Heer..."

In de Hollandsche Branding · 第 5 / 16 题