onderdanen, zoo wel die der _Quamiten_ als die der overwonnen volkeren;
en toen zij bespeurden dat de ondeugden, waaraan ik was overgegeven,
niet overeenkwamen met eenen Goddelijken oorsprong, oneigen aan een
hemelsch mens, en niet passende waren aan eenen Afgezant der Zonne;
begonnen zij alles, en wel voornamenlijk de oorzaak mijner aankomste
aldaar, en den staat waarin ik mij bevond, toen ik eerst op die kusten
gekomen was, naauwkeuriger te onderzoeken. Zij zagen dat die verbazende
dingen, welke ik had uitgevoert, veel meer aan de domheid der
_Quamiten_, dan aan mijne bekwaamheid moesten worden toegeschreven:
vooral wanneer zij bespeurden, dat ik, de dikste wolken van onwetendheid
nu overgedreven zijnde, in veele en verscheide zaken had misgetast. De
_Kispucianen_, een volk dat doorzigtig en van een schrander oordeel was,
waren de snedigste bedillers mijner verrigtingen. Deeze hadden opgemerkt
dat onder de placcaaten, die ik had laten afkondigen, 'er verscheide zoo
kwaalijk voegende en onbeschaaft waren, dat zij klaarlijk te kennen
gaven eene diepe onkunde in Staatstaken: ook was die aanmerking niet
ongegrond; want vermits de bestierders van mijne zeden en leven, nooit
hadden kunnen droomen, dat ik eene Kroon dragen en den Scepter zoude
zwaaijen, had ik een onderwijs gekregen, meer passende aan eenen
Proponent of toekomenden Diaken, dan aan eenen Vorst die stondt te
heerschen; en mijne Letter-oeffeningen, die niet verder dan tot een
samenstel van Godgeleerdheid, en alleenlijk tot eene zekere bepaalde
hoogte in de Overnatuurkunde konden reiken, pasten zeer weinig bij
mijnen tegenwoordigen Haat, waarin het op het wel regeeren van twee
Keizer- en bijna twintig Koningrijken aankwam.
Wijders hadden de _Martinianen_ opgemerkt, dat de oorlogsschepen welke
ik gebouwt had, zoo ruw en lomp waren, dat zij in eenen slag tegen
welgeschikte vlooten, van geen gebruik altoos waren; en men dierhalven
die overwinningen ter Zee alleen aan de uitvinding van 't geschut hadt
toe te schrijven. Deeze en andere scherpe aanmerkingen waereldkundig
makende, bragten zij zig ook te binnen de maniere op welke ik aan die
kusten gekomen was; namentlijk dat ik op een luik van pen vergaan schip,
met gescheurde kleederen, bijna dood van honger en dorst, van de gene
die aan 't strand woonden, gevonden was, welke toestand gantsch niet
overeenkwam met eenen, Afgezant der Zonne. Voeg hier bij, dat diezelve
_Martinianen,_ zeer bedreven zijnde in de Sterrekunde, en eenige
beginselen van die wetenschap onder de _Quamiten_ verspreid hebbende,
daarin aangetoont hadden, dat de Zon een onbezield ligchaam was, van den
Almachtigen Schepper in 's Hemels middelpunt geplaatst, om licht op de
Waereld te geven, en door haare warmte de Schepselen te koesteren; en
dat vermits haar aart in vuur bestondt, zij geen verblijfplaats konde
zijn voor eenige aardsche Wezens.
Door deeze en andere nadeelige gerugten reed ik, dagelijks over de tong.
Dog 't bleef slegts bij gemompel, vermits niemant, uit vreeze, mijner
magt, uit de borst spreeken, of zijne gedagten in 't openbaar durfde
uiten. Hier door wist ik in langen tijd niet, dat de kwaadwilligheid
mijner onderdanen zoo hoog gestegen was, dat zij mijne geboorte
betwistten, tot dat eindelijk zeker Boekje, in de _Canalistische taal_
opgestelt, onder den tytel van DE GELUKKIGE SCHIPBREUK, mij de schillen
van de oogen afligtte. Ik heb bereids boven gemeld dat de _Canalisken_
zeer afgeregt waren in iemant schimpredenen naar 't hoofd te werpen,
aangezien hunne felste oorlogen enkel en alleen met scheldwoorden
gevoert werden. Dit Boekje behelsde alle die beschuldigingen, waar van
ik boven eene schets hebbe gegeven, en was opgestelt met scherpe en
stekende bewoordingen naar den aart der _Canalisken,_ welke in dat soort
van schrijven groote meesters zijn.
Dog zoo weinig konde ik toen mij zelven bedwingen, en zoo groot was mijn
vertrouwen op mijne magt, dat ik door geene vermaningen bewogen, of tot
bedaarder gedrag konde worden gebragt; want de allerheilzaamste
raadgevingen dienden veel eer om mijne gestrengheid aan te wakkeren, dan
om die te sluiten; waarom ik eenige, welke meest bij mij verdagt waren,
bij den kop hebbende laten vatten, dezelve door uitgedagte folteringen
dagt te noodzaken, den maker van dat Boekje te melden. Dog zij stonden
alle die tormenten met eene verwonderlijke standvastigheid uit, zulks
'er door die wreedheid niets anders wierdt uitgeregt, dan dat mijn haat
tot razernij oversloeg. Zoo veel sterker was 't noodlot dan de
raadgevingen, en ik liep gewillig in mijn verderf.
In deezen toestand van zaken besloot ik de handen te leggen aan den nog
overig zijnde Vorst _Hikoba_. Dit voornemen openbaarde ik den
Groot-Cancelier _Kalac_, op welken ik mij 't meest vertrouwde. Hij, mij
alle hulp en gehoorzaamheid belooft hebbende, ging van stonden aan uit,
om mijn besluit te volvoeren. Dog heimelijk dat voornemen verfoeijende,
ontdekte hij den Prins de lagen; en zij begaven zig beide op het zeer
sterk kasteel der Stad, alwaar zij de bezetting bijeen geroepen
hebbende, den tegenwoordigen toestand van zaken ronduit aan dezelve
vertoonden, en, vermits de traanen en zugten van den gevaarloopenden
Vorst niet weinig gewigts aan zijne redenvoeringe toebragten, namen zij
alle de wapenen op, beloovende voor 't behoud hunnes Vorsts hun leven te
zullen wagen. De doorslepen Cancelier, gebruik willende maken van die
gistende gemoederen, deedt hen alle in 's Vorsten eed overgaan, en liet
terstond boden afgaan naar andere, welke hij wist op mij gebeten te
zijn; hen aanzettende om de wapenen op te nemen tegen den Dwingelant,
die den ouden Koninglijken Stam bij den wortel trachtte af te snijden.
Vervolgens,
_Al wie op den Tyran te lijdig was gebeten;_
_Of voor zijn dwingelandij van bijstere vrees bezeten;_
_Loopt straks in 't harnas,_
en voegt zig bij de bezettelingen.
Terwijl ik des Canceliers wederkomst verwagtte,
_Komt daar in aller haast een Bode van de reis,_
_De Stad in, en vervult zelfs 't Keizerlijk Paleis_
_Met schrik en vrees. Men vraagt hem: Wat 's uw melden?_
_"Leef lang, ô groote Vorst! men ziet veel duizend helden_
_'t Nabuurig veld beslaan: zij eischen 's Keizers hoofd_
_Tot straf." Zoo sprak hij...._
Toen was het dat _Tomopoloko_ mij de raad gaf van mij bij tijds naar
_Tanachi_ te begeven: _Kom aan_, zeide hij, _laat ons een Leger in mijn
Vaderland op de been brengen, en deeze razernij, waar door nu alles in
den brand staat, zal welhaast ophouden_. Dit hoorende, wierdt mijn
onstandvastig gemoed verscheidenlijk geslingert, en beurtelings door
vreeze en hoope, nu herwaards dan derwaards, gedreven. Eindelijk
luisterde ik naar zijnen raad, en verliet _Quama_ zonder veel moeite
terwijl de oorzaak der voortkruipende opschuddinge nog aan de meesten
onbekend was. Gekomen zijnde op de grenzen van _Tanachi_, ontbood ik
allen die de wapenen dragen konden. Hier door een Leger van
veertigduizend koppen, meest _Tanachiten_, op de been gebragt hebbende,
keerde ik te rug, hoopende met den toevloed der _Quamiten_ die getrouw
gebleven waren, mijne troepen zeer te zullen versterken. Dog ik maakte
verkeerde rekening: want in plaats van hulptroepen te krijgen, gelijk
ik mij dwaaslijk inbeeldde, ontmoette ik eenen Afgezant met eenen brief
uit 's Prinsen naam. Hierin verklaarde hij mij, als een bedrieger en
Usurpateur, den oorlog, doende mij teffens weten, dat mijne Gemaalin met
mijnen Zoon, dien ik bij haar had, in hegtenis waren gebragt. Naauwlijks
was de Gezant vertrokken, of wij zagen 't Leger der _Quamiten_ met den
wederhorigen Prins aan deszelfs hoofd. En vermits dat heir rijkelijk
voorzien, was van geschut, durfde ik den slag niet wagen, eer ik nog
meerder troepen had gekregen, waarom ik daar stil hield, en mijne
legerplaats met wallen en verschanssingen versterkte. Dog toen ik vernam
dat mijn volk heimelijk tot den vijand overging, en dat het vijandelijk
Leger nog meer troupen tot versterkinge afwagtte; besloot ik, op het
aanraden mijner Legerhoofden, zonder dat _Tomopoloko_ zig daar tegen
stelde, den slag te wagen. 't Gevegt viel voor op die zelve vlakte, daar
de _Tanachiten_ eenige jaaren te voren in dien beslissenden slag de
nederlaag hadden gekregen. 't Vijandelijk geschut wierp terstond onze
dagorde overhoop, en het smertte mij niet weinig door mijne eige
uitvinding aangetast, en door de wapenen die ik zelf gesmeed had,
overwonnen te worden. Mijn volk stondt egter eenen geruimen tijd het
geweld der wederhoorigen uit, tot dat _Tomopoloko_, dapperlijk vegtende,
van eenen kogel getroffen, dood nederviel. Toen namen wij den vlugt, en
verstaken ons in de holen der bergen en bosschen. Ik zelf op eene rotze
geklommen, daalde van daar nederwaards in de onderleggende valleije. Mij
aldaar eenigen tijd stil houdende, beschreidde en bezugtte ik al te laat
mijn ongeval, of liever mijne dwaasheid; en ik was in zoodanig eene
verwarde gemoedsgestalte, dat ik mijne kroon of hoofddekzel, pronkende
met zonnestraalen, en die mij hadt kunnen verraden, verzuimde af te
nemen. Na dat ik nu bijna een half uur lang al bevende en bevreest in
die valleije gebleven was, hoorde ik eenige stemmen van de gene die de
rotze beklommen, en, met gemurmer, straffe over den gevlugtten wenschten
te oeffenen, waarom ik hier van daan zoekende te vlugten, naar eenen
schuilhoek omzag.
_Daar was een somber bos, met schaduwagtige eiken_
_En doornen digt bezet: geen licht kon daar bereiken_
_Den onbebouwden grond: de uitgang werdt omringt_
_Van struik en haag._
Terwijl ik daar naar toe liep,
_Bragt mij een enge weg op: zeer verholen paden_
_En deedt mij dwalen_
tot aan eene spelonke, voor welker ingang ik een weinig staan bleef,
kunnende bijna door 't loopen mijnen adem niet haalen; dog straks daar
na kroop ik, even als eene Slang, die met haar ligchaam opening in den
grond maakt, daar binnen; en toen ik bespeurde dat de spelonk zeer diep
en afloopende, dog egter niet steil was, nam ik vóór tot aan derzelver
einde toe te gaan. Dog naauwlijks was, ik honderd schreeden wijd
gevordert, of ik kwam aan eenen afgrond waarin ik, als van den bliksem
geslagen, nedertuimelde, en door eene dikke duisternisse en
altoosduurenden nagt heengerukt wierd, tot dat eindelijk
_Een soort van schemerlicht deez' ongebaande baan_
_Gantsch flaauw verlichten kwam, als een betrokken Maan._
Naar maate dat dit licht vermeerderde, verminderde ook de geweldige
aandrang des vals, invoegen ik gantsch zagtkens, en als uit het water
opkomende, onbezeert nederkwam tusschen eenige rotzen, welke ik met de
uiterste verbaasdheid zag dezelve te zijn, van waar ik eenige jaaren
geleden in de Onderaardsche gewesten was nedergestort. Aangaande nu dien
allengskens vertragenden aandrang; ik bemerkte, mijne gedagten daar over
eene wijle tijds hebbende laten gaan, dat dezelve veroorzaakt wierdt
door den dampkring onzes Aardkloots, die door zijne zwaarte wat meer
perssende is, dan die der Onderaardsche waereld: want in geval dat de
onze zwaarder ware, zoude ik, ook in het opklimmen dat gene ontmoet
hebben, wat mij in 't nederdalen bejegende, en ligtelijk door de lugt
naar boven, tot aan 't gewest der Maan zijn gevoert geweest. Dog deeze
stelling zal ik overlaten aan een rijper onderzoek der Natuurkundigen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
_Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchy._
Langen tijd lag ik buiten verstand tusschen de rotzen, aangezien zoo wel
de val zelf, als die wonderlijke herschepping, waar door ik mij binnen
zoo korten tijd uit eenen stichter der Vijfde Monarchy in eenen armen en
bedelenden _Baccalaureus_ zag hervormt, eene groote bedwelmdheid in
mijne harssenen veroorzaakte. En, om de waarheid te zeggen, dat geval
was zoo verbazend en zoo poeëtisch, dat het de allerbestgeschikte
harssenen ligtelijk konde beroeren. Ik begon dan mij zelven te
ondervragen, of het wel waaragtig was 't geen ik zag; dan of mijn gezigt
bedroogen wierdt door droomen. Na dat de eerste ontsteltenis een weinig
over, en ik wat tot mij zelven was gekomen, volgde, op de verbaasdheid,
smart en verontwaardiging:
_Ik hief mijn handen t'zaamgsvoegt op naar de Wolken_
_En sprak: Almagtig God, Gij Schepper aller Volken!_
_Wanneer heb ik zoo zwaar tog tegen u misdaan,_
_Dat gij besluiten moest, mij te doen ondergaan_
_Zoo' wreede straffen? Ach! van waar ben ik gekomen,_
_En waar ga ik naar toe?_
En in de daad, laat de Jaarboeken en de Geschiedenissen, zoo oude als
hedendaagsche, opgeslagen worden, men zal 'er naauwlijks een voorbeeld
van zulk een geval in vinden, ten zij mogelijk in _Nabuchadonozor_, die,
van den grootsten Monarch der aarde, in een wild dier zig in de
bosschen ophoudende, is hervormt geweest. Even alzoo heb ik voor een
schouwspel des geluks verstrekt. Binnen weinige uuren wierden mij
ontnomen twee groote Keizerrijken met bijna twintig Koningrijken, waar
van mij niets anders dan alleen de schaduw en verbeelding waren
overgebleven. Onlangs was ik een Monarch, nu konde ik naauwlijks op een
Schoolmeesters-amptje in mijn Vaderland hoopen: ik wierd Afgezant der
Zonne genaamt; dog thans dugtte ik uit armoede de Dienstknegt van deezen
of genen Bisschop of Proost te zullen worden; onlangs wierd ik omringt
van de glorie, de hoop, 't welvaren en de overwinningen; dog thans van
de zorg, de ellende, 't hartzeer, de traanen en 't huilen. Eindelijk ik
was 'er, even als het kruid dat binnen eenen dag sterft, voor eene korte
wijle geweest: schielijk was ik opgekomen, haastig was ik te
ondergegaan. Met een woord, de smert, de verontwaardiging, de kommer, de
toorn, en de wanhoop veroorzaakten mij zoo veele gemoedsbewegingen, dat
ik
_Nu eens besloot een zwaart mij zelv' in 't hart te drukken;_
dan wederom geen zwarigheid maakte om mij in de spelonke, waaruit, ik
gevallen was, wederom van, boven neder te storten, om te onderstaan, of
een tweede togt naar de Onderaardsche gewesten, beter voor mij zoude
uitvallen.
_Driewerf maakte ik 't besluit om beide t' ondernemen_
_Dog driewerf stapte ik af van beide...._
Allermeest wierd ik van dat opzet afgebragt door de zorg voor mijne
ziel, en door get beginzel des Christelijken Godsdiensts, welk iemant,
die niet ter dood verwezen is, verbiedt zijn leven af te leggen eer de
tijd daar is.
Ik trachtte dan, langs 't hobbelige en enge pad naar _Sandwijk_
loopenden van den bergaf te komen; dog vermits ik gantsch opgetogen was
in diepe overdenkingen, struikelde ik telkens onderweg; want mijne
gedagten speelden geduuriglijk op die Vijfde Monarchy. Deeze waarde mij
met ijdele, en egter gestadig nieuwe, inbeeldingen, zoo onophoudelijk in
zinnen, dat ze mij geheel en al buiten mij zelven bragt. En om de
waarheid te zeggen, 't verlies in mijn gezag en vermogen was zoo groot,
dat ik oordeelde het zelve in mijn Vaderland door geene winsten te
kunnen vergoed worden. Ik stelde mij al eens voor, dat men mij gaf de
Landvoogdij over de Provincie van Bergen, ja, dat meer is, over gantsch
Noorwegen: maar welke eene vergoeding was dat? en welk een troost voor
eenen die nog zoo onlangs Stigter en Monarch van zoo veele Rijken was
geweest? Ik besloot egter, om, zoo mij eene Landvoogdij in 't Vaderland
mogte worden opgedragen, dezelve niet geheel en al van de hand te
wijzen. Na dat ik nu den weg half afgelegt had, kreeg ik eenige jongens
in 't gezigt, welke ik, met wenken naar mij toelokkende, verzogt mij
behulpzaam te willen zijn, met deeze woorden: _Jeru Pikel Zalim_, 't
geen in _de Quamitische_ taal zeggen _wijst mij het voetpad_. Dog de
jongens op het gezigt eenes mans, die met zulke vreemde kleederen
gekleed was, en eenen hoed op had, met Zonne-straalen blinkende,
bevreest zijnde geworden, liepen met 'er haast van de rotzen af, zoo,
dat zij mij, die langzaam voortging, en wien langs de afgebroken rotzen
de afgematte beenen nasleepten, vooruitliepen, en een geheel uur, eer te
_Sandwijk_ kwamen, alwaar zij het geheele Dorp met schrik vervulden,
zweerende dat zij, tusschen de rotzen, den dwalenden Jerusalemschen
Schoenmaker hadden gezien, schitterende van de straalen der Zonne, en
door gestadig zugten zijn hartzeer te kennen gevende. Toen de
Dorpelingen vraagden, waar uit zij wisten, dat het de Jerusalemsche
Schoenmaker was, antwoordden zij, dat ik zelf mijnen naam en vaderland
genoemt had. Ik giste dat die dwaling ontstaan was uit het kwalijk
verstaan der woorden _Jeru Pikei Zalim._ Hier door geraakte het geheele
Dorp op de been, wijl niemant meer aan de zaak twijfelde; voornamenlijk
nadien onlangs dat spreukje van dien wandelenden Schoenmaker weder op de
been was gekomen, en hij gezegt wierdt nog onlangs te Hamburg gezien
geweest te zijn.
Toen ik met het vallen van den avond te _Sandwijk_ kwam, zag ik alle de
inwoonders van die geheele Landstreek bijeen vergadert; van alle kanten
te zaamgeloopen zijnde, uit de aangeboren drift om wat nieuws te zien.
Deeze den nieuwen gast zullende inhaalen, hadden lang staan wagten aan
den voet des bergs; dog zoo dra zij mij hoorden spreken liepen zij alle
als door eenen schielijken schrik getroffen, weg, behalven alleen een
oud man, die, stouter zijnde dan de andere, staan bleef. Terstond; sprak
ik hem aan, vragende of hij aan eenen verdwaalden wel herberging wilde
geven. Hier op vraagde hij mij:
_Wie zijt gij? Van het volk? Van waar? Ei 'k bid u zeg_
_Waar henen legt de reis?..._
Toen
..... _Zugtte ik op dit vragen,_
_Uit 't binnenste van mijn hart, en zei:_
_Van 't eerste tot het laatste, mijn deerlijk ongelijk_
_En ramp; en hadt gij tijd te hoore de kronyk_
_Van mijne zwaarigheên, ô Man! om dit te weten,_
_Ik zag de Zon gedaalt en eer den dag gesleten,_
Eer ik aan 't einde was; dog wanneer gij mij huisvesting zult geven, zal
ik u eene reeks van ongevallen verhaalen, die allen geloof schijnen te
boven te gaan, en waar van in geene Geschiedenissen een voorbeeld te
vinden is De Grijsaard, nieuwsgierig, nam mij bij de hand, en bragt mij
in zijn huis, niet wel te vreden over de ontijdige vrees zijner
Landlieden, die op ieder ongewoon gezigt, als op het verschijnen eener
Staartsterre, beefden van schrik. Zoo haast ik binnen 's huis was
gekomen, eischte ik een dronkje waters om mijnen dorst te lesschen.
Terstond bragt hij mij eenen beker met bier, terwijl nog zijne Huisvrouw
nog zijne Dienstmaagden van vrees durfden binnen komen. Zoo dra ik den
beker geleegt en mijnen dorst wat gelescht had, begon ik aldus te
spreeken: "Gij ziet hier eenen man die jammerlijk door het nood-lot
gesolt is, en, die zoodanig de speelpop der Fortuin is geweest, dat
nooit iemant iet diergelijks gesmaakt heeft. Het is wel eene waarheid
dat dikwils het gelaat der grootste zaken in een punt, des tijds wordt
omgekeert; dog wat mij bejegent is, gaat alle geloof te boven."
_Mijn ongeval, helaas! is weinig bekend:_
_Ook is 't wat ongemeens: de reis van mijn ellend'_
_Is geenszins van dat soort, waar meê 't Fortuin verbolgen,_
_Vermaak schept onverdiend den sterv'ling te vervolgen._
Hier op gaf mijn Huiswaard ten antwoord, dat zulks het noodlot was der
genen die lang zwerven. En aan hoe veete wisselvalligheden en toevallen
staat eene reize van zestienhonderd jaaren niet bloot! Ik begreep niet
waar hij heen wilde, waarom ik hem vraagde wat hij door die
zestienhonderd jaaren verstondt. _Mag men_, zeide hij, _aan de
Geschiedenissen geloof slaan, is het thans zestienhonderd jaaren
geleden, dat Jeruzalem verwoest is: en ik twijfel niet, zeer eerwaarde
man, of gij waart te dier tijd al bereids op uwe dagen: want, bij aldien
't geen van u gezegt wordt, waaragtig is moet gij omtrent geboren zijn
onder de regeringe van den Keizer Tiberius._ Door deeze woorden wierd ik
als verdomt, meenende dat het den ouden bloed in den bol schortte,
zeggende daar op, dat het een _Oedipus_ moest wezen, die dien knoop
konde losmaken. Nog bragt hij een schilderij te voorschijn, waarop het
afbeeldsel des Tempels van Jeruzalem uitgedrukt stondt, vragende mij al
met eene, of het afbeeldsel veel verscheelde van het oorsprongelijke?
Hier op kon ik, hoe bedroeft ik ook was, mij niet langer van lachen
onthouden, vraagende teffens naar de oorzaak van zulke verwarde
redenen. Zijn antwoord was: "Of ik het wel of mis hebbe, weet ik niet,
't volk dezer plaats zegt, dat gij de, zoo zeer in de Geschiedenissen
berugte, jeruzalemsche Schoenmaker zijt, die zedert de tijd van Christus
door de geheele waereld dwaalt; dog hoe ik u nader bezie, hoe ik meer in
mijne gedagten brenge, zekeren, ouden vriend, die, nu twaalf jaren
geleden, op den top deezes bergs is om hals geraakt." Op deeze woorden
vielen de schillen van mijne oogen af, en ik kende mijnen ouden vriend,
_Abelinus_ in wiens huis ik te _Bergen_ zo gemeenzaarm had omgegaan.
Terstond viel ik hem om den hals, en, hem drukkende in beide mijne
armen, "heb ik u vóór, mijn waarde _Abelinus_! zeide ik: ik durf
nauwelijks mijne oogen of handen berouwen. Hier ziet gij uwen _Klim_ van
den dood verrezen: ik ben dezelve man, die voor twaalf jaaren in dat hol
nedertuimelde." Hij, verzet zijnde door dit onverwagt verschijnsel,
_Stondt even eens als die van 't hemelsch vuur getroffen_
_Verbijsterd en bedwelmd, schijnt daadlijk neer te ploffen_
_Al suizebollende; en die, schoon dat hij leeft,_
_Nogtans in twijfel trekt of hij wel leven heeft._
Ik zie, zeide hij, het wezen van mijnen _Klim_, en ik hoor zijne
welbekende stem: want
_Dus was zijn handgreep, dus de opslag zijner oogen,_
_Niet anders zijn gelaat; of schijn heeft mij bedrogen._
Dog schoon ik nooit iemant zag die meer naar _Klim_ geleek, kan nog moet
ik egter mijne oogen niet gelooven; want thans staan de dooden niet op.
Ik moet derhalven kragtiger getuigen en bewijsredenen hebben om aan uwe
woorden geloof te kunnen geven.
Om dan zijne ongeloovigbeid weg te nemen, herhaalde ik hem in 't lange
en breede al 't geen ooit of ooit tusschen ons beiden was voorgevallen.
Die gehoort hebbende, verdwenen eindelijk alle de nevelen die zijn
verstand verduisterden, en hij viel mij al schreiende om den hals,
luidkeels uitroepende: "Nu zie ik den man zelv', wiens schim ik meende
te zien; dog verhaal mij, bid ik u, waar gij u zoo lang hebt opgehouden,
en waar gij dien wonderbaarlijken en barbaarschen opschik hebt vandaan
gehaalt." Toen ging ik hem alles, 't geen mij op mijnen val gevolgd was,
verhaalen, en hij luisterde zeer aandagtig naar mijne redenen, tot dat
ik begon op te haalen van de Planeet _Nazar_, en van de boomen die
spreken konden en met reden begaaft waren; wanneer hij het niet langer
dulden kunnende, uitriep: "wat voor zotternijen de droomen ook kunnen
verzinnen, de gekheid te zamenknoopen, of de dronkenschap raaskallen,
dat alles ziet men in u bij malkanderen: ik zou eer met ons slegt volkje
kunnen gelooven dat gij in de handen der bijtebauwen zijt gevallen
geweest, want zulke janhagelsche vertellingtjes zijn nog
waarschijnlijker dan uwe Onderaardsche Reis." Ik verzogt hem,
allervriendlijkst, dat hij mij tog met lijdzaamheid wilde hooren, totdat
ik mijne redenen, die ik begonnen had zoude hebben geëindigt; en hij mij
belooft hebbende te zullen zwijgen, ging ik voort met het verhaal der
dingen die mij in het onderaardsche bejegent waren, der verscheiden
wisselvalligheden die ik had ondergaan, en eindelijk dat ik de Stigter
was geweest van de allergrootste Monarchy die ooit op aarde geweest was.
Dit alles diende nergens anders toe dan om zijn gevoelen, dat hij
opgevat had van mijne verkeering met de Satyrs, en Bosch-goden, te
versterken, en hij geloofde, dat ik, beguichelingen bij den neus
omgeleid, geloofd had dat de Katten Gansen-eijeren leggen. En om te
zekeren te weten hoe verre mijne betoovering of vergiftiging gaan zoude,
of tot wat hoogte mijne gekheid gestegen was; begon hij mij van den
staat der gelukzaligen en der verdoemden; van de Elyzeesche velden en
van meer diergelijke zaken te ondervragen. Ik, ziende waar die praatjes
op uitkwamen, gaf hem ten antwoord: "ik neem u uwe ongeloovigheid niet
kwalijk af, aangezien mijn verhaal aan elkeen verdigt, en als geschoeit
op den leest der Poëeten kan voorkomen: want het gene mij bejegent is,
is zoo wonderbaarlijk, dat het het menschelijk geloof te boven gaat. Dog
ik verklaar u heiliglijk; dat ik 'er niets toe doe, of bijhange; maar
dat ik u alles zuiver en eenvoudig, zoo als 't gebeurt is, verhaalt
hebbe." Dog hij, in zijne ongeloovigheid voortgaande, verzogt mij, dat
ik eenige dagen zoude uitrusten, hopende dat midlerwijl die dampen uit
mijne harssenen zouden uitwasemen.