niemand onzer heeft den naam nog genoemd, maar wij weten allen dat die
duivelsche John Raffles de hand in het spel moet hebben.
—Ik heb er geen seconde aan getwijfeld, van het oogenblik af, dat die
brigadier daar alleen in huis is achtergebleven, zeide Sullivan
schouderophalend.
—Gij staat mij toch zeker ook wel toe van de partij te zijn, klonk nu
de stem van Miss Evans.
—Ik waarschuw u dat het gevaarlijk kan zijn, Dorrit! zeide Sullivan
ernstig.
—Wat doet dat er toe, riep het jonge meisje uit, denkt u dat ik een
jacht op John Raffles zou willen verzuimen, ik ga met u mee.
—Laat ons dan geen seconde verzuimen, antwoordde Sullivan. Gij hebt
hier natuurlijk wel een snelle auto.
—Wij kunnen een der gevangenisauto’s gebruiken, iets anders is er niet,
antwoordde Flannagan.
—Vooruit dan! riep Sullivan uit, aangegrepen door een hartstochtelijke
jachtwoede.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven, en enkele minuten later
reed een groote en snelle politieauto de poort van de gevangenis uit.
Daarin hadden Flannagan, Sullivan, Miss Dorrit en een vijftal
politieagenten plaats genomen.
De chauffeur kreeg bevel om zoo hard te rijden als hij maar kon en
nauwelijks twintig minuten later stond de auto stil voor de deur van
het prachtige heerenhuis.
In een oogwenk was het huis afgezet, en daarop belde Sullivan aan.
De butler opende hem de deur.
Zijn gelaat was bleek, en zijn oogen hadden een verschrikte
uitdrukking.
—Wij zijn van de politie! zei de Sullivan op korten toon, terwijl hij
zijn stem zooveel mogelijk liet dalen. Is die brigadier en zijn
ondergeschikte nog hier?
—Zij zijn juist vijf minuten geleden vertrokken, mijnheer, zeide de
butler bevend, ik kon hen niet langer tegenhouden.
—Vervloekt, kwam het sissend over de lippen van Sullivan, dus slechts
vijf minuten te laat!
Hij herstelde zich zoo goed hij kon van deze bittere teleurstelling en
vroeg haastig:
—Welke richting zijn zij uitgegaan?
—Ik heb hen den kant van de haven zien oprijden, mijnheer.
—Dan moet er onmiddellijk naar alle politieposten geseind worden—en
vooral moeten de havenplaatsen nauwkeurig in het oog worden gehouden!
riep Sullivan uit. En nu op weg—Raffles achterna. Hij kan nog niet ver
zijn.
HOOFDSTUK VII.
VAARWEL AMERIKA!
Zonder zich al te erg te overhaasten, hadden Raffles en Charly hun taak
beëindigd, en waren vervolgens in de auto gestapt.
Weliswaar had de butler pogingen in het werk gesteld, hem door allerlei
praatjes op te houden, maar Raffles was een zeer scherp opmerker—hij
had aanstonds ontdekt, dat er een zekere zenuwachtige rilling over het
gelaat van den bediende liep, die niet veel goeds voorspelde.
Zijn zonderling verward gepraat, en zijn schichtig kijken naar de deur
hadden Raffles aanstonds verraden, wat er geschied moest zijn.
Hij had den man eenvoudig glimlachend op zijde geduwd en het huis
verlaten.
Henderson stond daar buiten achter het stuurwiel van den snellen
renwagen te wachten.
Uit het binnenste klonk het blij geblaf van een hond—het was Busto, die
zijn meester verwelkomde.
—Ik zou je aanraden, Henderson, den wagen wat hard te laten loopen,
want wij zijn een weinig gepasseerd, zei Raffles. Om kort te gaan, wij
zijn op de vlucht. Rijdt eerst langs het huis, dat je bekend is, en
waar wij nog wat te doen hebben, en dan dadelijk naar de plek waar onze
vliegmachine is.
Een seconde later stoof de groote toerauto in ijlende vaart door de
straten, tot zij het begin van de Chineezen-wijk bereikt hadden.
Daar hadden Raffles en Charly ongeveer een week geleden een armoedig
dakkamertje gehuurd, waar zij van tijd tot tijd kwamen, en er ook
menigmaal hadden geslapen, ten einde geen argwaan te wekken.
Raffles opende de deur snel met een sleutel, dien hij uit zijn zak
haalde en de twee vrienden snelden vlug en onhoorbaar de trappen op,
tot zij stil stonden voor een lage deur.
Weer moest een sleutel te voorschijn worden gehaald en daarop traden de
twee mannen binnen.
Het eerste wat zij deden, was hun uniformen uit te trekken en onder het
ledikant te verbergen.
Zij trokken gewone kleederen aan, veranderden snel het een en ander aan
hun gelaat, en pakten ieder een kleine valies.
Toen dit gedaan was trad Raffles op dien smallen dam naast de beide
vensters toe, en begon er het behangselpapier van den muur te trekken.
Daarop sneed hij het linnen stuk, waarop het papier geplakt was, en
ontblootte aldus den steenen muur.
Met een korten beitel hakte hij de kalk los tusschen een paar steenen,
die blijkens haar witte kleur niet lang geleden was aangebracht, en kon
ten slotte den steen naar zich toetrekken.
Spoedig volgden er nu anderen, en ten slotte werd er een vrij groote
opening zichtbaar, waarin een ijzeren kistje geplaatst was.
Raffles greep het, en liet het in zijn valies glijden.
—Het wordt nu wel wat zwaarder, zeide hij glimlachend, maar men moet er
iets voor over hebben om een millioen te dragen, en nu vlug weg.
De beide mannen verlieten het vertrek zoo als zij gekomen waren,
daalden de trappen weder af, en openden de straatdeur.
Zij liepen vlug op de auto toe, en Raffles zeide tot Henderson:
—Rijdt nu maar zoo vlug als je kunt, Henderson, over twee uren breekt
de dag aan, en dan moeten wij opgestegen zijn.
Weder begon de rit, en Henderson stuurde nu de auto naar de noordelijke
grens van de stad, waar eenige breede wegen naar de vrijheid voerden.
Ongeveer een uur later had de toerauto de grens van New-York bereikt.
De huizen werden hoe langer hoe zeldzamer, en hielden eindelijk op.
Maar juist toen Henderson den gangwissel overhaalde om de snelheid van
den wagen te vermeerderen, kraakten er schoten—de auto begon te
waggelen en in zigzag-lijnen over den weg te zwaaien, blijkbaar was er
een der banden geraakt.
—Politie! liet de krachtige stem van Henderson zich hooren, terwijl hij
uit alle macht trachtte de auto in het rechte spoor te houden,
niettegenstaande een den banden was leeggeloopen.
Het was maar al te waar—reeds had de telegraaf en de telefoon haar
plicht gedaan, en in alle wijken der stad was de politie gewaarschuwd.
Alle uitgangen waren bewaakt, en zoo had ook hier een dozijn agenten,
onder aanvoering van een inspecteur zich in hinderlaag gelegd.
Het begon langzamerhand te schemeren en het moest reeds voldoende licht
zijn, teneinde de vormen van de auto te herkennen, waarvan Chesterton,
de bediende en de vier agenten een beschrijving hadden gegeven.
Bovendien hadden de agenten met opzet het eerst op de banden gevuurd
voor het geval zij zich toch nog mochten vergissen.
Zij hadden zich opgesteld achter een heg van omstreeks een meter
hoogte, en daarover heen gevuurd.
Het was duidelijk, dat de auto onmogelijk nog lang op deze wijze zou
kunnen voortgaan.
De vaart was zeer aanzienlijk verminderd, en eensklaps stond de wagen
stil—blijkbaar was er een der edele deelen van den motor geraakt.
—Dat ziet er leelijk voor ons uit! bromde Raffles, toen Henderson hem
verzekerd had, dat er aan repareeren van de auto niet te denken viel.
Hij wierp een blik achter zich op den breeden straatweg en zag in de
verte dat de agenten hun hinderlaag verlaten hadden, en kwamen
aansnellen.
Maar Raffles zag ook iets anders, dat hem weder met nieuwen moed
vervulde—op nog geen 80 meter afstand, een eind voor de agenten,
naderde in snelle vaart een electrische tram.
Raffles wist wat dit voertuig daar zoo vroeg in den morgen deed—zij
bracht een ploeg arbeiders naar New Haven, waar juist op dat oogenblik
groote havenwerken werden uitgevoerd, waaraan dag en nacht gewerkt
werd, met het oog op de dringende behoefte aan ontschepingsruimte.
—Laat die valiezen maar in den steek—op een na wel te verstaan! riep
Raffles uit. Die tram moet ons de redding brengen. Wij kunnen er wel
een half uur lang gebruik van maken, alvorens wij een andere richting
moeten inslaan.
—Maar zij rijdt als de hel! riep Charly uit. Wij kunnen er onmogelijk
in vaart opspringen.
Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar rukte een der lantaarns van
de nu waardeloos geworden auto, haalde een rood zijden zakdoekje te
voorschijn en spreidde het vliegensvlug voor het glas uit.
Op het zien van dit onveilig sein remde de wagenbestuurder met een
onwillekeurig gebaar zijn wagen—en toen het roode licht eensklaps weder
verdween was de vaart genoegzaam vertraagd om het te kunnen wagen
zonder gevaar voor gebroken beenen op de tram te springen.
Raffles was op het voorbalkon te land gekomen en riep toen den
wagenbestuurder, die wilde stoppen:
—Rijdt maar op. Het was een flauwe grap van een mijner kameraden—ik heb
hem er al voor afgerost.
De wagenbestuurder bromde wat in zijn baard, maar hij draaide den
zwengel aanstonds weer op volle kracht en de wagen stoof vooruit.
Als de man nog eens achter zich had kunnen zien, zou hij hebben
opgemerkt, dat er een troep tierende en met hun armen zwaaiende agenten
kwam aanhollen en wellicht zou hij zich dan nog eens bedacht
hebben—maar hij deed het niet tot groot geluk van Raffles en zijn
metgezellen.
Raffles echter keek nog eenige malen achterom en zag hoe de agenten
bezig waren, de auto te onderzoeken.
Blijkbaar waren zij het spoor bijster, en mogelijk hadden zij niets
gezien van het spel met de electrische tram.
Een half uur later reed de tram door een klein vlek, en over eenige
minuten zouden zij te New-Haven aankomen.
Maar Raffles wachtte zoolang niet.
Hij gaf Henderson en Charly een wenk, en toen de wagen vaart moest
minderen bij het maken van een scherpe bocht in het kleine dorpje,
sprongen de drie mannen er af en maakten zich haastig uit de voeten.
Het begon nu in het Oosten te dagen, en over een half uur zou de zon
boven de kim staan.
—Wij zullen ons moeten reppen, vrienden! zeide Raffles. Wij zijn hier
verre van veilig, want je kunt er wel op rekenen, dat de politie op dit
oogenblik overal telefonisch gewaarschuwd is.
—Maar hoe is dit eigenlijk mogelijk, Edward! vroeg Charly.
Raffles haalde eenigszins ongeduldig de schouders op en zeide:
—Had je soms iets anders verwacht? Ik wist wel, dat ik op niet veel
meer dan een uur zou kunnen rekenen, van het oogenblik af, dat
Chesterton door Henderson naar de gevangenis werd teruggebracht. Het
spreekt vanzelf, dat hij er Flannagan bij heeft gehaald, en die heeft
natuurlijk spoedig ontdekt, dat hij wel degelijk met den echten
Chesterton te doen had en dat die zoogenaamde brigadier Smiles......
wel eens heel iemand anders kon zijn en een kort telefonisch gesprek
met den butler heeft hem ook op de hoogte gebracht van onze kleine
indiscretie ten opzichte van de brandkast.
—Zou Sullivan bij de achtervolgers zijn?
—Natuurlijk! Die zou zich dat niet gaarne laten ontsnappen! zeide
Raffles, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Het zou mij zelfs niet
verwonderen, als het jonge meisje Dorrit Evans, mijn bevallige
vijandin, zich bij hem had gevoegd.
De drie mannen hadden thans den breeden straatweg verlaten, en volgden
een tamelijk breed grintpad, dat door en over de heuvels naar een
tweede dorpje voerde, op ongeveer een half uur gaans van het eerste
gelegen.
Toen zij weder op den top van zulk een hoogen heuvel waren beland,
wendde Raffles zich om, ten einde een blik achter zich te werpen en
riep:
—Daar komen zij aan! Zie maar, die kleine stippen daarginds op den
straatweg. Er is bereden politie bij. Twee auto’s en acht bereden
manschappen.
—Zij doen het niet minder! zeide Henderson op grimmigen toon.
—Als zij ons maar niet gezien hebben! riep Charly uit. Wij moeten dunkt
mij duidelijk tegen de lucht afsteken.
Dat bleek maar al te waar te zijn, want eensklaps joegen de acht
bereden agenten hun paarden in vollen galop over den grintweg, dien de
drie mannen gevolgd hadden, terwijl de auto’s moesten achter blijven.
Het was nu bijna dag, en duidelijk waren de kleine figuurtjes der
bereden agenten te zien.
—Zal ik er een paar van hun paard schieten, Mylord, om er den schrik
een beetje in te brengen? vroeg Henderson op gedempten toon, met
dreigend gefronst voorhoofd.
—Niet voor dat het volstrekt noodzakelijk is, Henderson! antwoordde
Raffles kort. Ik heb een ander middel, dat hen nog wel eenige minuten
zal tegenhouden, en dat is voldoende, want binnen vijf minuten kunnen
wij de loods bereikt hebben, waar de vliegmachine staat.
De weg was op deze plek van de omringende weide afgescheiden door een
soort heg van staaldraad, op hooge, sterke palen gespannen.
De onderste daarvan bevonden zich op ongeveer een voet van den grond.
In een oogwenk had Raffles een dezer draden doorgeknipt en dwars over
den weg gespannen.
Het was in minder dan een halve minuut verricht, en nu vlogen de drie
mannen snel als de wind voort, den heuvel af, en naar een groote loods,
een soort stal toe, die aan een bejaarden schapenfokker toebehoorde.
De loods lag een tamelijk eind van den weg, en alleen Raffles had een
sleutel van de deur.
Onder het loopen wendden zij nu en dan den blik om, en plotseling
verschenen er boven op den heuveltop achter hen een aantal ruiters.
Maar drie daarvan, die flank aan flank gegaloppeerd hadden, kwamen
plotseling met hun rijdieren te vallen, alsof een reuzenhand hen
eensklaps de beenen onder het lichaam had weggetrokken.
Ook een vierde ruiter, die een halslengte achter was, kon zijn paard
niet meer inhouden, en struikelde over den staaldraad.
De anderen hadden onwillekeurig hun paarden ingehouden, teneinde zich
met hun gekwetste makkers te bemoeien, en juist op dat oogenblik hadden
de drie vluchtelingen de loods bereikt, waarvan de deur door een
gelukkig toeval van den weg was afgekeerd, zoodat de agenten niet
aanstonds konden zien, wat er gebeurde.
Raffles stak den sleutel in het slot, en Henderson zette zijn schouders
tegen de breede vleugeldeur en duwde ze open.
Met vereende krachten trokken de drie metgezellen den stalen vogel naar
buiten, den „Duivel der Lucht”, die hen ruim een maand geleden over den
Oceaan had gevoerd, en die hier trouw had gewacht, door Henderson
zorgvuldig onderhouden.
Het valies met den kostbaren inhoud werd in het schuitje geworpen,
Busto sprong met een luid geblaf in het schuitje en de drie mannen
volgden hem.
Met „Den Duivel der Lucht” behoefde men zich niet te bemoeien met
benzine, het wonderbare vliegtuig werd door electriciteit in beweging
gebracht.
Raffles had, na snel den dikken pels te hebben aangetrokken, die in een
ruimte onder de zitplaatsen opgeborgen was geweest, achter de
stuurinrichting plaats genomen, en bracht den electromotor in beweging.
Aanstonds begonnen de twee machtige schroeven te draaien met zulk een
kracht, dat de zware loodsdeuren toesloegen, als waren zij niet meer
dan een blaadje papier.
Nu hadden de agenten de machine gezien—maar hun kansen waren verkeken.
Zij spoorden hun paarden tot bloedens toe, maar juist toen zij de plek
bereikten, waar de Duivel der Lucht zooeven gestaan had, verhief de
vliegmachine zich bijna kaarsrecht in de lucht, en scheen den spot te
drijven met zijn machtelooze achtervolgers die vruchteloos hun
revolvers op het aluminium wonder leegschoten.
Het laatste wat de mannen der wet nog met eenige duidelijkheid konden
onderscheiden, was een hand, die hen over den rand van het schuitje
vaarwel scheen toe te wuiven.