De Europeaanen hebben dezelve zugt tot de letter-oeffeningen als onze

Onderaardlingen; dog zij worden vrij wat eerder geleerd, en zulks om een

zonderling en bijna tooveragtig verzinsel, waar door 't geschiedt, dat

zij honderden Boeken op éénen dag kunnen doorlezen.

De Bovenaardlingen zijn zeer Godsdienstig, en volharden in geloften en

gebeden. Dog den tijd hunner gebeden regelen zij niet naar hun

zielsverlangen; maar naar 't geluid der klokken, en naar de uur- en

zonnewijzers, zoo, dat hunne Godvrugtigheid geheel en al werktuiglijk

is, als die veel meer door uiterlijke teekenen, op zekere uuren, door

gewoonte, en op gezette tijden, dan op de innerlijke bewegingen des

harten, gebooren wordt.

Hoe zij volhardende zijn in den gebede, blijkt hier uit, dat veele van

hen, terwijl zij hout hakken, de vaten wasschen, en andere handwerken

doen, geestelijke liederen zingen.

Toen ik in Italië was gekomen, zag ik mij zelven aan voor Heer van dat

gantsche Gewest, want al wie mij tegenkwam, noemde zig mijn slaaf

(_Schiavo_); maar toen ik van die slaafsche gehoorzaamheid, welke zij

voorgaven, eene proeve wilde nemen, beval ik des waards Huisvrouwe op

zekeren nagt bij mij te brengen; dog hij, daar over in toorn ontsteeken,

beval mij mijne spillen te pakken, en toen ik daar mede sammelde,

stootte hij mij buiten de deur.

In de Noordsche Gewesten zijn de inwoonders zeer begeerig naar tytels

van zaken die zij niet in haare magt hebben. Voorts....

Tot hier toe had ik naarstig toegeluistert, maar thans moeilijk

wordende, viel ik den Leezer in, zeggende, dat het fabelen waren, en

herssenschimmen van eenen Schrijver die met de zwarte gal gekwelt was

geweest. Dog toen de eerste furie wat over was, begon ik een veel

zagtzinniger oordeel over die reisbeschrijvinge te vellen, nademaal ik

zag dat de Schrijver, schoon hij in veele zaken wat leugenagtig en

partijdig viel, egter niet geheel en al mis was, maar in veele zaken den

spijker op 't hoofd hadt geslagen. Voor 't overige volgde ik den raad

van _Tomopoloko_, en hield de _Quamiten_ zorgvuldig in den waan van

mijne doorlugtige geboorte; vermits ik oordeelde dat het meer in mijn

kraam diende, door te gaan voor een buitengewoon Afgezant, der Zonne,

dan voor een inboorling van Europa.

Na dat onze Nabuuren zig langen tijd hadden stil gehouden, en ik in 't

genot van eenen gewenschten vreede de zaken van Staat naar mijnen zin

geschikt had; kregen wij eindelijk de tijdinge dat drie magtige Volkeren

hunne wapenen vereenigt hadden tegen de _Quamiten._ Die Volkeren waren

de _Arctoniers_, de _Kispucianen_, en de _Alectorianen_. De

_Arctonische_ Natie zijn beeren, begaaft met reden en spraak, en worden

voor eene wreede en strijdbaare Natie gehouden. De _Kispucianen_ zijn

Katten van eene ongewoone grootte, die, om hunne doortraptheid en

schrander oordeel, onder de Onderaardlingen zeer geagt zijn. Hierom

hielden zij, niet zoo zeer door hunne ligchaams-kragten, als wel door

hunne afgeregtheid in 't stuk des oorlogs, magtige vijanden in den

teugel: En de _Alectorianen_, vermits zij niet alleen te land, maar

zelfs in de lugt, den oorlog voerden, gaven hunnen vijanden genoeg te

doen. Deze waren Haanen, gewapent met bogen en werpschigten, in vergift

gedoopt, welke zij met eene wonderlijke handigheid uitschietende, daar

door doodelijke wonden toebragten.

Deeze drie Volkeren, gaande gemaakt door den ongewoonen uitslag en

gevaarlijken nasleep van den _Tanachitischen_ oorlog, hadden een verbond

aangegaan, trachtende om de aanwassende magt der _Quamiten_, eer die

nog meer toenam, met vereenigde kragten te beteugelen. Dog eer zij egter

den oorlog verklaarden, zonden zij Gezanten naar _Quama_, om te eisschen

dat de _Tanachiten_ in vrijheid zouden worden gestelt, of, zoo de Keizer

zulks kwam te weigeren, hem op eene plegtige wijze den oorlog aan te

kondigen. De Gezanten verrigtten hunnen last, en kregen op mijn aanraden

dit antwoord: Dat de _Tanachiten_, verbrekers des verbonds en des

vreedes, het hunne eigene dwaasheid en hovaardij te wijten hadden, dat

zij in die rampen waren geraakt; dat de Keizer besloten hadt, den

eigendom van 't geen hij door 't regt van oorlog verkregen hadt, met al

zijne magt, tegen wie hem ook daar in mogt tegenstaan, standvastiglijk

te verdedigen; en eindelijk dat hij de dreigementen der verbondene

Volkeren weinig vreesde. Met dit antwoord kregen de Gezanten hun

afscheid, en wij maakten ons gereed tot den aanstaanden oorlog. Eerlang

had ik een leger van veertigduizend mannen, waar onder agttienduizend

Ruiters en tweeduizend Busschieters waren, op de been. De Keizer zelf,

schoon hij een afgeleeft Vorst was, wilde dezen togt bijwonen, en

wierdt zodanig tot eer en glorie aangeprikkelt, dat hij nog door mij,

nog door zijne gemaalinne en kinderen, daar wij egter de handen

inéénsloegen om hem van dat halstarrig opzet af te brengen, van zijn

voornemen konde worden omgezet. 't Geen mij in dien stand van zaken de

meeste bekommering baarde, was, dat mij de trouw der _Tamachiten_

onzeker en verdagt voorkwam, en dat ik vreesde, dat zij, deeze nieuwe

slavernij ongewoon, bij de eerste gelegenheid dat jok afschudden, en zig

aan de zijde der vijanden mogten voegen. En ik was in mijne meeninge

niet bedrogen; want niet zoo dra was die plegtige oorlogs-verklaring

gedaan, of wij kregen, tijding dat twaalfduizend _Tanachiten_ de wapenen

opgevat hebbende, in 't vijandlijke leger waren aangekomen. Hier uit

bespeurde ik, dat wij vier magtige vijanden te gelijk op den hals

stonden te krijgen.

Ons leger van al het nodige voorzien zijnde, kreeg in het begin van de

maand _Kilian_ bevel, om den vijand te gemoet te trekken, en de

vijandlijkheden te beginnen. Onderweg zijnde, wierdt ons door de Spions

berigt, dat het leger der Bondgenooten bereids in het land der

_Tanachiten_ was gerukt, en voor de sterkte _Sibol_, gelegen op de

grensen der _Kispucianen,_ het beleg hadt geslagen. Die sterkte wierdt

met zodanig een geweld aangegrepen, dat de Bevelhebber al bereids begon

te denken om dezelve over te geven. Dog toen de vijanden van onze

aannadering verwittigt wierden, braken zij het beleg op, en wendden 't

naar ons toe. De slag viel voor in een vlak veld, niet wijd van de

belegerde sterkte, waarom men dien ook den naam gaf van den _Sibolschen_

slag. De _Arctoniers_, die op den slinker vleugel stonden, op onze

Ruiterij aanvallende, bragten daar eene groote slagting onder; en

vermits de wederhoorige _Tanachiten_ dien aanval ondersteunden, hadden

wij bijna de nederlaag gekregen. Dog wijl de Busschieters de onzen, die

't te kwaad kregen, in den rug stonden, en mee tweemaalen los te branden

de vijandlijk gelederen over hoop wierpen, veranderde het gevegt

terstond van gedaante, zoo dat de gene die even te voren als

Overwinnaars, onze Ruiterij op de lendenen zaten, 't nu zelve te kwaad

krijgende, weeken, en eindelijk genoodzaakt wierden het hazenpad te

kiezen.

Midlerwijl hadt ons Voetvolk veel te lijden van de _Kispucianen_; want

die streden met zoo veel geluk en afgeregtheid met haare werpspiessen,

dat binnen korten tijd zeshonderd _Quamiten_ of doodelijk gewond

wierden, of aan hunne ontvangen wonden sneuvelden. Dog de Ruiterij te

gelijk met eenige Busschieters toeschietende, dwong hen de hielen te

ligten; maar egter zoo, dat zij met gesloten gelederen eer scheenen te

wijken dan den vlugt te nemen, 't geen zij te danken hadden aan de

ervarenheid en voorzigtigheid van hunnen Veld-oversten _Mansonius_, een

man, die te dier tijd voor niemant der Onderaardsche Veldheeren, in 't

stuk van krijgskunde, te wijken hadt. Nu tonden de _Alectorianen_ nog

pal, en het viel bezwaariijk hen de zege te betwisten; want zoo

meenigmalen als de onze met hunne Bussen op hen aanleiden, vlogen zij

met hunne wieken in de lugt, en schoten van daar met zulk eene

afgeregtheid hunne pijlen op de onze, dat 'er weinige, zonder te

treffen, op den grond vielen. Deeze deeden altijd gewisse schooten,

nademaal dezelve ligter en gemakkelijker van boven naar beneden, dan van

beneden naar boven werden gedaan; daar de onze om 't opvliegen, en de

gestadige beweginge der vijanden, dikwils te vergeefs vuur gaven. Midden

in de hitte van 't gevegt, en terwijl zig de Keizer als een dapper

Krijgsman kweet; in de spitze zijner benden stondt, en zig overal

bevondt daar 't heet was, wierdt hij met eenen vergiftigden pijl aan den

hals gekwetst, waarop hij van 't paard vallende, uit het gevegt

gedragen, en in zijne tente wierdt gebragt, alwaar hij eerlang kwam te

overlijden. In dien onzekeren toestand dagt mij geraden, allen die

deezen beklaaglijken val gezien hadden, stilzwijgen op te leggen, op dat

de moed der genen, die den vijand het hoofd boden, door den dood hunnes

Keizers niet kwame te bezwijken. Ik beval hen dan goeds moeds te zijn,

zeggende dat de Keizer wel door de schielijke wonde ais verdooft was

geworden; dog dat de wonde niet diep was; dat men van dezelve het

geronnen bloed afgewasscben en die bezigtigt hadt; dat alles wel stondt,

en zij naar alle gedagten hem eerstdaags weder zien zouden. Dus terwijl

de meeste niet wisten wat den Keizer was overgekomen, wierdt het gevegt

vervolgt tot dat het duister werdt; dog toen de _Alectorianen_, afgemat

zijnde door wonden en vermoeidheid, weder binnen hunne legerplaats waren

getrokken, tref ik met den vijand eenen stilstand van wapenen; voor zoo

veele dagen als wij noodig hadden om de dooden te begraven. Midlerwijl,

nadien ik bemerkt had, dat ik iets nieuws moest uitdenken om de

_Alectorianen_ te onder te brengen, deed ik de kogels der bussen tot

hagel vergieten. Deeze uitvinding was van zulken gewenschten uitslag,

dat de _Alectorianen_ in het volgende gevegt even als vliegen uit de

lugt nederwaards stortten, en wel de helft van hun leger in de pan

gehakt wierdt. Hier door leiden de overige de wapenen neder, en smeekten

ootmoedig om vrede. De _Arectoniers_ en _Kispucianen_, dat voorbeeld

volgende, gaven zig, met hunne wapenen, steden en sterkten, aan ons

over. De zaken aldus gelukkig verrigt zijnde,

_Na dat de Groote Raad nu was bijeen gekomen,_

_En men, op mijn bevel, den Adel hadt vernomen_

_Te zijn vergadert, riep ik hen in het Paleis:_

_Zij komen op het Hof, voldoende aan mijnen eisch,_

_Met gantsche scharen; en naauw hieldt men op van spreeken,_

_Of ik begon aldus:_

"Ik twijfele geenszins, zeer doorlugtige, edele en dappere Mannen, of

eenigen van u lieden zal ter oore zijn gekomen met hoe veel zorg en

vlijt ik onzen altoos onverwinnelijken Keizer deezen togt hebbe

afgeraden; Dog zijne aangeboren dapperheid en onverschrokken moed,

wilden niet toelaten dat hij t'huis bleef, terwijl wij den vijand onder

de oogen gingen zien. Ik kan betuigen, dat dit het eenigste verzoek is

geweest 't geen mij van zijne Keizerlijke Majesteit is geweigert

geworden. Ach! hadt die onverwinnelijke Vorst, in mij veele andere

zaken toe te staan, wat moeilijker en alleenlijk hierin wat

gemakkelijker gevallen; zoo zouden wij in dit ongeval, veroorzaakt door

zijnen onverwagten dood, niet zijn geraakt; maar onze wederkomst in de

Keizerlijke Stad zoude waarlijk zegepralend, en onze blijdschap over zoo

veele treffelijk uitgevoerde zaken, volkomen, en door geene smert

gestoort zijn geweest. Ik kan nog, mag dat smertelijk geval niet langer

verbergen, waar door ons een zoo zwaare slag is toegebragt. Weet dan,

dat de Keizer dapperlijk vegtende, door eenen pijl in den strijd gewond,

en kort daar aan overleden is. Hoe veel droefheid en hoe veele angstige

zorgen zal dat verlies niet naar zig sleepen! Uit mijne eigen droefheid

kan ik genoegzaam afnemen, hoedanig gij lieden te moede zijt. Dog laat

egter den moed niet zakken; wijl het geen sterven kan genoemt worden

waar door de sterflijkheid van zoo groot eenen held meer dan zijn leven

geëindigt is. Gij kunt niet zeggen dat uw Keizer geheel en al voor u

lieden gestorven is, die u twee volwassen Prinsen heeft nagelaten,

hunnen overleden Vader in allen deele gelijkvormig, en niet minder

erfgenamen van 's Vaders deugden dan van zijne Rijken. Gij zult dan niet

zoo zeer van Keizer, als van des Keizers naam veranderen. En nademaal de

oudste Prins _Timufo_, door 't regt van geboorte, zijns Vaders throon

moet beklimmen, behoude ik het gebied des Legers onder zijn gezag. Hij

is 't aan wien wij den eed zullen doen, en wien wij alle trouwe en

gehoorzaamheid zullen bewijzen."

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

_Onderaardsch Monarch._

Na dat ik mijne redenvoering geëindigt had, riepen zij alle overluid:

_Wij willen Pikilfu tot Keizer, hebben_! Ik, dit met verbaasdheid

hoorende, barstte uit in traanen, biddende hen alle ernstlijk, dat zij

gedagtig wilder zijn de trouwe, die zij 't Keizerlijke Huis schuldig

waren, en niet vergeten de weldaden waar mede de overleden Vorst hen

alle in 't gemeen, en ieder van hen in 't bijzonder, aan zig verbonden

hadt, waar van het vergeten, hun in hunnen goeden naam eene vlek stondt

aan te wrijven, die nooit uitgewischt zoude worden. Hier voegde ik bij,

dat zoo hen door mij eenige dienst konde geschieden, zij dat van mij,

als van een particulier persoon, te wagten hadden. Dog dat zeggen hielp

weinig:

_Mijn weigeren is vergeefs, en dient slegts om te stijven_

_'t Besluit der Oversten: zij meenden mijn' bedrijven_

_Verdienden ruim de Kroon. 't Gemeene krijgsvolk hoort_

_Zoo dra niet hunnen wil, of 't geeft al meê zijn woort._

Doordien nu de gemeene Soldaten het zelfde riepen groeide 't geschreeuw

der Hoofden aan, zoo, dat de geheele Legerplaats door deeze dikwils

herhaalde woorden weergalmde. Ik begaf mij dan hier van daan, mijn hoofd

bedekt hebbende, naar des Veldheers tent, beveelende mijne bedienden,

dat zij 'er niemant zouden laten binnen treeden, aangezien ik hoopte dat

het krijgsvolk tot bedaaren zoude komen, wanneer de eerde hitte een

weinig zoude verkoeld zijn. Dog de Legerhoofden, te gelijk met de

gemeene Soldaten, met geweld in mijne tente dringende, hingen mij, hoe

zeer ik ook daartegen worstelde, de Keizerlijke Sieraadiën om, en riepen

mij, onder 't geschal van trompetten, en 't geluid van trommels, uit,

voor Keizer van _Quama_, Koning van _Tanachi, Arctonië, Alectorië_, en

Grootvorst der _Kispucianen_. Waarop ik, ziende dat het tog niet anders

wezen mogt, mij niet langer tegen 't geluk stelde, maar den droom

volgde. En ik moet bekennen, dat het niet geheel en al tegen mijnen zin

was, dat ik tot dat toppunt van eer verheven wierd; want een Keizerrijk,

met drie Koningrijken, en een Grootvorstendom, zijn zaken die elkeen

zouden doen watertanden. Ik zond dan wel van stonden aan Afgezanten naar

den Prins, om hem van al het voorgevallene kennis te geven, en hem aan

te zetten, dat hij 't geen hem bij geboorte toekwam, manmoedig wilde

verdedigen, en deeze nieuwe gedane verkiezing, als tegen de wetten

zijnde, nietig verklaaren; dog: ik had egter bij mij zelven een vast

besluit gemaakt, om het Gebied, dat mij van zelf in de hand gevallen

was, niet ligtelijk over te geven, invoegen die bezending veel eer

geschied was ten einde den Prins de pols te voelen. Deeze, gelijk hij

een jongeling van eenen zeer voortreffelijken aart was, en die een zeer

schrander oordeel bezat, wist genoeg hoe veele schuilhoeken en

agterdeuren de gemoederen der menschen hebben; en deeze gemaakte

zedigheid wel bevroedende, maakte hij zeer voorzigtiglijk van den nood

eene deugd, en, volgende het voorbeeld van het Leger, deedt mij ook in

de Keizerlijke hoofdstad voor Keizer uitroepen. Eerlang wierd ik,

omstuwt van de Hoofdes des Legers, onder toejuichingen des Volks, in

zegepraal geleid, en de kroon naar plegtige gewoonte op mijn hoofd

gezet. Dus, van eenen ellendigen schipbreukeling in eenen Monarch

hervormt, nam ik, om de _Quamiten_, welke ik zag dat het oude

Vorstelijke Huis alle liefde en agtinge toedroegen, aan mij te

verbinden, en mijn gezag, zoo wel door raadgevingen van Staat, als

bijzondere overwegingen, vast te stellen, ten huwelijk, de Dogter des

overleden Keizers. Zij wierdt _Ralac_ geheeten, en was

_Een' frissche jonge Maagd, in 't prilste van haar jaaren,_

_En daar me een' zieke Bruid wel meê hadt kunnen spaaren._

Zoo veele en zulke gewigtige zaken verrigt hebbende, bedagt ik nieuwe

uitvindingen, waar door ik dit Rijk tot den oppersten, en voor de

geheele Onderaardsche Waereld gedugten, top van grootheid konde brengen.

Ik stelde terstond al mijn verstand in 't werk, hoe ik de onlangs

overwonnen Volkeren bij hunne trouwe en pligt zoude houden; ten welken

einde ik doorgaans in alle vaste plaatsen, sterke bezettingen lei;

stellende mij goedertieren aan tegen de overwonnenen, en eenigen van hen

tot groote eerampten, zelfs in de hoofdstad, bevorderende. Maar vooral

begunstigde ik de gevangen Veldheeren _Tomopoloko_ en _Monsonius_

zoodanig, dat deze gunst onder eenige der _Quamiten_ afgunst baarde,

schoon zij hunne verontwaardiging voor eenen tijd bedekt hielden; want

de vonken bleeven lang onder de assche verborgen, tot dat zij eindelijk,

zoo als straks gezegt zal worden, in eene volle vlam uitbarstten. Wat

aangaat de binnenlandsche zaken; ik trachtte de letter-oeffeningen, en

de zaken, rakende 't krijgswezen, tot de hoogste volmaaktheid te

brengen. En nadien dit gewest zeer veele groote besschen heeft, houts

genoeg verschaffende om eene vloot aan te leggen, en oorlogschepen naar

de wijze van Europa te bouwen; stelde ik daar zoodanig mijn verstand aan

te werk, dat, schoon ik door de veelheid der bezigheden zeer verstrooid

was, ik egter mij nergens anders mede scheen op te houden. In dien

toestel bediende ik mij voornamenlijk van de _Kispucianen_, nademaal

dezelve in Zeezaken zeer bedreven waren, en ik stelde den Veldheer

_Mansonius_ aan tot Opper-admiraal.

Terstond viel men aan 't boomen vellen aan 't smeden van allerlei

timmermans gereedschap, en ik bevorderde het werk met zoodanige vlijt,

dat 'er binnen den zestigsten dag, na dat men het werkhout in gereedheid

hadt gebragt, eene Vloot van twintig Schepen zeilreê lag. Dit alles naar

wensen verrigt zijnde, zag ik mij zelven niet anders aan, dan voor eenen

tweeden, Onderaardschen, Alexander, die alhier dezelve bewegingen

maakte, welke deze eertijds op onze waereld gemaakt hadt. De dwaaze

heerschlust kruipt tot in 't oneindige voort, en vindt geen plaats daar

ze gestuit wordt. Eenige jaren te vooren, was een Diakens-, Schrijvers-,

of Clerks-plaats, een klein bedieningtje zeeker, het hoogste van in mijn

verlangen, en ik stond naar niets grooters; maar nu scheenen vier of

vijf Koningrijken mij te naauw te zijn: zoo, dat ik, ten aanzien der

heb-lust, die met rijkdom en vermogen, steets vermeerdert wierdt, nooit

armer of behoeftiger geweest ben.

Wanneer ik door de _Kispuciaansche_ Zeelieden van de gelegenheid en

aart, zoo der Zeeën als der omleggende Landen, onderrigt was, en van

hen vernomen had, dat men met eene voorspoedige reis, in den tijd van

agt dagen konde komen op de kusten van het Rijk _Mezendoria_, van waar

men door bekende, en onlangs door mij doorgeroeide, Zeeën, gemakkelijk

konde oversteken naar _Martinia_, beval ik de reize te verhaasten. En

_Martinia_ was het voornaamste oogwit waarop ik doelde: zoo wel de

onmetelijke schatten en rijkdommen van die Natie, als het aankweeken en

voortzetten der Zeevaard, waarin de _Martinianen_ zeer bedreven zijn,

waren zoo veele prikkelen in mijn gemoed, vermits ik zoo groote zaken

voornemende, lieden nodig had die zig des verstonden. Daar was nog een

andere prikkel, namenlijk de wraaklust, welke mij aanporde om die Natie

te onder te brengen. Van de twee Keizerlijke Prinsen nam ik den oudsten

mede op deeze reize, voorgevende, dat Zijne Hoogheid, geduurende

dezelve, een ruim veld zoude vinden om zijne dapperheid en bekwaamheden

te oefenen. Dog mijn waar oogmerk was, om aan hem eenen Gijzelaar en

Waarborg van de trouw der _Quamiten_ te hebben. De jongste Prins bleef

wel t'huis; dog de regeering des Rijks was, bij mijn afwezen,

overgelaten aan de Keizerin, die al bereids bezwangert was. De geheele

Oorlogsvloot bestondt uit twintig, zoo groote als kleine, schepen, alle

gebouwt naar de _Martiniaansche_ wijze, en naar den raad, en onder 't

opzigt van den _Kispuciaanschen_ Veldheer _Mansonius_, welken ik het

gantsche bewind over de Zeezaken had toevertrouwt, en die ook alle de

teekeningen met eigen hand gemaakt hadt; want de _Martinianen_ waren

onder de Onderaardlingen, 't geen eertijds die van _Tyrus_ en _Sidon_

waren, of 't geen de Engelschen en Hollanders bij onze tijden zijn; zig

't gebied der Zee toeschrijvende. Dog toen wij in _Martinia_ kwamen,

bespeurde ik welhaast, hoe zeer wij in 't oorsprongelijke hadden

misgetast.

Wij gingen onder zeil in dat jaargetij, wanneer de Planeet _Nazar_ half

vol was, of 't eerste quartier uitmaakte. Na dat wij drie dagen op Zee

gekruist hadden, ontdekten wij een groot eiland, welks inwoonders,

vermits zij oneenig en in partijschappen verdeeld waren, ligt het jok

was op te leggen: en wijl zij geene wapenen hadden, nog het gebruik

daarvan kenden, alleen streeden met schelden, en lasteren. Daar in

bestondt bij hen alle draf en alle oorlogsgeweld. De overtreders der

wetten worden 'er in hegtenisse gezet, waar uit zij, na dat de misdaad

onderzogt is, naar de Geregtsplaats worden gebragt, en aldaar voor

scheldwoorden en beschimpingen ten toon gestelt. Om die bedieningen waar

te nemen, zijn eenige personen aangestelt, die _Sabuti_ of Beschimpers

en Lasteraars, geheeten worden, en dezelve zijn even als onze

Scherpregters en Dief-leiders. Wat aangaat hunne ligchaams-gedaante; zij

verschillen alleenlijk hier in van de menschen, dat de Vrouwen baarden

hebben, en 't manvolk zonder baard is. Daarenboven gaan zij agterwaards

uit, en niet als alle andere menschen, voor uit. Na dat wij hier eene

landing hadden gedaan, kwamen ons omtrent driehonderd _Canalisken_ (dus

worden de inwoonders genoemt,) te gemoet. Deeze ons vijandelijk

besprongen hebbende, gebruikten hun gewoon geweer, bestaande in 't

uitbraken van scheldwoorden en smadelijke bejegeningen. Met zodanige

scherpe uitdrukkingen, (zoo als wij van zekeren _Alectoniër_, die de

_Canaliskische_ taal magtig was, verstonden,) waren de scheldredenen,

welke zij ons naar 't hoofd wierpen, opgestelt, dat zij genoeg te kennen

gaven, dat zij in dit soort van vegten, dappere helden waren, en voor de

Taalgeleerden in onze waereld niet te wijken hadden. Dog ik al te wel

wetende dat

_Gramschap zonder bloedvergieten,_

_Niet dan Wijven kan verdrieten,_

beval op die ongewapende Natie geenen aanval te doen, maar alleenlijk,

om 'er schrik onder te maken, een stuk geschut los te branden; 't geen

niet zoo haast geschied was, of zij vielen op hunne knieën, en baden om

vergiffenisse. Terstond kwamen 'er eenige van de voornaamsten des

eilands in alle ootmoedigheid zig zelven met hunne onderdanen aan ons

overgeven, zeggende, dat het hen tot geene schande konde strekken,

overwonnen te worden van den, genen, welken, het niet behoorlijk was te

overwinnen, nog dat het betamelijk was, dat hij, welken de fortuin boven

alle andere verheven hadt, aan iemant wierde onderdanig gemaakt. Aldus

dit eiland door welks verovering mijne magt wel toegenomen, dog egter

mijne glorie, om de lafhartigheid der inwoonders, niet vermeerdert was,

onder tribuit gezet hebbende, ligtten wij de ankers, en kwamen, na eene

gelukkige reize van ettelijke dagen, op de kusten van _Mezendoria_. Toen

deed ik krijgsraad van de Scheepshoofden beleggen, om te onderstaan wat

best gedaan ware; en of het raadzamer zoude zijn, terstond de

vijandelijkheden te beginnen, dan door eene bezendinge den Keizer de

pols te voelen, of hij genegen was, om, mits zig overgevende, vreede te

houden, dan of hij den oorlog verkoos. De meeste waren van gevoelen dat

het betamelijker en veiliger was, dat eenige Gezanten werden derwaards

gezonden; waarom ik die bezending aan vijf persoonen oplei, te weten:

aan eenen _Quamiter_, eenen _Arctoniër_, eenen _Alectoniër_, eenen

_Tanachiter_, en eenen _Kispuciaan_. Deezen, binnen de Hoofdstad

gekomen, wierdt uit den naam des Keizers door den Stadvoogd afgevraagt:

_Wat zoekt gij? Wat mag 't zijn, dat uwe vlugge kielen_

_Door 't schuimend pekelnat in onze havens vielen?_

Hier op gaven zij ten antwoord:

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 18 / 21 段