LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 302 CHESTERTON EN CHESTERTON.
CHESTERTON EN CHESTERTON.
HOOFDSTUK I.
TOEBEREIDSELEN TOT VERTREK.
Het was op een laten Octoberdag, en de regen stroomde tegen den vroegen
morgen onophoudelijk neder uit een loodgrijzen nevel, voor het eerst
sedert vele weken.
De haven van New-York, druk als steeds, bood niettemin een
troosteloozen aanblik, want alles was smerig, groezelig en nat!
Onder luid lawaai voeren de sleepbooten heen en weder, de kettingen van
de reusachtige lieren knarsten oorverscheurend, het geschreeuw van de
sjouwende kadewerkers vulde de lucht, en overal klonk het gillend
gefluit van de stoombooten, die in alle richtingen de haven bevoeren.
In een klein kamertje van een matrozenlogement aan het einde der kade,
dicht bij de Brooklyn Bridge, zaten omstreeks twee uur in den nacht
twee mannen bijeen.
De één droeg een eenvoudig colbertcostuum, de andere was, naar het
uiterlijk te oordeelen, een chauffeur.
De man in het colbert was breed geschouderd, en zijn kolossale handen,
diepgewelfde borstkas en gespierde hals wezen op een meer dan
buitengewone lichaamskracht.
Bij hem vergeleken, was zijn metgezel klein en tenger te noemen,
ofschoon diens vlugge bewegingen verrieden, dat hij veel aan sport
deed, en in geval van nood zijn man zou kunnen staan.
Het vertrek, waarin de twee mannen gezeten waren, ieder aan een kant
van de kleine tafel, was slechts door een petroleumlamp verlicht.
Het leek of de twee mannen geruimen tijd zwijgend tegenover elkander
hadden gezeten.
Maar nu stak de kleinste een sigaret op en begon:
—Wij zullen nog een uur wachten, Henderson, ofschoon Mylord gezegd
heeft, dat wij ons dadelijk ter ruste konden begeven, omdat nu alle
gevaar geweken is.
—Daar ben ik nog zoo zeker niet van, mijnheer Brand! zeide de reus
tegenover hem. Als ge mijn meening wilt hooren, dan zeg ik, dat wij
maar hoe eerder hoe liever weder met de vliegmachine van Mylord den
Oceaan moesten oversteken, en naar Londen terugkeeren! Ik weet wel, dat
het avontuurlijk leven van Mylord niet zonder gevaren is, maar met uw
welnemen, mijnheer Brand,—hier in New-York is hij zijn leven geen
oogenblik zeker.
—Dat was zeker zoo het geval, Henderson, maar nu de Moloch eindelijk
door toedoen van Mylord gearresteerd is en waarschijnlijk regelrecht
naar den electrischen stoel zal marcheeren—nu behoeven wij geen vrees
meer te koesteren—de Bende van Het Kwade Oog, waarvan die Buster Finn
de chef was, is nu uitgeroeid, wees daar maar zeker van!
—Maar waarom is Mylord nu eigenlijk niet aanstonds met ons mede gegaan?
vroeg Henderson, ik zal toch niet gerust zijn, vóór wij weder goed en
wel aan boord van den „Duivel der Lucht” zijn.
—Daarvoor had hij zijn bijzondere reden, Henderson, en die moeten wij
te allen tijde eerbiedigen.
De twee mannen, tusschen wie dit gesprek gevoerd werd, heetten Charly
Brand en James Henderson.
De eerste was de trouwe vriend, de tweede was de toegedane chauffeur
van Lord Lister, alias John Raffles, den Londenschen
gentleman-inbreker, op wiens aanhouding nog steeds een prijs van
duizend pond was gesteld, en die zich omstreeks zes weken geleden met
de beide mannen aan boord van zijn wonderlijke vliegmachine naar
Amerika had begeven.
Zijn zucht naar avonturen had hem namelijk naar New-York gelokt, want
hij wist, dat hij er daar in overvloed zou kunnen vinden op dat
oogenblik.
New-York werd op dit tijdstip bezocht door een ware plaag, in den vorm
van tallooze aanrandingen, moorden en diefstallen, ontvoeringen en
afdreigingen, gepleegd door een toen pas gestichte
misdadigersbende—„Het Kwade Oog” geheeten.
Die bende stond onder het bevel van een geheimzinnig personage, door
geen der leden bekend.
Niemand hunner had hem ooit gezien, niemand wist zijn naam, niemand zou
hem kunnen beschrijven!
En toch regeerde deze man onzichtbaar, maar met een ijzeren vuist, de
bloeddorstige bende, waarvan personen uit alle lagen der maatschappij
lid waren—kellners zoowel als leeraren, kadewerkers zoo goed als
geneesheeren!
Geruimen tijd had deze bende ongestraft de bevolking kunnen
terroriseeren, totdat John Raffles er zich mede bemoeide!
Toen werd het een strijd op leven en dood tusschen den Grooten
Onbekende en zijn trouwe metgezellen aan den eenen kant en de bende van
Het Kwade Oog aan den anderen.
Het duurde niet lang, of de gentleman-inbreker, voor een oogenblik
helper en vriend van de politie, had een groot aantal bandieten en
aanvoerders in handen van de politie weten te brengen.
Nog frisch in het geheugen van alle New-Yorkers lag de zaak van Peter
Vandyke, den multimillionnair en staalkoning, wien de bandieten niet
minder dan vijf millioen dollar hadden willen afzetten.
Raffles had dit voorkomen—maar hij vond een millioen niet te weinig als
betaling voor zijn moeite, en voor de redding van Vandyke’s dochter
Cissy uit de klauwen van een Chinees, die lid van de bende was.
Nu eens wist deze, dan weer de andere partij een punt te behalen, in
den loop van een reeks avonturen, welke de gentleman-inbreker steeds
als zijn meest spannende ervaringen zal beschouwen, met uitzondering
misschien van het „Avontuur van de gouden Spin” en dat van het Duitsche
„Kaperschip der Lucht”!
Maar ten slotte was de overwinning aan John Raffles gebleven!
Hij had een zekeren Chesterton in den arm genomen, een rijken vriend
van Peter Vandyke, en hem voorgesteld, tijdelijk zijn plaats in te
nemen, terwijl Chesterton zelf gedurende een week New-York zou
verlaten, en zich zoo goed mogelijk zou verbergen.
Onder het uiterlijk van Richard Chesterton wilde Raffles trachten, het
spoor van den Moloch te vinden—en dat was hem ook gelukt, dank zij de
groote schranderheid en het onfeilbaar instinct van Busto, zijn
Ierschen terrier.
Weliswaar had de echte Chesterton zich niet dan met tegenzin geschikt
in de rol, die hem door John Raffles was opgedrongen, maar hij kon niet
anders doen dan zich gewonnen geven, daar Raffles argumenten gebruikt
had, die moeilijk waren te weerstaan.
Zoo had het einde het werk bekroond, en de politie had den
geheimzinnigen aanvoerder van de bende van „Het Kwade Oog”, te midden
van een tiental zijner adjudanten, kunnen arresteeren.
Raffles had zelf gezorgd, dat aan de identiteit van den gearresteerden
bandiet geen seconde kon worden getwijfeld, door hem dienzelfden avond
tijdens een diner ten huize van Peter Vandyke, zoogenaamd bij ongeluk,
een kleine snijwond aan de hand toe te brengen.
Een oogenblik meende de politie, dat de gewaande Chesterton, die haar
op het spoor had gebracht, zich moest vergissen, want als dat niet zoo
was, dan zou er iets ongehoords hebben plaats gevonden—dan zou niemand
minder dan een neef van Peter Vandyke, Buster Finn geheeten, de
geheimzinnige aanvoerder van de moordenaarsbende zijn!
En dit klonk te ongelooflijker, daar Finn in de kringen, waar hij
verkeerde, bekend stond als een modegek, die niet heelemaal bij zijn
verstand was.
Toch zorgde de politie er wel voor, dat de man, dien zij gearresteerd
had, veilig achter slot en grendel werd geborgen!
Het nader onderzoek moest dan maar uitwijzen, dat Chesterton zich
vergist had!
Dat alles was geschied in den avond van den nacht, welke Charly en
Henderson bijeen vond in de kleine kamer van het matrozenlogement,
hetwelk zij op verzoek van Raffles betrokken hadden.
—Als Mylord het niet was, mijnheer Brand, die den chef van de bende
ontdekt had, zeide Henderson, dan zou ik nooit kunnen gelooven, dat die
onnoozele sukkel met zijn pafferig, bleek gelaat en zijn
schelvischoogen, aan het hoofd stond van zulk een vreeselijke bende! Ik
zou hem eerder hebben aangezien voor een August den Domme uit een
paardenspel.
Charly Brand lachte zachtjes vóór zich heen en hernam:
—De booswicht neemt soms zonderlinge vormen aan, James! Bedenk eens,
dat er onder de gearresteerde leden een professor in de wijsbegeerte,
een paar bankiers van naam en een dagblad-hoofdredacteur waren! Niemand
zou ook maar een oogenblik hebben kunnen gelooven, dat die menschen van
zulk een bende lid konden zijn—en toch was het zoo!
—Wat zal men nu met hem doen? vroeg Henderson.
—O, zijn lot is bezegeld! Als de bewijzen maar kloppen, dan gaat hij
zeker naar den electrischen stoel, want de bloedige misdaden, welke hij
op zijn geweten heeft, zijn talloos.
Juist had Charly dit gezegd, toen er buiten op straat gefloten werd.
Het waren de eerste maten van een Schotsch volksdeuntje, met een
eigenaardig rythme.
De twee mannen waren tegelijkertijd opgesprongen, en keken elkander
aan.
—Dat moet Mylord zijn! fluisterde Henderson.
In plaats van te antwoorden, trad Charly op het venster toe en trok het
gerafelde rolgordijn op.
Aan de overzijde van de smalle straat stond een man onbewegelijk stil.
Hij droeg een overjas met een breeden, thans opgezetten kraag, waarin
bijna zijn geheel gelaat schuil ging, terwijl hij den rand van zijn
slappen vilthoed diep in de oogen had getrokken.
Maar Charly herkende de kleederen onmiddellijk—hij had ze nog den dag
te voren door Richard Chesterton, den vriend van Peter Vandyke, zien
dragen.
De man, die daar zoo onbewegelijk stil stond, moest dus John Raffles
zijn, die immers tijdelijk in de huid van den rijken New-Yorker was
getrokken!
Op een twintigtal meters afstand stond een huurauto te wachten.
Even wenkte de man daarbuiten, en Charly schoof het raam open.
De man daarbuiten haalde iets uit den zak van zijn overjas en wierp het
behendig door het open geschoven raam in de kamer.
Het was een briefje, om een kleinen steen gebonden.
Charly wuifde met de hand, ten teeken, dat de boodschap haar doel
bereikt had, waarop de man buiten even knikte, naar de auto liep en
instapte.
Even later klonk het getoeter van den hoorn door de vrijwel geheel
verlaten straat.
Charly had den steen met den brief opgenomen en maakte nu den laatsten
los, waarop hij er mede onder de lamp ging staan.
Hij doorliep den brief snel, en zeide toen op zachten toon:
—Je krijgt je zin, Henderson—wij vertrekken spoedig, luister maar wat
Mylord schrijft:
„Beste Charly!
Het oogenblik van ons vertrek nadert! Zorg dat de vliegmachine
morgennacht gereed is. Te middernacht zullen wij elkander ontmoeten
aan het noordelijk hoofd van de Brooklyn Bridge. Ik zal jelui daar
in een auto wachten, en wij rijden dan dadelijk naar de plek, waar
wij de vliegmachine opgeborgen hebben.
Chesterton blijft volgens zijne belofte nog vijf dagen weg, of
keert in ieder geval niet terug vóór ik hem waarschuw; ik heb zijn
adres. In verband met de arrestatie van Buster Finn, is het
volstrekt noodzakelijk, dat ik morgen den geheelen dag de rol van
Chesterton blijf spelen.”
Dit even korte als duidelijke briefje was met een kleine letter r
onderteekend.
HOOFDSTUK II.
EEN KINK IN DEN KABEL.
De Amerikaansche bladen stonden reeds den volgenden morgen vol van de
opzienbarende arrestatie van den neef van Peter Vandyke, Buster Finn.
Het bericht leek velen zoo bespottelijk, dat zij aan een flauwe grap
dachten en hun lezers waarschuwden, er niet al te veel geloof aan te
hechten.
De meeste bladen echter gaven de zaak op echt Amerikaansche wijze weer.
Zij wisten, dat het op sensatie beluste publiek verlangde naar een
dergelijk bericht, en besteedde bijna een geheele voorpagina aan de
zaak, verlucht met al of niet authentieke portretten van Buster Finn,
Peter Vandyke en zijn dochter Cissy, van haar verloofde, den inspecteur
van politie Theodor Flannagan, en niet te vergeten van Richard
Chesterton, den man, die met buitengewone schranderheid het raadsel van
den Moloch had weten te doorgronden.
Er waren bladen, die den spot dreven met de politie en de vraag stelden
of men er wellicht niet beter aan zou doen, het zoeken naar misdadigers
over te laten aan amateurs, daar dezen blijkbaar beter hiervoor
geschikt waren dan de beroepsspeurders.
De geheele levensloop van Buster Finn werd vermeld en tot in de
kleinste bijzonderheden uitgeplozen—en wat de verslaggevers niet zeker
wisten, of niet konden uitvinden—dat fantaseerden ze er maar bij!
Maar in alle verhalen kwam een gevoel van groote opluchting aan den dag
dat er nu ten slotte een einde was gemaakt aan het bestaan van de
gevaarlijke bende, die maanden lang de geheele reuzenstad vergiftigd
had.
Een aantal bladen bracht ook het aandeel ter sprake, hetwelk John
Raffles, de geheimzinnige gentleman-inbreker, in de arrestatie van een
groot aantal bendeleden gehad had, maar men vond dat hetgeen hij gedaan
had toch geheel in het niet zonk bij de verrichtingen van Richard
Chesterton, die met ongelooflijk doorzicht en wonderbaarlijke
schranderheid het geheele komplot ten slotte had blootgelegd.
Er waren slechts een paar bladen, hoofdzakelijk linksche organen, die
uit principe niets konden goedkeuren, wat „een lid van de
aristocratische bende” had verricht, die lastige vragen stelde!
Zij wilden bijvoorbeeld weten, hoe Chesterton aan al zijn wijsheid
kwam, waar hij plotseling den hond vandaan had gehaald die hem zulke
groote diensten had bewezen, hoe het kwam dat men vroeger nooit van
zijn bekwaamheden als amateur detective had gehoord. En meer indiscrete
dingen.
Hun stem ging echter geheel verloren in het koor van loftuitingen aan
het adres van den schranderen Chesterton.
In lange jaren was er in geheel Amerika niets voorgevallen, hetgeen
zooveel opzien baarde als de ontdekking dat Buster Finn, de neef van
Peter Vandyke, de man die niet geheel en al voor vol werd aangezien, de
lang gezochte Moloch was!
Raffles las een groot deel van deze verhalen in een zeer fraai
gemeubeld vertrek in een huis van de Twintigste straat, hetwelk
toebehoorde aan Richard Chesterton.
Hij ontving van den grijzen bediende, Henry, een geheelen stapel
ochtendbladen, en las die nu een voor een met alle aandacht.
Nu en dan liep er een glimlach over zijn gelaat en soms ook fronste hij
de wenkbrauwen.
Eindelijk had hij ook het laatste blad doorgelezen, rekte zich uit, en
zeide voor zich heen:
—Als de echte Chesterton hier te New-York terugkeert, zal hij worden
verafgood! Ik ben blij dat ik mijn rol spoedig ten einde zal hebben
gespeeld, want ik voorzie voor dien heer zeer drukke dagen!
Hij stond op, stak een sigaret aan en begon met groote schreden, juist
zooals Richard Chesterton placht te loopen als hij ergens over nadacht,
het vertrek op en neer te schrijden, met de handen op den rug, en het
hoofd een weinig gebogen.
—Het is noodig, dat ik vandaag nog den geheelen dag als Richard
Chesterton blijf rondloopen. Ten eerste zal de politie mij wel noodig
hebben tot nadere verklaring en ten tweede is het niet geheel en al
onmogelijk in deze vermomming nog een goeden slag te slaan, bij wijze
van souvenir aan het gastvrije Amerika.
Raffles bleek goed te hebben gezien, want een kwartier later werd hij
per telefoon uitgenoodigd op het politiebureau te komen, ten einde daar
eenige toelichtingen te geven omtrent de wijze waarop hij den Moloch op
het spoor was gekomen.
In het bureau van den hoofdcommissaris vond hij reeds den inspecteur
Theodor Flannagan, die met Richard Chesterton nauw bevriend was, en
wien hij den avond te voren zijn vermoedens het eerst had medegedeeld.
De jonge inspecteur drukte den man dien hij voor zijn vriend aanzag
krachtig de hand en zeide op hartelijken toon:
—Ik wensch je van harte geluk, Richard, en ik verzeker je dat ik
volstrekt geen naijver gevoel! Je hebt een kranig stuk werk verricht,
en er is maar een ding dat mij spijt: dat je niet tot het politiekorps
bent toegetreden.
Raffles had glimlachend geluisterd en zeide nu:
—Het toeval is mij gunstig geweest, Theo, dat is alles.
—Maar hoe ben je voor den drommel op het spoor gekomen? riep Flannagan
verwonderd uit—en hoe zit dat toch met dien hond? Ik lees in de
politieverslagen, dat je op het laatst een kaalgeschoren terrier hebt
gebruikt; hoe kwam je daaraan?
—Die behoorde aan een der beide mannen die mij behulpzaam zijn geweest,
loog Raffles voor de vuist weg.
—Maar wie waren dan die mannen? vervolgde Flannagan. Wisten die iets
van je ontdekkingen?
—Het waren leden van de bende die zich verongelijkt achtten en wraak
wilden nemen!
—Maar waar zijn zij zoo eensklaps gebleven, mijnheer Chesterton? vroeg
nu de hoofdcommissaris, die nog niet gesproken had.
Raffles verborg met moeite een glimlach.
Hij zelf was het geweest die den vorigen avond, zoodra de agenten op
het spoor van den Moloch waren, kalmpjes rechtsomkeer had gemaakt met
Henderson en Charly opdat die twee mannen niet in moeilijkheden zouden
geraken.
Langs zijn neus weg antwoordde hij:
—Ik vermoed dat die twee lieden er de voorkeur aan hebben gegeven, niet
af te wachten of de politie hun straffeloosheid zou waarborgen wegens
hun verraad aan de bende!
—Maar wij moeten hen terug vinden, riep Flannagan opgewonden uit, die
mannen kunnen ons kostbare inlichtingen en bewijzen leveren! Weet je
niet waar ze zich ophouden?
Raffles haalde de schouders op.
—Zij zijn hard weggeloopen, zoodra de laatste in het onderaardsche
dievenhol was afgehaald en zij waren reeds lang uit het gezicht voor ik
hen kon weerhouden; hun woonplaats heb ik nooit geweten.
—Maar hoe heb je hen ontdekt? Waarom hebben die twee schurken zich tot
jou gewend en niet rechtstreeks tot de politie.
Dit was nu een vrij listige vraag en Raffles dacht juist vliegensvlug
over een goed antwoord na, toen hem de moeite hiervan gespaard werd
doordat de deur van het vertrek geopend werd en er twee personen
binnentraden, bij wier aanschouwing Raffles groote moeite had een
beweging van verrassing te onderdrukken.
Want daar vlak voor zich, op nauwelijks vier meter van hem vandaan,
stond een man, dien hij te Londen onder zijn grootste vijanden moest
rangschikken.
Die man was James Sullivan, een der beste detectives van Scotland-Yard
en misschien wel de beste.
Daar stond de man, die het zich tot levenstaak had gesteld, den grooten
onbekenden te arresteeren en die daarin reeds tweemaal bijna geslaagd
was!
En naast hem stond het jonge meisje, de vrouwelijke detective Dorrit
Evans, zijn medewerkster en leerlinge!
Ook met haar had Raffles reeds eenige malen moeten strijden en hij had
in dit jonge meisje met haar groote bruine oogen en haar energieke
gelaatstrekken een tegenstandster gevonden wier kracht niet te
onderschatten viel!
Maar Raffles was er de man niet naar, langer dan een seconde verrast te
zijn, zelfs niet door de onverwachte verschijning van twee Londensche
detectives op deze plek!
Hij hield alleen rekening met het feit, dat James Sullivan, zijn
gevaarlijke tegenstander, voor hem stond, zoo dicht bij, dat hij hem
bijna zou kunnen aanraken—hoe hij daar kwam—dat deed er minder toe!
Maar reeds stelde Flannagan de beide mannen aan elkander voor.
—Mijnheer James Sullivan, een der beste speurneuzen der Londensche
politie, en zijn veelbelovende leerlinge, miss Dorrit Evans—mijn vriend
Richard Chesterton, die zooveel heeft bijgedragen tot de arrestatie van
den Moloch!
De twee mannen bogen voor elkander en Dorrit stak Raffles vrijmoedig de
hand toe.
—Het doet mij genoegen, mijnheer Chesterton, dat ik kennis maak met een
man, die zoo schrander en ondernemend is opgetreden ofschoon hij niet
tot ons gilde behoort. Ik hoop dat gij ons later eens in bijzonderheden
zult uiteenzetten hoe gij wel het spoor van den Moloch ontdekt hebt.
—Ik zal het niet nalaten, Miss, antwoordde Raffles met een fijn
glimlachje.
De griffier van den hoofdcommissaris had die antwoorden van Raffles
nauwkeurig opgeteekend en daarop vervolgde deze functionaris:
—Men heeft mij medegedeeld, mijnheer Chesterton, dat gij gisteren
tijdens het diner ten huize van Peter Vandyke, dien Buster Finn met
opzet een kleine snijwonde hebt toegebracht. Stemt dat met de waarheid?
—Ja, dit is inderdaad het geval!
—Gij moet dus toen reeds argwaan jegens hem gekoesterd hebben?
—Ja!
—Wilt gij ons eens zeggen, waarop die argwaan eigenlijk berustte? ging
de hoofdcommissaris voort.
Raffles aarzelde een oogenblik.
Hij begreep, dat hij zich op eenigszins glibberig terrein bevond,
vooral omdat hij niet altijd den tijd had gevonden zich in de rol van
Chesterton in te werken.
Hij kende slechts weinig diens vrienden en gewoonten, en mocht zich in
geen geval bloot geven, vooral niet in tegenwoordigheid van den man,
die Chesterton zoo intiem kende.
Hij zeide dus, zonder zich al te lang te bedenken:
—Mijn vermoedens berustten hoofdzakelijk op een soort instinct! Toch
waren er ook authentieke gegevens! Als gij het goed vindt, zal ik die
voor u op schrift stellen en u er morgen een soort rapport van
overleggen.
—Dat is uitstekend, mijnheer Chesterton! kwam de hoofdcommissaris van
politie. Ik wil ook niet langer van uw kostbaren tijd misbruik maken,
dan volstrekt noodzakelijk is.
Raffles maakte een buiging, blijkbaar om aan te toonen, dat hij het
gesprek als geëindigd beschouwde, maar alvorens hij vertrok wendde hij
zich tot Sullivan en Miss Evans en vroeg op belangstellenden toon:
—Gij komt waarschijnlijk om een studie te maken van dit opzienbarende
geval? Maar hoe kan ik zoo dom vragen—gij moet reeds minstens een week
geleden uit Engeland vertrokken zijn, en toen was er van de arrestatie
van den Moloch nog geen sprake!
—Toch zijn wij voor een deel wel degelijk hierheen gekomen, in de hoop
de onderzoekingen van de New-Yorker politie te mogen volgen! Maar wij
willen er geen geheim van maken, dat het ons in de eerste plaats te
doen is om—John Raffles.
—Wat? Wilt gij hem hervatten? riep de gewaande Chesterton verbaasd uit.
Dat moogt gij immers niet als Londensche detectives. Al zoudt gij hem
vatten dan zoudt gij hem slechts met list kunnen terug brengen naar
Engeland, want Amerika zou hem u niet uitleveren.
—Wat dat laatste betreft vergist gij u, antwoordde Sullivan
glimlachend. Dezer dagen is juist het uitleveringstractaat afgesloten,
dat mag ik nu wel zeggen, zonder een geheim te schenden. Maar wat het
eerste betreft hebt gij gelijk—wij zouden hem hier op Amerikaansch
grondgebied niet mogen arresteeren. Maar—Raffles moet toch vroeg of
laat naar Londen terugkeeren, waar hij verblijf houdt—en als hij met
een Engelsch schip gaat, waarop 99 van de 100 kansen zijn, dan mogen
wij, natuurlijk verondersteld, dat wij zijn spoor vinden, hem aan boord
van het schip gevangen nemen, daar het zoo goed als Engelsch
grondgebied is.
—Gij hebt gelijk! hernam Raffles. Nu, hij mag zich voor u in acht
nemen, die John Raffles! En nu mijne heeren, wensch ik u goeden dag—ik
heb vandaag nog zeer veel te doen.
Raffles boog gracieus naar alle zijden en verdween na Flannagan de hand
te hebben gedrukt.
Hij verliet het politiebureau en begaf zich naar het huis van
Chesterton, niet evenwel om een rapport op te maken, waaraan hij geen
seconde dacht, maar om op zijn gemak een of ander plan te bedenken, om
dezen laatsten avond en nacht nog winstgevend te maken.
Omstreeks half zes meende hij iets gevonden te hebben en hij begaf zich
daarom met een vergenoegd gezicht aan tafel, teneinde geheel alleen het
voortreffelijk bereide maal te verorberen.
—Die kok van mijn dubbelganger is een uitnemend personage! bromde hij
voor zich heen. Als het niet wat lastig was, zou ik den man schaken, en
hem naar Londen overbrengen, maar dat zal zijn bezwaren medebrengen.
Het is wel jammer, dat men een goeden kok niet even gemakkelijk kan
medenemen als een pakje bankbiljetten.
Omstreeks 8 uur was de maaltijd afgeloopen en Raffles begaf zich naar
de werkkamer van Chesterton, teneinde daar nog haastig een en ander na
te snuffelen hetwelk hem bij zijn plannen voor dien avond dienstig kon
zijn.
Om negen uur omstreeks werd hij uit de lezing van een paar brieven
opgeschrikt, doordat de deur haastig geopend werd.
Raffles zag op.
Op den drempel stond Richard Chesterton in eigen persoon!
HOOFDSTUK III.
EEN GESPREK EN EEN ARRESTATIE.
Chesterton was snel binnengetreden en had bijna tegelijkertijd op den
knop van een electrische schel naast de deur gedrukt.
Hij deed dat met de linkerhand en in de rechter hield hij een revolver
op hem gericht.
Hij keek Raffles met een kouden blik aan, die half uit zijn stoel was
opgerezen, maar nu rustig weder ging zitten en zeide op gedempten toon:
—Ik wist niet dat gij de onbeschaamdheid zoo ver zou drijven, nu nog
hier zijn! Ik zou u den raad willen geven u niet te bewegen!
—Ik denk er niet aan, mijn waarde heer, zeide Raffles kalm.
—Dat is verstandig van u, want zooals gij ziet ben ik gewapend—en gij
hebt niet zooals den laatsten keer toen wij hier zaten, de patronen uit
mijn revolver kunnen nemen.
Op dit oogenblik ging de deur achter hem open en Henry, de oude
bediende, trad binnen.
Hij werd zoo wit als krijt, en begon over al zijn leden te beven, toen
hij daar de beide dubbelgangers zag.
Zonder zich om te wenden, beval Chesterton:
—De telefoon in de vestibule werkt toch, Henry?
—Zeker mijnheer! antwoordde de oude man sidderend, niet wetend, wat hij
van deze comedie moest denken.
—Ga dadelijk naar beneden, bel het hoofdbureau van politie op en vraag
of inspecteur Flannagan hier komt met een paar man—maar stevige en
slimme lieden! Zeg, dat ik het vraag en dat het voor een hoogst
gewichtige zaak is.
De bediende knikte snel achter elkaar met open mond en ijlde weg om het
bevel te gaan uitvoeren.
Chesterton kwam langzaam naar voren, de revolver steeds op Raffles
gevestigd en nam tenslotte plaats op een gemakkelijken stoel, op
ongeveer 3 meter van zijn dubbelganger.
Hij keek Raffles strak aan en begon toen weder:
—Verwondert het u niet een weinig, dat ik voor den afgesproken tijd ben
teruggekeerd?
—Het verwondert mij zelfs zeer sterk, mijnheer, antwoordde Raffles
koeltjes. Ik meende natuurlijk, dat die belofte was afgelegd door een
man die zijn woord houdt!
Chesterton rees half uit zijn stoel op met een grimmigen blik in zijn
oogen en terwijl een donkere blos in zijn wangen opsteeg.
Toen ging hij weder zitten en hernam op kouden toon:
—Er kunnen zich omstandigheden voordoen, mijnheer, waarin een gentleman
zich van zijn gegeven woord ontslagen mag achten!
—Voor mij bestaan dergelijke omstandigheden nooit, mijnheer Chesterton!
kwam Raffles, den blik van zijn sterke grijze oogen met een niet te
miskennen beteekenis op het gelaat van den ander vestigende.
—Dat mag zoo zijn—ik had er mijn redenen voor! kwam Chesterton kortaf.
Gij hebt mij gisteren verzocht u in mijn huid te mogen steken en ik heb
daarin toegestemd, half zwichtend voor den dwang van uw revolver, half
wegens de erkentenis, dat gij de eenige waart, die den Moloch zou
kunnen onschadelijk maken.
—Ja, ik weet wat het is! viel Raffles hem sarcastisch in de rede. Gij
hebt gedacht:
„Met dieven vangt men dieven”! en misschien ook wel „van twee kwaden
moet men het beste kiezen”.
—Zoo iets dergelijks. Kortom ik wilde u gelegenheid geven om onze stad
van een groote plaag te bevrijden en ik geloofde ook wel dat gij
daartoe in staat zou zijn. Gij ziet wel, dat ik u de volle maat
toemeet.
Hij wachtte even, om te zien welken indruk zijn woorden op Raffles
zouden maken, die evenwel rustig bleef zitten, en ging daarop voort:
—Ik ben niet ver buiten New-York gegaan—een paar uren reizens, zooals
gij weet. Daar werden dus de berichten van hedenmorgen en hedennacht
uit New-York al zeer spoedig ontvangen. Ik las ze en ik meende te
droomen! Uw zoogenaamde nasporingen hebben er dus toe geleid, om een
achtenswaardig man als Buster Finn voor den Moloch aan te zien. Gij
schijnt zelf niet te begrijpen, welk een onzinnige vergissing gij
begaan hebt. Ik van mijn kant echter, zag aanstonds in, dat hier bedrog
achter school, en dat het een nieuwe looze streek van John Raffles
moest zijn, daarom ben ik zoo spoedig ik kon weer hierheen gereisd, en
ik zou de politie zeker wel telegrafisch gewaarschuwd hebben, als ik
niet getwijfeld had, of gij nog hier waart. Ik zie echter, dat gij
werkelijk die onbeschaamdheid hebt gehad—en gij zult nu de gevolgen
moeten dragen, welke ik u zeker niet nader behoef te omschrijven.
—Die moeite kunt gij u besparen, waarde heer, antwoordde Raffles. De
Amerikanen zullen u dan wel als een Godheid vereeren. Eerst hebt gij
den Moloch ontmaskerd, waarover de ochtendbladen als in de wolken zijn,
en nu helpt gij zelfs den gevaarlijken Raffles arresteeren.
—Ik zou u raden er niet den gek mede te steken, hernam Chesterton op
dreigenden toon, want ik kan u verzekeren, dat ik geen seconde zou
aarzelen om van mijn revolver gebruik te maken bij de minste verdachte
beweging van uw kant!
—Ik herhaal u dat ik er niet aan denk, mij te bewegen, kwam Raffles
schouderophalend. Gij hebt uw revolver in de hand—de mijne zit helaas
in mijn zak—en nog wel in een achterzak. Maar gij zult mij het praten
evenwel niet beletten! En daarom wensch ik u te zeggen, dat ik de
manier, waarop gij aan uw dankbaarheid uiting geeft, al zeer vreemd
vind.
—Dankbaarheid? Jegens u? riep Chesterton vertoornd uit. Zijt gij gek
geworden?
—In het geheel niet, waarde heer! Ik ben volkomen bij mijn verstand. Ik
wil u echter doen opmerken, dat ik niet alleen een zeer gevaarlijke
moordenaarsbende, maar ook den Moloch heb vernietigd en uitgeroeid.
—Gij blijft dus bij uw dwaze bewering, dat Buster Finn en de Moloch een
en dezelfde persoon zouden zijn?
—Dat lijdt volstrekt geen twijfel! antwoordde Raffles bedaard. Gij zult
het morgen zelf zien! Dan zullen de bewijzen zich zoo om den bandiet
hebben opgehoopt, dat er geen ontsnappen meer mogelijk is! Over 14
dagen wacht de electrische stoel hem.
Chesterton keek Raffles met groote oogen aan, alsof hij meende te
droomen.
—Als dat waar was, barstte hij eindelijk uit, als dat werkelijk waar
is, dan zou ik aan mijn eigen persoonlijkheid gaan twijfelen. Ik zeide
zooeven dat Buster Finn een achtenswaardig man is, maar hij is tevens
een nul, een domkop, een sukkel en een fat. En zoo iemand zou de
aanvoerder van een bende dieven en moordenaars kunnen zijn? Gelooven
wie het wil, ik niet!
—Als het bendehoofd die karaktereigenschappen, welke gij daar zooeven
hebt opgesomd, huichelt, wel, dan is het zeer wel mogelijk! antwoordde
Raffles kalm.
Chesterton beet zich op de lippen, scheen zich nog niet gewonnen te
willen geven.
Hij wierp een schichtigen blik op de klok en hernam ten slotte:
—Ik wil een oogenblik aannemen, dat gij werkelijk de schuldige ontdekt
hebt, dat ontslaat mij dan niet van de verplichting, ook een man als
John Raffles onschadelijk te maken. Ik ben dat aan de gemeenschap
verschuldigd.
—Uw kinderlijke genegenheid ten aanzien van die gemeenschap is waarlijk
ontroerend, mijnheer Chesterton, zeide Raffles op schamperen toon.
Veroorloof mij echter, dat ik de zaak uit een eenigszins ander oogpunt
beschouw! Ik erken volmondig, dat ik een inbreker ben, en in die
hoedanigheid reusachtige sommen bijeen heb weten te krijgen, die
overigens voor een groot deel reeds weder hun bestemming hebben
bereikt, welke ik u niet wensch mede te deelen, maar die zeker uw
beroemde Gemeenschap van zooeven ten goede komt! Aan den anderen kant
echter heb ik uw stad bevrijd van een ware bezoeking, een kwaad, dat
haar ten ondergang dreigde te voeren. Een paar honderd bandieten, leden
van de Bende van het Kwade Oog, zijn uitsluitend door mijn toedoen
levenslang of voor lange jaren opgesloten, of zij vonden den dood in
gevechten met de politie, anders mijn natuurlijke vijandin! En
tenslotte wist ik den chef van die bende te overwinnen. En wat is uw
dank voor dit alles? Hoe wilt gij den man behandelen die uw kostelijke
rijkdommen, ja misschien het leven der uwen heeft beschermd en in
veiligheid heeft gebracht? Gij levert hem aan de politie uit.
Chesterton scheen te aarzelen.
Hij wierp den man, die tegenover hem zat, een weifelenden blik toe—en
wie weet wat er gevolgd zou zijn, als niet eensklaps de deur was open
geworpen en Flannagan was binnengetreden in gezelschap van Sullivan en
gevolgd door drie krachtige politieagenten, terwijl het witte hoofd van
Henry door de deuropening zichtbaar werd.
Een oogenblik stond het kleine groepje als uit steen gehouwen bij de
deur stil.
Maar daarop riep Flannagan uit:
—Wat voor den duivel heeft dit te beteekenen? Wat stelt die zonderlinge
maskerade voor, Chesterton, zoo wendde hij zich tot Raffles, die rustig
aan de tafel was blijven zitten.
—Ik ben blij, dat je komt, Flannagan, antwoordde Raffles bedaard. Die
gek daar met zijn revolver, mijn dubbelganger, is zooeven hier
binnengedrongen, en verzekert bij hoog en bij laag, dat ik John Raffles
ben. Het zou mij volstrekt niet verwonderen, als het bleek, dat hij het
zelf was.
Chesterton werd bepaald paars van woede en schreeuwde, terwijl hij met
zijn revolver zwaaide:
—Laat je niet bedriegen, Flannagan! Om ’s hemelswil, luister naar mij!
De man, die daar zit, is John Raffles!
Flannagan en Sullivan waren beiden naar Chesterton toegetreden en
zeiden op strengen toon:
—Wie gij ook zijn moogt—doe in ieder geval onmiddellijk die revolver
weg.
—Maar ik verzeker je, dat ik Chesterton ben! gilde deze, ten einde
raad, en vreezend nu, dat Raffles hem nog zou ontsnappen.
Deze was kalm blijven zitten en had zijn sigarettenkoker te voorschijn
gehaald.
Flannagan had zijn blikken van den een naar den ander laten dwalen en
zeide nu:
—Het is mij of ik droom! Nooit zag ik twee menschen, zelfs geen
tweeling-broeders, die zoo volkomen op elkander gelijken. Wat schuilt
hier achter?
—Dat heb ik je zooeven gezegd, mijn waarde, kwam Raffles. Plotseling
stond die man daar vóór mijn neus, begon mij de huid vol te schelden,
verzekerde, dat ik Raffles was, en dreigde met de politie. Natuurlijk
heb ik je toen dadelijk opgescheld, om assistentie te vragen.
Op zijn beurt was Sullivan een paar stappen nader getreden en keek nu
ernstig van den één naar den ander.
—Het is werkelijk buitengewoon! zeide hij hoofdknikkend. Eén van deze
personen is natuurlijk een bedrieger—maar het zal u niet gemakkelijk
vallen, mijnheer Flannagan, om vast te stellen, wie van de twee het is!
Chesterton wischte zijn gelaat met zijn zakdoek af, want het zweet was
hem uitgebroken bij de gedachte, dat hij wellicht als een misdadiger
kon worden weggevoerd.
Maar plotseling viel hem iets in—iets zeer eenvoudigs, maar dat aan
alle onzekerheid een einde moest maken.
Hij trad haastig op Flannagan toe en zeide op schorren toon:
—Je kent Chesterton goed, nietwaar?
—Ik ben jarenlang met hem bevriend geweest! antwoordde de jonge
inspecteur.
—Geloof je, dat hij een pruik draagt? ging Chesterton voort, of een
valschen baard?
—Welneen! Daar is geen sprake van! riep Flannagan met schitterende
oogen uit.
—Welnu, dan stel ik je voor, ons beiden achtereen zoo hard je kunt aan
de haren te trekken! riep Chesterton triomphantelijk uit.
—Dat is een uitmuntend plan! riep Flannagan.
Hij wendde zich tot Raffles en zeide:
—Daar kun je natuurlijk niets op tegen hebben, Chesterton!
—Ik heb er daarentegen een massa op tegen! antwoordde Raffles, die nu
inzag, dat de zaken een verkeerden loop gingen nemen.
Weliswaar was zijn pruik voortreffelijk gemaakt, en onder normale
omstandigheden zou zij ook niet zoo gemakkelijk los raken, maar zij was
er niet op berekend, dat men er uit alle macht aan trok—en zijn
puntbaardje evenmin!
Het zou hem zeer veel pijn doen, en het resultaat zou toch hetzelfde
blijven—deze mannelijke versiersels zouden hem in den steek laten.
Flannagan was met gefronste wenkbrauwen een stap achteruit getreden en
herhaalde:
—Je hebt er op tegen? Weet je wel, wat dat beteekent?
—Het beteekent alleen maar, dat ik mijn jongensjaren te boven ben, en
liever niet stoei met volwassen mannen, antwoordde Raffles, die tijd
trachtte te winnen, om een reden, welke hij zelf niet goed begreep.
—Dan zal ik het doen! riep Chesterton uit.
Hij trad naar Flannagan toe, bukte zijn hoofd en schreeuwde:
—Trek er maar zoo hard aan als je kunt!
Flannagan liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar greep met zijn beide
handen het haar van zijn besten vriend stevig vast en rukte er eenige
malen hard aan.
Toen riep hij uit:
—Dit haar is even echt als het mijne!
—En als je mij soms nog niet gelooft, vervolgde Chesterton opgewonden,
dan heb ik nog een bewijs. Wij hebben herhaaldelijk samen gezwommen,
Flannagan, en je weet, dat ik een groote moedervlek op mijn linkerarm
heb.
—Ja, dat is zoo! zei Flannagan.
Zonder een woord te spreken, trok Chesterton zijn jas uit, stroopte
zijn mouw op en toonde een groote, donkerbruine moedervlek aan de
binnenzijde van zijn linkerarm.
Flannagan wierp er slechts een blik op en wendde zich toen tot Raffles.
Langzaam kwam het over zijn lippen:
—Wat hebt gij daar op te zeggen, mijnheer?
—O—slechts een kleinigheid. Ik heb mij blijkbaar vergist! was het
antwoord.
Een oogenblik heerschte er doodsche stilte in het vertrek.
Toen wendde Flannagan zich tot Sullivan en zeide:
—Gij hebt wel een wonderbaarlijk geluk, mijn waarde heer Sullivan, dat
gij nog nauwelijks een dag in onze stad zijnde, reeds getuige hebt
kunnen zijn van de ontdekking van een der slimste en stoutmoedigste
inbrekers van deze eeuw!
—Gij vleit mij, mijnheer! liet de stem van Raffles zich hooren. Er zijn
er geweest, die slimmer en stoutmoediger waren dan ik!
—Gij erkent dus, dat ge John Raffles zijt? vroeg Sullivan, die bleek
van opwinding was, en op zijn ouden vijand toetrad.
—Tot nader order, mijn waarde heer—tot nader order! antwoordde Raffles
met een hoffelijke buiging.
Weer bleef het even stil in het groote vertrek, totdat Flannagan het
eerst weder sprak en zeide, terwijl zijn stem een eigenaardigen
omfloersten klank had gekregen:
—Als gij alles hadt medegemaakt, mijn waarde heer Sullivan, wat hier in
de laatste weken is geschied, dan zoudt ge mij kunnen begrijpen als ik
u zeg, dat het mij bezwaart, dezen man te moeten arresteeren. Zeker—hij
is een inbreker, hij is dus een misdadiger, maar deze zelfde man heeft
het leven van mijn verloofde gered en een uiterst gevaarlijke bende ten
ondergang gebracht. Ik moet evenwel mijn plicht doen! Ik mag hier niet
aarzelen!
Hij wendde zich tot de agenten, die onbewegelijk bij de deur waren
blijven staan, en die nu naderbij traden.
Flannagan ging nu op Raffles toe, die langzaam was opgestaan, en onder
zijn schmink verbleekt was, en zei op zachten, maar doordringenden
toon:
—Steek uw handen uit, John Raffles.
Zonder te aarzelen stak Raffles zijn handen uit—hij begreep wel, dat
tegenstand in deze kamer met zooveel vijanden, volkomen nutteloos zou
zijn.
Lang voor hij zijn revolver zou kunnen grijpen zou men hem eenvoudig
hebben neergeschoten.
Een onderdeel van een seconde later klemden de glinsterende banden van
een paar boeien om zijn polsen.
Raffles keek Flannagan strak aan, en zeide glimlachend:
—Daar zullen de bladen zeker van ophooren! Iets dergelijks had men hier
zeker niet verwacht.
Daarop wendde hij zich tot Sullivan en vervolgde:
—Wat u betreft, mijn waarde heer en tegenstander, ik kan niet anders
doen dan u gelukwenschen! Om een uitdrukking te gebruiken die in den
volksmond zeer populair is, gij zijt met uw neus in de boter gevallen,
met recht zijn u de gebraden duiven in den mond gevlogen, gij hebt hier
nauwelijks voet aan wal gezet, of de grootste van alle toevalligheden
doet u aanwezig zijn bij de arrestatie van John Raffles. Nu, ik hoop
voor u dat gij zuinig op hem zult zijn.
—Daar kunt gij op rekenen, antwoordde Sullivan droogjes, maar zijn
oogen schitterden van vreugde en zegepraal.
Flannagan wenschte zeker een einde aan het tooneel te maken, en beval
de agenten:
—Geleid den gevangene weg, maar laat hem geen seconde uit het oog! Gij
hebt te doen met een man, die de sterkste boeien heeft weten te
verbreken, ik ga trouwens aanstonds met u mede! Breng hem naar het
hoofdbureau van politie, ik wensch dat hij aanstonds wordt verhoord!
—Als gij het permitteert, mijnheer Flannagan, liet Sullivan zich
hooren, dan zal ik u vergezellen, want gij moet mij de opmerking niet
ten kwade duiden, drie politieagenten ter bewaking van John Raffles, is
zoo goed als in het geheel niet.
De gentleman-inbreker maakte met zijn gebonden handen een gracieuse
buiging voor den Londenschen detective, en zeide:
—Ik dank u zeer voor dat compliment, en ik hoop u te bewijzen dat ik
het waard ben!
Sullivan haalde de schouders op, en hernam:
—Ik zeg u dat ik de agenten zal vergezellen, en ik geloof niet dat gij
veel kans op ontvluchting hebt.
De detective was op Raffles toegetreden, stak zijn handen in diens
zakken, en haalde er alles uit wat zich daarin bevond.
—Behooren die voorwerpen u? vroeg Sullivan, terwijl hij op een fraai
bewerkte revolver, een sigarenkoker, een portefeuille, een beurs, een
zakmes en nog eenige andere voorwerpen wees, welke thans op de tafel
lagen!
—Neen! antwoordde Raffles op hoffelijken toon, ik heb ze in bruikleen
van mijnheer Chesterton.
—Hij heeft gelijk, zeide Richard Chesterton, al die zaken behooren mij
toe.
—Voert hem dan nu weg, mannen, zeide Flannagan, die zeer bleek was, en
blijkbaar onder den indruk van de gebeurtenissen welke zich hier
zooeven allen afspeelden.
Raffles werd door de drie agenten, den inspecteur en den detective
omsingeld, en wel bewaakt weggevoerd.
Zoo bevreesd was Sullivan voor een ontsnapping dat hij onophoudelijk de
blikken gevestigd hield op de boeien, welke de polsen van den arrestant
gevangen hielden.
Het was duister en Raffles was er wel eens in geslaagd zich op
klaarlichten dag van een paar boeien te ontdoen, terwijl hij door zes
agenten omringd was.
De kleine groep daalde de trappen af, en schreed de vestibule door,
terwijl een paar bedienden die nog niet geheel en al op de hoogte
waren, verstomd van verbazing toezagen.
Buiten stond een groote gesloten auto en Raffles werd er in geplaatst,
met twee agenten tegenover zich, en Sullivan aan zijn zijde, die
onmiddellijk een krachtige zaklantaarn had ontstoken waarvan hij den
lichtbundel onophoudelijk op de geboeide handen van den Grooten
Onbekenden gericht hield.
Flannagan had naast den chauffeur plaats genomen, en de beide andere
agenten en Chesterton volgden in de tweede auto.
Na een rit van ruim een half uur stonden de beide voertuigen stil voor
het hoofdbureau van politie, een geweldig groot gebouw, en dadelijk
werd Raffles naar den hoofdcommissaris geleid, die reeds telefonisch op
de hoogte was gesteld.
Deze politiebeambte zag er zeer opgewekt uit, wat niet te verwonderen
was, want in slechts weinig weken had hij groote dingen bereikt, niet
alleen had hij de bende van Het Kwade Oog uitgeroeid, maar nu had hij
ook den befaamden Londenschen gentleman-inbreker in handen!
Wel is waar was deze juist de man, aan wien de New-Yorksche politie het
leeuwenaandeel in de vangst van den Moloch en zijn voornaamste
bende-leden verschuldigd was, maar dat was een toevallige
omstandigheid, waarmee de strenge heer zich niet verder verkoos op te
houden.
Zoodra Raffles voor hem stond, door zes agenten geflankeerd, terwijl
Flannagan en Sullivan zich een weinig op den achtergrond hielden, viel
de hoofdcommissaris met de deur in huis en begon:
—Gij zijt John Raffles?
—Zoo noemt men mij, mijnheer!
—Is dat dan uw eigen naam niet?
—Laat ons aannemen van wel, daaromtrent wensch ik mij niet nader uit te
laten.
Raffles moest nu den datum van zijn geboorte en zijn geboorteplaats
opgeven en daarop vervolgde de hoofdcommissaris:
—Wij kunnen zeer kort zijn, gij blijft natuurlijk in verzekerde
bewaring, en ik moet mijnheer Sullivan tot mijn leedwezen mededeelen
dat gij hier in de Vereenigde Staten eerst uw straf zult moeten
ondergaan voor de misdrijven welke gij hier gepleegd hebt.
—Ik wenschte wel gaarne een opsomming, mijnheer! zei de Raffles op
vriendelijken toon.
De hoofdcommissaris rommelde zenuwachtig in een hoop papieren en
antwoordde:
—Gij moet u hier herhaaldelijk voor een ander persoon hebben
uitgegeven, dat is strafbaar, maar dat beteekent niets bij het
voornaamste feit, gij hebt Peter Vandyke een millioen dollar ontstolen!
—O, welk een leelijk woord, mijnheer, riep Raffles verontwaardigd uit,
gij wildet zeggen dat ik dat millioen genaast hebt, of onteigend of
opgevorderd, of met beslag belegd, of hoe gij het anders wilt noemen,
als gij het maar geen stelen noemt!
De hoofdcommissaris haalde ongeduldig de schouders op en hernam:
—Het is mij onverschillig hoe gij het noemt, dat is trouwens een zaak
welke de justitie aangaat.
En nu begon er een breedvoerig verhoor, gedurende hetwelk Raffles het
eerst sprak, en Chesterton het meest, bijgestaan door Flannagan.
Toen dit was afgeloopen sprak de hoofdcommissaris, terwijl hij zich tot
Raffles wendde:
—De billijkheid gebiedt dat ik de diensten erken welke gij ons hebt
bewezen in den strijd tegen de Bende van Het Kwade Oog! Dat verandert
echter niets aan het feit dat gij een millioen hebt onteigend, zooals
gij het verkiest te noemen, het spreekt van zelf dat gij voor dien
diefstal zult moeten boeten, a propos, waar is dat millioen?
Tegen zijn gewoonte barstte Raffles in een hartelijk gelach uit, en
antwoordde:
—Ik vraag u verschooning, mijnheer de commissaris, maar dat zijn
beroepsgeheimen.
—Gij weigert dus de plaats te noemen waar dat reusachtig bedrag
verborgen is.
—Maar dat spreekt toch immers vanzelf, riep Raffles uit met een naïeve
verbazing welke Sullivan deed stampvoeten van drift, dacht gij dat ik
al die moeite voor niets heb gedaan, ik heb dat millioen en ik behoud
dat, ik kan zeer veel goeds mee doen! en ik zal dat ook doen.
Maar nu kon Sullivan zich niet langer meer inhouden.
Hij deed een stap naar voren en riep toornig uit:
—Gij zult niet meer in de gelegenheid zijn om iets met dat millioen te
doen, John Raffles! Daar zullen wij wel voor zorgen!
—Ik geloof dat gij ongelijk hebt, zeide Raffles kortaf. Laten wij
echter niet over de toekomst spreken.
—Dat zou ik u ook niet raden! hernam de Londenschen detective op
schamperen toon, als ik er iets aan doen kan ziet die toekomst er voor
u verre van rooskleurig uit.
—Nu genoeg gepraat, heeren! riep de hoofdcommissaris uit; brengt hem
weg!
Dit laatste bevel was tot de agenten gericht, maar Sullivan trad naar
voren en zeide:
—Een oogenblik, als ik u verzoeken mag, mijnheer! Ik zou wel gaarne den
gevangene onderzoeken, want als het door politie-agenten moet
geschieden, dan vrees ik, met allen eerbied voor hun schranderheid, dat
zij misschien wel een en ander over het hoofd zullen zien.
—Ga uw gang, mijnheer! antwoordde de hoofdcommissaris.
Sullivan trad op Raffles toe, en begon met de grootste nauwkeurigheid
diens kleeren te onderzoeken.
Hij knoopte zijn jas en vest los, betastte hem overal, gebood hem te
gaan zitten en bekeek zorgvuldig de hakken en zolen van zijn schoenen.
En gedurende dit onderzoek riep hij uit:
—Gij ziet, dat ik niet geheel en al ongelijk had: hier in de das vind
ik als doekspeld een uiterst fijn vijltje of metaalzaagje van Het
allerbeste veerenstaal gemaakt. In een der hakken van de schoenen
ontdek ik een kleinen diamant om glasruiten uit te snijden en in de
andere een paar goudstukken genaaid, waarschijnlijk om te allen tijde
een chauffeur te kunnen betalen of iets te kunnen eten, en op een
andere plek nog een vijltje, waarschijnlijk bestemd om er een sleutel
mede te veranderen, en een schroevendraaier! Had ik geen gelijk, met op
een nader onderzoek aan te dringen.
—Groot gelijk, mijnheer Sullivan, antwoordde de hoofdcommissaris, die
vol verbazing had toegezien, en nu weg met den gevangene!
—Met den arrestant, mijnheer! verbeterde Raffles koeltjes, ik ben nog
geen gevangene volgens de wet.
—Over dat fijne onderscheid zullen wij niet twisten, hernam de
politiebeambte kortaf.
Raffles werd aangegrepen en naar de ruime binnenplaats van het
politiebureau gebracht, en daar in de auto geplaatst, welke hem in vijf
minuten naar het huis van bewaring overbracht.
HOOFDSTUK IV.
ONTVLUCHT.
Juist op het afgesproken uur begaven Charly en Henderson zich dien
avond naar het noordelijke hoofd van de Brooklyn Bridge, waar zij om
kwart vóór twaalven aankwamen.
Zij liepen geruimen tijd heen en weder, in afwachting van Raffles’
komst.