Door deeze voortreffelijke inzettingen is 't, dat 'er zeer veel zorgs

gedragen is voor de bedieningen van 't Land, en alles zeer stipt en in

eene welgeschikte orde wordt uitgevoert. Vervolgens moet dit Gebied tot

een voorbeeld verstrekken, waar naar zig alle Wetgevers in 't

grondvesten hunner Burgerstaaten, wel mogen rigten. Want wat aangaat dat

'er op andere plaatsen zulke slegte en tot de bedieningen onbekwame

personen gevonden worden, dat koomt niet zoo zeer uit de plompheid, als

wel uit de kwaade en verkeerde verkiezinge der vernuften voort: wanneer

die naar behooren en zorgvuldiglijk gedaan wordt, en wanneer 'er

verstandige en wakkere mannen, niet om deeze of gene verdiensten, maar

om hunne bekwaamheid, tot een zeker bepaald ampt, met het zelve worden

begiftigt; zullen ook de Staatsbedieningen doorgaans bij uitnemenheid

wel waargenomen worden, en de bloei des Gemeenenbests eeuwigduurend

zijn. Hoe heilzaam deeze instellinge zij, blijkt uit het voorbeeld

deezes Rijks. Men vindt in de Jaarboeken van _Mezendoria_ dat, voor

drie-honderd jaaren, door den Keizer _Lalak_ deeze wet wierdt

afgeschaft, en dat de staats-bedieningen zonder onderscheid aan allen en

een iegelijk wierden gegeven, zoo hij anders maar iets voortreffelijks

gedaan, of in deeze of gene zaken eenig talent van bekwaamheid hadt. Dog

door zoodanig eene bedeelinge van eer-ampten, ontstonden 'er zoo veele

en zoo zwaare beroerten, dat het scheen met den Staat naar 't einde te

loopen. Bij voorbeeld: een Wolf, zig in 't bestieren der Geldmiddelen

wel gekweten hebbende, beweerde, dat hem daar door grooter eer-ampt

moest worden gegeven, en wierdt Raadsheer; en een boom die vermaard was

een uitnemend goed oordeel te bezitten, wierdt om die reden 't bewind

over 's Lands penningen toegestaan. Dog door die geheel verkeerde en

averegtsche bevordering, wierden 'er te gelijk twee wakkere mannen voor

den Staat onnut gemaakt. Ook stondt een Bok of Philosooph, die van de

Taalgeleerden, om zijne onverzettelijkheid in het koppig staande houden

zijner stellingen, tot in den hemel geprezen wierdt, opgeblazen zijnde

door die loftuitingen, naar een treffelijk ampt; eisschende en

verkrijgende de eerste bediening die 'er aan 't Hof open viel. Dog een

Cameleon, die zeer wel wist te leeven en zig naar den tijd te schikken,

wierdt om die zelve reden tot Hoogleeraar op de Academie, naar welk ampt

hij gewins halven stondt, aangestelt. Hier door gebeurde 't, dat gene

niet minder kwaad Hoveling wierdt, dan hij een wakker Philosooph was

geweest, dog dees van een goed Philosooph in een zeer slegt en

belachelijk Hoveling hervormt wierdt; want die onverzettelijkheid in 't

voorstaan zijner gevoelens, die hem als Philosooph niet kwalijk hadt

gedaan, maakte hem tot eenen gantsch wanschapen Hoveling; vermits

ligtvaardigheid en wispelturigheid hoofddeugden aan 't Hof zijn, en een

Hoveling, zig niet voegende aan de zijde van de waarheid, maar van de

veiligheid, naar dat de inzigten van 't Hof zijn, veelerlei gedaanten

aanneemt. Dog 't geen eene ondeugd in de Hoven is, wordt in de Schoolen

voor eene deugd gerekent, alwaar de drift om zijn stuk hardnekkig te

beweeren, een kenteeken is van een gaauw en wakker man. Kort om, alle

onderdanen met malkanderen, en zelfs de gene die door zekere

gemoedsgaven boven andere hadden uitgeblonken, wierden door die

verandering der wet, onnut en van geenen dienst altoos; en de Staat

begon naar zijnen ondergang te hellen; waarom, vermits alles in 't riet

liep, zeker verstandig Olifant of Raadsheer, _Baccari_ geheeten, den

Keizer zonder eenige bewimpeling een gezigt van dat verval gaf. De

Keizer, overtuigt van de waarheid, nam vóór dat kwaad te sluiten, en de

hervorming geschiedde op deeze wijze: alle wierden zij niet te gelijk

van hunne bedieningen afgezet; want dus doende zou 't geneesmiddel erger

zijn geweest dan 't kwaad zelf; maar bij 't openvallen der ampten,

wierdt een iegelijk, van het ampt, waar toe hij niet bekwaam was,

afstand doende, een ander, dat hem beter geleek, opgedragen. Om dezen

dienst aan 't Vaderland bewezen, en waarvan men terstond zulke heerlijke

vrugten plukte, wierdt, ter eere van _Baccari_, een Standbeeld opgerigt,

't geen nog heden ten dage op de markt te _Mezendoria_ gezien wordt; en

zedert dien tijd werden de oude wetten heiliglijk onderhouden.

Onze tolk betuigde dat hem deeze geschiedenis verhaalt was door eenen

Gans, waar mede hij zeer gemeenzaam verkeerde, en die gehouden wierdt

voor een van de verstandigste Advocaten van de gantsche Stad. In dit

gewest ziet men veele ongehoorde, ja zelfs verbaazende, verschijnselen,

die de oogen der vreemdelingen en reizigers tot zig trekken. Het enkele

gezigt van dieren van allerlei geslagt, als van Beeren, Wolven, Ganzen,

Exters, enz. door alle wijken en oorden der Stad warende en praatende,

verwekt bij de gene die diergelijke vertooningen niet gewoon zijn, te

gelijk verwonderinge en vermaak. De eerste die binnen boord van ons

Schip kwam, was een magere Wolf, of Commis van den Tol, omstuwt met vier

Valken of Bedienden welke die van Europa _Opnemers_ noemen. Deeze namen

uit de koopmans goederen 't geen ben aanstondt, en gaven daar door

genoegzaam te kennen, dat zij in de bediening, waar voor zij scheep

kwamen, wel ervaren waren, en 't werk op hunnen duim hadden. De Schipper

nam mij, volgens zijne gewoonlijke goedheid, zoo dikwils hij aan land

ging, met zig. De eerste die ons ontmoette, na dat wij aan land gekomen

waren, was een Haan, die, na dat hij volgens gewoonte, de oorzaak onzer

reize en waar wij van daan kwamen, hadt afgevraagt, onze komst aan den

Opper-tollenaar te kennen gaf. Van dezen wierden wij zeer beleefd

ontvangen en tot het avondmaal genoodigt. Dog zijne huisvrouw, welke wij

vernamen dat onder de Wolfinnen voor eene schoone vrouw wierdt gehouden,

was 'er niet tegenwoordig; en de reden daar van, zoo als wij uit andere

verstonden, was de jaloersheid van haaren man, die niet raadzaam

oordeelde eene vrouwe van zoo schoone gedaante aan vreemdelingen te

vertoonen, vooral aan Zeevarend volkje, die, door lange onthoudinge

gretig en verhongert aan land komende, op vrouwen en jonge dogters

plegen te loeren. Daar waren egter verscheide andere vrouwen te gast

genodigt, die aldaar verschenen; en onder dezelve was de gemalin van

zeker Bevelhebber ter Zee _(Commandeur_), die eene witte Koe was,

gestippelt met zwarte vlekken. Naast aan deeze zat eene zwarte Kat, te

wetende vrouw van den Koninglijken Jagerneester, welke onlangs uit eene

Provincie in de Stad gekomen was. Die onder de gasten 't naast aan mij

zat, was eene gevlakte Zog, de huisvrouw van den Opzigter der Rioolen

(_Renovations-Inspecteur_); want tot diergelijke bedieningen worden

gemeenlijk persoonen uit het geslagt der Varkens verkooren. Deeze was

wel morssig, en at met ongewasschen handen, 't geen onder dat geslagt

wel meer gebeurt; dog zij scheen mij ook te gelijk zeer gedienstig te

zijn, want zij diende mij geduurig voor, uit den gemeenen schotel.

Iedereen was verwondert over die ongewoone beleefdheid, voornamenlijk

wijl de Zeugen juist de gemanierdste niet vallen. Dog ik had wel gewilt

dat zij zoo hoflijk niet was geweest, vermits het mij zeer tegen de

borst was, spijs uit de handen eener Zog te ontvangen. Hier staat te

letten, dat de bewoonders van het _Mezendorische Rijk,_ schoon zij, voor

zoo veel aangaat de ligchaams-gestalte, den beesten gelijk zijn, egter

handen den hebben, en teenen, die aan de voorste voeten voor uit

steken, waarin zij alleen van onze viervoetige dieren verschillen; en

vermits derzelver ligchaamen met hair of veêren bedekt zijn, hebben zij

geen kleederen noodig. De Rijken worden alleenlijk van de Armen

onderscheiden door zekere versierselen, als, bij voorbeeld, door

halsbanden die van goud gemaakt, of met kostelijke gesteenten ingelegt

zijn, of ook wel door hoofdsiersels rondom de hoornen geslingert. Het

hoofd van de vrouw des Bevelhebbers ter Zee, was met zoo veele

versiersels opgepronkt dat men 'er bijna geen hoornen aan konde zien.

Zij verontschuldigde haars mans afwezigheid, zeggende dat bij om een

Proces, waar in hij onlangs was ingewikkelt, t'huis moest blijven, en

met twee Exters of Advocaten, die 's anderen daags zijne zaak stonden te

bepleiten, moest besoigneeren.

Na de maaltijd sprak de gevlakte Zog, huisvrouw van den Opzigter der

Rioolen, in 't geheim met onzen tolk, betuigende zeer op mij verlieft te

zijn. Hij, haar vertroostende in haar lijden, en 't hulpmiddel tegen

haare kwaale belovende, begon mij daar over aan boord te komen, en toen

hij zag, dat 'er met woorden niets te doen viel, raadde hij mij te

vlugten, als wel bewust zijnde, dat Mevrouw hemel en aarde zoude

bewegen, om tot haar oogmerk te komen. Zedert dien tijd hield ik mij

scheep: vooral, vermits ik verstond, dat een oude liefde van Mevrouw, te

weten een Student in de Philosophie, door minijver gedreven, op mijn

leven loerde. Dog de verschanssing van 't Schip zelve kon mij naauwlijks

beveiligen tegen de verliefde aanvallen van Mevrouw; want nu trachtte

zij eens door boden, dan door minnebrieven, dan wederom door verliefde

gedigtjes, mijn ongevoelig hart te vermurwen; en, zoo niet door onze

opgevolgde schipbreuk die brieven verlooren geraakt waren, ik zoude hier

een staaltje der Varkens-poëzy kunnen opleveren. Dog ik ben alles

vergeten, en in mijn geheugen heb ik 'er niets meer van behouden, dan

alleen deeze versjes, waar in zij haar af beeldsel aldus opgeeft;

.............._Ei! reeken 't mij geen schande,_

_Mijn glad-gemesten pens rondom te zien bezet_

_Met harde borstels, die mij puilen uit het vet._

_Of zou het loof een boom: dan langer niet versieren?_

_De trotsche maan', die 't paard hangt om den hals te zwieren,_

_Het leelijk staan? O neen! 't Lam past de bonten vagt;_

_De veêren 't Pluimgediert': en, zeg mij, wie veragt_

_Den man niet, aan wiens kin de baard niet is gewasschen?_

_Waarom zou dan mijn lijf geen ruige borstels passen?_

De verruiling der koopmansgoederen geschiedde met zoo grooten haast, dat

wij binnen weinige dagen weer konden onder zeil gaan; dog onze reize

wierdt eenigzins opgehouden door een opgekomen geschil tusschen ons

bootsvolk, en eenige burgers van _Mezendoria_, zoo als wij stonden om 't

anker te ligten. De oorzaak des geschils was deeze; zeker Koekoek hadt

een _Martiniaansch_ matroos, zoo als die bij geval door de Stad ging

wandelen, eenige scheldwoorden toegeworpen, en hem uitgemaakt voor een

_Peripom_, zoo veel bij ons te zeggen als tooneelspeeler: want aangezien

de Aapen in dit gewest gemeenlijk de Jan Pottages en Comedianten zijn,

hadt de Koekoek den matroos voor eenen tooneelspeeler aangezien. Dog

dees dien smaad niet kunnende opkroppen, onthaalde den schimper op eene

dragt stokslagen, en hem wakker toedekkende, ontheupte hij hem bijna. De

Koekoek terstond roepende: Burgers staat bij, riep de omstanders tot

getuigen, en bragt ze 's anderendaags voort om verhoort te worden. De

getuigen verhoort zijnde, bragt hij de zaak voor 't geregt der Stad.

Hierom wierdt de matroos zig nog op de taal, nog op 't regt van

_Mezendoria_ verstaande, genoodzaakt eenen Exter of Advocaat te huuren,

om zijne zaak te verdedigen. Dus wierdt die zaak in den Raad bepleit, en

binnen den tijd van een uur kwam 'er een vonnis op van deezen inhoud:

_Dat de Koekoek, als aanrander, de straffe zoude dragen waar van hij de

oorzaak was, en de kosten betalen van het Proces_, welke egter, gelijk

doorgaans geschiedt, door het salaris van den Advocaat geheel en al

wierden ingezwolgen. De Raadsheeren, die over dit geding zaten, waren

Paarden, van welke 'er twee Burgermeesters, en de vier andere Raaden

wierden genoemt. Wijders waren 'er even zoo veele veulens tegenwoordig;

dog die hadden slegts overwegende, en geen besluitende stemmen, en

wierden bij diergelijke verrigtingen toegelaten, als Aankomelingen en

Candidaten in de Regten. Ik verstond dat 'er ook zulke kweekscholen in

andere Vergaderingen waren, waar uit zij gewoon zijn de bekwaamde

Aankomelingen te nemen, om de opengevallen plaatsen weder te vervullen.

Onzen koophandel naar wensch gedreven en ons Schip met kostelijke waaren

geladen hebbende, begonnen wij op ons vertrek te denken. Na dat wij diep

in zee gesteken waren, begon het zoo stil te worden, dat wij geenen

voortgang meer maakten, waarom de een met een elger, en de ander met

hoeken begon te visschen. Eerlang begon 't wat op te koelen;

_............. Des draalden wij niet lang_

_Maar rukten 't zeiltje bij, en raakten aan den gang:_

Na dat wij langen tijd, voor den wind en met genoegzame koelte, de

zeebaaren geklieft hadden, zagen wij nieuwe Sirenen,

_...... Die, in de zoute plassen,_

_Zig staag begietende met water,'t ligchaam wasschen:_

_En 't scheen de Zee-meermin, nu duik'lend naar den grond_

_Dan bovenkomende, geen klein genoegen vondt;_

Bij poozen gaven ze een vervaarlijk geluid van zig, waar door het

bootsvolk niet weinig verschrikt wierdt, als door ondervindinge geleert

hebbende, dat die treurige musiek een voorspook is van onweer en

schipbreuk. Hierom wierden terstond de groote zeilen ingenoomen, en een

iegelijk op zijnen post gestelt. Naauwlijks was dit verrigt, wanneer de

lugt met zwarte wolken wierdt overtrokken, en de zeegolven door de

vervaarlijke rukwinden aangezet, zig tot aan den hemel verheften, zoo

dat de Stuurman, die bijna veertig jaaren de Onderaardsche zeeën

beploegt hadt, heiliglijk betuigde, zig nooit in grooter onweer bevonden

te hebben. Al wat tusschen deks gelegen hadt, dreef nu bereids in 't

water, dat wij, zoo door de instortende golven, als door de vervaarlijke

slagregens met donder en blixem vermengt, in 't Schip gekregen hadden,

invoegen het scheen dat alle de hoofdstoffen te gelijk onzen ondergang

hadden zworen,

_'t Schip gierde vast door holle zee._

_De nagt kwam schielijk aangetogen_

_En rukte ons den dag uit d'oogen,_

_Het wierdt een weer dat ieder schrikken dêe._

_De blixem schoot door zwarte wolken heenen_

_En flikkerde in de lugt: het kraaken_

_Des donders scheen elks hart te raaken:_

_Eerlang was alle hoop tot ons behoud verdweenen:_

_Wij wierden in den koers verbijstert,_

_En vreeslijk door de zee geteisterd._

Eerlang brak onze groote mast aan stukken, en de overige gingen den

zelfden gang. Toen stondt iedereen de dood voor oogen. Dees riep om

zijne vrouw en kinderen, een ander om zijne vrienden en bloedverwanten,

en het gantsche Schip weergalmde van een naar gehuil. De Stuurman

trachtte wel, schoon hij zelf wanhoopte, hen met woorden ter neêr te

zetten, hen vermanende te bedaaren, en op te houden van klagten, die

niets deden dan den moed benemen. Dog terwijl hij daar mede bezig was,

sloeg hem de wind in zee, en toen men hem trachtte te redden, wierdt hij

door eenen rukwind onder eene golf gesmeten, en hij verdronk. Drie

andere ondergingen dat zelfde lot, waar van 'er de Opperkoopman een was,

en de twee andere waren bootsgezellen. Ik alleen verdroeg dat algemeen

ongeval met lijdzaamheid, vermits ik, verdriet in mijn leven hebbende,

geenen lust hadt om weder te _Martinia_ te komen, alwaar ik beide mijne

vrijheid en agtinge verloren had, en vervolgens onder 't getal der genen

was, welke voor

_Gebrek, nog opgeheven zwaart,_

_Nog kerker, zijn in 't minst vervaart._

Alleenlijk was ik bewogen over onzen Schipper, om de gunst die hij mij,

geduurende onze geheele reis, bewezen hadt; en ik trachtte, met de beste

woorden die ik bedenken kon, zijne verslagehheid op te beuren; dog ik

stelde mijne welsprekenheid te vergeefsch in 't werk, vermits hij niet

ophieldt van zugten, en van even als een wijf te balken, tot dat hij

door eene opkomende zwaare golf in zee gesmeten wierdt. 't Onweder

gestadig toenemende, wierdt het Schip voor verloren gehouden. Mast en

roer, riemen en touwen waren bereids weg, en het vaartuig wierdt als een

holle romp door de golven herwaards en derwaards geslingerd. Drie dagen

agter een, stonden wij deezen storm uit, in doodsvreeze en flaauw van

honger. De lugt wierdt nu en dan wel eens wat helderder; dog de storm

bleef gestadig aanhouden. Eindelijk schepten de nog overgebleven

matroozen eenigen moed, toen zig van Verre eenig land, dat berg- en

klipagtig was, opdeedt; en vermits de wind naar 't lager was, kreegen

wij hoop eerlang aan land te zullen komen. Zonder schiphreuk kon dat

niet wel geschieden, om dat het strand niet vlak was; dog daar was kans,

dat zoo niet alle, egter de meeste, door behulp der drijvende luiken

eenigen tijd hun leven zouden bergen. Dog terwijl wij ons met deze hoop

vleiden, stiet het Schip op eene blinde klip met zulken geweld te

barsten, dat het bijna in honderd stukken van een viel. In deeze

verbaasdheid greep ik een luik, niet eens denkende op mijne makkers,

vermits ik alleen bedugt was voor mijn eigen behoud: ook weet ik tot nog

toe niet wat hun mag overkomen zijn. 't Is waarschijnlijk dat zij alle

ellendiglijk zijn om hals geraakt, vermits ik niet vernomen hebbe, dat

iemant daar aan land is gekomen. De vloed, en baaren, voerden mij, met

eene groote snelheid naar het strand, 't geen mijn geluk was, want zoo

ik wat langer in dien staat gebleven had, zoude ik, afgemat van honger

en gebrek, zonder twijfel het leven daar bij hebben ingeschoten. Na dat

ik in eenen inham was geworpen, begon de zee te bedaren en haar geruisen

te verzagten, zoo dat men ze slegts flaauwlijk konde hooren. Die

gantsche gewest is bergagtig; hierom maken de kromten der bergen, de

menigvuldige heuvelen, de gespleten kruinen der rotzen, en de bolle

bogten der valleijen, de lugt zeer ongelijk, waar door 't gebeurt dat op

veele plaatsen de woorden worden wedergekaatst. Wanneer ik nu zag dat ik

bijna het strand bereikt had, gaf ik eenen grooten schreeuw, hopende dat

de gene die nabij 't strand woonden, op dat geroep zouden komen

toeschieten en mij helpen. Op mijn eerste geroep hoorde ik geen

tegengeroep; maar toen ik daarmede voortging, hoorde ik een geluid van

't strand komen, en zag dat det inwoonders des Lands uit het digtste van

het bosch te voorschijn kwamen, en in eene soort van boot vielen, om na

mij toe te komen. De boot was gemaakt van teenen van Haag-appelboomen en

Eike-wisschen, waar uit genoeg was af te neemen, dat dit geenszins het

allerbeschaafdste volk was. Dog op het zien der roeijers wierdt mijn

hart met blijdschap vervult, vermits dezelve ten opzigte hunner

ligchaams-gedaante niets van de menschen verschilden; en zij waren ook

de eenigste menschen, welke 't mij hadt mogen gebeuren in mijne gantsche

Onderaardsche reize te zien. Zij gelijken zeer wel naar de bewoonders

onzes Aardkloots die onder de linie zijn; want zij hebben zwarte baarden

en gekroest hair, en de gene die blond en lang ongekrult hair hebben,

worden onder de wanschepsels gerekent. Eindelijk kwamen zij aan het stuk

van 't schip waar op ik dreef, en namen mij, die hun ootmoedig de handen

toestak, in de boot. En toen,

_Verkleumt van koud' en zonder kragt,_

_Wierd ik van hen op 't strant gebragt,_

Alwaar ik een weinigje met spijs en drank, schoon raauw en gering,

verkwikt zijnde, (want ik had geduurende den tijd van drie dagen honger

en dorst geleden,) eerlang tot mij zelven kwam.

TWAALFDE HOOFDSTUK

_Komst op den Kust van Quama._

Midlerwijl liep 'er zeer veel volks bijeen, dat met mij wilde spreeken;

dog hunne taal niet verstaande, wist ik hun niets te antwoorden. Nadien

ik dagt dat de woorden _Dank Dank_, welke zij dikwils herhaalden,

Hoogduitsche waren, antwoordde ik hen in die spraak: een weinig daar na

sprak ik Deensch, en terstond daar op Latijn; dog zij toonden genoegzaam

door 't schudden hunner hoofden, dat zij 't een zoo min als 't ander

verstonden. Ik trachtte eindelijk mijne gedagten in de Onderaardsche

taalen, te weeten in de _Nazarische_ en in de _Martiniaansche_, uit te

drukken; dog alles was te vergeefsch. Hier uit giste ik dat dit een wild

en woest volk was, en dat geen gemeenschap altoos hieldt, of eenigen

handel dreef met de overige Onderaardlingen, en vervolgens dat ik in dit

gewest weder kinds zoude moeten worden, en leeren spreeken.

Na dat wij lang gepraat hadden, dog egter zoo, dat de een den anderen

niet verstondt, wierd ik naar een hutje gebragt, dat van teenen

gevlogten was: daar vondt men nog stoel, nog bank, nog tafel; want zij

aten op den grond zittende, en vermits zij geen bedden hadden, bragten

zij slegts ondereen op wat stroo leggende den nagt door, 't geen mij des

te meer verwonderde, aangezien in dat gewest zeer veele bosschen worden

gevonden, die wel met hout voorzien zijn. Hun eenige voedsel was melk,

kaas, haver-brood en vleesch, 't geen zij lieten bevriezen, vermits zij

zig niets met allen op de kokerij verstonden. Kortom, zij waren bijna

even als de eerste stervelingen,

_Die, ruw en onbeschaaft, niet wisten van te ploegen,_

_Of van den dommen Os in het gareel te voegen_

_Om d'aard' te klieven, en in den gebroken grond_

_Te kweeken 't vette graan tot spijze voor den mond:_

_Die plomp en ongewoon om schatten te vergaêren_

_Nog onbedrevener in die te houden waren;_

_Maar die te vreeden met de vrugten van 't geboomt',_

_Of 't geen de jagt hen gaf, steeds leefden onbeschroomt._

Om deeze redenen leefde ik hier eenen geruimen tijd een honden-leven,

totdat ik zoo verre in de taal vorderde dat ik met de inwoonders

spreeken, en hen in hunne onweetenheid konde te hulp komen. En waarlijk

mijne allergeringste lessen wierden voor Godspraken gehouden. Hierom

kwamen zij alle uit de omgelegen Dorpen, door 't gerugt mijns naams

gaande gemaakt, met geheele troupen naar mij, als tot een uitstekend

Leeraar, die hen van den hemel was toegezonden, toevloeijen; en ik

hoorde dat 'er eene nieuwe tijdrekening, beginnende van mijne aankomst

af, bij eenige van hen stand zoude grijpen. Die alles was mij des te

aangenaamer, vermits ik in _Nazar_ en _Murtinia_, bij gene om mijn al te

vlug vernuft en schielijkheid, bij deeze om mijne domheid, iedereen ten

spot had verstrekt. Toen ondervond ik ook dat het spreekwoord waaragtig

was, te weten: dat onder de blinden één-oog koning is; want ik was hier

in een land gekomen, daar ik met een weinigje verstands, en met het gene

bijna niet genoemt mogt worden, mij vermaart maken, en op den hoogsten

trap des geluks konde klimmen. Ook had ik een ruim veld om te toonen wat

ik doen konde, vermits dit gewest alles wat de mensch tot gebruik noodig

heeft, rijkelijk opbragt: want de aarde brengt 'er zeer veele dingen van

zelfs voort, en vergelt den zaaijer met veelvuldigen woeker;

verstrekkende zooveel lekkernijen als noodig onderhoud. De inwoonders

deezes lands waren wel niet onleerzaam, of in 't geheel van vernuft

berooft; dog vermits zij nergens in onderwezen waren, zaten zij in eene

diepe onkunde. Toen ik hen verhaalde mijn Geslagt, Vaderland, Schipbreuk

en andere zaken, welke, mij op de reis bejegent waren, wilde niemant

daar geloof aan slaan. Zij geloofden liever dat ik een inwoonder der Zon

was, en dat ik uit dat gesternte was nedergedaalt; waarom zij mij ook

gemeenlijk _Pikil-Su_, dat is afgezant der Zonne, noemden. Hen was niet

onbekent dat 'er een God was; dog met de betooging van zulk een

aangelegen leerstuk hielden zij zig niet zeer op, meenende genoeg te

zijn, dat hunne voor-ouders dat zoo gelooft hadden. In dit leerstuk

alleen bestaat hunne gantsche Godgeleerdheid. Wat aangaat het zedelijke,

daar in kenden zij niet meer dan dat eene gebod:

_Wat gij niet wilt dat u geschied'_

_Doe dat ook aan een ander niet._

Zij hadden geene wetten: de wil des Keizers alleen was hunne wet, en om

deeze reden wierden 'er geen misdaden, dan die tegen den Staat begaan

waren, gestraft. Zoo iemant eenige andere euveldaden bedreven hadt,

wierdt zijn bijwezen van allen geschuwt, en die versmading viel den

overtreders zoo smertelijk en ondraaglijk, dat 'er niet weinige, of van

hartzeer stierven, of uit verdriet in hun leven, de handen aan zig

zelven sloegen. In alle tijdrekening waren zij gantsch onbedreven;

rekenende alleen hunne jaren van de Zon-eclips welke voorvalt door de

tusschenkomst van de Planeet _Nazar_, invoegen dat wanneer men 'er

vraagde hoe oud iemant was, men ten antwoord kreeg, dat hij zoo veele

eclipsen beleeft hadt. Hunne Natuurkunde was geheel mager en ongerijmt;

want zij geloofden dat de Zon eene gouden plaat, en de Planeet _Nazar_

eene kaars was. Toen ik hen naar de oorzaak vraagde, waarom de Planeet

_Nazar_ op gezette tijden af- en toenam, gaven zij mij ten antwoord, dat

zulks hen onbekent was. Hun grootste rijkdom en vermogen bestondt in

varkens, welke zij in de bosschen jagende, uit merken en kenteekenen

onderkenden en eens ieders vermogen wierdt geschat naar het getal van

zwijnen dat hij bezat. De onvrugtbare boomen, en die geen eikels

droegen, waren zij gewoon te geesselen, vermits zij dwaaslijk oordeelden

dat die onvrugtbaarheid voortkwam uit derzelver nijdigheid en

kwaadaartigheid.

Dusdanig stondt het met dat erbarmenswaardige volk, 't welk ik in 't

begin wanhoopte door een goed bestier en heilzaame leeren tot

beschaafde menschen te zullen brengen; dog mij te binnen brengende:

_Wie is zoo woest die niet gebragt wordt tot bedaren?_

_Heerscht niet de Reden zelfs ook onder de Barbaren?_

_'t Verstandig onderwijs drijft alle woestheid uit:_

_Ten zij men voor de tugt baldadig d' ooren sluit;_

Stelde ik al mijn verstand in 't werk, om dat barbaarsche volk 'te

beschaven, en daar door wierd ik onder hen als voor een Godlijk man

gehouden: ja zij hadden zulk een groot gevoelen van mijne wijsheid, dat

zij geloofden dat mij niets onmogelijk was.

_Hierom was nooit bij nagt een lam de kudde ontstolen;_

_Geen schaap was afgedwaalt en slegts een dag verholen;_

_Geen geit door ziekte hadt ooit het leven afgelegt;_

_De langverwagtte oogst den landman hoop ontzegt;_

_Geen os was voor den ploeg ontijdig dood gevallen,_

_Of ik kreeg straks de weet: zij kwamen met hun allen,_

_Zelfs in den hollen nagt, geloopen naar mijn hut,_

_en klaagden 't ongeval. Een' algemeenen stut_

_En steun verstrekte ik hen in hunnen nood...._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 15 / 21 段