EEN WOORD VOORAF!

O!... Jongens, die zee!...

Ben jullie even dol op de zee als ik?

Voor mij is ze aanbiddelijk!

Ik aanbid de zee met een diepe vereering, met een kinderlijk ontzag,

met een geheim verlangen, met de vrome liefde als tot iets

hoogers...

Elken keer, dat ik weer naar zee ging, voelde ik 't als een

blijdschap, als een goede boodschap!

Het is wel natuurlijk, dat ik meer dan eens tot de zee mocht

uitgaan. Als je schrijver van je beroep bent, zooals ik, dan is het

van-zelf-spre-kend, dat je pad niet steeds leidt langs de

glad-geëffende banen van het aard-oppervlak. Even goed als je je

soms in een vliegtoestel wel hebt te verheffen boven de aarde en

boven het onderwerp, dat je te beschrijven zult hebben voor krant

of boek, -- even goed moet je er niet tegen opzien, je in te

schepen, hetzij aan boord van het bottertje van een

Zuiderzee-visschersman, dan wel in het gevolg van H.M. de Koningin,

wanneer deze een bezoek gaat brengen aan een harer oorlogschepen op

de reede; hetzij het een proeftocht geldt met de nieuwe reddingboot

van Nieuwediep, dan wel of je moet afdalen in de nauwe en duistere

diepten van een onzer onderzeeërs; hetzij je als vacantie-uitstapje

een reis-om-de-wereld maakt, met minstens een viertal groote

wereld-zeeën onderweg, dan wel of je naast je schippertje staat

kringetjes te spuwen in het water, samen zeilende op een gemoedelijk

kruistochtje langs onze prachtige Nederlandsche wateren; hetzij het

toeval je in aanraking brengt met een merkwaardig oud type, die in

zijn tijd, een halve eeuw geleden, jongens! in Japan een der groote

heldendaden onzer Nederlandsche marine meevocht, dan wel of zoo'n

verweerde zeerob uit Den Helder je staat te vertellen de zelf

doorleefde gebeurtenissen van zijn half duizend geredde

menschenlevens, bij minstens een vier dozijn schipbreuken.

In dezen eigenaardigen tijd moet iemand zich geschikt trachten te

maken, om onder de meest ongewone omstandigheden te kunnen mee doen.

We moeten alle ons zelven, en ook elkaar, wat zien te ontbolsteren.

Wie weet wat het lot met ons voor heeft? Wie zal jullie vooruit

zeggen, waar je nog eenmaal je leven zult hebben te leven?

Weet iemand welke hemelstreken hem later tot verblijf zullen

strekken? Alle elementen zullen hem vertrouwd moeten zijn. Aan vele

haarden zal hij wellicht zijn beenen eens moeten uitstrekken. Wie

zegt, of zijn levenslot hem niet beschoor, dat hij op velerlei

legersteden in de vier windstreken eenmaal zijn rust zal hebben te

zoeken! En onder welken hemel der vijf werelddeelen zal hij straks

het eigen dak moeten spreiden?

Moeten we dan niet vroegtijdig ons vertrouwd leeren maken juist met

de zee?

Is niet de zee een der voornaamste deelen van de wereld?... Leeft

en werkt men niet op zee?... Is niet de zee de voornaamste grens

van ons Nederland?... Was niet de roem, en is niet de hoop van ons

land de zee?.... Was niet telkens weer de zee de grootste

verschrikking van ons bedreigde vaderland?... En tegelijk, is er

iets wat wij onstuimiger liefhebben dan diezelfde zee?

O! als ik lees in oude of in nieuwe boeken van zeereizen, dan wil

ik dadelijk zèlf de zee op. Wanneer ik sta bij winter of zomer aan

het fel-bewogen of stille strand, dan overvalt me telkens weer als

iets onweerstaanbaars die drang naar de zee.

En steeds weer verlang ik er naar, dit groote, geheimzinnige,

lokkende, alles-belovende, wijde water te bevaren!

Zoo ben ik wel een weinig de zee gaan leeren kennen. Ik weet van

onze eigen zeeën; onze prachtige, roerige Noord-Zee, maar ook,

midden in ons land, die soms zoo drieste Zuider-Zee. Ook andere

zeeën heb ik leeren kennen, vele andere, en oneindig veel grootere

dan die daar achter de onze liggen; zoo aanschouwde ik daarginds

ook nieuwe, vreemde, schoone landen, gelegen aan de bonte, volle,

weinig bekende stranden dier zeeën.

En nu wilde ik mijn Nederlandschen jongens van dit alles gaan

vertellen, een verhaal van hier, een herinnering van daar.

Weet jullie welke bedoeling ik daarmede heb? Slechts deze:

Ik wil jullie óók wat van mijn liefde voor de zee schenken; ik

wensch, dat al onze Nederlandsche jongens de zee kennen; ik verlang,

dat er niet één van jullie zal zijn, die niet heeft leeren

begrijpen welke banden ons land aan de zee binden.

En om jullie, Nederlandsche jongens, wat nader te brengen tot die

zee, daarom schreef ik voor jullie mijn jongensboek van de zee.

In de Hollandsche Branding · 第 4 / 16 题