voorhoofd hadden, en _Arimaspi_ geheeten wierden. Andere in dat zelve
gewest, gingen altoos agterwaards uit. In Albanië zijn menschen geweest
die in hunne kindsheid grijs waren. De _Sauromaten_ waren gewoon altoos
op den derden dag te eeten, en in dien tusschentijd zig van alle spijs
te onthouden. Men zegt dat 'er in Africa zekere Geslagten van menschen
zijn, die iemant met hunne stem en woorden betooveren. In Illyrië zijn
'er geweest, die de gene welke zij in hunne gramschap lang aankeeken,
met hun gezigt doodden, en die zelve hadden twéé oog-appels in elk oog.
In de Indiaansche gebergten heeft men menschen gevonden met
hondenkoppen, en blaffende; en teffens andere die de oogen in de
schouders hadden. Op de uiterste grenzen van Indiën heeft men 'er
ontdekt, welker ligchaamen geheel met hair waren bewassen, en die even
als de vogelen veêren kregen, geen spijs altoos nuttigende, maar alleen
van den reuk der bloemen, door den neus opgehaald, levende. Wie zou
deeze en diergelijke dingen ooit geloofd hebben, ten ware _Plinius_, een
zeer deftig Schrijver, niet heilig betuigde, dat hij van alle die dingen
niet alleen gehoord of gelezen, maar ook dat hij ze gezien hadt?
Eindelijk wie zou ooit gelooft hebben, dat de Aardkloot hol, en in
deszelfs binnenste een Zon en Planeeten waren, ten zij die verborgenheid
door mijne ondervindinge niet ontdekt was? Wie zou gelooft hebben, dat
'er een Land gevonden wierdt, door wandelende en met reden begaafde
boomen bewoont, zoo niet die zelve ondervinding elkeen belette daar aan
te twijfelen? Ik zal evenwel niemant om zijne ongeloovigheid eene
dagvaarding t'huis zenden; want ik moet bekennen dat ik zelf, eer ik
deeze reis ondernomen had, daar aan twijfelde; meenende dat het
verdigtte fabelen en enkele grollen waren, 't geen ons van het varende
volkje verhaald wordt.
Met het ingaan der maand _Radir_
_Na 't anker was geligt, de zeilen van de ree_
_Gevallen, zagen w' ons eerlange, in volle zee._
Eenige dagen lang, was de wind ons gunstig, zoo, dat wij roeijers niets
te doen hadden, wijl, alle zeilen rond staande, wij geen riemen te boord
behoefden te leggen. Dog op den vierden dag was het aldus gesteld:
_De wind gaat leggen, 't zeil hangt labberend' voor den mast;_
_De wakkere Bootsgezel, die op zijn pligt staag past,_
_Legt fluks den riem te boord, rukt 't vaartuig door de baaren,_
_Die hol en schuimende niet wisten van bedaaren._
Wanneer hu de Schipper zag dat mij die arbeid zeer zwaar viel vliet hij
mij toe somtijds wat te rusten, en ontsloeg mij eindelijk geheel en al
van dien last. Waarom hij zig zoo rekkelijk tegen mij aanstelde, 't zij
dat hij mij geloofde onschuldig te wezen, of wel dat hij, om de
uitrekende uitvinding der _Paruiken_, mij oordeelde beter lot waardig te
zijn, kan ik niet wel zeggen. Hij zelf hadt drie _Paruiken_ mede
genomen, welke hij mij liet kammen en in de krul zetten, invoegen ik
van een Galeiboef schielijk in eenen Paruik-opmaker hervormd was. Door
die beleeftheid des Schippers tegen mij, kwam 't ook toe, dat, zoo
menigmaal wij eene haven aandeeden, ik meestentijds onder de gene was
die naar land gingen, waar door ik gelegenheid kreeg, om mijne
nieuwsgierigheid volkomenlijk te voldoen.
Terwijl wij hier en daar kruisten, kwam 'er eene wijle tijds ons niets
vreemds te voren. Dog toen wij zoo diep in zee gesteken waren, dat wij
nog land nog zand meer zagen,
_Kwam in een oogenblik, uit deezen grijzen kolk,_
_Opbarsten, rontom 't Schip, een woest en onguur volk._
Het waren Sirenen, die, zoo dra de wind ging leggen, en de zee bedaart
was, tot aan ons Schip kwamen zwemmen, eisschende eene aalmoes.
_Van boven leek 't gestel een' maagd van frissche leden_
_Tot aan den navel toe; maar verder naar beneden_
_Een Zeevisch, onbeschoft van lengte en dikte..._
Haare taal kwam zeer na hij die van _Martinia_; zoo, dat eenige
matroozen, zonder tolk te gebruiken, met dezelve konden spreken. Wanneer
ik aan eene derzelven op haar verzoek een stuk vleesch gegeven hadt,
keek zij mij met aandagt aan, uitroepende:
_Hou moed! gij zult in 't kort, door heldendaên vermaard,_
_Regeeren wijd en zijd......_
Dog op die voorspelling begon ik als over eene ijdele vleijerij te
grimlachen, schoon 't scheeps-volk heiliglijk betuigde dat de Sirenen in
haare voorzeggingen zelden misten. Na eene reize van agt dagen, zagen
wij eindelijk 't Land, dat bij de varende luiden _Picardania_ geheeten
wordt. Terwijl wij de haven inliepen, vloog 'er een Exter, welken zij
den _Commis-Generaal_ van den Tol, en een deftig man zeiden te wezen,
rondom, ons Schip. Naauwlijks kon ik mij van lachen onthouden, wanneer
ik hoorde dat een Exter een ampt van dat gewigt bekleedde, en wanneer ik
zag dat een bedienaar der Geldmiddelen
_Met snelle schagten zig durft over Zee begeven,_
_En, moedig op zijn' vlugt, komt door de lugt aanstreven._
Uit de gestalte van den _Commis-Generaal,_ oordeelde ik, dat de vliegen
zijne lijfstaffieren en dienaars van den Tol zouden zijn. Nadat hij
driemaalen rondom ons Schip gevlogen, en zig daar na weder naar land
begeven hadt, keerde hij terstond met drie kleinere Exters wederom, en
ging zitten op de voorsteven van 't Schip. Ik meende bijna mijne reuzel
te scheuren, wanneer ik zag dat een onzer Tolken eerbiediglijk deeze
Exters naderde, en een lang praatje met hen hieldt. De oorzaak hunner
komste was om de koopmans-waaren te doorsnuffelen; want volgens 't
gebruik waren zij gehouden te onderzoeken of 'er ook eenige verboden
waaren, vooral zeker kruid, _Slak_ geheeten, onder de pakgoederen
verborgen waren. Om naar dit kruid te zoeken, zijn zij gewoon alle
hoeken en gaten van 't Schip te doorsnuffelen, en pakken en zakken te
doen uitschudden, vermits de invoer daarvan zeer streng door de
Magistraat verboden is; want voor dit kruid zijn de Inwoonders gewoon
zeer fraaije en noodzakelijke waaren te verruilen, waar door het komt
dat de _Picardaansche_ kruiden, die egter van 't zelfde gebruik zijn,
zeer in prijs afslaan; zoo, dat de _Picardanen_ in dit stuk onze
Europeanen niet ongelijk zijn, die alleenlijk daarom de dingen, willen
hebben, om dat ze uit verre landen komen, en onder eene andere
lugtstreek gegroeit zijn. Na dat de _Commis-Generaal_ langen tijd met
onze tolken gepraat hadt, ging hij met zijne bijhebbende Exters naar om
laag, en weder boven komende, zag hij ons zeer barsch aan, te kennen
gevende dat ons de handel met de _Picardanen_ stondt verboden te
worden, vermits wij tegen de Tractaaten handelden; brengende verboden
waaren aan. Dog de Schipper, zulke zaken meermaals bij de hand gehad
hebbende, en wetende waar mede de Tol-bedienden ter neêrgezet worden,
vereerde den grommer eenige ponden van het kruid _Slak_, waar door zijne
gramschap gestilt, en ons vrijheid vergund wierdt om 't Schip te
ontladen.
Dit aldus verrigt zijnde, kwam 'er eene zeer groote menigte Exters
aangevlogen. Deeze alle waren Kooplieden. Dog de Schipper aan land
willende gaan, beval mij met eenige anderen hem te volgen, zoo, dat wij
vier in getal waren die van boord afgingen, te weten de Schipper, ik, en
twee Aapen, van welke de een de Opperkoopman was, en de ander een tolk.
Wij wierden van den _Commis-Generaal_ van den Tol te gast genoodigt; dog
daar wierdt geen tafel gedekt, vermits de _Picardanen_ geen stoelen
kunnen gebruiken; alwaarom ook het tafel-laken op den vloer wierdt
uitgespreit. Daar wierdt rijkelijk en kostelijk opgedischt, dog in zeer
kleine schotelen: en wijl de keuken op de allerbovenste verdiepinge van
het huis was, kwam 'er met elk geregt een vierspan van Exters, als door
eene gemeene hang-goot, nederdalen. De maaltijd geëindigt zijnde, bragt
ons de Opper-tollenaar naar zijne Bibliotheek. Daar was eene groote
menigte van boeken, dog altemaal kleine, zoo dat de allergrootste
exemplaaren, en zelfs de _Folianten_ 't naauwlijks in grootte tegen onze
Almanachen konden ophaalen. Ik kon mij bijna niet van lachen onthouden,
toen ik zag dat de Opzigter deezer Boekerij naar de bovenste der kasten
vloog, om de boeken in _Octavo_ en _Duodecimo_ van daar te haalen. Voor
het overige waren de huizen der _Picardanen,_ belangende het gebouw en
den opschik, weinig van de onze verschillende, dog de slaapsteden onder
't dak hangende, waren als vogelnesten. Men zal mogelijk vragen, hoe 't
mogelijk zij, dat Exters, die onder 't geringe slag der vogels zijn,
zulke groote gebouwen kunnen maken? Dog 't bleek uit een huis, waar van
toen juist de fondamenten wierden gelegt, dat de zaak mogelijk was; want
ettelijke duizenden van werklieden te gelijk, zetteden dat werk voort,
invoegen dat de menigte en de ligtheid in 't vliegen, 't gebrek van
kragten eenigzins te hulp kwamen. En om deze redenen worden de huizen
der _Picardanen_ bijna zoo vaardig opgebouwt als de onze. De Vrouw des
Oppertollenaars kwam niet voor den dag, vermits zij in de kraam lag;
want de kraamvrouwen gaan aldaar niet uit zoo lang de jongen niet
vliegen kunnen; dog haar man zeide dat ze eerlang zoude uitgaan,
overmits de kuikens alle dag stonden veêren te krijgen.
Wij bleeven niet lang in dit gewest, waarom ik ook den staat van dat
land, nog den aart en zeden der inwoonders niet kan beschrijven. Daar
was toen ter tijd eene geweldige beweging onder de gemoederen, om dat
'er onlangs een oorlog was ontstaan tusschen db _Picardanen_ en de
Kramsvogels hunne nabuuren: vooral vermits 'er daags na onze aankomst,
een gerugt liep, dat de _Picardanen_, in eenen grooten lugtstrijd, door
de Kramsvogels waren geslagen; waarom ook de Veld-overste des legers, da
rijp overleg van raade, gevonnist wierdt, dat hij eene vleugel-klieving
zoude ondergaan, welke straf aldaar voor zeer zwaar wordt gehouden, en
weinig van de halsstraffe verschilt. Na dat wij onze waaren verruilt
hadden, staken wij in zee. Niet ver van strand, zagen wij het water als
met veêren overdekt, en uit de pennen, welke wij in zee zagen dobberen,
gisten wij dat dat de plaats was, alwaar de slag tusschen de Exters en
Kramsvogels was voorgevallen.
Na eene voorspoedige reize van drie dagen, kwamen wij aan 't
Musiek-land. Ons anker uitgeworpen hebbende, stapten wij aan den wal;
gaande onze tolk vooruit met een Musiekinstrument, 't geen wij doorgaans
een _Bas_ noemen. Dit scheen mij zeer belachelijk, vermits ik niet raden
konde tot wat einde hij zig met dit pak beladen hadde. Nadien wij 't
overal woest vonden, en nergens een voetstap van menschen te vinden was,
gaf de Schipper bevel, onze aankomst door Musiek-geluid aan de
inwoonders bekent te maken; en dadelijk kwamen, op 't geschal des
trompets, omtrent dertig Musiek-instrumenten of bassen met éénen voet,
toeloopen. Dit scheen mij waarlijk tooverij te zijn, vermits ik niets
verbaazender op mijne reis gezien had. Deeze _Basfioolen_, welke ik
vernam de inwoonders deezes gewests te zijn, waren van dusdanig een
maaksel: Van boven was de hals langwerpig, met een klein hoofd, het
ligchaam zelf naauw en gedrongen, met een glad-gemaakt deksel bedekt;
invoegen dat 'er tusschen het deksel en 't ligchaam eene tusschenwijdte
was overgelaten. Boven den navel des buiks hadt de Natuur eene kam of
gestoelte met vier snaaren gestelt. 't Geheele gestel stondt slegts op
éénen voet, zoo dat zij alle op één been loopende, even als of zij
dansten, met eene zeer levendige snelheid het veld overliepen. Kort om,
men zou gedagt hebben dat het waaragtige Musiek-instrumenten waren, om
de gelijkheid der gedaante, zoo zij niet twee handen en twee armen
hadden gehad. Met de eene hand hielden zij eenen strijkstok, en met de
andere streeken zij over de snaaren, onze tolk, de inwoonders
verzoekende met hen een mondgesprek te mogen houden,
_Vat met zijn linkerhand terstond de holle bas,_
_Terwijl zijn regterhand den strijkstok al zoo ras._
_Aangreep; en in dien stand maakt hij 't Musiektuig vaardig_
_Om 't oor te streelen, naar de komt, zoo juist als aardig._
Hij kreeg terstond antwoord door het geluid der snaaren, zoo, dat zij,
beurt om beurt eenen geruimen tijd speelende, hunne meeningen
uitdrukten. In 't begin speelden zij niet dan eene _Adagio_ en dat met
eene genoegzame welluidenheid; dog straks daar op speelden zij met
verscheiden toonen dat men baloorig wierdt. Eindelijk wierdt het Musiek
besloten met eene zoet luidende en aangenaame _Presto;_ en wanneer de
onze dezelve hoorden, sprongen zij op van vreugde, zeggende dat men het
thans al eens was over den prijs der waaren. Straks bleek het dat de
eerste _Grave_ niet anders beteekende dan het begin des gespreks, en
enkel bestondt in onderlinge groetingen; dog dat, zoo lang als de
ongelijkluidende Musiek duurde, 'er geschil was over den prijs; en dat
eindelijk de zoetluidende _Presto_ de gelukkige overeenkomst in den
handel te kennen gaf: want weinig tijds daar na wierdt het schip
ontladen. Onder de waaren die derwaards worden overgevoert, was de harst
van zeer veel aangelegenheid, waar mede de inwoonders van 't Musiek-land
de strijkstokken of bogen, werktuigen tot het geluid, bestrijken;
alwaarom ook, wanneer zij van eene misdaad overtuigt worden, hun tot
straffe bij vonnis des Regters de strijkstok wordt afgenomen; en eene
geduurige berooving van den strijkstok wordt bij hen voor halsstraffe
opgenomen. Wanneer ik eens hoorde, dat 'er in zekere regtbank, die niet
ver van ons vandaan was, eene regtszaake stondt uitgesproken te worden,
liep ik derwaards om de wijze van een regts-geding in 't Musiek-land te
hooren. De Advocaten, in plaats van te spreeken, begonnen de
strijkstokken te roeren, trekkende geluid uit de snaaren die over haaren
buik waren gespannen. Zoo lang 't geding duurde, wierden 'er niet anders
dan ongelijkluidende klanken gehoort, invoegen dat in hunne afgeregte en
gebaarmakende handen alle welsprekenheid gelegen was. Dog dat pleidooi
geëindigt zijnde, stondt de Regter op, vatte eenen strijkstok, en
speelde eene _Adagio_ geen het zelve is met een vonnis uit te spreken:
want terstond kwamen zij toeloopen, die de sententie ter uitvoer moesten
brengen, om den verwezenen den strijkstok af te nemen. De kinderen
vertoonen hier een soort van instrumenten, bij ons _stok-fioolen_
genoemt. Hun worden geen strijk-stokken gegeven, bevorens zij drie jaren
oud geworden zijn. Wanneer zij in hun vierdejaar treden, worden zij naar
de schoolen gezonden, om van hunne meesters te leeren door 't op- en
neerstrijken de klanken uit de snaaren te haalen, 't geen even het zelve
is dat wij noemen in de letteren onderwezen te worden; en zij blijven
onder 't onderwijs hunner meesters, tot dat zij naar den eisch speelen,
en, zonder kratzen, den strijkstok naar boven stooten en naar beneden
kunnen haalen. Wij wierden dikwils niet weinig van deeze jongens, die
ons overal speelende vervolgden, geplaagt. Onze tolk, zig op de Musiek
verstaande, zeide dat die speelende jongens bij ons kwamen bedelen om
harst. Zoo lang zij bedelden, maakten zij een deftig geluid, of eene
_Adagio;_ dog wanneer zij wat gekregen hadden, gaven zij een vlug en
scherp geluid, of dat van eene _Presto_: want daar door wordt eene
dankzegging uitgeduid. Dog wanneer zij niets komen op te doen, verdwijnt
ook welhaast die geheele Zangberg.
Onze zaken wel en naar wensch verrigt zijnde, verlieten wij, omtrent het
einde der maand _Cufan_, het Musiek-land, en na eenige dagen zeilens,
zagen wij een ander strand, uit welks stank wij gissinge maakten dat het
_Bijglossia_ was. De inwoonders deezes lands zijn den menschen niet
ongelijk; hier in egter verschillende, dat zij, geenen mond hebbende,
door hun agterste spreeken. De eerste die op ons Schip kwam, was een
rijk koopman. Hij groette ons naar de wijze des lands door zijn
agterkwartier, en begon terstond met ons te handelen over den prijs der
goederen. Dog tot mijn groot ongeluk lag onze barbier toen krank; waarom
ik genoodzaakt wierd mij van eenen _Bijglossischen_ baardscheerder te
laten scheeren: want vermits deeze snotveegers doorgaans nog grooter
babbelaars zijn dan die van Europa, vervulde hij, terwijl hij mij den
baard scheerde, de herberg met eenen ijsselijken stank, zodanig dat wij
na zijn vertrek genoodzaakt waren wierook te branden. Ik was nu aan de
wonderbaarlijke zaken, en die tegen de natuur aanliepen, al zoo gewoon
geworden, dat mij niets meer vreemd voorkwam. Vermits ons nu het verkeer
met die van _Bijglossia_ zeer onaangenaam en moeilijk viel, ligtten wij,
onze reize verhaastende, een weinig voor den gezetten tijd onze ankers,
voornamenlijk vermits wij van eenen rijken _Bijglossiaan_ te gast waren
verzogt: want op zijn verzoek haalden wij alle de schouders op, en
niemant wilde zijn woord geven, ten ware onder besprek van een gestadig
stilzwijgen zoo lang de maaltijd duurde. Toen wij uit de haven voeren,
wenschten ons alle de _Bijglossiaanen_ op het strand staande, eene
gelukkige reize; en vermits wij met den landwind die van 't strand af
kwam waaijen, vertrokken, verzogten wij hun door wenken en teekenen, dat
zij tog hunne heilwenschen wilden spaaren: want al te veel beleefdheid
is ongemakkelijk. De waaren, welke de _Martinianen_ derwaarts brengen,
bestaan in roozen-water, balzem, en verscheide andere soorten van
welriekende specerijen.
Hier van daan zetteden wij onzen koers naar 't Ysland, zoo gruuwzaam en
afschuuwelijk voor 't gezigt, dat ik, mijns bedunkens, nooit land gezien
heb, dat ongelukkiger en meer beklagenswaardig is, aangezien aldaar niet
dan bergen, altoos met sneeuw bedekt, zig aan 't gezigt opdoen. Tusschen
de toppen der gebergten, alwaar de Zon nooit haare straalen schiet,
vindt men hier en daar inwoonders alle van ijs gevormt. Want al 't geen
tusschen de kruinen der rotsen gevonden wordt, wordt door de
verslindende koude en een altoos duurenden vorst te ondergehouden.
Hierom is ook aldaar eene eeuwige duisternisse, en, zoo 'er al eenig
licht is, zoo wordt het veroorzaakt door de grijze rijp. Dog de beneden
liggende dalen worden als door vlammen verbrand, en door heete dampen
geroostert. Hier van daan is 't, dat de inwoonders niet in de valleijen
durven afgaan, ten zij met betrokken lugt of in donker weer, en dat,
zoo dra zij slegts het allerminste zonne-straaltje gewaar worden, zij,
of naar 't gebergte te rug keeren, of in aller haast zig in de spelonken
begeven. Dikwils gebeurt het, dat zij van 't gebergte komende, of
onderweg versmelten, of eenig ander ongeluk ontmoeten; waarom ook de
overtreders der wetten bij duister weer in een dal afgebragt zijnde,
aldaar aan eenen paal worden vastgemaakt en blootgestelt voor de hitte
der Zonne. Dit land brengt allerhande slag van bergstoffen voort,
uitgezondert alleen goud. Deeze bergstoffen worden, nog nieuw zijnde,
van de vreemde kooplieden uit dat land gevoert; want de inwoonders tegen
de hitte niet bestand zijnde, zijn niet in staat om die te smeden. Men
wil dat de handel op 't Ysland de voordeeligste is van allen die op de
_Mezendorische_ landen gedreven wordt.
Alle deeze Landen, waar van ik eene schetse heb opgegeven, staan onder
de gehoorzaamheid van den Keizer van het gewest _Mezendoria_, eigenlijk
zoo genoemt; waarom ook de overige, door de Meevarende lieden,
gemeenlijk worden genoemt de _Mezendorische_ eilanden, schoon zij door
bijzondere namen onderling onderscheiden worden, gelijk in deeze
reisbeschrijvinge is aangetoont. Dat niet minder groot dan wonderlijk
Gebied, is ook het einde en het middenpunt deezer reize. Na eene vaart
van agt dagen, kwamen wij aan de Keizerlijke hoofdstad, alwaar wij alles
dat de Digters ooit gezongen hebben, van de samenlevinge der dieren,
boomen en planten, bevonden waaragtig te wezen. Want _Mezendoria_ is als
het algemeene Vaderland aller dieren, boomen en planten die met reden
begaaft zijn. Elk dier en ieder boom kan aldaar het burgerregt
verkrijgen, zoo zij zig maar aan de regeering en wetten onderwerpen. Men
zou zeggen, dat een mengzel van schepselen van zoo onderscheiden
gedaanten en van zulk eene verschillende en tegenstrijdige natuur,
verwarringen en opschuddingen zoude veroorzaken. Dog die
tegenstrijdigheid zelve brengt aldaar een zeer gewenscht gewrogt teweeg:
en zulks wel door de zeer verstandige wetten en inzettingen, welken
deezen ondereen gemengde onderdanen, naar hunnen aart en geneigtheid,
zulke bezigheden en bedieningen, als waartoe een iegelijk bekwaam is,
opleggen. Zoo worden bij voorbeeld uit het geslagt der Leeuwen, om
hunner aangebooren grootmoedigheids wille, de Regeerders verkoozen. De
Olifanten zijn aldaar, om hun schrander oordeel, Leden van den Grooten
Raad. Tot alle bedieningen op 't Hof betrekkelijk, neemt men Cameleons,
vermits die veranderlijk zijn en onbehendig. De Krijgsmagt te Lande
bestaat in Beeren, Tijgers, en diergelijke strijdbare dieren; dog tot de
Zeemagt worden gebruikt Ossen en Stieren; want aangezien het zeevolk
slegt en regt is; dog weinig gemaniert; maar koppig en onbuigzaam,
leidende een leven dat met de ruuwe hoofdstoffe waar op zij leeven,
overeenkomt; wordt hun de zeedienst opgedragen. Daar is ook een
kweekschool van Hokkelingen, of aankomende Zeesoldaten (_Zee-Cadets,_)
waar uit de Kapiteinen en Bevelhebbers ter Zee verkooren worden. De
Boomen worden, om hunne aangeboren gematigheid, tot Regters verkooren.
De Ganzen zijn Advocaten der Hooge Geregtshoven, en de Exters bepleiten
de zaken in de lagere Regtbanken. De Vossen zijn 'er Gevolmagtigden,
Gezanten, Consuls, Bewindsmannen, en Geheimschrijvers der bezendingen.
De Raven zijn 'er doorgaans Executeurs in de boedels, en Bestierders der
nalatenschappen, die nog niet aanvaard zijn. De Bokken zijn 'er
Wijsgeeren, maar inzonderheid Taalgeleerden, en zulks zoo ten aanzien
der hoorens, waar mede zij hunne tegenpartijders, zelfs om de
allergeringste zaken, gewoon zijn aan te doen en op 't lijf te loopen;
als ten opzigte der eerwaardige baarden, waar mede zij onder alle
schepselen uitsteken. De Paarden zijn 'er Burgermeesters en Raadsheeren
in de Steeden. De Eigenaars of Grondheeren en Bouwers der Landerijen,
zijn Slangen, Mollen, Ratten en Muizen. Vogels zijn 't, die aldaar het
ampt van Postlopers en Boden bedienen. De Ezels om hun balkend geluid
zijn 'er Diaconen. De Nagtegalen nemen het ampt van Voorzangers en
Organisten waar. De Hanen zijn 't, die de Stadswagt waarnemen en op
schildwagt staan. De Honden zijn Poortiers. De Wolven zijn Ontvangers
der Gemeene Middelen, en Commisen van den Tol; en de Haviken hunne
Bedienden.