Keizerrijk; dog dit is alleen een bloote Tytel, vermits de Roomsche
Monarchy al zedert eenige eeuwen vernietigt is. De taal der Duitschers
kan men niet ligtelijk verstaan; door de verkeerde orde van stijl; want
het geen in andere talen pleeg vooraf te gaan, komt hier agter aan: zoo,
dat men niets verstaan kan, bevorens men gekomen zij aan 't eind eener
bladzijde. Het Regerings-wezen is 'er zeer vreemd. De Duitschers
gelooven dat zij eenen Koning hebben, en egter hebben zij 'er geenen:
men zegt dat Duitschland een eenig Rijk is, en egter is het in
verscheidene Vorstendommen gescheurt, welke alle hun eigen meester zijn:
zoo, dat 't een het andere menigmalen met goed regt den oorlog aandoet.
Het Rijk wordt altoos toenemend genoemt, schoon het dikwils zeer
vermindert wordt: heilig wordt het genoemt, zonder iets dat heilig is te
bezitten, onoverwinlijk, schoon het dikwils open legt voor de invallen
zijner nabuuren. Niet minder verbazende zijn de regten en vrijdommen
deezer natie, nademaal hen veele zaken van regtswegen toekomen; dog die
hen verboden worden in 't werk te stellen. Over den staat van het
Duitsche Rijk zijn oneindig veele geschriften uitgegeven, maar in zulk
eene verwarde zaak zijn de Schrijvers tot nog toe niet veel: gevordert;
want ****.
** De Hoofdstad deezes Rijks, (te weten van Frankrijk,) welke zeer groot
is, en Parijs genoemt wordt, kan eenigermaten gezegt worden, de
Hoofd-stad van Europa te zijn; want zij oeffent een soort van
geregtsdwang over de overige Volkeren van Europa, bij voorbeeld, zij
heeft het regt om dezelve regelen voor te schrijven, waar na zij hebben
te leeven: zulks 'er geen soort van dragt zoo belachelijk of
ongemakkelijk is, of alle andere Volkeren, zoo zulks slegts den
Parijsianen aanstaat, zijn gehouden zig daar naar te schikken. Op wat
wijze egter, of wanneer, die van Parijs dat regt verkregen hebben, is
mij onbekent: zoo veel weet ik egter, namenlijk dat zig dat regt niet
uitstrekt tot andere zaken; want andere natiën van Europa voeren dikwils
oorlog met de Franschen, en perssen hen dikwils harde vredes-voorwaarden
af; dog die slavernij omtrent de wijze van kleederen en leeven, is
altoosduurend, zoodanig dat al wat Parijs in die dingen versiert, het
overige van Europa gehouden is heiliglijk na te komen. In vlugheid van
begrip, in het trachten naar nieuwigheden, en in vrugtbaarheid van
vernuft, verschillen die van Parijs niets van de _Martinianen._
*** Hebbende Bononie laten leggen, vertrokken trokken wij naar Rome.
Deeze Stad staat onder de gehoorzaamheid eenes Priesters, die, schoon
zijn gebied zeer nauw bepaalt is, egter gerekent wordt de magtigste te
zijn van alle Koningen en Vorsten van Europa; want daar andere Vorsten
slegts heerschen over de ligchamen en goederen hunner onderdanen, kan
dees zelfs de zielen verderven. De Europeaanen geloven doorgaans dat hij
de sleutelen des Hemels in bewaring heeft. Ik was wel begeerig om zo
groot een heiligdom te mogen zien; dog ik deed vergeefsche moeite; want
wat gedaante dezelve hebben, of in wat kist zij bewaart worden, weet ik
voor als nog niet: het regt dat hij zich aanmatigt en tevens oeffent,
niet alleen over zijne eigene Onderdanen, maar zelfsch over 't gansche
menschdom, bestaat voornamenlijk hierin; dat hij de gene die God
veroordeelt, vrijspreekt, en die God vrijspreekt, kan veroordelen:
waarlijk een vreemd gezag, en 't geen onze Onderaardlingen zouden
zweeren in geen Stervelinge te kunnen plaats hebben. Dog het valt ligt
de Europeaanen, zoo als men wil, bij de neus om te leiden, en hen de
allerongerijmdste verzinzelen op te dringen, schoon zij meenen dat zij
alleen wijs zijn en, door die gedagten opgeblazen, alle andere menschen,
wier zeden bij hen barbaarsch zijn, met den nek aanzien. Zeker, ik wil
de gewoonten en inzettingen onzer Onderaardlingen niet voorspreken; en
ik zal alleen eenige manieren en zeden der Europeaanen aanhalen, waar
uit het zal blijken, hoe veel ongelijks zij hebben in de inzettingen van
andere Volkeren te berispen.
Doorgaans is het in Europa de manier, Paruiken te dragen, en de
kleederen met de vrugten der aarde, tot blom gestooten, die door de
Natuur tot voedzel voor den mensen was geschikt, te bestrooijen. Deeze
blom, wordt gemeenlijk stof (_Poeijer_) genoemt, welke zij met grooten
arbeid, en moeite alle avonden door de buil jagen om weder van voren af
aan een versch gedeelte daar van te kunnen strooijen. Eene andere
gewoonte; die mij niet minder belachelijk toescheen, is, de volgende:
zij bedienen zig van een dekzel of hoed, waar mede zij hunne hoofden
bedekken tegen de koude; dog die, hoofddekzels dragen zij gemeenlijk,
zelfs in den winter, onder, den arm, 't geen mij al zoo bespottelijk
voorkomt, als of ik iemant zijn rok of broek door de Stad zag dragen,
terwijl zijn ligchaam, daar hij ze voor gemaakt hadt, bleef blootgestelt
voor de ongemakken der lugt.
De Leerstukken van die van Europa zijn waarlijk heilig, en
overeenstemmende met de gezonde reden. De Boeken waar in 't geen men
gelooven en betrachten moet, vervat is, bevelen, dat men dezelve nooit
uit de hand moet leggen, en den waaren zin derzelven door naspeuren
ontdekken: voorts vermanen zij toegevenheid te gebruiken tegen de
afdwalenden en zwakken; dog zoo iemant de zaak anders opvat, wordt het
meerdergedeelte der burgers met gevangenhuis, geesselslagen, en zomtijds
met de straffe des vuurs, om die zwakheid des oordeels, gestraft. Dit
scheen mij toe net eveneens te zijn, als of men eenen scheelen of
leep-oog met stokken ging afrossen, alleenlijk om dat de voorwerpen,
welke mij rond voorkomen, hem vierkantig scheenen te zijn. Ik heb mij
laten zeggen, dat om deeze reden, ettelijke duizenden menschen door
bevel der Magistraat onthoofd of verbrand zijn geworden. In de meeste
Steden en Wijken zult gij menschen vinden, die op verheven plaatsen
staan, en de zonden die zij zelve dagelijks begaan, in anderen ten
strengsten doorhalen, 't geen even het zelve is, als of ik eenen
dronkaard hevig hoorde uitvaren tegen de dronkenschap.
Die daar met een' bult, krom of mank geboren wordt, staat naar den tytel
van welgeschapen (_Welgeboren_): die van 't janhagel uitgebroeit is,
neemt den tytel aan van eene adelijke geboorte (_Edelgeboren_), 't geen
al zoo vreemd is, als of een Dwerg een Reus, en een Grijsaart een
Jongeling wilde geheeten worden.
In de groote Steden is doorgaans de gewoonte doorgedrongen, dat de
vrienden genoodigt worden op eenen drank van een zeker zwart sap, dat
gemaakt wordt van gebrandde boonen. Dat sap wordt doorgaans Caffée
(Koffy) genaamt. Naar de plaats daar men het zal gaan drinken, worden
zij getrokken door twee sterke dieren, zittende in eene doos die op
vier wielen gestelt is: want de Europeaanen rekenen dat het weinig
fatzoen is, te voet te gaan.
Op den eersten dag van 't jaar krijgen zij eene ziekte, die aan ons
Onderaardlingen onbekend is. De kenteekenen deezer ziekte zijn
wonderlijke onstuimigheden en opschuddingen in de gemoederen: want
niemant kan zig dien gantschen dag lang op eene en dezelve plaats
houden. Als dan loopen zij als uitzinnige van 't eene huis in 't andere,
zelve niet wetende waarom, of tot wat einde. Veele zijn veertien dagen
agtereen met deeze ziekte bezeten. Eindelijk egter, door 't geduurig
loopen afgemat zijnde, keeren zij weder naar huis, en worden zoo wederom
gebragt tot voorige gezondheid.
Nademaal de ziekten des geests, waar mede de Europeaanen geplaagt
worden, ontelbaar zijn, zoo zijn 'er ook oneindig veele geneesmiddelen
tegen uitgevonden. Veelen bekruipt eene brandende begeerte om op
zodanige wijze door de Stad te wandelen, dat hunne flinker zijde altijd
gekeert staat naar de regterzijde van anderen. Hoe gij nader aan 't
Noorden komt, hoe gij ook die ziekte zoo veel te geweldiger zult
bespeuren, waar door het blijkt dat die kwaal haarem oorsprong heeft uit
de kwalijk getemperde lugt. Die ziekte wordt verdreven door geteekende
papieren, waar op eenige karakters worden gedrukt. Terwijl de zieken
deeze papieren als toover-karakters dragen, worden zij allengskens
gezond. Eene andere razernij is men gewoon uit te drijven door 't geluid
van bellen of klokken. Op het geluid van deezen worden de onstuimige
gemoederen bedaart, en hunne gistende driften ternedergezet. Dog dit
geneesmiddel is van korten duur: want twee uuren naderhand komt het
kwaad wederom en wordt erger.
In Italië, Frankrijk en Spanje is in den winter eene zekere ontembare
razernij eenige weeken lang aan 't woeden. Deeze razernij wordt gestilt
door het bestrooijen met assche op de voorhoofden der kranken. In 't
Noordelijke gedeelte egter van Europa, heeft die assche geen kragt,
invoegen die van 't Noorden Noorden alleen uit de natuur geneezen
worden.
De meeste Europeaanen maken alle jaren drie- of viermalen een plegtig
verbond met God, 't welk straks wederom staat te worden verbrooken, en
't geene zij de Communie noemen; dus zij dat alleen tot dat einde
schijnen te maken, om te betoonen dat zij besloten hebben, drie- of
viermalen 's jaars hun verbond te verbreeken.
Wanneer zij hunne misdaden belijden, en God om ontferming smeeken, pleeg
dat doorgaans te geschieden door eene zekere besnoeijinge van woorden,
en met musiektoonen: somtijds worden 'er fluiten, trompetten en
trommelen bijgevoegd, naar mate dat de misdaden, waar van zij de straffe
door maatgezang afbidden, groot zijn.
Bijna aan alle Natiën van Europa is het opgelegt, de leer, welke zeker
heilig Boek behelst, te belijden dog het leezen van dat Boek, is in de
Zuidergedeelten geheel en al verboden, zoo, dat de menschen gehouden
worden zaken te gelooven, welke zij niet mogen; leeren nog inzien,
zonder misdaad.
In die zelve gewesten is het verboden, God te eeren of te aanbidden,
tenzij in eene onbekende taal, invoegen die gebeden alleen voor
regtmatig en Gode aangenaam worden gehouden, die van de gene gedaan
worden, die niet weten wat zij doen.
In de groote Steden worden bijna alle de gene die tot eerampten en
waardigheden verheven worden, beroert, zulks zij, even als geraakte
lieden, op rosbaren, op de wijze als bussen gemaakt, langs de straaten
worden gedragen.
De meeste Europeaanen scheeren hun hoofdhair met een scheermes af, en
dekken hunne kaalheid met vreemd hair, 't geen op hunne hoofden nooit
gegroeit is.
Dc Geschilstukken, welke gemeenlijk in de Europische Schoolen verhandelt
worden, zijn over zaken, welker natuur te onderzoeken, den menschen
geen voordeel aanbrengt, nog welke het menschelijk verstand bevatten
kan. Dog de geleerdste stoffen, waar over de Europeaanen schrijven, zijn
over de schoeizels, schoenen, halssieraden, laarzen of tabbaarden van
zekere oude en lang uitgestorven Natiën. Verder over de gewijde en
ongewijde Wetenschappen laten de meeste zelfs niet eenmaal hun oordeel
gaan, maar hangen hun zegel aan dat van andere. Want op hoedanig eene
Wetenschap zij ook als door eenen storm mogen zijn gevallen, blijven zij
daar aan als aan eene klip hangen; want aangaande dat zij zeggen, dat
zij alles toevertrouwen aan den genen, welken zij oordeel en wijs te
zijn geweest, zoude ik dat kunnen voor goed keuren, zoo de dommen en
ongeleerden dat hadden kunnen doen; maar daar wordt een wijs man toe
vereischt, om van een wijs man te kunnen oordeelen.
In de Zuidelijke gedeelten worden ronde koekjes of taartjes door de
Steden en Dorpen omgedragen, welke de Priesters zeggen God te zijn; en,
daar gij 't allermeest over verwondert moet staan, zelfs de Bakkers, die
't meel vertoonen waar van dezelve gemaakt zijn, zullen zweeren dat die
koekjes de waereld geschapen hebben.
De Engelschen zijn bijzondere liefhebbers der vrijheid, en aan niemant
dienstbaar, dan alleen aan hunne Vrouwen. Zij zelve verwerpen heden dien
Godsdienst, welken zij gisteren beleden, en dien, welken de geheele
Natie gisteren verwierp, omhelzen zij heden alle te zamen. Deeze
veranderlijkheid schreef ik toe aan de gelegenheid des gewests, te
weten, om dat de Engelsche Eilanders aan Zee zijn gelegen, en zeer veel
van den aart van die veranderlijke en onstandvastige hoofdstoffe
overgeërft hebben.
De Engelschen vragen den genen die hen ontmoet, zoo zorgvuldig naar
zijnen welvaart en gezondheid, dat men zoude zeggen dat zij alle
geneesheeren waren. Maar de Vraag: _How do you do?_ of, hoe vaart gij?
is alleenlijk een bloot spreek woord, en een klank zonder eenigen zin.
In dat zelve Eiland wordt de geest en de kragt des vernufts, met zoo
veel zorg geslepen en gepolijst, dat ze dien eindelijk in 't geheel
kwijt raken.
Naar het Noorden toe hebt gij eene Republyk, te zamen gestelt uit zeven
Provinciën. Die Provinciën worden de Vereenigde genoemt, schoon 'er niet
't allerminste teeken van Vereeniging of Eendragt in te vinden is. 't
Gemeene volk geeft aldaar breed op van hun vermogen, en dat bij hen de
hoogste magt in de Republijk berust; daar in tegendeel nergens het
gemeene volk zoo zeer van 't behandelen van Staatszaken wordt geweert,
en de klem der Regeering enkel en alleen onder eenige Familien
berustende is.
De inwoonders deezer Provinciën vergaderen, met den uitersten vlijten
ijver, rijkdommen, waar van zij egter geen gebruik, maken invoegen zij
met volle beursen en ledige buiken loopen; want het schijnt als of zij
alleenlijk van den rook leeven, welken zij door pijpen of buizen van
pijp-aarde inzuigen.
Men moet van deeze Natie zeggen, dat zij de netste is van alle volkeren:
want zij wasschen alles zorgvuldiglijk, uitgenomen alleen hunne handen.
In de Steden en Dorpen van Europa zijn Nagtwakers, welke, terwijl zij
met hunnen zang, of liever met hun gebalk, de slapenden rust
toewenschen, dezelve ter aller uure wakker maken.
Elk gewest heeft zijne eigene wetten: het heeft ook zijne gewoonten,
meerendeels regelregt strijdende met de wetten. Dus moet, bij voorbeeld,
de vrouw den man, volgens de wetten, onderdanig zijn; dog, volgend de
gewoonte, heerscht zij over den man.
Zeer veel worden ze onder de Europeaanen geagt, die rijkelijk leeven en
eene goede keuken houden: alleen die het aardrijk bebouwen, en die
gulzigaards de spijze verzorgen, worden niet veel geagt.
Hoe veele en hoe groote kwaade neigingen die van Europa onderhevig zijn,
blijkt uit de galgen, raden, en galge-velden die overal gezien worden.
Elke Stad heeft haaren Scherpregter; behalven egter in Engeland, alwaar
ik geloof dat men geen Scherpregters heeft, vermits de inwoonders zig
zelven ophangen.
Ik zou bijna denken dat die van Europa Menschen-eeters zijn; aangezien
zij eene groote menigte kloeke en sterke menschen in besloten plaatsen,
Kloosters geheeten, zetten, om geen andere redenen als om die daar vet
en glad te mesten: want zoo lang als zij in die groene Hooven bewaard
worden, zijn zij ontslagen van allen arbeid, en zorgen niet anders dan
voor hun keelgat.
De Europeaanen zijn gewoon 's morgens water te drinken, om de hitte
hunner maag te verkoelen; dog naauwlijks is hun lijf door dien
koeldrank verfrischt, of zij drinken sterken drank om wederom verhitste
worden.
De Godsdienst van Europa wordt in twee Secten verdeelt: eene der
Protestanten, en de andere der Roomschgezinden: de eerste bidden maar
eenen, de laatste zoo veele Goden en Godinnen aan, als 'er Steden en
Dorpen zijn. Alle deeze Goden en Godinnen zijn schepzels van den
Roomschen Opper-priester; en hij zelf wordt geschapen door Priesters die
Kardinalen genoemt worden. Hier uit kan men afnemen hoe groot een regt
de Kardinalen hebben, aangezien zij de Scheppers zijn van den Schepper
der Goden.
De oude Italiaanen hebben de gantsche Waereld te ondergebragt, en waren
zelve onderdanen van hunne wijven; dog de hedendaagsche Italiaanen zijn
de Tyrannen van hunne wijven, en veragte slaaven van bijna alle Natien.
De Dieren in Europa worden onderscheiden in Zee- en Land-dieren. Men
vindt 'er ook die 't beide zijn, als de Kikvorschen, de Dolfijns en de
Hollanders; want die bewoonen ook de moerassen.
_Land of Water 't is om 't even:_
_Holland kan op beide leeven._
Die van Europa gebruiken het zelfde voedzel dat wij hebben. Dog de
Spanjaards leeven van den wind.
De Koophandel bloeit doorgaans door geheel Europa, en daar zijn zeer
veele dingen te koop, die hier niet verkogt worden. Dus verkoopen de
Romeinen den hemel; de Zwitzers zigzelven.
In ***, worden Kroon, Scepter en Koninglijke waardigheid, in 't openbaar
aan den meest-biedenden verkogt.
In Spanje kent men een fatzoenlijk man aan zijne luiheid, en daar is
niets dat den Adel zoo zeer verheft als 't slapen.
Vroome en waare Geloovigen worden genoemt de gene die niet weten wat zij
gelooven, en die 't geen zij hooren niet der moeite waardig agten te
onderzoeken. Daar zijn 'er ook die door enkele ledigheid, slofheid en
onagtzaamheid, in 't getal der Heiligen worden gestelt; dog eeuwig
verdoemden worden gerekent de gene, die, bekommert over hunne zaligheid
zijnde, om dieswille dat zij alles naauwkeurig onderzoeken, van zeker
heerschend gevoelen verschillen.
Wijders gelooven de Europeaanen doorgaans, dat de toekomende geluk-staat
of eeuwige verdoemenis niet voortvloeit uit de werken of oeffeninge van
deugd en Godsvrucht, maar alleen uit de geboorte-plaats: want alle
bekenden zij, dat bijaldien zij op eene andere plaats en van andere
Ouders geboren waren, zij ook van eenen anderen Godsdienst zouden zij.
Hierom schijnt her mij toe, dat zij iemant verdoemen, niet zoo zeer om
den Godsdienst zelf, als wel om de plaats en 't lot van iemants
geboorte. Dog hoe dat gevoelen overeen te brengen brengen is met de
Goddelijke goedheid en regtvaardigheid kan ik niet zien.
Onder de letter-oeffenaars worden meest geagt de gene, die de
natuurlijke orde der woorden zoo verdraaijen, dat zij al 't geen uit zig
zelven klaar en onderscheiden is, verdonkeren en bezwagtelen. Deeze
worden Poëeten geheeten, en die verplaatzinge der woorden, Poëzy. Dog de
bekwaamheid eenes Poëets bestaat niet alleen in die omkeeringe des
stijls; maar daar wordt wel inzonderheid vereischt, dat hij een
doortrokken leugenaar zij. Hierom wordt den ouden Poëet Homerus bijna
Goddelijke eere bewezen, nademaal hij 't kunstje in beide zoo wel
verstondt. Dees wordt in 't omkeeren der spreekwijzen, en in de waarheid
geweld aan te doen, van veelen nagevolgt; maar niemane heeft hem kunnen
bereiken.
De Europeaansche letter-oeffenaars koopen zeer gretig Boeken; dog niet
zoo zeer om de stoffe, als wel om 't formaat en de netheid; waarom ook
de Boekverkoopers, bespeurende dat de geletterde koopers vermaak
scheppen in poppegoed, en in 't geen meer het oog dan den geest
voldoet, de Boeken in andere formaten, andere drukken, letters en
figuuren versmeden, en honderdvoud duurder verkoopen; want de vrije
konsten worden verkogt, en onder de fijnste Kooplieden worden gerekent
de Philosophen en de makers van Boeken. De Gekken schrijven de meeste
Boeken, als of zij bedugt waren, dat het gerugt hunner gekheid anders
niet tot de nakomelingen komen mogte.
De Academien in Europa zijn de winkels of kraamen van geleerdheid en
eer-ampten, alwaar de Eere-trappen, Promotien, Waardigheden, Tytels van
geleerdheid in allerlei Wetenschappen, en alle andere geleerde Waaren,
die niet zonder zweet, en door lange jaaren zig dag en nagt met allen
vlijt te oeffenen, in onze Onderaardsche waereld, verkregen worden; voor
cen redelijk of matig prijsje te koop staan. Leeraars worden ze genoemt
die tot den hoogsten top van geleerdheid gestegen zijn, of die, gelijk
de Europeaanen zeggen, op den top van eenen zekeren Parnassus berg, bij
negen Maagden bewoont, geboren zijn. Na deeze volgen de Meesters, die
door een weinigje minder kosten de tytels van geleerdheid verkrijgen, en
daarom wat minder geleerd zijn. Hier uit ziet men hoe groot eene
genegenheid de Bovenaardsche Schoolen het menschdom toedragen, wanneer
zij het zelve den weg tot geleerdheid zoo effen en zoo gemakkelijk
maken. Wijders vallen de Noordelijke Schoolen in dit stuk wat
moeilijker; aangezien dezelve die hooge waardigheden niet toestaan, dan
na voorgaand onderzoek.
De Geleerden worden van de Ongeleerden in zeden en dragt, dog vooral
door den Godsdienst, onderscheiden; nademaal deeze alleen een eenigen
God, dog gene verscheiden Goden en Godinnen eeren. De voornaamste
Godheden der Geleerden zijn, Apollo, Minerva, de Negen Zanggodinnen, en
andere mindere Godheden, welke de Schrijvers, en inzonderheid de
Poëeten, wanneer zij beginnen razend te worden, gewoon zijn aan te
roepen. De geleerden zelve worden in verscheidene Classen, naar de
verscheidenheid hunner studien, verdeelt; want of zij zijn Philosophen,
of Poëeten, of Taalgeleerden, of Natuurkundigen, of Overnatuurkundigen,
en wat dies meer is.
Een Philosooph is een gelettert Koopman, die voor eenen zeekeren prijs
de lessen van zelfs-verloochening, van matigheid en van armoede te koop
veilt, en zoo langen tijd met mond en penne uitvaart tegen de
rijkdommen, tot dat hijzelf rijk is. De vader der Philosophen is een
zekere Seneca, die op zulk eene wijze, koninglijke schatten heeft weten
te verkrijgen.
Een Poëet is iemant die geprezen wordt om zijne grollen en leugens.
Hierom is razernij de lof, welken men den Poëeten van 't hoogste bordje
gewoon is toe te schrijven. Want alle de gene die zig slegts eenvoudig
en klaar uitdrukken, worden geoordeelt niet waardig te zijn, dat hun 't
hoofd gelauriert worde.
De Taalgeleerden maken op zigzelven eene soort van krijgsvolk uit, dat
de gemeene rust verstoort. Zij verschillen van alle andere
oorlogslieden hier in, dat ze in plaats van eenen krijgsrok, eenen
tabbaart dragen, en in plaats van zwaarden, de penne gebruiken. Deeze
strijden al zoo hardnekkig voor letters en lettergrepen, als andere voor
hunne vrijheid, goed en bloed. Ik geloof dat zij van de Mogenheden tot
geen ander einde en oogmerk onderhouden worden, dan om in tijd van vrede
het menschdom door al te groote gerustheid niet te doen vadzig worden.
Zomtijds egter, wanneer die oorlog op zijn allerboogste is, stelt de
Raad zijn gezag tusschen beiden, zoo als ik gehoort heb dat nog onlangs
te Parijs geschied is, alwaar het verschil onder de Leeraaren over de
letters Q en K zeer hoog gerezen zijnde, het zeer voortreffelijke
Parlement het gebruik van beide die letters heeft toegestaan.
Een Natuurkundige is, die de ingewanden der aarde, de natuur der
tweevoetige, der viervoetige, mitsgaders die der kruipende en
bloedelooze dieren onderzoekt, en die alles kent behalven zig zelven.
Een Overnatuurkundige is, aan wien alleen bekent is 't geen voor anderen
verborgen is, en die het bestaan der geesten, der zielen, en wezens, en
geen wezens, kent, beschrijft en bepaalt; dog die door een al te scherp
gezigt niet verder ziet dan zijn neus lang is.
Dus is 't gestelt met den staat der geleerdheid in Europa. Ik zou hier
meer van kunnen zeggen; dog het zal genoeg zijn 't voornaamste te hebben
aangeroert, waar uit de leezer gemakkelijk zal kunnen oordeelen of de
Europeaanen gelijk of ongelijk hebben in te gelooven dat zij alleen wijs
zijn.
Dit moet men egter den Leeraaren en Meesters in Europa nageven, dat zij
in 't onderwijzen der Jeugd veel snediger zijn dan onze Onderaardsche,
want men vindt 'er Meesters in konsten en taalen, die niet alleen
anderen onderwijzen in 't geene zij zelve geleert hebben; maar die zelfs
anderen onderwijzen in 't geen, waar van zij niet de minste kennisse
hebben. 't Is al eene zwaare zaak om andere naar den eisch lessen te
geven in 't geene waar in wij zelve onderwezen zijn; maar nog zwaarder
is het, anderen te leeren 't geen wij zelve niet weten.
Daar is 'er onder de geleerde Europeaanen die zig in de Godgeleerdheid
en in de Philosophie met even groote drift oeffenen. Deeze, voor zoo
veel zij Philosophen zijn, twijfelen aan alles; dog, voor zoo verre zij
Godgeleerden zijn, durven zij niets ontkenen.