Men behoefde niets anders te doen dan het millioen te gaan halen op de
plek, waar het veilig verborgen was, en zich vervolgens naar de plek te
begeven, waar de wonderlijke vliegmachine van Raffles, waarmede een
snelheid van vijfhonderd kilometer per uur kon worden bereikt, voor de
vlucht gereed stond.
Het sloeg middernacht, op een naburige kerkklok—maar er was heinde en
verre geen stilstaande auto te zien.
—Gaat die klok gelijk, mijnheer Brand, vroeg Henderson.
—Twee minuten achter, Henderson, antwoordde Charly, die zijn horloge
geraadpleegd had.
Henderson zeide niets, maar aan zijn gelaat was het duidelijk te zien,
dat hij in ongerustheid verkeerde.
Hij kende de stipte nauwkeurigheid, waarmede zijn meester zich aan zijn
afspraken hield, wanneer er zich tenminste niets voor deed wat sterker
was dan hij......
Maar toen het tien minuten over twaalven was geworden, kon de reus zich
niet langer inhouden en fluisterde op angstigen toon:
—Er moet iets gebeurd zijn, mijnheer Brand. Mylord is reeds tien
minuten over zijn tijd.
Charly deelde de ongerustheid van den braven kerel, maar hij wilde dit
niet laten blijken en zeide:
—Ik kan niet inzien wat er gebeurd zou zijn, Henderson! Mylord zal zich
een weinig verlaat hebben! Dat is alles!
—Dat is zijn gewoonte niet, mijnheer Brand, hernam Henderson, terwijl
hij naar alle kanten rondkeek.
Charly antwoordde niet.
De minuten schenen wel voort te snellen, en nog kwam er niemand! Toen
de kerkklok een enkelen klokkeslag liet hooren, riep Henderson uit:
—Half een! dan moet er iets gaande zijn, mijnheer Brand, nooit zou
mylord een half uur over den tijd komen wanneer er niet iets ernstigs
was voorgevallen.
—Ik begin het nu ook te gelooven, Henderson, zeide Charly op zachten
toon, en toch durf ik niet weg gaan! Wie weet, komt mylord over vijf
minuten, en als hij ons dan hier niet vond, zou dat ernstige gevolgen
kunnen hebben.
—Laat een onzer dan naar het huis ven Chesterton gaan en daar een
onderzoek instellen! riep Henderson uit, de andere kan dan hier
wachten, ik kan die onzekerheid niet verdragen!
—Dat is een goed plan, Henderson, hernam Charly, blijf jij hier, dan
zal ik vlug met een auto naar het huis van Chesterton gaan. Daar is
mylord nu zeker niet meer, maar men zal mij daar misschien kunnen
inlichten, ik keer in ieder geval zoo spoedig mogelijk terug.
—Doe dat, mijnheer Brand, ik verzet hier geen voet!
Charly knikte den reus toe, en ging haastig de brug over.
Hij vond spoedig een huurauto en liet zich tot op een honderdtal meter
van het huis van Chesterton brengen.
Daar gekomen stapte hij uit en beval den chauffeur op zijn terugkomst
te wachten na den man voor den rit te hebben betaald.
Hij liep snel voort, en had bijna het huis bereikt, toen hem een auto
achterop reed.
Instinctmatig zocht hij een donker portiek op, en zag van daar, dat de
auto stilstond, en dat er een man uitstapte, die snel op de huisdeur
toetrad.
Het was Richard Chesterton, het moest dus John Raffles zijn.
Charly Brand stond op het punt zijn portiek te verlaten en op den man
toe te snellen, toen hij zich nog juist bedacht, want bliksemsnel ging
het door zijn gedachten, dat de man die daar zooeven was binnengegaan
wel eens de ware Chesterton kon zijn!
Inderdaad als het Raffles was, wat deed hij dan nu hier, waarom hield
hij zich dan niet aan de afspraak.
Maar als die man werkelijk Chesterton was, dan moest er ook iets zeer
ernstig zijn voorgevallen.
Want dan was hij voor den afgesproken tijd teruggekeerd, en wie weet
wat er dan met Raffles gebeurd was!
In groote ongerustheid wachtte Charly nog eenige minuten nadat de auto
reeds weder was weggereden.
Toen verliet hij zijn schuilplaats, en floot eenige malen de eerste
maten van het eigenaardige Schotsche volksdeuntje hetwelk tusschen hem
en Raffles het bekende herkenningssein was, terwijl hij zijn blikken
steeds op de ramen van de voorgevel gevestigd hield.
Maar niets liet zich zien of hooren, alles bleef donker en stil!
Nog tien minuten wachtte Charly, enkele malen het sein herhalend, en
toen ging hij weder naar de wachtende auto met een bezwaard gemoed en
vol angstige voorgevoelens.
Aanschellen en navraag doen durfde hij niet, want hij zou zichzelf aan
het grootste gevaar bloot stellen als de man die zooeven was
binnengegaan niet John Raffles maar Richard Chesterton was.
Hij gaf den chauffeur last, hem zoo spoedig mogelijk naar de
Brooklyn-Bridge te brengen en gedurende den rit werd hij voortdurend
geslingerd tusschen hoop en vrees, hoop, dat alles toch in orde zou
zijn, en hij Raffles bij de brug wachtende zou vinden, vrees, dat
Raffles zich in groot gevaar bevond.
Voor de brug gekomen liet hij de auto stoppen, betaalde den chauffeur
en snelde naar de overzijde van de rivier.
Reeds uit de verte zag hij dat Henderson alleen was.
De reus stormde hem met bleek gelaat te gemoet, greep hem bij den arm
en vroeg op heeschen toon:
—Welnu, mijnheer Brand!
—Welnu, Henderson, ik vrees dat mylord een groot onheil overkomen is!
En nu deelde hij Henderson in korte woorden mede, wat hem zooeven
wedervaren was.
De chauffeur had met diepe rimpels in het voorhoofd toegeluisterd, en
riep toen Charly zijn mededeeling beëindigd had:
—Wat moeten wij nu doen, mijnheer Brand?
—Wachten, Henderson! Ik weet wel, dat je dat zeer moeilijk zal vallen,
maar er is niets aan te doen, wij tasten volkomen in het duister, wij
weten hoegenaamd niet, waar mylord zich ergens kan bevinden—kortom, wij
moeten den morgen afwachten—dan zullen ons de ochtendbladen ons
wellicht iets berichten, waaraan wij houvast hebben.
—Maar wat kunnen zij dan wel berichten, mijnheer Brand? vroeg Henderson
op wanhopigen toon.
Charly liet zijn stem dalen tot een heesch gefluister, en antwoordde:
—Ik vrees, Henderson—dat zij ons de arrestatie van mylord zullen
melden.
Het was den volgenden morgen omstreeks negen uur in den ochtend.
Het weder was eensklaps weder omgeloopen en een stralende herfstzon
vervulde alles met haar gouden schijnsel.
In Wallstreet was het reeds zeer druk, want de beurs zou aanstonds
geopend worden—de beroemde beurs, welke de financiën van de geheele
wereld overheerscht.
Dicht bij de plek, waar de Twintigste Straat de Broadway doorkruist,
zwaaide een armoedig gekleed man over het pad.
Het vroege uur scheen voor hem geen beletsel te zijn, om in kennelijken
staat te verkeeren.
Nu en dan stond hij stil, met moeite zijn evenwicht bewarend, om een
voorbijganger aan te spreken.
Een agent van politie had het eenigen tijd zwijgend gadegeslagen, tot
hij zag, dat de dronkaard blijkbaar een dame lastig viel.
Toen trad hij met groote stappen op den man toe en zeide op ruwen toon:
—Laat dat, man, en pak je dadelijk weg!
Maar dat scheen de dronkaard volstrekt niet van plan te zijn.
Hij plaatste zich wijdbeens vóór den agent van politie, hief zijn door
drank benevelde oogen naar hem op, en schreeuwde brutaal:
—Ik zou zeggen, dat de weg vrij is voor iedereen! Ik ben Amerikaan en
een vrij burger.
—Je bent een vrije burger en je bent zat, man! zeide de agent op
dreigenden toon, en maak nu gauw dat je weg komt, anders zou het je
berouwen. Dit is geen uur voor jou!
—Wat zeg je daar? schreeuwde de dronkaard woest. Waarom zou dit geen
uur voor mij zijn? Betaal ik niet evengoed mijn belasting? En nu wil ik
hier blijven!
Zonder nog een woord aan den dronkaard te besteden, greep de agent hem
bij den arm, maar de man rukte zich los, en gaf den agent een hevigen
stomp tegen de borst, zoodat hij eenige schreden achteruitwankelde.
Dadelijk bracht de ordebewaarder een fluitje aan zijn lippen, een
tweede agent snelde toe, en met vereende krachten sleurden zij den
woest tegenspartelenden dronkaard naar het dichtstbij zijnde
politieposthuis.
Voor dergelijke vergrijpen bestaan ook in New-York zoogenaamde
politie-rechtbanken, welke deze overtredingen onmiddellijk berechten.
De agenten legden hun getuigenis af—en de weerspannige dronkaard hoorde
twee dagen gevangenisstraf tegen zich eischen.
Hij werd op staanden voet naar de gevangenis gebracht, of liever naar
het Huis van Bewaring, waar ook de gedetineerden werden opgesloten, in
afwachting, dat hun zaak voor den rechter zou komen.
De agenten wierpen hem in een cel en riepen hem toe:
—Slaap hier je roes maar uit, jij varken!
De dronkaard bromde iets, viel op zijn brits neer en snurkte vijf
minuten later zóó hard, dat de stalen wanden er van dreunden.
Om twee uur werd hij gewekt door het openschuiven van de judas in de
celdeur, waardoor een arm kwam steken met een bord, waarop een half
brood en een tinnen kroes met water.
Een stentorstem schreeuwde:
—Allo, zuiplap—wordt nu maar eens wakker! Hier is je voer! Om vier uur
luchten!
—Ik zal niet mankeeren, patroon! riep de gevangene vroolijk terug,
blijkbaar weder ontnuchterd.
Hij scheen met smaak het grijze brood te nuttigen, en zette zich toen
weder op zijn brits.
Precies om 4 uur hoorde hij met een bos sleutels rammelen en het
openklappen van zware ijzeren deuren.
Het was het uur, waarop de gevangenen voor lichte misdrijven en ook de
gedetineerden werden gelucht, dat wil zeggen, dat zij op de groote
binnenplaats werden gebracht, en daar achter elkaar, met de handen op
den rug gevouwen en met ongeveer 2 meter onderlingen afstand een
kwartier in het rond mochten loopen, langs den hoogen muur en onder het
waakzaam oog van een tiental met revolvers gewapende cipiers.
Een oogenblik later stond de man die wegens dronkenschap gearresteerd
was op den smallen stalen omloop, die bij wijze van een galerij langs
alle cellen van zijn verdieping liep, dat wil zeggen, de vijfde van het
gebouw.
Als men door het traliewerk van staaldraad, dat deze galerij afsloot,
een blik naar beneden wierp, dan zag men op regelmatige afstanden nog
vier zulke galerijen, en op al die vier kwamen celdeuren uit, volkomen
aan elkander gelijk, van vingerdik staal gemaakt en grijs geschilderd.
Nu ging ook de deur van de cel van den arrestant open, en een oppasser
riep:
—Vooruit no. 19! Luchten!
De arrestant kwam naar buiten, zag den agent lachend aan en zeide:
—Als je maar zegt, wat ik doen moet, want ik ben hier nog heelemaal
vreemd!
—Dat zal zoolang niet meer duren, als je zoo voortgaat! zeide de cipier
op grimmigen toon. Loop voor mij uit, en ga alle trappen af.
—Maar hoe kan ik voor u uitloopen, mijnheer, als ik niet weet welke
richting gij zult volgen, vroeg no. 19.
—Zoo, zoo vriendje, ben jij een grapjas? vroeg de cipier op dreigenden
toon. Daar houden we hier niet van, als je dat maar weet.
—Dat is jammer, patroon! hernam de gevangene. Humor is de zonneschijn
van het leven! En als ik niet eens meer grapjes mag maken, dan knoop ik
mij net zoo lief dadelijk op.
—Dat mag je doen, als je nu je snater maar houdt en voor me uitloopt.
De gevangene volgde de smalle gaanderij, daalde aan het eind een
ijzeren trap af, en toen nog drie, totdat hij eindelijk in een soort
vestibule stond, waar reeds eenige gevangenen bijeen stonden, bewaakt
door een aantal cipiers.
Zij werden nu in een rij opgesteld, een cipier plaatste zich aan het
hoofd en daarop klonk het bevel:
—Voorwaarts marsch!
De gevangenen, ongeveer dertig in aantal, sommigen in
gevangeniskleederen, schreden in den pas door de met asphalt bevloerde
vestibule, tot zij een zware, dubbele stalen deur bereikten, waarbij
een cipier op post stond, die haar met een zijner sleutels opende.
Nog een breede gang, nog zulk een deur, nog een cipier, en toen stonden
de gevangenen op de ruime binnenplaats, bijna 60 meter in het vierkant
groot, en aan alle kanten ingesloten door zeer hooge muren, waar in de
celvensters als kleine gaten waren.
De gevangenen begonnen hun eentonigen rondegang, de meesten met het
hoofd naar den grond gekeerd, terwijl de cipier zich in het midden van
de binnenplaats opstelde, en een paar hunner met de gevangenen
meeliepen.
Maar nauwelijks was de omgang echter begonnen, of No. 19 liet een
krachtigen vloek hooren, liep uit de rij, stormde op een der andere
gevangenen toe, en begon hem onder het uitbraken van een zonderling
taaltje met zijn vuisten te bewerken.
Het was zoo vlug in zijn werk gegaan, dat er eenige seconden verliepen,
alvorens een paar cipiers kwamen toesnellen en de vechtenden van
elkander scheidden.
De dronkaard liep een paar gevoelige opstoppers op, en schreeuwde:
—Heb ik het niet altijd gedacht, dat ik dat schoelje van een Spanjaard
nog wel eens hier zou ontmoeten? Ik ben blij, dat ik hem tenminste een
paar tikken op zijn harden kop heb kunnen geven.
—Ik zou je raden om dat niet meer te doen, No. 19! schreeuwde een der
cipiers, terwijl hij den gevangene zijn revolver onder den neus hield.
Van zulke grapjes moeten we hier niets hebben! En wat je daar raaskalt
van een Spanjaard, dat begrijp ik niet! Je bent zeker nog niet nuchter,
want weet je wel, wie je daar te lijf bent gegaan, mal mirakel?
—Dat zou ik niet weten? schreeuwde No. 19 verbolgen. Dat is José
Pistasch. Een kerel, die mij al mijn geld heeft afgezet! Hij heeft me
mijn vrouw ontroofd, maar mijn schoonmoeder heeft hij bij me gelaten!
In het kort, een schoelje van de bovenste plank!
De cipier barstte in gelach uit, en riep:
—Je bent nog dronken, mannetje! Wel, je hebt daar niemand minder dan
John Raffles een deuk in zijn hoofd geslagen.
De gevangene maakte een gebaar van ongeloof en zei:
—Maak dat je zuster wijs! Die man heet Pistasch, of ik wil hier mijn
heele leven blijven.
—Blijf hier voor mijn part nog langer, maar ga nu weer in de rij staan!
beval de cipier. Je mag van geluk spreken, dat je hier nog nooit
geweest bent, en dat je nog niet weet, hoe de voorschriften luiden,
anders kwam je er zeker zoo gemakkelijk niet af.
Mopperend en in zich zelf foeterend hernam No. 19 zijn plaats in de
rij, nu en dan een woedenden blik op Raffles werpend, die tijdens dit
korte incident merkwaardig kalm was gebleven.
De duisternis was gevallen, en door de smalle reep matglas hoog boven
de deur van de cel van Raffles viel een schemerachtig licht, afkomstig
van de electrische lamp die aan de buitenzijde voor dat glas was
geplaatst.
Het was echter ruimschoots voldoende om er desnoods bij te kunnen
lezen.
Nog een uur zou dit licht blijven branden, en dan werden alle lampen op
de gaanderij boven de celdeuren tegelijkertijd uitgedraaid, op vier na,
een op iederen hoek van de gaanderij die langs de vier wanden van het
trappenhuis liep.
Om het half uur zou een ronde gedaan worden en zouden de deuren worden
geïnspecteerd, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.
Raffles had juist zijn avondmaal genuttigd en luisterde aandachtig.
Toen alles volkomen stil bleef, stak hij de hand in zijn zak; men had
hem voorloopig zijn eigen kleederen nog laten behouden, welke hij
echter tegen het boevenpak zou moeten verruilen, zoodra zijn zaak was
berecht, en haalde er een zeer klein stukje papier uit, dat om een hard
voorwerp gewikkeld was.
Het voorwerp was een kleine, maar zeer sterke en voortreffelijke vijl!
Raffles trad met het briefje zoo dicht mogelijk naar de deur, en
mompelde in zich zelf:
—Die beste Charly! Welk een voortreffelijke inval was dat van hem. Het
is juist iets voor hem om zoo iets uit te denken en ten uitvoer te
brengen.
Hij vervulde de rol van den dronkaard werkelijk uitnemend! Het is
echter maar gelukkig, dat geen van de cipiers Spaansch bleek te kennen,
anders hadden zij wel aanstonds begrepen, dat Charly een geheime taal
gebruikte toen hij zich zoogenaamd op mij wierp om mij tersluiks dit en
nog eenige andere kostbare voorwerpjes toe te steken.
En nu las Raffles nogmaals het korte briefje, hetwelk Charly met
weergalooze behendigheid tijdens de zoogenaamde kloppartij in zijn zak
had laten glijden.
Het luidde als volgt:
„Beste Edward!
Vijl vannacht met dit voorwerp de spijlen van je cel door, en maak
met behulp van bijgaande naald en draad het een of ander, waaraan
je je kunt laten zakken. Je cel is gelukkig aan de buitenzijde van
de gevangenis, en je hebt niets anders te doen, dan een plein over
te snellen en over den buitenmuur te klimmen. Henderson zal op
wacht staan, want ik kom pas morgen vrij, als zij tenminste geen
argwaan koesteren! Hij zal den bewaker in het oog houden, die daar
den geheelen nacht schildert en je met zijn zaklantaarn een sein
geven, als je je veilig kunt laten zakken. Tot wederziens! Je
vriend Charly.”
Raffles begon met het briefje in kleine snippers te scheuren, en het op
te kauwen.
Er mocht geen spoor overblijven van eenige daad, welke zijn vriend in
gevaar zou kunnen brengen, wegens medeplichtigheid aan de ontsnapping
te worden vastgehouden.
Om negen uur werd het licht uit gedaan.
Raffles had eenigen tijd noodig, om aan de duisternis te wennen, en
dien tijd bracht hij door op zijn brits, want hij wist, dat de cipier
over een kwartier door den judas zou komen kijken of zijn gevangenen
wel sliepen.
Dit gebeurde ook nu, maar nadat het stalen luikje weder was
dichtgeschoven, sprong Raffles weder overeind, wierp de wollen deken
van zich af, en begon met behulp van het geldstuk, hetwelk zich
eveneens in het papiertje had bevonden, voorzichtig de schroeven los te
draaien, welke de ijzeren tafel in den vloer bevestigd hielden.
Het was een lastig werkje, maar eindelijk slaagde hij er toch in.
Hij trok nu de tafel tot onder het celvenster, sprong er op en kon nu
vrij gemakkelijk de onderzijde van de tralies bereiken.
En nu begon een moeilijke, tijdroovende arbeid.
Het staal van de vijl maakte een keep in het ijzer van de tralies, die
slechts langzaam grooter werd.
Het duurde een vol uur vóór hij een der tralies zoo goed als geheel had
doorgevijld—en daar het gat nu nog niet groot genoeg was, moest hij nog
zulk een ijzeren staaf doorvijlen, waarmede een tweede uur gemoeid was.
En twee malen was hij gedurende dien tijd genoodzaakt geweest, vlug van
de tafel te wippen, deze op haar plaats te trekken, en op zijn brits te
gaan liggen, want hij had de sluipende schreden van een cipier gehoord,
en tweemaal het terzijde schuiven van het judasluikje.
Zijn lichaam was pijnlijk door het moeilijke staan en de inspanning van
het vijlen, waarbij hij de handen op gelijke hoogte van het hoofd moest
houden, en hij rustte dus eenigen tijd uit.
Hij zat echter niet stil, maar ontdeed de matras in zijn krib van het
overtreksel, dat van sterk linnen was gemaakt.
Met een klein nagelschaartje—eveneens een zeer nuttig geschenk van
Charly Brand—begon hij dit overtrek in reepen van ongeveer een
decimeter breedte te knippen, waarop hij deze reepen met behulp van
naald en draad, en na ze in vieren te hebben opgevouwen, tot een soort
touw samen naaide.
Het was een heel werkje, want Raffles had het nog niet ver gebracht in
het hanteeren van kleermakersgereedschap, maar toen er nogmaals een uur
verloopen was, lag er aan zijn voeten een linnen koord, sterk genoeg om
zijn gewicht te dragen, en dat zeker ook wel lang genoeg zou zijn, daar
zijn cel zich op de tweede verdieping bevond.
Naar zijn schatting kon het ongeveer één uur in den nacht zijn,
misschien half twee, toen hij het uiteinde van het linnen koord aan een
der nog vastzittende tralies bond en zijn ontvluchting waagde.
Hij boog de beide doorgezaagde tralies met kracht omhoog, en hield het
koord in de hand, om het aanstonds naar beneden te kunnen werpen.
Hij keek strak naar den tegenover liggenden muur, op ongeveer 30 meter
afstand van den achtergevel van het gevangenisgebouw staande, en
wachtte op het sein van Henderson.
Het scheen hem een eindelooze tijd te duren, maar eensklaps flikkerde
er een kortstondig lichtschijnsel door den nacht—het sein!
Raffles aarzelde geen oogenblik, maar wierp het touw naar buiten, kroop
door de opening en liet zich zakken......
Het linnen koord kraakte vervaarlijk, en toen Raffles met de voeten nog
een paar meter van den grond was, brak het!
Raffles kwam met een tamelijk luiden slag op de steenen neder, maar hij
wachtte niet af, of men hem soms gehoord had, en snelde vlug als een
hert over de open strook, die hem van den ringmuur scheidde.
Deze muur was drie meter hoog, en nu pas besefte Raffles, dat het
moeilijkste deel van zijn taak eigenlijk nog verricht moest worden.
Maar plotseling zag hij een hoofd boven dien muur uitsteken—en een
hand, die hem wenkte.
Dat hoofd en die hand behoorden aan Henderson, den trouwen reus!
Raffles snelde voort, en zag nu, dat Henderson half over den muur
gebogen lag en in beide handen de uiteinden van een korte touwladder
vasthield.
—Haast u, mylord! fluisterde de brave kerel, toen Raffles den ondersten
sport greep. De cipier keert dadelijk op zijn schreden terug en dan zal
hij het koord zien.
Henderson had gelijk, want nog had Raffles de helft van den weg niet
afgelegd, of er klonk een luide kreet door den nacht, het krachtige
licht van een electrische lantaarn flitste, en een stem riep:
—Halt! Halt, of ik schiet!
—De raad is goed bedoeld, zeide Raffles half luid. Maar ik zal hem niet
opvolgen.
En vlug als een haas klauterde hij tegen de ladder op, terwijl
Henderson hem tegelijkertijd met reuzenkrachten naar zich toe trok, als
woog hij niet zwaarder dan een kind!
Een schot kraakte en een kogel sloeg te pletter tegen den muur en
schampte het been van den vluchteling.
Nog een schot klonk—maar toen kon de kogel slechts den muur treffen,
want de vluchteling verdween juist op dat oogenblik over den muur.
Er werd onmiddellijk alarm gemaakt, auto’s stoven naar alle zijden, de
politieposten werden alle telefonisch gewaarschuwd, men zond
telegrammen naar alle mogelijke havens van Amerika,—alles volkomen
nutteloos, want ieder spoor van den vluchteling scheen volkomen te zijn
uitgewischt.
HOOFDSTUK V.
CHESTERTON EN CHESTERTON.
Er waren twee dagen verloopen sedert de zoo welgeslaagde ontvluchting
van den Grooten Onbekende.
Op een laten middag zaten de drie onafscheidelijken bijeen in een klein
vertrek van een eenvoudig logement in Hoboken, een voorstad van
New-York en een der reusachtigste arbeiderswijken ter wereld.
Charly was juist twee uur geleden uit zijn arrestatie ontslagen, en had
in handen van den directeur der gevangenis de plechtige belofte
afgelegd, dat hij zich niet alleen nimmer meer zou vergrijpen aan de
heiligheid van het gewapend gezag, belichaamd in een politie-agent,
maar dat hij ook nooit meer een druppel sterken drank zou gebruiken.
Hij werd opgewacht door Henderson, die hem aanstonds naar zijn meester
voerde.
Charly weende tranen van ontroering, toen hij Raffles weder de hand
drukte, en zelfs op het gelaat van den Grooten Onbekende was een
aandoening te bespeuren, welke hij vruchteloos trachtte te verbergen.
Het behoeft nauwelijks gezegd, dat Raffles zich aanstonds met de
grootste zorgvuldigheid ontdaan had van alles, wat hem op Chesterton
deed gelijken.
De drie metgezellen spraken eenigen tijd over hun jongste avontuur, en
daarop maakte Charly de opmerking:
—Nu zullen wij toch zeker zoo spoedig mogelijk beenen maken? Wij
verlaten toch, hoop ik, nog vannacht deze stad?
—Heb je zoo’n haast, Charly? vroeg Raffles glimlachend.
—Vraag je dat nog? zei Charly. Ik zal niet gerust zijn, vóór ik weder
in den „Duivel der Lucht” zit! Het mag als een paradox klinken, maar ik
zal mij het veiligst gevoelen als ik een vierduizend meter of zoo boven
den beganen grond zweef!
—Dat vermaak zul je morgen kunnen genieten, mijn jongen!
—Maar waarom niet vannacht? drong Charly aan.
—Omdat wij vannacht nog iets hebben te verrichtten, wat geen uitstel
kan dulden!
—Maar wat dan, behalve dat wij het millioen gaan halen? vroeg Charly
ongerust.
—Wij moeten den ontsnapten Chesterton weder naar de gevangenis terug
brengen.
Charly greep naar zijn hoofd en stamelde:
—Wat is dat nu? Chesterton heeft geen voet in de gevangenis gezet!
—Je hebt gelijk—ik bedoel dan ook John Raffles, alias Chesterton!
Charly keek Raffles met groote oogen aan en stotterde:
—Ik begrijp volstrekt niet, waar je heen wilt! Wat bedoel je eigenlijk?
Wat wil je van Chesterton?
—Ik wil wraak op hem nemen! antwoordde Raffles eenvoudig. De man heeft
zich tegenover mij op een zeer onheusche wijze gedragen, om het nu maar
eens beleefd uit te drukken. Hij schijnt het woord „dankbaarheid” niet
in zijn woordenboek te hebben—ik zal hem bewijzen, dat het woord
„vergelding” in het mijne wel degelijk voorkomt!
Charly had hoofdschuddend toegeluisterd en zeide toen op zachten toon: