_.......Geene baren,_

_Nog stormen dwongen ons aan uwe kust te varen,_

_Nog 't heeft aan kennis van gestarnte of strand gefeilt:_

_Wij komen herwaar'd, niet uit onze streek verzeilt;_

_Maar wel met vrijen wil, en voorbedagten raade._

En terstond gaven zij aan den Keizer eenen Brief over, van den volgenden

inhoud:

"KLAAS KLIM, Afgezant der Zonne, Keizer van _Quama_, Koning van

_Tanachi_, van _Aretonië_, van _Alectorië_, Groot-Hertog der

_Kispuciaanen_, en Heer van _Canaliska_, groet _Miklopolatu_, Keizer van

_Mezendoria_. Het zij u bekend, dat door een onwederroepelijk besluit

der Goden, vastgestelt is, dat alle Rijken en Heerschappijen aan het

_Quamitische_ Gebied onderworpen zullen worden; en nademaal het besluit

der Goden onveranderlijk is, zoo moet volgen, dat ook uw Keizerrijk het

zelve noodlot ondergaa.--Wij verzoeken u dan, dat, gij u zelven

goedwillig overgeeft, en wij vermanen u, dat gij Uwe Rijken niet bloot

stelt aan de gevallen des oorlogs, door u roekelooslijk aan te kanten

tegen onze overwinnende wapenen: u zelven bij tijds overgevende, zult

gij veel onschuldig bloed bespaaren, en uwe eigen zaken in beteren staat

stellen. Gegeven op onze Vloot, den derden der maand _Rimat_."

Na dat eenige dagen verloopen, waren, kwamen de Gezanten te rug met een

trotsch en hoogmoedig antwoord. Hierom, alle hoop van vreede aan eenen

kant zettende, deeden wij de landing. Onze troepen aan land gebragt, en

in slagorde gestelt zijnde, zonden wij verspieders uit, om te zien wat

toestel de vijand maakte. Eerlang kwamen zij te rug, tijding brengende,

dat het vijandelijk Leger, bestaande uit zestigduizend Leeuwen, Tijgers,

Olifanten, Beeren en Grijpvogels, kwam aanrukken. Hierom sloegen wij ons

op eene voordeelige plaats ter neer, besluitende den vijand af te

wagten. Alles nu gereed, en het teeken van aan te vallen gegeven zijnde,

wierden van de vijandelijke zijde, vier Vossen als Afgezanten gezonden

om met ons over vrede te handelen. Dog na dat dezelve eenige uuren met

onze Bevelhebbers gesproken hadden, scheidden zij onverrigter zake.

Eerlang bleek het, dat zij veel eer verspieders dan Gezanten waren

geweest, en nergens anders toe afgezonden waren, dan om den staat van

ons Leger op te nemen. Zij gaven wel vóór, eerlang met breeder last te

zullen wederkomen; dog toen wij kort daarna het geheele vijandelijke

Leger in aller haast op ons zagen aannaderen, bespeurden wij dat 'er van

den vrede niets te wagten was, waarom wij ons tot den aantogt gereed

maakten, en als op een drafje naar den vijand liepen. Daar wierdt lang

en fel gevogten, met even groote hardnekkigheid van beide zijden. Want

schoon onze Busschieters al met den eerden aanval eene groote slagting

maakten bleven egter de Olifanten standvastig met gesloten gelederen; om

de hardheid hunner huid geen kogels ontziende. Dog toen men 'er grof

geschut begon onder te branden, en de Olifanten daar van het doodlijk

gewrogt bespeurden, droopen zij, met grooten schrik bevangen zijnde,

doorgaans af, en schroomden niet om,

_Door schandlijk 't hasenpad te kiezen,_

_En eer en zege te verliezen._

In dit gevegt sneuvelden drie-en-dertigduizend _Mezendoriërs_, en

tweeduizend vielen levendig in onze handen. Die uit den strijd

ontkwamen, begaven zig naar de Hoofdstad, eene zeer sterke plaats, en

vervulden daar alles met schrik en vreeze. Dog wij onze overwinninge

vervolgende, kwamen in drie optogten voor de Koninglijke stad, waar voor

wij zoo met onze zee- als landtroepen het beleg sloegen. Terwijl wij in

't aannaderen waren, ontmoette ons eene nieuwe bezending, met

voordeeliger voorwaarden van vrede. De Keizer verzogt, dat ik zijne

Dogter, de schoonste aller Leeuwinnen, ten huwelijk zoude nemen, en

boodt mij tot bruidschat aan, het halve Rijk. Die voorwaarde stondt mij

niet aan, vooral voor zoo veel die dat huwelijk raakte: want het scheen

mij nog veilig nog eerlijk te zijn, mij aan eene Leeuwin te verbinden,

en de Keizerin, die bereids bezwangerd was, te verstooten. Hierom kregen

de Gezanten hun afscheid zonder eenig antwoord. Terstond lieten wij 't

grof geschut op de wallen der Stad speelen, die, schoon ze van steen

opgemetzeld waren, egter op veele plaatsen aan stukken en ter neder

wierden geschoten. En vermits de Stad met allerlei dieren vervult was,

ging 'er een wonderbaarlijk gekrijt van brullen, huilen, loeijen,

balken, blaeten en schuiffelen op. De Slangen, pakten zig weg in de

spleeten der aarde:

_Zij kroopen in de diepste holen,_

_En bleven lang door vrees verscholen._

't Gevogelte, op zijne wieken in de lugt zwevende, begaf zig, de Stad

eindelijk belegert zijnde, naar de rotsen en verheven plaatsen. De

Boomen beefden van angst, en de straaten der Stad wierden bedekt met

derzelver afvallende bladeren. Ons kwam ter ooren dat bijna twintig

Staat-jufFers van 't Hof, die roozen en leliën waren, op den eerden

kogel-vlugt van verbaasdheid schielijk verwelkten. Een groote toevloed

van allerlei slag van Gedierte benaauwde boven mate, door zorge en

kommer, zoo Burgers als Landlieden, in die naauwe huizen in een gepakt;

en zoo wel arbeid als besmetting maakte de ziekten algemeen. De

Olifanten hielden zig wel moediger;

_Dog eindelijk meê verbaast door 't bald'ren van 't geschut,_

_Verlaten zij de Stad, daar elk in zijne hutt'_

_Van angst bijna versmagt._

Waarom de Keizer van _Mezendoria_ wanhopende aan ontzet, den Raad

vergadert hebbende, aldus begon:

_O Burgers! Sprak de Vorst, wij krijgen met de Goden:_

_Een onverwinlijk volk, zijn' vijand nooit ontvloden,_

_Dingt naar ons leven: 't is een volk dat, onvermoeit,_

_Alleen vermaak schept daar het oorlogs-onweer loeit:_

_Ja dat, men neem' 't eens zoo, al wierdt het overwonnen,_

_Ons staag bevegten zal, en nimmer rusten konnen._

_Des overweegt het stuk, en geeft mij goeden raad,_

_Zoo anders 's Lands behoud u regt ter harte gaat._

Hierop riepen zij alle uit eenen mond:

_In 't oorlog is geen heil gelegen:_

_Wij zijn al t'zaam tot vreê genegen._

Hierom gaf zig de Keizer met alle zijne onderhoorige gewesten over, zoo,

dat ik mij op eenen dag een wijd uitgestrekt Keizerrijk met bijna tien

Koningrijken en Vorstendommen onderworpen maakte. Want het voorbeeld des

Keizers volgden alle onderhoorige Rijken, met de Oversten der

Landschappen na, voegende zig als om strijd ouder onze bescherming.

Na zulk eenen verbazenden uitslag, gaf ik bevel den gevangen Keizer,

eene bezettinge van zeshonderd Busschieters in de Hoofdstad gelegt

hebbende, over te brengen op onze Vloot. Hij wierdt op deze reis met

alle vriendelijkheid bejegent, en, na dat wij in _Quama_ wedergekeert

waren, begiftigt met eene geheele Provincie, waaruit hij zoo veele

inkomsten trok, als genoegzaam toereiken konden tot onderhoud eenes

gevangen Vorsts. Onze ankers geligt hebbende, voeren wij langs de kusten

van _Mezendoria_, en eischten onderweg van de meeste volkeren, die onder

het gebied des Keizers _Miklopolatu_ gedaan hadden, gijzelaars; invoegen

dat ik, voorwendende alle steden te willen aantasten, in 't kort den

_Mezendorischen_ naam te onderbragt. Die volkeren waren bijna alle

dezelve waar van ik een schets hebbe opgegeven in mijne _Martiniaansche_

reize. Eindelijk de kusten van _Mezendoria_ verlaatende, namen wij

onzen koers naar _Martinia,_ welks kusten wij ten laatsten, na eene

gelukkige, dog langduurige reize, in 't gezigt kregen. Nooit kwam eenig

Land mijn gezigt aangenamer voor; en wanneer ik mij te binnen bragt, dat

ik thans als Keizer en Verwinnaar veeler volkeren, naar een Land ging,

alwaar ik onder de slaven tot de galei was gedoemd geweest, sprong mijn

hart als van vreugde op. In 't eerst had ik besloten mij zelven bekend

te maken, om daar door de _Martinianen_ te grooter schrik aan te jagen;

dog ik liet dat voornemen varen, vermits ik raadzamer oordeelde, de oude

dwaling, aangaande mijne geboorte, die eens onder de overwonnen volkeren

verspreid was, te koesteren, en mij aan te stellen als Afgezant der

Zonne.

Ik hoopte wel, dat ik in 't kort, en met weinig moeite, de

_Martinianen_, wier lafhartigheid mij bekend was, zoude t' onderbrengen.

Want dat volk, altoos geneigt tot wellust, was niet alleen vol van

gantsch bedorven zeden, maar zwemmende als in eenen overvloed van alle

dingen, door de aanlokselen van allerlei vermaken, door eenen

langduurigen voorspoed, zoo te water als te lande; en door eene milde

toegevenheid van de Fortuin, dartel geworden. Dog de ondervinding deedt

mij zien, dat die zaak vrij wat voeten in de aarde hadt, aangezien zij

door den Koophandel, welken zij wijd en zijd in de Onderaardsche Waereld

dreven, onmetelijke schatten hadden vergadert, waar door zij de hulpe

van zeer strijdbaare Natiën altoos op hun wenken tot hunnen dienst

gereed hadden. Voeg hierbij, dat in 't stuk der Zeevaart, de

_Martinianen_ toentertijd voor geene der Onderaardsche Volkeren te

wijken hadden, en dat onze scheepen, bij die der vijanden, log en lomp

waren: want het is gemakkelijk te bevroeden van wat deugd de vaartuigen

konden zijn, die van een _Baccalaureus_ in de Philosophie ter loops

waren opgetimmert, en wat 'er de Hollanders, Engelschen en Deenen van

zouden gezegt hebben, bijaldien zij daar over 't oordeel hadden moeten

vellen. Dog dit gebrek wierdt overvloediglijk vergoed door 't geschut

dat de onze voerden, en 't geen tot nog toe den _Martinianen_ onbekend

was.

Eer ik egter iets vijandlijks ondernam, zond ik Afgezanten aan den Raad,

bijna met dezelve vredes-voorwaarden, welke ik onlangs den Keizer van

_Mezendoria_ had aangeboden. Maar toen wij antwoord waren verwagtende,

zagen wij eene wél toegeruste Vloot, en hoedanig eene wij niet verwagt

hadden, met volle zeilen op ons aankomen. Hierom onze Vloot, zoo veel de

haast toeliet, in slagorde geschikt hebbende, gaven wij het teeken van

den Zeeslag te beginnen. Daar wierdt wederzijds lang en met gelijken

moed en dapperheid gevogten. De _Martinianen_ hadden, in plaats van

geschut, werktuigen waar mede zij zeer zwaare steenen wierpen, en waar

door zij onze scheepen niet weinig schade tocbragten. Wijders hadden zij

branders met pik, lijm, zwavel en andere brandstoffe gevult, waar door

ons grootste schip wierdt aangedoken, en tot aan 't water afbrandde. Des

stondt de kans lang twijfelagtig, staande de onze lang in beraad of zij

vegten of vlugten wilden. Dog door 't vreeslijk bliksemen van ons

geschut, lieten de _Martinianen_ eindelijk den moed zakken, zoo, dat zij

uit het gevegt scheidden, en de haven inliepen. Wij kregen egter niet

een vijandlijk schip in onze magt, vermits dezelve, veel gezwinder

zijnde dan de onze, binnen korten tijd uit ons gezigt geraakten. De slag

geëindigt zijnde, ontscheepten wij onze landtroepen, en trokken met de

uiterste snelheid naar de Hoofdstad _Martinia_. Op deezen togt kwamen

onze Afgezanten weder bij ons, welke zeer trots van den Raad ontvangen,

en met dit antwoord te rug waren gezonden:

_Vertrekt op taande voet; zegt uwen Koning aan:_

_Ik voer de Watervork: de Zeevoogdijen staan_

_Bij lotinge aan mij: hem zijn ze niet bevolen._

_Hij mag, vindt hij het goed, gebiên in uwe holen,_

_En bijst're storm-spelonk: die kent hem voor haar heer._

Want de _Martinianen_, zig de heerschappij der Zee toeschrijvende,

hadden den eisch van eenen Berg-vorst met verontwaardiginge opgenomen.

Zij bragten egter met zeer veel zorg en vlijt een Leger op de been:

want behalven hunne gehuurde troepen, wierdt al wat _Martiniaan_ heette,

en bekwaam was om de wapenen te dragen, opontboden.

Naauwlijks waren wij eenige stadiën voortgetrokken, wanneer wij een

talrijk Leger, bestaande uit allerlei volkeren, regt op ons zagen

aankomen. Die welgemoedheid der vijanden, zelfs na hun verlies ter Zee,

baarde ons geene geringe bekommering. Dog die troepen waren niet anders

dan hovelingen der lugt, die zoo haast verdwijnen als zij verschijnen,

en die

_.....Bijna van vrees verzinken_

_Zoo dra men 't hol geschal der krijgstrompet hoort klinken._

Eerlang namen de _Martinianen_, na dat men hen de eerste maal met grof

geschut begroet hadt, de vlugt. Wij, hen op de lendenen hangen

blijvende, maakten eene groote slagtinge daar onder. Hoe veele 'er toen

van de vijanden sneuvelden, blijkt uit het getal der _Paruiken,_ welke

wij na den slag bij een bragten; want naar het getal, dat wij daar van

opgemaakt hebben, maakten wij staat, dat 'er omtrent vijfduizend

_Martinianen_ verslagen waren. Zij hadden derzelver fatzoenen na mijn

vertrek verandert, want ik bevond meer dan twintigerlei verscheide

fatzoenen van Paruiken, vermits zulk eene gantsch vernuftige Natie nooit

uitgeput is in nieuwe verzinzelen uit te denken.

Na dien gelukkigen slag, of liever nederlaag, sloegen wij het beleg

zonder eenigen tegenstand voor de Hoofdstad _Martinia_. Dog toen alles

om dezelve aan te tasten vervaardigt, en het geschut gesteld was, kwamen

die van den Raad zelve met alle ootmoedigheid in ons Leger, en gaven

hunne Stad te gelijk met den gantschen Staat aan ons over. Waarop

eerlang de vrede volgende, traden wij als in zegepraal binnen die

heerlijke Stad. Toen wij onze intrede deeden, was 'er nog die

opschudding, nog die bedeesdheid, die doorgaans in overwonnen steden

gezien wordt; maar een droevig stilzwijgen en eene neêrslagtige

droefheid hadt alle gemoederen zoodanig verslagen gemaakt, dat zij door

vrees niet wetende wat zij laten, of wat zij zouden met zig nemen; en

t'einde raad zijnde, de een den anderen om raad vraagde, nu eens op den

dorpel staande om te vertrekken, dan eens het gantsche huis

doorloopende, als of zij dat voor de laatste maal zien zouden. Dog door

de overgifte wierdt de Stad voor plundering verschoond, waar door de

droefheid in vreugde verkeerde. Toen ik de Gemeene Landskasse bezag,

stondt ik verbaasd over den grooten schat, en deelde 'er een gedeelte

van uit onder het krijgsvolk, bevelende 't overige in mijne Schatkist te

brengen. Na dat 'er eene bezettinge in _Martinia_ gelegt was, wierden

eenige Raadsheeren tot Gijzelaars op de Vloot gebragt. Onder dezelve was

de Vice-president met zijne Huisvrouw, die mij met de misdaad, waar over

ik verwezen was, betigt had. Ik nam egter geen wraak over dien smaad,

agtende het onbetaamelijk te zijn voor een groot Monarch, wraak te nemen

van het ongelijk, eenen lastdrager aangedaan.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK,

_Droevige Uitgang deezer Geschiedenis._

Zulke groote zaken verrigt, en onze Vloot met de Schepen der

_Martinianen_ merklijk versterkt zijnde, zeilden wij naar 't Vaderland:

alwaar aangekomen zijnde, zegepraalden wij met de uiterste pragt,

zoodanig, dat nooit de Romeinen daar bij hebben kunnen reiken. En

waarlijk, wij hadden zulke groote dingen uitgevoerd, dat, hoe groot de

vreugdebedrijven en de pragt ook wezen mogten, dezelve egter niet

overtollig konden schijnen. Want wat kon 'er doorlugtiger, wat meer naar

heldendaden gelijkende genoemd worden, dan een volk, dat nog onlangs in

zulke veragtinge was, en bloot stondt voor de aanvallen van elk een, tot

Koning en Gebieder van de geheele Onderaardsche Waereld in zoo korten

tijd, hervormd te hebben? Wat mensch kon mij, onder zoo veele schepselen

van een ander geslagt levende, meer tot glorie strekken, dan aan het

menschdom herstelt te hebben het gebied, dat de Natuur aan het zelve

over alle andere schepselen gegeven heeft. De heerlijkheid deezer

zegepraal, waarin ik door een iegelijk van allerlei staat en ouderdom,

zoo door mij te komen tegenloopen, als door mij hunne genegenheid te

bewijzen, ontvangen wierdt; kan in geen geheel boek, laat staan in dit

klein bestek, worden uitgedrukt. Zedert dien tijd bragt ik eene andere

tijdrekeninge in de Geschiedenissen, zulks 'er thans vijf Monarchyen

kunnen worden opgetelt, te weten: de _Assyrische_, de _Persische_, de

_Grieksche_, de _Romeinsche_ en de _Quamitische_ of Onderaardsche; en

deze laatste schijnt alle voorgaande in grootheid te overtreffen.

Hierom weigerde ik niet den tytel van _Koblu_> dat is de Groote, welke,

zoo door de _Quamiten,_ door de overwonnen Volkeren, mij als om strijd

wierdt opgedragen, aan te nemen. Ik beken dat _de Groote_ een verheven

en trotsche naam is, maar als die oude Helden, Cyrus, Alexander,

Pompejus, en Cæsar, die den lof, van KLIM geenszins kunnen evenaren, zig

met mij zullen willen vergelijken, kan deeze tytel niet anders dan

gering en laag voorkoomen. 't Is waar, Alexander heeft het Oosten te

ondergebragt; dog met welke krijgsbenden? Met oude Soldaaten en die als

in het vuur gehard waren, gelijk zekerlijk de Macedoniërs waren ten

tijde van zijnen vader Philippus. Dog ik heb meer en vrij wat

ontembaarer volkeren dan de Persen waren, in minder tijd, met een

onbeschaafd en barbaarsch Volk, 't geen ik zelf beschaafd hadt, mijn

gebied onderworpen gemaakt. De tytel, welken ik naderhand voerde, was

dees: KLAAS DE GROOTE, AFGEZANT DER ZONNE, KEIZER VAN QUAMA EN

MEZENDORIA, KONING VAN TANACHI, VAN ALECTORIE, VAN ARCTONIE, VAN DE

MEZENDORISCHE EN MARTINIAANSCHE KONINGRIJKEN, GROOT-HERTOG VAN KISPUCIE,

HEER VAN MARTINIA EN CANALISCA, ENZ. ENZ.

_Nu stondt mijn magtig Rijk gegrondvest, en het scheen_

_Mijn droeve ballingschap in enkel vreugd verdween_

_Maar ach! 't Geluk dat staat op losse en zwakke voeten:_

_Men kan nooit sterveling voor regt gelukkig groeten,_

_Ten zij wanneer men ziet zijn Uur-glas loopen uit,_

_En dat de bleeke dood zijn stervende oogen sluit._

Want na dat ik tot dat toppunt van geluk en grootheid, 't geen

naauwlijks een mensch met wenschen kan bereiken, gestegen was; kwam mij

al het zelve over, 't geen hun, die van een laage en veragtte geboorte

zijn, te beurt valt. Want vergetende mijnen vorigen staat, begon ik

trotsch te worden; en, in plaats van 's volks gunst en agtinge te

bejagen, stelde ik mij wreed en woest aan, en wierd een verdrukker van

groot en klein: mijne onderdanen, welke ik tot hier toe met beleefdheid

en gedienstigheid aan mij verbonden had, begon ik nu als mijne slaaven

te veragten, zulks niemant mij meer konde te spreken komen, ten zij 'er

eene soort van aanbiddinge ware voorafgegaan; en die dan nog al gehoor

kregen, wierden op eene stuursche wijze, en als met den nek aangezien.

Dit deedt eerlang alle gemoederen van mij vervreemden, en de

genegenheid, tot verkoelinge en afkeer overslaan. Hoedanig hart mijne

onderdanen mij toen ter tijd toedroegen, vernam ik kort daar na uit het

verzoek, of liever uit het bevel, dat ik den _Quamiten_ door een

Koninglijk placcaat had laten aankondigen. De Keizerin, die ik

bezwangert had gelaten, hadt, geduurende mijn afwezen, eenen Prins ter

waereld gebragt. Zeer verlangende om dezen Prins verklaart te zien tot

mijn Opvolger, deed ik de Staaten, zoo der _Quamiten_ als der overwonnen

volkeren, vergaderen; nodigende dezelve om den jongen Vorst plegtiglijk

te huldigen. Niemant durfde dit bevel wederstreeven, zulks de huldiging

met de uiterste pragt voortging. Dog ik kon gemakkelijk bespeuren, dat

hun gelaat met geveinsdheid gevernist, en al de vreugde, welke zij

voorgaven te hebben, niet anders dan gemaakt was. Mijn argwaan wierdt

versterkt door de Schimpschriften, die ter zelver tijd, zonder dat men

de maker daar van wist, wierden verspreit, waarin het ongelijk, 't geen

den Vorst _Temufo_ door deeze verkiezinge werdt aangedaan, op eene

geestige wijze werdt aangetoont. Dit baarde zodanig, eene beweging en

bekommering in mijn gemoed, dat ik niet konde rusten alvorens ik dien

braaven Vorst om hals had geholpen, 't Scheen mij egter niet geraaden

den Zoon eenes Keizers, waar aan ik zoo groote verpligtinge had, in 't

openbaar van kant te helpen; waarom ik heimelijk eenigen bestelde, welke

hem van verraad moesten beschuldigen. En nademaal Vorstelijke

schelmstukken nooit aan helpers of handhavers gebrek hebben, ontbraken

'er geen die onder eede verklaarden, dat de Prins een kwaad voornemen

hebbende, opschuddingen zogt te verwekken, en op mijn leven toelei.

Hier op wierdt hij gevangen genomen en van de Regters, waar van ik de

meeste had omgekogt, veroordeelt zijn hoofd te verliezen. Dat vonnis

wierdt egter heimelijk in den kerker, om geene opschudding te verwekken,

ten uitvoer gebragt.

Wat aangaat de jongste Prins, nademaal dezelve nog in zijne kindsche

jaaren was, stelde ik den tijd, die bepaalt was om hem om te brengen,

uit. Dus was hij die zig niet kon verlaten op het regt, eenigen tijd in

veiligheid om zijne jonge jaaren. Dog toen ik nu mijne handen met dien

moord bezoedelt had, begon ik zoo streng en toomeloos te regeeren, en

ging mijne wreedheid eindelijk zoo verre, dat ik 'er verscheide, zoo

_Quamiten_ als andere welker trouw mij verdagt was, om hals deed

brengen. Daar ging geen dag voorbij dat 'er geen bloed gestort wierdt,

't geen den opstand, welken de Grooten lang in den zin hadden gehad,

verhaastte, zoo als straks zal gezegt worden.

Ik beken dat die rampen, welke ik naderhand heb moeten ondergaan, mij

niet onverdiend zijn overgekomen. Zeker het zou eerlijker en voor een

Christen-Vorst betamelijker zijn geweest, die onbeschaafde en

barbaarsche Natie tot de kennisse des waaren Gods te hebben gebragt,

dan, den eenen oorlog uit den anderen smedende, mijne handen te

bezoedelen met het bloed van die onnoozele volkeren. En het zoude mij

gemakkelijk gevallen hebben de geheele Natie te bekeeren: want alles wat

ik voorstelde, wierdt greetig aangenomen, en mijne lessen waren als zoo

veele Godspraken. Dog God en mij zelven vergeten hebbende, dagt ik

nergens anders op, dan op eene ijdele en nietige glorie, en op de

vermeerdering mijner grootheid.

_Niets zweefde mij voor 't oog, dan wapens, moord en bloed;_

_'t geen den fellen krijg of oorlogsvlammen voedt._

Daarenboven, mij van de allerergste raadgevingen bedienende, schepte ik

meer genoegen in alle reden van aanstoot te vermeerderen, dan die uit

den weg te ruimen, even als of de misdag, die door onregtvaardigbeid

begaan was, door strengheid konde worden verbetert. Op de vermaningen

mijner vrienden was ik gewoon tot antwoord te geven:

_Mijn nieuw gegrondvest Rijk, en d'akeligheid der zaken_

_Mij, tegen wil en dank, een' strengen Keizer maken._

Bij 't eene ongeluk kwamen nog oneindig veele andere, en ik geraakte in

zodanig een verval van zaken, dat de Stervelingen uit mijn voorbeeld

kunnen leeren, hoe groot de verandering in de waereldsche zaken; en van

hoe korten duur eene wreede en geweldige regeering is.

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 19 / 21 段