Na dat ik geheele agt dagen ten zijnen huize verbleven had, viel mijn

Huiswaard, meenende dat ik nu tijds genoeg gehad had om van mijne

gekheid weder te komen, wederom op de Onderaardsche Reize. Toen hoopte

hij, dat de Vijfde Monarchy met de twintig onderhoorige Koningrijken en

Vorstendommen zoo geheel en al in rook zouden zijn verdwenen, dat 'er

niet het allerminste afbeeldzel van eenige Stad of Dorpje meer zoude

zijn overgebleven. Dog toen hij vernam, dat ik al 't zelfde van 't

begin, tot het einde, en in die zelve orde, herhaalde, en dat ik hem bij

't slot mijns verhaals, zijn hardnekkig ongeloof verweet, en hem

daarenboven nog eenige stukken te voorschijn bragt, welke hij mij moest

toestaan; te weten: dat ik over twaalf jaren in dien afgrond was

neêrgetuimelt, en dat ik in een vreemd en onbekend gewaad weder in mijn

Vaderland was gekomen; begon hij te twijfelen, niet wetende wat hij daar

op zoude antwoorden. Terwijl hij in die opgetogenheid was en reeds begon

te aarselen, drong ik aam, hem vertoonende, dat zijne stelling van

wanschepsels en bijtebauwen, die de spelonken der bergen bewoonden, vrij

wat ongerijmder was dan deeze Onderaardsche Reis, aangezien die enkele

droomen waren, en onder de spreukjes der oude besjes te rekenen; dog dat

verscheiden Wijsgeeren van naam, vastgestelt hadden, dat de waereld hol,

en 'er nog een andere Aardbol in den onzen besloten was; en dat ik de

waarheid, deezes gevoelens met 'er daad ondervonden hebbende, aan mijne

eigene oogen geloof moest geven.

Door deeze bewijzen eindelijk overwonnen zijnde, zeide hij: "uwe

standvastigheid in 't bevestigen der zaken, uit welke te verdigten gij

geen nut altoos kunt trekken, heeft eindelijk mijn ongeloof

vermeestert." Aldus dan van de waarheid overtuigt, deedt hij mij dat

alles wat breeder uitleggen. Wonderlijk behaagde hem 't geen ik van de

Planeet _Nazar_ verhaalde, en vooral van 't Vorstendom _Potu_, welks

wetten en inzettingen hij zeide 't rigtsnoer te wezen, waar naar alle

Staaten dienden geschikt te worden. Zeer wel hadt hij opgemerkt dat de

beschrijving van een wel-geregelt Prinsdom niet kon voortkomen uit de

harssenen van eenen Quidam; want dat die lessen meer godlijk dan

menschlijk schenen waarom hij, ten einde 't geen hij van mij gehoort

hadt, hem niet weder uit de gedagten ginge, alles, zoo als ik 't hem

voorzei, in geschrifte bragt.

Na dat ik bespeurt had, dat hij nu geheel en al van de waarheid

overtuigt was, vraagde ik hem, bekommert met mij zelven, wat mij in dien

toestand van zaken voorts te doen stondt, of welk noodlot hij mij in

mijn Vaderland, na zoo veele zaken in de Onderaardsche waereld te hebben

uitgevoert, toelei? Daar op zeide hij: "ik rade u dat gij aan niemant,

wie hij ook zij, uwe gevallen openbaart; want

_"Gij werd een spreukje op de straat,_

_En kwam bij elk een op de praat"._

"Kent gij de driftigheid onzer Geestelijken niet? Deeze, gewoon alle de

gene te verdoemen die stellen dat de Aardkloot om de Zon draait; en dat

in tegendeel de Zon stil staat, zullen u, die voorgeeft dat 'er eene

Onderaardsche Zon, en Onderaardsche Planeten zijn, voor eenen

Godverzaker, en die in eene Christen-stad niet behoorde geduld te

worden, uitmaken. Hoe veel waters zal onze Meester _Rupertus_ alleen

niet vuil maken, en hoe veele bliksemen, zal hij tegen u niet

uitschieten? Hij die nog verleden jaar eenen Burger openlijk tot

schuldbekentenis heeft doen verwijzen, om geene andere redenen, dan om

dat hij gezegt zegt hadt dat 'er Tegenvoeters waren; hij zal zeggen dat

die nieuwe leer waardig is met den brandpaal gestraft te worden. Ik

vermaane en raade u derhalven, dat gij deeze zaken voor eeuwig in uw

hart begraaft, en dat gij u hier bij mij, eenigen tijd geduurende, stil

houdt". Van stonden aan deedt hij mij mijne Onderaardsche kleederen

uitschudden, en met anderen, verwisselen: weerende wijders alle de gene,

die kwamen toeloopen om den Jeruzalemschen Schoenmaker te zien,

zorgvuldiglijk van zijn huis af, met te zeggen, dat die Schoenmaker zig

schielijk hadt te zoek gemaakt. Des niet tegenstaande verspreidde zig

dat gerugt eerlang door het geheele gewest, en alle de Predikstoelen en

Kansels daverden van voorzeggingen en voorspellingen van ongelukken, die

op deeze verschijningen stonden te volgen. Want men zeide, dat de

Jeruzalemsche Schoenmaker, de verkondiger van 's Hemels gramschap, te

_Sandwijk_ was aangekomen, om 't volk tot boetvaardigheid te vermanen.

En, vermits het gerugt gewoon is al voortkruipende aan te groeijen,

wierdt bij dat vertellingtje niet weinig bijgehangen. Dus verhaalden

eenige dat de Schoenmaker voorzegt hadt dat de waereld op St. Jansdag

zoude vergaan, en dat op dien tijd, ten zij de menschen zig bekeerden,

alles in den brand zoude staan, en wat diergelijke meer is. In eene

zekere Parochie maakten die voorzeggingen zodanig eene opschuddinge, dat

de Boeren het land niet meer wilden bebouwen, aangezien zij, om 't

vergaan der waereld, geenen oogst meer te wagten hadden. Waarom de

Pastoor van die Parochie, Meester _Klaas_, vreezende dat hij van zijne

tienden en andere inkomsten zoude ontzet zijn, aan de Dorpelingen zeide,

dat de dag des laatsten oordeels tot het volgende jaar was uitgestelt

waar door zij geene zwarigheid maakten om hun gewoon werk wederom bij de

hand te nemen. En vermits de oorzaak deezer beuzelingen alleenlijk aan

mij en mijnen Huiswaard bekend was, hadden wij daar door geduuriglijk

stoffe van lachen.

Eindelijk, vermits ik niet voor altoos in eens anders huis wilde

verblijven, en ik ten laatsten op de straat moest komen; verzon mijn

Huiswaard dat ik een Student van _Throntheim_, zijn nabestaande, en

onlangs in die Provincie gekomen was; en beval mij eerlang, zoo met

woorden als met brieven, zoo hartelijk aan den Bisschop van _Bergen,_

dat die zeer eerwaardige man mij eindelijk toezei het eerste

openvallende Rectorschap in de Schoolen aldaar. Dat amptje stondt mij

zeer wel aan, vermits het eenige overeenkomst scheen te hebben met den

staat waar uit ik was uitgebonst; want een Rectorschap is als eene

afbeelding en tafereel van eene Koninglijke Heerschappij. De plakken der

Schoolmeesters worden dikwils met de scepters vermengt, en hunne stoelen

niet zelden Throonen of Rijks-zetels genoemt. Net van passe stierf

eerlang de Koster van de Kruiskerk, wiens opvolger ik door den Bisschop

verklaart wierd. Het scheen wel eene belachlijke bevordering voor eenen

die nog zoo onlangs Monarch van zoo veele Rijken was geweest; dog

vermits niets de menschen meer belachelijk maakt dan armoede, en het

loutere dwaasheid is van dorst te versmagten, als men, al ware 't maar

enkel water, wordt aangeboden, wees ik dat bedieningtje, mij zoo

gulhartig opgedragen, geenszins van de hand, en ik worde 'er ook voor

als nog, stil en gerust, oud en grijs in. Niet lang na die

gedaanteverwisseling wierdt mij een eerlijk huwelijk opgedaan met de

Dogter van eenen zekeren Bergschen Koopman, welke _Magdalena_ wierdt

geheeten. 't Meisje stondt mij niet kwalijk aan; dog vermits het

waarschijnlijk was dat de Keizerin van _Quama_ nog in levenden lijve

was, dugtte ik, dat ik, _Magdalena_ trouwende, mij met de misdaad van

Veelwijverij mogte bezoedelen. Dog mijn Heer _Abelinus_ wiens schoot ik

al wat op mijn hart lag, pleeg uit te boezemen, nam mij die

bekommerdheid weg; wederleggende de ongegrondheid mijner twijfeling met

zoo veele bewijsredenen, dat ik niet langer zwarigheid vond, om van dat

Meisje mijne Bedgenote te maken,

Met deeze _Magdalena,_

_Begaf ik, wel te vreên, mij in den egten staat._

_Zij was mijn ander ik, mijn troost, mijn toeverlaat._

_Wij waren zes jaar lang de allerbest gepaarde,_

_En hadden, vergenoegt, een' hemel hier op aarde._

Ik wagtte mij egter wel van haar mijne Onderaardsche ongevallen te

kennen te geven; dog vermits ik dat toppunt van eere, waar uit ik was

uitgebonst, niet geheel en al uit mijn geheugen kon uitwisschen, zijn

'er zoo nu en dan nog wel eenige teekentjes en daaden voor den dag

gekomen, die op mijnen tegenwoordigen staat niet al te zeer passen. Uit

deezen egt zijn gesproten drie Zoonen, _Christiern, Jan en Caspar_, zoo

dat ik in 't geheel vier Zoontjes hebbe, zoo anderszins de Prins van

_Quama nog_ in leven is.

_Tot dus verre loopt het Handschrift van,_

KLAAS KLIM.

_Nu volgt het Bijvoegsel van_ ABELINUS.

_Klaas Klim_ heeft geleeft tot het jaar 1695 toe; en geduurende dien

tijd alle en een iegelijk door opregtheid en zuivere zeden aan zig

verpligt. De Pastoor van de Kruis-kerk is nu en dan wel eens op hem

verstoort geweest om zijne al te groote deftigheid, welke hij meende

voort te spruiten uit hoogmoed en veragtinge. Dog ik, die den man en wat

hem bejegent was in den grond kende, verwonderde mij eerder over zijne

zedigheid, nederigheid en lijdzaamheid, waar mede hij, zijnde geweest

een Monarch van zoo veele Rijken, zulk een slegt bedieningtje waarnam.

Egter wierdt hij bij andere, welken 's mans verbaazende

staatsverwisseling onbekent was, geheel en al van verwaandheid verdagt

gehouden. Hij was gewoon, op gezette tijden des jaars, zoo lang zijne

kragten het toelieten, op den berg te klimmen, en aldaar die spelonke,

waar uit hij weder te voorschijn was gekomen, met lust te aanschouwen.

Zijne vrienden hebben opgemerkt, dat hij, met een betraant aangezigt, en

met gezwollen oogen, gewoon was van daar te komen, en zig eenen geheel

en dag in zijne studeerkamer alleen op te sluiten; brengende aldaar dien

dag over zonder eenig mensch te zien. Ook betuigde zijne Gemaalin dat

hij, 's nagts droomende van Legers en Vlooten sprak: ja zijne

verrukkingen van gedagten gingen zoo verre, dat hij zelfs eenmaal den

Landvoogd over de Provincie van _Bergen_ beval tot hem te komen. Zijne

Huisvrouw dan denkende dat deeze gemoedsontsteltenissen hem overkwamen

uit eene al te groote oeffeninge in de Studiën, was zeer bekommert over

zijne gezondheid, welke zij oordeelde zeer zwak te wezen. Zijne Boekerij

bestondt meerendeels uit Staatkundige Schrijvers; en vermits men

geloofde dat een opschik van zulke Boeken weinig met eens Kosters staat

overeenkwam, liep hij ook ter dezer zake in 't oog. Van deeze Reize, die

met des Auteurs eigen hand geschreven is, is niet meer dan één eenig

afschrift te vinden, het welk ik in mijne bewaring hebbe.--ln mijn

voornemen, om dit werk door verscheide drukken gemeen te maken, ben ik

door veele en gewigtige beleefds verhinderd geworden.

EINDE.

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 21 / 21 段