smeltende in tranen, en zijne handen wringende dat de leden kraakten,
mijne hulp verzoeken. Toen ik hem naar de oorzaak daar van vraagde,
barstte hij uit in klagten over de halstarrige onvrugtbaarheid zijner
boomen; op het nederigste verzoekende, dat ik door mijn gezag wilde te
wege brengen, dat zij als naar ouder gewoonte eikelen mogten dragen. Ik
hoorde dat dit gantsche landschap onder 't gebied eenes Konings stondt,
wiens verblijf ter dier tijd agt dagen reizens af was van het Dorp,
aldaar ik mij toen ophield: ik zeg ter dier tijd, vermits de Hoofdstad
verplaatsbaar was, en, in plaats van in vaste, huizen, in tenten
bestaat, welke te gelijk met het Koninglijke huisgezin en deszelfs
onderhoorigen, uit het eene gewest in 't andere pleegen overgevoert te
worden. De Koning, die toen op den throon zat, was een bedaagt Vorst en
wierdt _Casba_ genaamt, 't geen zeggen wil, de Groote Keizer. Dit gewest
verdiende wel te regt, ten aanzien der wijduitgestrekte landstreken waar
uit het bestaat, een Koningrijk genoemt te worden; dog om de onkunde der
ingezetenen, welke hunne eigene kragten niet kenden, wierdt het van:
weinig belang geschat; waarom het ook, bloot gestelt voor de aanvallen
en beschimpingen zijner nabuuren, dikwils, genoodzaakt was schattinge te
betalen aan onmagtige Natiën.
Het gerugt van mijnen naam en bekwaamheden wierdt weldra door alle
gewesten verspreit; en de ingezetenen deeden van dien tijd af aan
niets, ten zij men mij eerst als eene Godsprake hadt raadgevraagt: ja
zoo menigmaalen als eene ondernomene zaak kwalijk uitviel, dagten zij
dat zulks bij mijne kwaadwilligheid of onverschilligheid toekwam. Hierom
waren 'er, die mijnen toorn met offerhanden trachtten te verzoenen. Alle
de dwaasheden van dit domme volk zal ik niet verhalen; en het zal genoeg
zijn daar van 't een of 't ander staaltje te melden, waar uit men van de
overige ligtelijk zal kunnen oordeelen. Eene zwangere vrouw beeldde zig
in, dat ik te wege konde brengen dat de vrugt die zij in haar ligchaam
droeg, een knegtje gebooren wierdt: andere baden, dat ik hunne Ouders,
die door ouderdom tot de voortteelinge onbekwaam waren geworden, jeugd
en jaren wilde bijzetten: een derde verzogt mij, dat ik hem door de lugt
naar de Zon wilde voeren, om uit deszelfs schoot zoo veel goud op haalen
als hij noodig hadt, en 't zelve verkregen hebbende, daar mede wederom
te rug te keeren. Door deeze en veele diergelijke verzoeken menigmaal
baloorig gemaakt, haalde ik hunne gekheid dikwils met strenge woorden
door; nadien ik dagt, dan dit al te groot vertrouwen van mijne magt en
bekwaamheden, eindelijk op eene Godsdienstige eerbewijzing mogt
uitkomen.
_De maar' komt eindelijk den ouden Vorst ter ooren,_
_Dat zeker vreemd'ling, nooit aldaar gezien te voren,_
_Was in zijn' heerschappij gekomen: uit wiens dragt_
_Genoegzaam bleek, dat hij uit een uitheemsch geslagt_
_En aan een ander oord geboren was;..._
Dat hij gezegt hadt een afgezant der Zonne te wezen; en dat hij door
zeer wijze en bijna Godlijke lessen aan eenige _Quamiten_ (dus wierden
de bewoonders van dit gewest naar deszelfs naam _Quama_ geheeten,) te
geven, zig betoont hadt, meer dan een mensch te wezen. Om deeze reden
zondt de Vorst terstond afgezanten, met bevel om mij te verzoeken naar
het Hof te willen komen. Dat gezantschap bestondt uit dertig persoonen,
alle gekleed met tijgerhuiden, welke dragt in deeze gewesten voor de
aanzienlijkste werdt gehouden, nademaal niemant zig in dat gewaad, mag
kleeden, ten zij hij zig manhaftig hebbe gekweten in den oorlog tegen de
_Tanachiten,_ (een soort van Tijgers, die menschelijk verstand hebben,
en de grootste vijanden der _Quamiten_ zijn). Midlerwijl had ik in 't
gehugt, alwaar ik toen mijn verblijf hield, een huis van steen, twee
verdiepingen hoog, naar de wijze der gebouwen in Europa, doen
optimmeren. Dat huis wierdt als een verbaazend gevaarte, en 't geen
menschen-kragten te boven ging, door de afgezanten bezigtigt, en daarom
traden zij met eenen Godsdienstigen eerbied daarbinnen; als in een
heiligdom, om mij 's Keizers last bekent te maken. 't Ontwerp van hunnen
last was bijna in deeze bewoordinge vervat: "Nademaal de Groote, Keizer
_Casba_, hun zeer genadige Heer, van geslagt en voorouders afkomstig was
van _Spinko_, zoon der Zonne, die de eerste was die te _Quama_ geregeert
hadt; was hem niets aangenaamer geweest, dan deeze bezendinge te mogen
doen: vooral, nadien dezelve diende tot zeer groot nut van 't Rijk, en
dat 'er hoope was, dat onder zulk een uitnemend Leeraar, de gantsche
heerschappij eerlang eene andere gedaante zoude krijgen; weshalven hij
hoopte, dat de afgezant des te liever ten Hove zoude willen komen,
vermits hij aldaar meer en grooter gelegenheid zoude vinden, om zijne
bekwaamheden in 't werk te stellen". Deeze aanspraak geëindigt zijnde,
bedankte ik de afgezanten ten hoogsten, en vertrok met hen naar 't Hof,
Zij hadden, veertien dagen op deeze reize onder weg geweest dog op ons
vertrek leiden wij die in vier dagen af, 't geen door mijn toedoen
wierdt te weeg gebragt; want nademaal ik bespeurt had, dat dit Land zeer
veele Paarden voortbragt, en dat dezelve den inwoonderen eer tot last
dan ten nutte verstrekten, vermits dezelve als wild door de bosschen
liepen; wees ik hen de nuttigheid aan, welke zij uit het gebruik van die
moedige dieren konden trekken, en leerde hen de konst van die te temmen.
Eerlang waren 'er ettelijke Paarden mak gemaakt; en op de aankomst der
afgezanten, had ik 'er bereids zoo veele in gereedheid die afgeregt
waren, als wij op de terug-reize noodig hadden. De afgezanten de
Paarden ziende, stonden 'er over verbaast, en durfden geduurende eenen
geruimen tijd, dezelve niet beklimmen; dog toen zij zagen, dat ik en
andere die zonder vrees of gevaar, met toomen, bestierden, en die met
teugels bereden, schepten zij, na eene geringe proef genomen, te hebben,
moed, en schikten zig naar 't geen ten rijtuig stondt te vertrekken. En
dit was de oorzaak, waarom de derwaards-reis driemaal korter viel dan de
herwaards-reis geweest was. Toen wij niet verre van de plaats waren,
alwaar wij geloofden dat het Hof zijn verblijf hielde, vernamen wij dat
de Hoofstad naar een ander gewest was overgebragt. Hierom moesten wij
terug rijden en onze reize naar elders nemen.
't Is bijna niet uit te drukken, met welk eene opgetogenheid de
_Quamiten,_ ons, in dien toestel reizende, stonden aan te kijken.
Sommige van hen wierden zodanig door schrik bevangen, dat zij de
Hoofdstad dagten te ruimen. De Keizer zelf hieldt zig bevreest binnen
zijne tente, en durfde 'er niet uitkomen, eer een der afgezanten van 't
Paard stijgende, hem dat geheim geopenbaart hadt. Een weinig daarna
wierd ik op eene plegtige wijze, en met een groot gevolg, in de tente
des Keizers geleid. Daar zag ik _Casba_ onder een behangsel van
tapijten, midden onder zijne hovelingen zitten. Toen ik, binnen de tent
tredende, met zeer eerbiedige woorden des Keizers weldadigheid verhefte,
stondt die Vorst op, en vraagde mij hoe 't de Monarch der Zonne,
Stichter en eerste Stamvader des _Quamitischen_ Huis, al maakte. Vermits
ik genoodzaakt was de verouderde dwalinge der _Quamiten_ te koesteren,
gaf ik ten antwoord: dat ik van den Alleenheerscher der Zonne naar de
Aarde was afgezonden, om de ruwe en onbeschaafde zeden der _Quamiten_
door heilzame lessen te polijsten, en hen zodanig in de wetenschappen te
onderrigten, dat zij niet alleen de wreedheid der nabuurige Volkeren
zouden kunnen wederstaan; maar zelfs de palen hunnes gebieds uitbreiden;
en dat mijn last behelsde dat ik daar altoos moest blijven. Deeze
aanspraak beviel den Keizer boven maten; terstond gaf hij bevel mij eene
tente op te slaan, en dezelve digt bij de zijne te stellen: ook wierden
mij vijftien dienaars tot mijnen dienst toegeschikt, en de Vorst zelf
stelde zig nergens in aan als mijn Heer; maar zogt mijnen dienst als een
vriend.
DERTIENDE HOOFDSTUK,
_Oorsprong der Vijfde Monarchy._
Zedert dien tijd leidde ik mij geheel en al toe, om dit gewest eene
andere gedaante te geven, en de jeugd in den krijgshandel te oeffenen.
_Een plein, wijd-uitgestrekt en voor de poort der stad_
_Gelegen, was de plaats die ik verkooren had_
_Ten school der jonglingschap: hier leert men hen de Paarden_
_Berijden naar de komt: te handelen de zwaarden:_
_Hier ziet men hoe een held den oorlogswagen ment:_
_Dáár, hoe een jonge knaap in 't renperk wordt gewent_
_Te dingen naar den prijs; den stalen boog te spannen_
_En, in zijn' frissche jeugd, zelfs d'afgeregtste mannen_
_Voorbij te streven in behendigheid en kragt._
_Men ziet 'er menig een die, naar vermogen tracht_
_De taaije werpspeer, met zijn' sterkgespierde armen,_
_Te drillen......_
Ik maakte een begin met hen de Paarden te leeren temmen, en tot het
gebruik des oorlogs bekwaam maken; hoopende alleen door ruiterij de
nabuuren in toom te zullen houden. Door mijne onvermoeide zorg en vlijt,
wierden 'er eerlang zes duizend mannen te paard, den Keizer voorgestelt.
En vermits de _Tanachiten_ ter zelver tijd eenen nieuwen inval dreigden
te doen, om redenen dat de betaling der schattingen wat lang agter
bleef, waar, van zij de voldoeningen te vergeefsch vorderden; trok ik
op 's Keizers verzoek', met die nieuwe ruiterij, ondersteunt door een
leger voetknechten, den vijand tegen. 't Voetvolk had ik met pieken en
werpschigten gewapent, waar mede zij van verre met de _Tanachiten_
konden schermutselen: want tot nog toe hadden de _Quamiten_ niet
anders gebruikt dan korte zwaarden of dolken: waarom zij bijna altijd
met de vijanden, die sterker waren in ligchaams-kragten, handgemeen
wordende, met ongelijken kans gestreden hadden.
Ziende mij nu tot Opperhoofd des Legers aangesteld, en merkende dat de
_Tanachiten_ ver van de grensen onzes Rijks te velde waren getrokken,
voerde ik mijn volk op hen aan. De _Tanachiten_ zoo onverwagt een leger
op hen ziende aankomen, hielden zig in 't eerst zeer stil; dog de onze
toetredende, hadt men niet zo haast den strijd aangebonden, of zij
gebruikten hunne pieken en werpschigten, en maakten, op die wijze
vegtende, eene zeer groote slagtinge onder de Vijanden. Deeze verloren
egter den moed niet; maar stortten met een groot geweld op ons
Voetvolk. Dog toen ze door onze nieuwe Ruiterij van ter zijde, wierden
aangetast, wierden hunne gelederen gescheurd, en zij zodanig op den
vlugt geslagen, dat door dien aanval de geheele slag wierdt gewonnen.
Toen wierdt een zeer groot getal der vijanden op de slagtbank gebragt,
en de Veldheer van het _Tanachitisch_ Leger wierdt te gelijk met
twintigduizend adelijke Tijgers levendig door de onze gevangen genomen,
om naar _Quama_ in zeegepraal te worden gevoert. 't Is bijna niet uit te
drukken, hoedanig eene vreugde deeze zeer heerlijke overwinning door het
gantsche Rijk verwekte, want in de voorgaande oorlogen hadden de
_Quamiten_ doorgaans het onderspit gedolven, en geenen vrede dan op zeer
nadeelige voorwaarden kunnen verkrijgen. Aanstonds gaf de Keizer bevel
de gevangenen, als naar gewoonte, tot het ondergaan der halsstraffe weg
te leiden; dog ik die gewoonte verfoeijende, ried aan dat men ze in de
gevangenisse zoude bewaren, oordeelende dat de _Tanachiten_ waar mede
men thans nog vrede nog oorlog hadt, zig wel zouden stil houden, tot
dat zij zagen wat 'er van de gevangenen zoude worden: voorts oordeelde
ik, dat een bestand mij noodig was, om andere zaken, welke ik bedagt
had, ter uitvoer te brengen. Ik had gemerkt dat 'er hier te lande
overvloed van salpeter was, en ik had 'er al, bereids eene groote
meenigte van vergadert, waar uit ik dagt buskruit te maken; dog ik had
mijn voornemen aan niemant dan alleen aan den Keizer te kennen gegeven,
vermits ik zijn gezag nodig had om smitzen, waar in de bussen en
diergelijke werktuigen zouden gesmeet worden, te doen opregten; hoopende
dat door die werktuigen eerlang, alle de vijanden onzes Rijks zouden te
onder gebragt worden. Na dat ik eenige honderden bussen met de noodige
koogels daar toe had doen vervaardigen, deed ik eene openbaare proef van
mijne uitvindinge, waarover zij zig alle grootelijks verwonderden. Een
bepaalt getal van Krijgsvolk tot dit soort van krijgsdienst van stonden
aan uitgekoren zijnde, wierdt dagelijks in den wapenhandel met de bussen
onderwezen. Deeze proef gedaan en de Busschieters wel geoeffent zijnde,
wierd ik van den Keizer tot _Jachal_, dat is Opper-veld-heer, des
Legers aangestelt, aan wien alle de Opperhoofden van 't Voet- en
Paarden-volk moesten gehoorzamen. Terwijl dit alles voorviel, had ik met
den Veld-oversten der _Tanachiten, Tomopoloko_, wiens opregte inborst
mij met hem als met eenen vriend deedt omgaan, verscheide samenspraken:
willende de gelegenheid, inborst en zeden van die natie behoorlijk
ondertasten. Ik bevond hem, niet zonder verwonderinge, eenen
verstandigen, geschikten, en in de studien wel bedreven man: ik vernam
ook dat in 't land der _Tanachiten_ de konsten en wetenschappen niet
maar ter loops wierden geleert: voorts gaf hij mij te kennen, dat 'er
oostwaards aan, een zeker strijdbaar volk gevonden wierdt, om welks
wille de _Tanachiten_ genoodzaakt waren gestadig op hunne hoede te zijn:
de inwoonders van dat Land waren wel van eene lage statuur en in
ligchaams-kragten verre beneden de _Tanachiten_; dog zij waren snediger
van oordeel, en gaauwer ter hand in 't werpen van schigten; en om die
redenen hadden zij menigmalen de _Tanachiten_ gedwongen, vrede te
verzoeken. Eerlang vernam ik dat die natie uit Katten bestond, en dat
dezelve onder alle de inwoonders des Firmaments, in staatkunde en
oordeel vermaard was. Zeker ik hoorde niet zonder hartzeer, dat het
verstand, de studiën en wellevendheid in alle de schepzelen dezer
Onderaardsche waereld wierden gevonden, en dat alleen de menschen, te
weten de _Quamiten_, barbaarsch en woest waren. Dog ik hoopte dat die
schandvlek weldra zoude worden uitgewist, en dat de _Quamiten_ dat
gebied, 't geen de Natuur de menschen over alle schepzelen gegeven
heeft, weder zouden krijgen.
Na de laatste nederlaag hadden de _Tamachiten_ zig lang stil gehouden;
doch toen zij door Verspieders hadden vernomen, den aart en hoedanigheid
der nieuwe ruiterij, namenlijk dat die Centauren, die onlangs zo groote
vreeze verwekt hadden, niet anders waren dan getemde en geoeffende
Paarden; schepten zij weder moed, en bragten nieuwe troepen op de been,
welke de Koning der _Tanachiten_ in in persoon tegen de _Quamiten_ te
velde bragt. De geheele heirkragt bestondt in twintigduizend Tijgers,
alle oud en geoeffent volk, behalven twee Regimenten die onlangs gehuurt
waren. Dog dat schielijk opgeraapte, volk waren meer naam- dan
hulp-troepen. Deeze dan, opgeblazen door de hoop van te zullen
overwinnen, wendden hunne wapenen tegen 't Rijk van _quama_.
Twaalfduizend onzer Voetknegten, waar onder zeshonderd Busschieters,
benevens vierduizend Ruiters, trokken hen te gemoet. En vermits ik niet
twijfelde aan eenen goeden uitslag des gevegts, bad ik den ouden Vorst
dat hij 't oppergebied over zijn volk wilde voeren, op dat hij van de
glorie der overwinninge niet zoude berooft worden. Door dien schijn van
zedigheid wierdt mijne achting in geenen deele gekrenkt; nademaal het
geheele Leger mij aanzag voor hunnen waaren Veldheer. Daarop vond ik
goed de Busschieters niet terstond te laten aanvallen, willende eerst
eens onderstaan of de zege enkel en alleen door de Ruiterij zonder hen
niet te bevegten ware. Dog die raad stondt mij duur; want _de
Tanachiten_ vielen met zulk eene woede op ons Voetvolk, dat zij het
dwongen den vlugt te neemen: En, terwijl de Ruiterij dien aanval
dapperlijk uitstondt, bleef de zege lang twijfelagtig, invoegen nooit
verwoeder gevogten wierdt.
_Nu stondt de uitkomst van den slag_
_Een wijl tijds ongewis: men zag_
_Niet wie zou winnen of verliezen;_
_En de Overwinning van om hoog,_
_Met weifelende pennen vloog,_
_Niet wetende wat zijd' te kiezen._
Toen ik mijne Busschieters uitrukte en aan den vijand bragt, hielden zig
de _Tanachiten,_ op 't eerste vuurgeven verbaast zijnde, zeer stil; want
zij konden niet begrijpen, waar dat gedonder en gebliksem van daan kwam;
dog toen ze 'er de doodelijke' gewrogten van bespeurden, stierven zij
bijna van schrik. Door deeze eerste begroeting lagen 'er tweehonderd
Tijgers met den neus in 't zand, waar onder twee Leger-papen, welke,
terwijl zij de Soldaten eenen moed in 't lijf spraken, door de koogels
der bussen getroffen zijnde, sneuvelden. Hun dood wierdt door 't
gantsche Leger zeer euvel opgenomen, vermits dezelve onder de beste en
welspreekendste Predikers gerekent wierden. Zoo dra ik den schrik der
vijanden bemerkt had, beval ik nog eens vuur te geven. Op de tweede
begroeting volgde nog grooter slagtinge: eene groote menigte verloor, te
gelijk met den Koning, 't leven; derhalven al hun heil in de vlugt
stellende, keerden ons de vijanden den rug toe. De onze zaten hen op de
hielen, en deeden 'er zoo veele over den kling springen, dat men,
gemerkt de groote meenigte der verslagenen, die op het veld uitgestrekt
lagen, bijna niet voort konde komen. Wanneer de onze, de strijd
geëindigt zijnde, het getal der dooden opnamen, wierden 'er
dertienduizend dooden bevonden, die in den strijd, of onder 't vlugten
gesneuveld waren. Dus de vijand verslagen en verstrooid, en het
overwinnend Leger op den _Tanachitischen_ bodem getrokken zijnde, wierdt
na eenige dagen het beleg geslagen voor de Hoofdstad. Dog zoodanig waren
toen alle harten met schrik bevangen, dat, schoon de Stad door derzelver
gelegenheid, vesten en versterkingen wel voorzien en sterk was, en 'er
geen mondbehoeften ontbraken, egter de Magistraat, op eene deemoedige
wijze, den Overwinnaars der Stads-sleutels kwam aanbieden. De Stad was
niet minder door haare grootte, dan door de nette welgeschiktheid der
straaten, en den luister der gebouwen aanzienlijk. En zeker, het was
verwonderlijk, dat de _Quamiten,_ aan alie zijden omringt van zulke
beschaafde Volkeren, zoo lang in die onwetenheid hadden kunnen blijven
leggen. Dog ik geloof dat het met hen geweest is, even gelijk met eenige
andere Volkeren, die, met uitheemsche zaken zig niet bekommerende,
alleen prijzen 't geen ze bij hun zelven zien, en daarom afgesneden van
allen handel met andere natiën, altoos op denzelven droessem blijven
berusten, 't geen uit de voorbeelden van eenige Volkeren in Europa
gemakkelijk zoude kunnen worden aangetoont. Van deeze zwaare nederlaag
hebben de _Tanachiten_ een nieuw tijdsbestek begonnen, en vermits dees
beslissende slag, volgens hunne tijdrekening, voorviel op den derden dag
der maand _Torul_, wierdt dees dag bij hen met eene zwarte koole
geteekent. Op dien zelven tijd van 't jaar, te weten in de maand
_Torul_, is de Planeet _Nazar_ welker loop om de Onderaardsche Zon de
tijden regelt, en de jaargetijden onderscheidt, op haaren grootsten
afstand van dit gewest des Firmaments. Ook draait het geheele Firmament
om de Zonne; dog vermits de beweging der Planeet snelder is, schijnt
_Nazar_ toe- of af- te nemen, naar dat zij nader aan 't een of 't ander
halfrond komt. En uit de afneming of aanwas deezer Planeet, en teffens
uit de Zon-eclipsen, worden de waarnemingen der Sterrenkijkers geboren.
Eens heb ik tijdverdrijfshalven, de Almanachen der _Tanachiten_
doorloopen, welke mij niet onaangenaam geschikt, en zeer wel tezamen
gestelt oorkwamen.
Op het overgaan van de Koninklijke Stad, volgde de overgifte van het
geheele Rijk, zoo dat de versmading, welke de _Quamiten_ tot nog toe
hadden moeten uitstaan, tot glorie oversloeg, en het _Quamitische_
Keizerrijk door den aanwas van dit overwonnen Volk, ten naastenbij
tweemaal zoo magtig wierdt. Derhalven, vermits zij alle dat geluk aan
mijne voorzigtigheid en wakkerheid toeschreven, ging de agting, welke
zij mij dus lang hadden tocgedraagen, bijna tot Goddelijke eerbewijzing
over. De _Tanachitische_ natie t' ondergebragt, en de bezettingen, waar
door dat manhaftig volk bij zijnen pligt mogte worden gehouden, hier en
daar in de Steden gelegt zijnde, vattede ik mijn begonnen werk weder bij
de hand; trachtende de woestheid, waarin de _Quamiten_ tot nog toe
versmoort hadden gelegen, bij den wortel af te snijden. Egter was het
gevaarlijk dezelve terstond te zetten aan de vrije konsten; want 't geen
ik zelf in Europa geleert had, te weten de Latijnsche taal, en eenig
zamenraapzel van de Grieksche, bespeurde ik hier van geen nut altoos te
zullen zijn. Hierom wierd ik genoodzaakt, uit 's vijands land, te weten
uit dat der _Tanachiten_, twaalf geleerden te laten komen. Deeze, tot
eerste Hoogleeraars zijnde aangestelt, kregen bevel, eene Universiteit,
naar het voorbeeld der Hooge Schoolen in hun land, op te rigten. Voorts
beval ik, de Koninglijke _Tanachitische_ Boekerij naar _Quama_ over te
brengen. Ik had egter als bij mij zelven voorgenomen, om, zoo, dra als
de _Quamiten_ in de Letter-oeffeningen zoo verre zouden zijn gevordert,
dat zij op hunne eigene wieken konden drijven, deeze vreemdelingen weder
te rug te zenden.
Ik was zeer begeerig om de Koninglijke _Tanachitische_ Bibliotheek te
zien, vermits ik van den gevangen Veldheer _Tomopoloko_ verstaan had,
dat 'er onder de Boeken, die mee de hand geschreven waren, een werk was,
dat gemaakt was door eenen Schrijver, die in onze Waereld was geweest,
en daar van verscheide gewesten, voornamenlijk die van Europa,
beschreven hadt, en dat de _Tanachiten_ dat boek waren magtig geworden,
terwijl zij in een afgelegen gewest den oorlog voerden, dat egter de
naam van den Schrijver verboden was, en dat men tot nog toe niet wist,
uit wat land hij was, of op welke wijze hij in de Bovenaardsche gewesten
was overgeweest. Het Boek doorsnuffelt hebbende, bevond ik waaragtig te
zijn, 't geen mij _Tomopoloko_ van dat werk gezegt hadt; hierom ontdekte
ik hem openhartig mijn geslagt en vaderland, betuigende het zelve ook in
den beginne mijner aankomste aan _Quamiten_ te hebben gedaan; dog dat
die domme menschen aan mijn verhaal geen geloof hadden willen slaant, en
dat ze mij liever gelooft hadden, een Afgezant der Zonne te wezen; en in
die dwalinge nog hardnekkig bleven volharden. Hier voegde ik bij,
vermits ik 't niet reedelijk achtte dien ijdelen tytel langer houden,
dat ik eindelijk besloten had, den waren staat mijner geboorte hen te
ontdekken, door welke ronde bekentenis ik geloofde, dat mijne agting
geenszins stondt te verminderen: vooral wijl ik geloofde, dat het door
het leezen van dat Boek alleen, stondt openbaar te worden, hoe verre die
van Europa in verstand en bekwaamheid alle andere menschen overtreffen.
Dog dat voornemen mishaagde dien voorzichtigen man, en hij openbaarde
mij zijn gevoelen daaromtrent, met deze woorden: "Het is ten hoogsten
nodig, doorlugtig Held, zeide hij, dat gij eerst dat Boek inziet, 't
welk gelezen hebbende, zult gij misschien van dat voornemen worden
afgetrekken; want, of de Schrijver is een leugenaar, of de
Bovenaardlingen zijn menschen, die zotte en ijdele gewoonten hebben;
volgende wetten en inzettingen op, die veel eer belachens--, dan
achtenswaardig zijn; dog 't werk gelezen hebbende, doe dan dat u
behaagt: alleen vermane ik u, dat gij niet roekeloos den tytel verwerpt,
die den _Quamiten_ zoo groote agting voor u heeft ingedrukt: want om de
menschen bij hunnen pligt te houden, is er niets bekwamer, dan dat
opgevat gevoelen, 't geen 't gemeen volk heeft van iemants aart en hooge
geboorte."
_Aan Tytel, Schijn en Wapen,_
_Wil zig 't gemeen vergapen._
Dien raad opvolgende, besloot ik, dat Boek te doorlezen en _Tomopolow_
daarin voor tolk te gebruiken. De Tytel van 't werk is: REISBESCHRVING
VAN TANIAN, (dien men gelooft een versierde naam te zijn.) OVER DEN
AARDKLOOT, of REISBESCHRIJVING VAN GEWESTEN EN LANDEN, MAAR
VOORNAMENLIJK EUROPA. Dog vermits dat Boek, lang stil gelegen hebbende,
'er haveloos uitzag, en door langheid van tijd zeer verminkt was, wierdt
'er dat, te weten langs welken weg hij tot ons opgeklommen en wederom
tot de Onderaardlingen nedergedaalt zij, niet in gevonden.
De inhoud van dat werk bestaat hier in:
STUKKEN DER REISBESCHRYVING VAN TANIAN, OVER DE AARDE, VOLGENS DE
OVERZETTINGE VAN DEN TANACHITISCHEN VELD-OVERSTEN, DEN DOORLUGTIGSTEN,
DAPPERSTEN, EN EDELMOEDIGSTEN HEERE TOMOPOLOKO.