die hem uit de handen van Flannagan, Sullivan en c.s. redde, en zich
haasten het stof van deze ondankbare stad af te schudden. Jij
daarentegen weet niets beter te bedenken, dan je onmiddellijk in nieuwe
avonturen te storten. Ben je soms bang, dat je niet genoeg beweging
hebt? Luister eens—dit grenst toch aan waanzin!
—Noem het zooals je wilt, mijn waarde, maar ik heb het er nu eenmaal op
gezet, om dien Chesterton een poets te spelen, die hem zal heugen!
Charly zuchtte diep, maar hij begreep wel, dat er niet aan te denken
viel, Raffles van zijn voornemens af te brengen.
—Als ik het dus wel begrepen heb, begon hij weder, ben je van zins dien
Chesterton naar de gevangenis te brengen.
—Ja, dan is hij afwezig en kan mij niet lastig vallen, als ik nogmaals
een bezoek aan zijn woning breng.
—En hoe denk je dat wel te doen?
—O, er zijn genoeg middelen!
—En moet dat alles vandaag nog gebeuren?
—Je wilt immers gaarne spoedig vertrekken? was de spottende wedervraag.
—O, wat dat betreft, liever over een kwartier, dan over een uur!
—Laten wij zeggen, vannacht om 2 uur, hernam Raffles glimlachend.
—Je bent toch een vreeselijk mensch! zuchtte Charly hoofdschuddend. Ik
zal mij echter wel moeten schikken, en ik bid slechts, dat je geen
spijt zult hebben van deze nieuwe caprice.
De drie vrienden gebruikten hun maaltijd in het logement, en lazen
daar, Raffles zeer op zijn gemak, Henderson en Charly niet zonder
vreezen, de dagbladverslagen over de raadselachtige ontvluchting van
John Raffles uit het Huis van Bewaring.
De commentaren, welke de bladen hieraan vastknoopten, liepen tamelijk
ver uiteen.
Sommigen eischten, dat alles in het werk zou worden gesteld, om Raffles
weer in handen krijgen, maar anderen kwamen er rond voor uit, dat zij
het op zijn minst zeer unfair zouden vinden, den man, die de geheele
stad zulk een onmetelijken dienst had bewezen, daarvoor te beloonen met
een zware straf, gevolgd door uitlevering aan Engeland. Ook waren er
enkelen, die hun bewondering voor de stoutmoedigheid van den
gentleman-inbreker niet onder stoelen en banken staken en te kennen
gaven, dat er uit dezen Londenaar een detective te maken zou zijn
geweest, die in de geheele wereld vruchteloos zijns gelijke zou vinden.
Het was omstreeks 9 uur, toen Raffles een versche sigaret opstak,
opstond, zich eens uitrekte, en zeide:
—Het wordt tijd voor onze kleine comedie, mijn vrienden. Ik gevoel mij
tien jaren jonger, alleen bij de gedachte aan het gezicht van mijn
waarden vriend Chesterton.
—Waar gaan wij nu heen? vroeg Charly, die zich met den staat van zaken
reeds had verzoend.
—Wij zullen ons eerst een weinig verkleeden! Ik heb in de buurt een
uitdragertje ontdekt, en bij dien man zullen wij wel een paar
agenten-uniformen kunnen krijgen.
—Mag ik vragen, welke rol mylord mij heeft toegedacht? vroeg Henderson
op bescheiden toon.
—Je zult je gewone beroep uitoefenen, dat van chauffeur! antwoordde
Raffles glimlachend. En wij rekenen speciaal op je scherpen blik, en je
oplettendheid. Want daar zal vanavond veel van afhangen!
—Hebben wij dan een auto, mylord? vroeg Henderson.
—Ik heb een zeer snelle toerauto gehuurd, Henderson, die tot je
beschikking is! antwoordde Raffles. Wij komen zoo aanstonds langs de
garage, en daar kun je haar halen, de garantiesom en de huur is vooruit
betaald.
De drie mannen verlieten nu het logement en wandelden rustig, als
werklieden die hun dagtaak achter den rug hebben, het was een Zaterdag,
door de drukke straten.
Na een kwartier loopens, hadden zij de garage bereikt, en Henderson
kreeg zijn laatste instructies.
—Je rijdt met de auto naar het einde van deze straat, waar een
dwarsstraat in aanbouw is, die naar een open terrein voert, zeide
Raffles. Daar wacht je, totdat je ons weder ziet verschijnen in de
uniform van agent en brigadier. Dan rijdt je ons naar het huis van
mijnheer Chesterton, en dan zul je wel verder zien.
Henderson verdween in de groote garage en de twee vrienden liepen
verder, traden bij den uitdrager binnen, en hadden zich vrij spoedig
voorzien van een paar nog zeer toonbare uniformen.
Zij wikkelden ze nu in een krant, namen de pakken onder hun arm, en
liepen de straat ten einde.
Zij drentelden de zijstraat in, waar een aantal huizen in aanbouw was,
verdwenen achter een lange schutting, en trokken daar snel de uniformen
aan.
Hun gelaat behoefden zij niet meer te veranderen, want dat was reeds
geschied.
Zonder zich in het minst te haasten, kwamen zij weder te voorschijn,
Raffles als brigadier, Charly als agent gekleed.
Henderson was op zijn post, de twee agenten stapten in de auto en de
wagen reed snel weg, om een kwartier later voor het huis van Chesterton
stil te houden.
Charly en Raffles stapten uit, en de eerste belde aan.
Henry, de oude bediende, opende de deur en trok een kwaad gezicht, toen
hij de uniformen ontwaarde.
—Is dat gezanik met de politie nu nog niet gedaan? bromde hij. Wat komt
gij doen?
—Je bent niet erg beleefd, oude heer! zeide de gewaande brigadier. Mag
ik je er aan herinneren, dat je met vertegenwoordigers van het gezag
praat. En zeg me nu maar eens, of je meester thuis is.
—Mijnheer is thuis, maar ik betwijfel of hij u zal willen ontvangen!
—Hij zal wel wijzer zijn! hernam Raffles. Zeg hem maar dat het een zaak
van groot belang geldt.
Henry verdween, en keerde even later terug, met het verzoek om hem te
willen volgen.
Alvorens naar boven te gaan, trad Raffles op de telefoon toe, die op de
vestibule hing, en welke een paar dagen tevoren tot zijn groot nadeel
door denzelfden bediende was gebruikt, belde het Hoofdbureau van
Politie op, en vroeg om 4 agenten ter assistentie....
Daarop wendde hij zich tot Henry, en vervolgde, terwijl den ouden man
hem argwanend en verbaasd aanzag:
—Ga jij maar eens mee, goede vriend, want wij hebben misschien wel hulp
noodig.
De bediende haalde de schouders op en ging de twee mannen voor naar de
rookkamer, waar Richard Chesterton verdiept was in de lezing van een
sportblad.
Hij was in de rok gekleed en stond zeker op het punt om zich naar zijn
Club of naar een of andere mondaine gelegenheid te begeven.
Hij stond langzaam op en keek den gewaanden brigadier en diens metgezel
verbaasd aan.
—Wat is er, brigadier? vroeg hij verwonderd. Wat komt u hier zoo laat
bij mij uitrichten?
Als eenig antwoord trok Raffles zijn revolver en riep op bevelenden
toon:
—Steek je handen maar eens uit, vriendlief—dan zul je het doel van mijn
bezoek aanstond begrijpen.
Chesterton verbleekte en deed een paar stappen achteruit.
—Ben je gek geworden, man? vroeg hij op schorren toon.
—Steek uw handen vooruit, en geen praatjes anders maak ik van mijn
revolver gebruik.
Met een machinaal gebaar hief Chesterton de handen op en een seconde
later waren zijn polsen in de boeien geklonken.
—Wil je me nu duidelijk eens zeggen, wat dit te beteekenen heeft? riep
hij woedend.
—Dat beteekent, dat ik de premie van 5000 dollar in mijn zak heb, die
op de aanhouding van John Raffles is gesteld! riep de brigadier
zegevierend uit.
—Wat! schreeuwde Chesterton. Is er nog geen einde gekomen aan die
vervloekte comedie der vergissingen!
—Er is hier geen sprake van vergissing, man, antwoordde Raffles rustig.
Maar ik moet zeggen, dat je de onbeschaamdheid wel wat ver hebt
gedreven, om na je ontvluchting onder het mom van mijnheer Chesterton,
hier terug te keeren. Wat heb je met hem gedaan?
—Ik zeg dat je je vergist, kerel! brulde Chesterton, buiten zichzelf
van woede. Ik heb een moedervlek op mijn linkeronderarm.
—Dat is niets merkwaardigs—ik heb er een op mijn grooten teen!
antwoordde de gewaande brigadier. Dat moet u trouwens maar op het
hoofdbureau van politie zeggen. Misschien gelooven ze daar uw praatjes
wel!
Nu wendde Chesterton zich tot Henry, die sidderend als een wespenblad
bij de deur was blijven staan en riep:
—Ben ik je meester, Henry—of ben ik het niet?
—Ik geloof het wel, mijnheer! Ik geloof het wel... maar zeker weet ik
het niet, stotterde de grijze bediende, ik moet echter zeggen, dat u
sprekend op mijn meester gelijkt.
Chesterton liet weder moedeloos zijn gebonden handen zakken, en zeide
op doffen toon:
—Het noodlot schijnt tegen mij te zijn! Zelfs mijn eigen bediende
herkent mij niet.
Hij wendde zich weder tot Raffles, en vervolgde op een toon, die bijna
onverschillig klonk:
—Gij kunt met mij doen, wat gij wilt! Ik verzeker u echter, dat ik er
zorg voor zal dragen, dat gij deze ezelachtigheid duur zult boeten,
gelooft gij soms, dat men een man van mijn positie ongestraft kan
hoonen?
De gewaande brigadier haalde de schouders op en hernam:
—Als ik een ezelachtigheid begaan heb, vriend, dan zal ik de gevolgen
als een man weten te dragen, wees daar maar zeker van!
—Zijt gij voornemens mij zoo geboeid over de straat te vervoeren?
—Wat denkt gij wel? Gelooft gij dat ik zulke slechte manieren heb? Gij
zult in een gesloten auto worden overgebracht.
Op dit oogenblik ging de schel van de voordeur over, en een oogenblik
later liet een andere bediende vier stoere politieagenten binnen.
Raffles wendde zich tot de ordebewakers, en zeide:
—Goed, dat jelui gekomen zijt, mannen! Jullie ziet, dat ik den
ontsnapten vogel alweer in het net heb!
—John Raffles? riep een der agenten uit.
—Ik ben blij dat je hem herkent, ja, John Raffles, die gisternacht uit
het huis van bewaring is ontsnapt en de ongehoorde onbeschaamdheid
heeft, in dit huis te verblijven en opnieuw de rol van mijnheer
Chesterton te spelen.
—Dat is kras! riep dezelfde agent, maar wat is er dan met den echten
Chesterton gebeurd?
—De hemel mag weten, wat Raffles met hem heeft uitgevoerd, luidde het
antwoord, natuurlijk heeft hij hem ergens opgesloten, opdat hij hem
niet in den weg zou loopen, en laten wij nu geen tijd meer verliezen
mannen—brengt hem onmiddellijk weder naar de gevangenis terug, houd hem
goed in het oog, en let niet op zijn praatjes! Hij zou in staat zijn, u
allen onderste boven te praten, en als men hem hoort, dan is hij een
onschuldig lam, niet in staat om een vlieg kwaad te doen.
—Dat is nog al duidelijk—want ik ben Chesterton! riep de bezitter van
dien naam wanhopig uit.
Raffles wendde zich glimlachend tot den agent en hernam:
—Ziet gij wel? Daar begint hij al! En zoo zal hij den geheelen weg
doorgaan!
—Laat hij zijn gang maar gaan, brigadier! Hij kan lang praten voor wij
hem gelooven.
—Breng hem dan weg, en zeg dat brigadier Smiles hem gearresteerd heeft,
op deugdelijke bewijzen, welke hij over een uur zelf zal komen
mededeelen, ik moet nog zoolang hier blijven om een en ander na te
zien.
De agent salueerde, vatte Chesterton tamelijk onzacht bij den arm, en
geleidde hem met zijn drie makkers weg.
Maar hij had den drempel nog niet bereikt, of Raffles riep:
—Halt! de schavuit zou waarachtig de sleutels van mijnheer Chesterton
medenemen.
Dadelijk verdween de hand van een der agenten in den zak van den
gevangene en haalde er een bos sleutels uit, dien hij den brigadier
toewierp.
—Dat is het toppunt van onbeschaamdheid! riep Chesterton woedend uit.
Met welk recht eigent gij u mijn sleutels toe?
—Met het recht van den sterkste, antwoordde Raffles koeltjes, en nu weg
met hem, mannen!
De deur viel achter Chesterton dicht, en het geluid van zijn woedende
protestkreten werd hoe langer hoe onduidelijker.
Eindelijk viel de voordeur achter hem in het slot, en Raffles en Charly
hoorden hoe de auto wegreed, die den beklagenswaardigen Chesterton naar
de gevangenis terugbracht.
Maar het geroffel van den motor was niet weggestorven of reeds had
Raffles den sleutelbos ter hand genomen en een aanvang gemaakt met het
openen van verschillende laden en kasten.
Henry keek van zijn plaats van de deur verschrikt toe, en stamelde:
—Neem mij niet kwalijk, mijnheer—maar wat zou mijnheer Chesterton daar
wel van zeggen.
—Dat weet ik niet goede vriend, en het is mij ook volkomen
onverschillig, antwoordde Raffles. In de eerste plaats moeten wij de
diepte van het bedrog peilen, waaraan Raffles zich heeft schuldig
gemaakt, en daartoe is het natuurlijk noodig dat wij de papieren hier
in de kamer nazien.
En onverstoorbaar gingen Raffles en Charly voort met hun onderzoek.
Raffles had een ijzeren kistje op tafel gezet, hetwelk boven op een
kast had gestaan, en opende het met behulp van een der sleutels.
Het bleek een aantal bankbiljetten en rollen goudgeld te bevatten.
Raffles liet zonder het geld te tellen, een en ander kalm in zijn zak
glijden, terwijl Henry met groote oogen toekeek.
—Is het noodig, mijnheer, dat gij ook dit geld meeneemt? vroeg hij
aarzelend.
—Volstrekt noodig! antwoordde Raffles plechtstatig, want luister—het
kon wel eens valsch zijn!
—Valsch—het geld van mijnheer Chesterton? riep Henry verontwaardigd
uit.
—Wat praat je toch van Chesterton! riep de gewaande brigadier
ongeduldig; de man die hier anderhalven dag gewoond heeft, en jouw zijn
bevelen heeft gegeven, was John Raffles, en je weet immers niet wat hij
hier gedurende dien tijd heeft uitgericht.
—Het is op uwe verantwoording, mijnheer de brigadier, zeide de bediende
schouderophalend.
—Uitsluitend op mijn verantwoording, bevestigde Raffles, terwijl hij
onverstoorbaar voortging met het nasnuffelen van het groote
schrijfbureau.
Charly had zich ondertusschen met de brandkast bezig gehouden, en deze
trachten te openen, hetgeen hem evenwel niet gelukte, daar zij een
nummerslot had.
—Kun je niet opschieten met die kast, man? zoo wendde Raffles zich tot
Charly.
—Neen, brigadier—het is een nummerslot.
—Dat is lastig genoeg, want wij moeten in die kast zijn, hernam Raffles
met vaste stem.
—In de brandkast, brigadier? riep Henry verschrikt: uit, ik heb u zeker
niet goed verstaan?
—Wel zeker! ik heb immers Engelsch gesproken! antwoordde Raffles kalm.
—Maar gij zoudt die kast nooit zonder geweld kunnen openen, hernam
Henry.
—Welnu—dan zullen wij het met geweld doen!
En met een vlugheid welke den bediende verstomd deed staan hadden de
gewaande brigadier en de agent alles in gereedheid gebracht, om de deur
van de kleine brandkast met geweld te openen.
Met behulp van een kleinen zuurstofcylinder werd een steekvlam
ontwikkeld van geweldige hitte en binnen een kwartier was het slot
weggesmolten.
—Gij ziet dat het zeer eenvoudig is! merkte Raffles lachend op, terwijl
hij zich tot den bediende wendde, die stokstijf was blijven toezien,
niet begrijpende wat hij van dit alles moest denken.
Daarop wendde Raffles zich tot Charly en vervolgde:
—Haal er maar alles uit wat van waarde is, op het bureau zullen wij
alles afgeven!
En ondanks het protest van den bediende, haalde Charly de brandkast tot
den laatsten dollar leeg, en deed den inhoud in een sterke gele tasch,
welke hij uit een kast had genomen.
Juist toen dit gedaan was, klonk voor de straatdeur het bekende sein
van de claxon.
Het was Henderson die met zijn auto van de gevangenis terugkeerde!
HOOFDSTUK VI.
EEN ONAANGENAME VERRASSING.
De Brigadier had wel gelijk gehad, gedurende den geheelen rit had de
arrestant niet opgehouden te betuigen dat hij Richard Chesterton en
niemand anders was, dat de agenten een grooten flater begingen, welken
zij zich later bitter zouden berouwen, en dat hij, Chesterton, door een
zijner vrienden de zaak in de Kamer ter sprake zou doen brengen!
Hij wilde eens zien of er in de Vereenigde Staten nog recht was te
krijgen en of men ongestraft, de rijkste en fatsoenlijkste burgers
mocht beleedigen.
De agenten echter lachten maar wat, en eindelijk gaf Chesterton den
moed op, om hen tot andere gedachten te brengen en besloot hij, zijn
stembanden liever te sparen totdat hij voor den gevangenisdirecteur zou
zijn gebracht.
Maar de beklagenswaardige gevangene trof het niet bijster, want de
directeur bleek zich reeds ter ruste te hebben begeven daar hij dien
dag aan zware hoofdpijn had geleden.
De dienstdoende hoofdcipier wilde den man dien zij voor Raffles
aanzagen, zonder omwegen weder opsluiten, maar Chesterton, die zich
thans met geweld tot kalmte dwong, hield hem zoo ernstig de gevolgen
daarvan onder het oog, dat de man begon te aarzelen, en tenslotte
besloot den directeur toch maar te laten wekken.
Een kwartier later stond Chesterton voor den directeur der gevangenis,
die in een verre van rooskleurig humeur was en den gevangene woedend
aankeek.
De vier agenten die hem hadden overgebracht bevonden zich eveneens in
het vertrek en een hunner kreeg bevel om mede te deelen wat er geschied
was.
De directeur hoorde hem met gefronste wenkbrauwen aan en Chesterton had
den man, zonder hem een enkelen keer in de rede te vallen, laten
uitspreken.
Toen de agent zijn rapport had uitgebracht vroeg de directeur op
barschen toon:
—Hoe zit deze zaak nu eigenlijk? De agent vertelt mij, dat gij
voortdurend hebt volgehouden niet Raffles maar Chesterton te zijn!
—Dat is ook zoo, mijnheer, zeide Chesterton, zonder stemverheffing en
wel inziende dat hij met kalmte en geduld het verst zou komen.
—Kunt gij dat bewijzen? vroeg de directeur.
Een oogenblik stond Chesterton bedremmeld, want hij begreep maar al te
goed dat hij zich in een neteligen toestand bevond, en dat hij met
afdoende bewijzen zou moeten aankomen om den directeur van zijn ware
identiteit te kunnen overtuigen.
Dit zou hem immers te moeilijker vallen, omdat Raffles ontvlucht was.
Hij dwong zich tot kalmte en zeide:
—Laat ik beginnen met u te zeggen, mijnheer, dat volgens de
politieverslagen Raffles een pruik moet hebben gedragen!
—Ja, dat schijnt zoo!
—Het is zoo, mijnheer! riep Chesterton met stemverheffing, maar wij
kunnen aanstonds deze zaak oplossen, als gij de moeite zoudt willen
nemen mijn vriend Flannagan op te bellen en hem te verzoeken hier te
komen! Ik weet dat hij nachtdienst heeft, en hij zal zich dus wel op
het hoofdbureau van politie bevinden. Hij kent mij zeer goed en hij zal
deze voor mij uiterst onaangename zaak wel weten op te lossen.
De directeur bedacht, dat het hoofdbureau van politie op slechts tien
minuten gaans van de gevangenis was gelegen, en daarom nam hij zonder
een woord te spreken de telefoon ter hand en verzocht den jongen
inspecteur aanstonds bij hem te willen komen aangaande een dringende
zaak, waarbij John Raffles betrokken was. Er verliepen tien minuten, en
toen traden, aangediend door een cipier, drie personen het vertrek
binnen. Flannagan, Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans.
Flannagan trad dadelijk op den directeur toe, salueerde en zeide:
—Ik heb mij veroorloofd, mijnheer, mijn vriend Sullivan en diens
veelbelovende leerlinge Miss Evans mede te brengen. Zij waren toevallig
op mijn bureau, om te vernemen of er nieuws van Raffles was en zij
vroegen mij aanstonds verlof mij hierheen te mogen vergezellen.
De directeur had Flannagan de hand toegestoken en zeide nu:
—Miss Evans en mijnheer Sullivan zijn welkom! En nu terzake! Kent gij
den man die daar staat?
Flannagan wendde zich naar Chesterton, trad dicht naar hem toe, draaide
om hem heen, trok hem eensklaps ruw aan de haren zoodat de tranen den
gevangene in de oogen kwamen, beval hem de mouw van zijn rechterarm op
te stroopen, wreef met kracht over de moedervlek, die zich daar bevond,
stak Chesterton de hand toe en zeide tot den directeur:
—Deze man is Richard Chesterton, mijnheer.
—Zijt gij er volmaakt zeker van?
—Volmaakt!
—Ik dank je, Theodor, riep Chesterton, en ik vergeef het je, dat je mij
zooeven zoo hard aan de haren hebt getrokken, het deed pijn, maar
mijnheer de directeur zal nu ten minste wel overtuigd zijn van mijn
identiteit!
Een oogenblik heerschte er een onheilspellend stilzwijgen in het
vertrek.
Toen barstte de directeur los:
—Maar voor den duivel wat heeft dit alles dan te beteekenen, wat is dit
voor een dwaze klucht?
Daar niemand aanstonds antwoordde, trad Sullivan naar voren en vroeg,
zich tot den directeur wendende:
—Wilt gij mij veroorlooven, mijnheer, een paar vragen tot mijnheer
Chesterton te richten?
—Ga uw gang, mijnheer!
De Londensche detective trad op Chesterton toe, keek hem recht in de
oogen en vroeg:
—Wie heeft u gearresteerd?
—Een brigadier en een agent!
—In uniform natuurlijk?
—Ja, zij waren in uniform.
—Ik zou die mannen wel even willen ondervragen; zij zijn natuurlijk met
u mee gekomen?
—Neen, zij zijn in mijn huis achtergebleven! antwoordde Chesterton
opgewonden en met een verschrikten klank in zijn stem.
—Achtergebleven in uw huis? herhaalde Sullivan langzaam.
Zijn lippen prevelden eenige woorden, welke niemand verstond, en daarop
vervolgde hij luid:
—Welke reden gaven zij voor hun achterblijven op?
—Hij verklaarde dat hij nog een en ander moest nazien!
—Moest hij iets nazien? klonk het ironisch van de lippen van den
Engelschen speurder. Wel, wel, dat is zeer belangwekkend. Hoe was de
naam van dien brigadier, die het aan ondergeschikten overliet, een zoo
uiterst gewichtig gevangene hierheen te brengen?
—Smiles was zijn naam!
Sullivan wendde zich tot Flannagan en vroeg:
—Hebt gij in uw sectie een brigadier van dien naam?
—Een brigadier die Smiles heet, zei Flannagan hoofdschuddend, neen, ik
weet bijna zeker van niet.
Sullivan wendde zich weder tot Chesterton en vervolgde:
—Gij zijt natuurlijk niet te voet hierheen gebracht?
—Neen, per auto.
—Met een politieauto?
—Neen, het was een gewone wagen—ik geloof een toerwagen.
—Waar is de chauffeur van die auto?
—Dat kan ik u niet zeggen!
Maar nu trad een der vier agenten naar voren, salueerde en zeide:
—Daarop kan ik u antwoorden, mijnheer. Zoodra wij mijnheer Chesterton
uit de auto hadden gehaald, liet de chauffeur zijn wagen keeren en reed
op de hoogste versnelling weg.
—Een zonderlinge wijze van doen, vindt gij dat ook niet? zoo wendde
Sullivan zich tot den inspecteur, met een eigenaardigen glimlach om
zijn krachtig besneden mond.
—Ik moet erkennen dat ik het een vreemde handelswijze vind, antwoordde
Flannagan. Ik vraag mij ook af hoe die brigadier aan zulk een
particuliere auto kwam; ik vrees dat hier iets achter schuilt, mijn
waarde Sullivan!
—Daaraan behoeft gij niet te twijfelen, hernam de Londensche detective.
Als die Smiles werkelijk mijnheer Chesterton voor den ontvluchten
Raffles aanzag—hetgeen op zich zelf volstrekt niet onmogelijk is,
waarom geleidde hij hem dan niet zelf hierheen om rapport uit te
brengen? Wat had hij in de woning nog te maken? Waar kwam die auto
vandaan? Waarom wachtte de chauffeur niet op orders? Hoe komt het dat
de naam Smiles in het geheel niet bekend is in uw sectie?
Niemand gaf antwoord op deze vragen en toch lag dat antwoord op ieders
lippen.
—Wij kunnen spoedig zekerheid hebben! Daartoe hebben wij niets anders
te doen dan naar het huis te telefoneeren van mijnheer Chesterton.
—Maar dan loopen wij de kans, dat die zoogenaamde Smiles zelf aan het
toestel komt en dan zijn wij niet veel verder, zeide Sullivan.
—Dat kan wel voorkomen worden, mijn butler heeft een eigen nummer! riep
Chesterton haastig uit.
—Zoo veel te beter, hernam Sullivan, bel hem dan op, vraag hem of de
brigadier en de agent er nog zijn en gelast hem, hen zoolang mogelijk
aan den praat te houden, natuurlijk als hem dat gelukt.
—En als het hem eens niet gelukt! hernam Chesterton.
Sullivan antwoordde niet rechtstreeks, maar vroeg na even te hebben
nagedacht: Hoeveel bedienden hebt gij?
—Op het oogenblik zijn er vier thuis, maar een daaraan is al zeer oud.
Sullivan schudde mismoedig het hoofd en hernam:
—Dat is veel te weinig, als die zoogenaamde Smiles werkelijk de man
is—dien wij allen meenen, dan richt gij met vier man niets uit! En
zeker niet als zij niet allen gewapend zijn, dan moeten wij dus list te
baat nemen. Begin dus maar met uw butler op te bellen, dan weten wij
ten minste of die lieden daar nog zijn, „om uw papieren na te zien”.
Chesterton nam de telefoon van den haak, en een oogenblik was hij in
gesprek met den butler.
Zijn oogen schitterden toen hij zeide:
—Zij zijn er nog.
Hij luisterde even, toen betrok zijn gelaat, en stampvoetend riep hij
uit:
—De kerels hebben mijn schrijfbureau nagezocht, met mijn eigen sleutels
een geldkist geopend en de deur van mijn brandkast met een steekvlam
opengesmolten.
—Om u de waarheid te zeggen had ik niets anders verwacht, zeide
Sullivan schouderophalend, wij moeten niet langer talmen, maar er
onmiddellijk op af. Want ik hoop natuurlijk dat ge mij zult toestaan,
aan deze kleine expeditie deel te nemen.