Den aart deezes volks naauwkeurig onderzogt hebbende, trachtte ik door

dezelve middelen mij eenige agtinge bij de _Martinianen_ te verkrijgen,

en door eenige uitvindinge mijnen staat wat te verbeteren. Derhalven na

dat ik den staat deezer Republijk ondertast hadt, vond ik 'er zeer veele

gebreken in. Ik zag dat alles vervult was met konstenaars, en dat dit

Land gebrek hadt aan handwerkslieden. Hierom stelde ik eene wet voor van

verscheiden handwerkslieden ten nutte des Gemeenenbests aan te stellen.

Dog alle uitvindingen van dit slag verwekten niet dan gelach en

veragtinge bij dat verwaand volk, dat alleen met poppegoed in zijnen

schik is. Derhalven, begon ik met deeze woorden tegen mijne eige domheid

uit te varen: _Gij zijt een domkop en een weetniet, waardig dat gij in

't veragte genootschap der stoeldragers, oud en grijs word_. Ik verloor

egter den moed niet geheel en al; en toen ik zag dat ik met heilzamen

raad te geven niets vorderde, besloot ik te onderstaan of ik met eene

dwaze en ijdele uitvinding die moeilijkheid niet konde te boven komen.

Ik openbaarde mijn voornemen aan een doorslepen Aap, die mijn paard dat

van zelf liep, nog met deeze spooren aanwakkerde:

_Wilt gij dat u 't geluk zal dragen,_

_Zoo moet g'er galg en rad op wagen._

En wanneer hij mij aantoonde, dat 'er hier veele geweest waren, die

alleenlijk door wisjewasjes en kinderspel, zig roemwaardig gemaakt

hadden; en vooral door eenige nieuwe fatsoenen van kleederen; dat ik wel

zoude doen met de gekken uitzinnig te zijn. Derhalve alle zeilen

bijzettende, liet ik alle gekke uitvindingen in Europa door mijne

gedagten gaan, en eene keuze daar uit gedaan hebbende, besloot ik de

optooizelen des hoofds, welke wij _Parruiken_ noemen, hier aan te

prijzen. Ik zag dat 'er in dit Gewest eene groote menigte Geiten was,

van welker hair eenigermaten _Paruiken_ konden toegestelt worden. En

nademaal mijn Voogd zaliger, dit handwerk lang hadt bij de hand gehad,

was ik in die konst niet geheel en al onbedreven. Hebbende dan eenig

geiten-hair gekregen, stelde ik daar van eene _Paruik_ toe, die mij zeer

wel paste; en dus opgeschikt zijnde, vertoonde ik mij aan den

Vice-President. Hij verbaast staande over dit nieuw en ongewoon

verschijnzel, vraagde wat het was, en dezelve van mijn hoofd afligtende,

zettede die op het zijne, loopende metter haast naar den spiegel, om zig

zelven in dat optooizel te zien; en hij kreeg met dat nieuwe hoofddekzel

zulk een welbehagen in zig zelven, dat hij van vreugde luidkeels

uitriep: _Ik ben bijna den Goden gelijk_! Terstond deedt hij zijne

huisvrouwe haalen, om dezelve zijne vreugde deelagtig te maken. Zij,

niet minder dan hij van vreugde opspringende, vloog haaren man om den

hals, betuigende niets geestigers, en dat haar meer beviel, ooit gezien

te hebben, waar aan ook het gantsche Huisgezin zijn zegel hing. De

Vice-President zig daar op naar mij keerende zeide: O _Kakidoran! zoo

deeze uwe uitvinding den Raad zoo wel als ons aanstaat, kunt gij u

zelven de hoogste bedieningen in onze Republijk belooven._ Ik, zijne

Excellentie zeer ootmoedig bedankende, droeg hem een verzoek-schrift op,

om het zelve den Raad aan te bieden. In dit verzoekschrift mat ik de

voortreffelijkheid mijner uitvindinge zeer breed uit, met deeze'

woorden:

_Zeer Voortreffelijke, Edelmoedigste, Doorlugtigste, Roemrugtigste en

Allerschranderste Raaden._

"De natuurlijke zugt, waar door ik genoopt word om het algemeen welzijn

te bevorderen, heeft mij aangezet om uit te vinden en toe te stellen dit

nieuwe en nooit voorheen bekende hoofddeksel, 't geen ik hier op 't

nederigste aanbiede, en ten onderzoek aan de allerschranderste Regtbank

onderwerpe; niet twijfelende, of het zelve zal gunstiglijk worden

aangenomen, vooral nademaal die uitvinding tot roem en sieraad der Natie

strekt en te weeg brengt, dat het, de geheele waereld door, bekend zal

worden, dat gelijk de _Martinianen_ in dapperheid en gemoedsgaven onder

alle volkeren uitblinken; dezelve ook alzoo in opschik en zwier van

kleederen, die het ligchaam een soort van eerbied en majesteit

bijzetten, onderscheiden zijn. Ik betuige heiliglijk dat ik hierin mijn

eigen belang geenszins beooge, en derhalven niet den allerminsten loon

voor mijnen arbeid eischte: zullende mij genoeg zijn, dat ik naar mijne

geringe kragten 't algemeen nut en de glorie der Natie hebbe mogen

bevorderen. Bijaldien egter de Doorlugtigste Raad, deeze mijne moeite

eenige vereering oordeelt waardig te zijn, zal ik die gunst met een

dankbaar hart aannemen, op dat daar door aan de geheele waereld deszelfs

mildheid openbaar zij, en andere om diergelijke of grooter zaken uit te

voeren, aangezet mogen worden. En het is ten dien opzigte alleen, dat ik

de milddadigheid van den Raad en 't Volk van _Martinia_ niet zal

afstaan; mij voor 't overige bevelende aan de goedgunstigheid uwer

Voortreffelijkheden."

_Des zeer Doorlugtigen Raads_

Ootmoedigste Dienaar

_Kakidoran,_

In _Martinia_ den 7den

der maand Astral.

De Vice-President stak mijn Smeekschrift te gelijk met het hoofddekzel

in zijnen zak, om dat aan den Raad te behandigen. 't Is mij ter ooren

gekomen dat op dien zelven dag alle Geregts-zaken stil stonden, zoo zeer

was een iegelijk ingenomen om deeze uitvindinge te onderzoeken. Toen nu

de stemmen opgenomen wierden, wierdt het proefstuk geprezen, de

werkmeester geroemt, de gift aangenomen, en besloten hem te beloonen. In

den geheelen Raad waren alleenlijk drie Raadsheeren, die dit gevoelen

tegenspraken; dog zij wierden ten dien opzigte niet weinig over den

hekel gehaalt, en voor onwetende, en lieden die niet wisten te leven, ja

die onwaardig waren een Raadsheers-ampt te bekleden, te boek gestelt.

[Illustration: _Een inwoner van_ Martinia, _met eene Paruik._]

Na dat de Raad een besluit genomen hadt, wierd ik op 't Raadhuis

ontboden, alwaar een oude Aap, oprijzende, na dat hij uit den naam van

den gantschen Staat mij bedankt en teffens bekent gemaakt had, dat mijne

moeite naar verdiensten beloont zoude worden; vraagde, hoe langen tijd

ik wel noodig had om een diergelijk hoofddeksel toe te stellen. Ik gaf

ten antwoord, dat het mij loons genoeg was, dat mijn werkstuk de

goedkeuring van zulke treffelijke Heeren, en de toejuichinge des

geheelen Raads hadt mogen verdienen: ik beloofde eene andere _Paruik_

binnen twee dagen te zullen opmaken, met toezegginge, dat, bijaldien de

andere Aapen, die geoeffende handwerkslieden waren, en welke ik de konst

zoude leeren, mij wierden toegevoegt, ik binnen den tijd van eene maand

zoo veele _Paruiken_ zoude afmaaken, dat 'er genoeg zouden zijn om de

geheele Stad te voorzien. Dog de Vice-President, door dit antwoord

ontzet, barstte in deeze woorden uit: Dat zij verre _Kakidoran_, dat dit

optooizel voor iedereen in de gantsche Stad zoude zijn, en, bij allen

man gebruikt wordende, in veragtinge komen; daar het noodig is dat de

Adel daar door van den gemeenen man worde onderscheiden. Het gevoelen

deezes voortreffelijken mans wierdt van allen toegestemt, en de

Schatmeesters van Staat aangezegt, dat zij hadden toe te zien, dat het

Besluit des Raads niet overtreden wierde, nog, door eenen algemeenen

dragt der _Paruiken_, de Adel eenigen nadeel mogte lijden; of dat zulk

een uitstekend sieraad, door 't gebruik van 't Jan Hagel, in waardye

verminderde. Dog dat Placcaat bragt niet anders te weeg, dan 't gene

alle de voorige wetten op den pragt, met het maken van onderscheid

tusschen de Burgerij, hadden uitgewerkt; want daar door verwekte het in

't Gemeen des te meer lust om de wet te overtreden. En overmits dees

opschik elkeen wonderlijk wel aanstondt, kogten de gegoedste uit de

Burgerij, met geld of door aanprijzing hunner goede Vrienden, den tytel

en brieven van Adeldom van den Raad, invoegen de helft der Stad binnen

korten tijd veradelt wierdt. Eindelijk, nademaal 'er ook uit de

Provinciën smeekschriften wierden ingebragt, vondt de Raad goed het

Placcaat te vernietigen, en 't gebruik der _Paruiken_ aan iedereen toe

te staan, zoo dat ik met het meeste genoegen der waereld de geheele

Natie (met verlof gezegt) _geparuikt_ zag, eer ik uit _Martinia_ ging:

En om de waarheid te zeggen, het was een koddig schouwspel deeze

_geparuikte_ Aapen te zien: Ja zoo zeer behaagde de uitvinding de

geheele Natie, dat zij eene nieuwe Tijdrekeninge in de waereld bragt, en

de _geparuikte_ Eeuw daar door in de Jaarboeken der _Martinianen_ is

bekend geworden. Dog om weder tot mij zelven te komen. Opgehoopt met

loftuitingen en met eenen purperen mantel omhangen, wierd ik met den

draagstoel des Vice-Presidents naar huis gebragt, zoo, dat die drager

die nog onlangs mijn amptgenoot was geweest, mij thans den dienst van

een paard bewees: ook spijsde ik zedert dien tijd aan des

Vice-Presidents eigen tafel. Na die blijde dageraat van mijn geluk,

begon ik mijn ondernomen werk voort te zetten, en maakte door hulp van

mijn bijgevoegde werkvolk, in 't kort zoo veele _Paruiken_, als 'er voor

den gantschen Raad noodig waren: en na dat ik eene geheele maand met dat

werk had doorgebragt, wierden mij de Brieven van Adeldom ter hand

gestelt, welker inhoud was als volgt:

"Om de Voortreffelijke, en voor den Staat heilzame, uitvinding, waar

door _Kakidoran,_ van geboorte uit Europa, de gantsche _Martiniaansche_

Natie aan zig verpligt heeft, hebben wij besloten, denzelven met den

Adeldom te begiftigen; invoegen dat hij en zijne Nakomelingen, van nu af

aan voor goede Edellieden zullen worden gehouden, en alle voorregten,

regten en vrijheden, den _Martiniaanschen_ Adel toekomende, genieten:

willende wijders, dat de Uitvinder met eenen anderen naam vereert, en,

in plaats van _Kakidoran, Kikidorian_ worde genoemt. Voorts, nademaal

zijn gemelde staat hem noodzaakt met eenigen luister te leeven, leggen

wij hem toe eene jaarwedde van 200. Pataren, tot steunsel zijner nieuwe

waardigheid. Gegeven in de Raadkamer te _Martinia_, op den 4den der

maand _Merian_, onder 't groot Zegel van den Raad."

Dus van eenen gemeenen lastdrager in eenen Edelman gevormt, leefde ik

eenigen tijd in groot aanzien en geluk. En toen de _Martinianen_ zagen

dat ik bij den Vice-President in een goed blaadje stond, zogten zij

allen mijne vriendschap en gunste. De vleijerij mijner opwagters ging

zoo verre, dat zij mij als om strijd lofdigten aanboden, en mij

hoedanigheden toeschreven die mij onbekent waren. Eenige, hoe zeer zij

wel wisten dat ik uit een onbekent Land geboortig was, maakten geen

zwarigheid eenen langen reeks mijner Voorouderen op te tellen, en mijn

Geslagt-register bijna van de scheppinge der waereld af te leiden. Dog

zoodanige optellingen waren mij, niet zeer aangenaam, vermits ik er

weinig eer in stelde uit het Aapen-geslagt afkomstig te zijn. Wijders

nadien de _Martinianen_ gewoon zijn ter eere van de staarten der

Grooten, lofredenen te doen, bijna op dezelve wijze als onze Poëeten de

schoonheid der jonge dogters gewoon zijn te prijzen; maakten ook eenige

Digters de fraaiheid van mijn staart, hoezeer ik 'er geenen had, met

lof-digten vermaart. Kortom, hunne vleijerij ging zoo verre, dat zeker

man, die nog al van 't geringste soort niet was, dog welken ik egter om

zijns Geslagts wille niet zal noemen, zig niet schaamde mij aan te

bieden dat ik zijne huisvrouwe konde bezigen en genieten, of zij de

mijne was, bedingende voor die mildheid, voor hem een goed woord bij den

Vice-President te doen. Die slaafsche toegevenheid, waar mede die

geheele Natie vervuld is, is de oorzaak dat de _Martiniaansche_

Geschiedenissen naauwlijks waardig zijn gelezen te worden, ten aanzien

van de stoffe, die niet anders behelst dan een laf en ongezouten

mengelmoes van loftuitingen, hoe zeer ook de stijl doorgaans fraai en

zuiver is. Om deeze reden vindt men daar te lande beter Poëeten dan

Historie-schrijvers: en het is zeker dat men nergens hoogdravender

Poëeten vindt, 't geen aan de levendige verbeeldinge _der Martinianen_

moet toegeschreven worden.

Ik was in dat Land eenen langen tijd genoegzaam welvarende, alhoewel de

hitte, welke men daar, vermits 'er de Zon nooit ondergaat, gestadig

heeft, mij zeer moeilijk viel. Ik was wel eens door eenen buikloop,

waarbij eene schielijke koorts kwam, bedlegerig; dog dat was van korten

duur; en ik kan betuigen, dat de Medicijn-meester dien ik toen gebruikte

om zijne snapagtigheid, welke aan deze Natie zoo eigen is, mij lastiger

viel dan de koorts zelve. Vermits ik in dien staat eenen

Medicijn-meester noodig had, boodt zeker Leeraar in de Geneeskunde mij

zijnen dienst aan. Ik kon mij op 't gezigt van denzelven bijna niet van

lachen onthouden, vermits hij dezelve man was, die mij nog onlangs den

baard geschooren hadt. Toen ik hem vraagde, hoe hij zoo schielijk in een

Medicinæ Doctor hadt kunnen hervormd worden, antwoordde hij mij, dat hij

met beide die wetenschappen zijn voordeel deedt. Ik dat gehoort

hebbende, en in twijfel staande, of ik mijne gezondheid wel wilde

toevertrouwen aan zulk eenen Weet-al, en zeggende, dat ik liever eenen

Medicijn-meester had, die alleen zijn werk van de Geneeskunde maakte;

zwoer hij heiliglijk dat 'er zodanig een Geneesheer in de geheele Stad

niet wierdt gevonden. Hierom wierd ik genoodzaakt hem mijne genezinge

toe te vertrouwen. De haast dien de Medicijn-meester maakte,

vermeerderde zeer mijne verwonderinge: want mij een drankje om in te

nemen voorgeschreven hebbende, vertrok hij te gelijk zeer schielijk,

zeggende niet langer bij mij te kunnen blijven, vermits hij door andere

zaken, waarmede hij ter zelver tijd bezig was, wierdt afgeroepen. Toen

ik hem vraagde, wat het oog voor zaken waren die zulken schielijken

haast vereischten, gaf hij ten antwoord, dat het uur aanstaande was,

waar op hij zijne gewoone bedieninge in een lager Regtbank in de Stad

moest waarnemen, terwijl hij teffens Beamt-schrijver of Klerk was. Ik

zag dat die gaauwheid van geest doorgaans in dit Land in zwang ging,

alwaar niemant zwarigheid maakte, om veele tegenstrijdige bedieningen te

gelijk op zig te neemen. Die groote laat-dunkenheid wordt in hen geboren

door die wonderlijke vlugheid van geest, waar mede zij de zaken zoo

schielijk afdoen. Dog door verscheide misslagen en wanordes die hier

gepleegt worden, heb ik geleerd, dat deeze vlugge vernuften den Staat

meer tot sieraad dan tot nut verstrekken.

Na dat ik twee volle jaaren, zoo als lastdrager, als in den staat van

Edelman, in dit Gewest had doorgebragt, kwam mij een gantsch onverwagt

geval te voor, 't welk mij bijna het leven hadt gekost. In 't Paleis van

zijne Excellentie had ik tot nog toe zeer veel gunst genooten, en de

Gemalin van den Vice-President hadt mij wonderlijk wel mogen zetten,

zodanig dat ik onder haare Vrienden de eerste scheen te wezen. Dikwils

zelfs hadt zij met mij onder vier oogen gesproken, en schoon zij met

mijne tegenwoordigheid wonderlijk veel scheen op te hebben, hadt ze mij

egter altijd toegesproken met eerbaarheid, zoo dat ik haare goede

diensten niet dan in de beste vouw konde schikken, en geenszins

bevroeden dat de wortel deezer toegenegenheid eene geile drift was;

vooral in eene Vrouw van aanzien, welke onder de Aapen niet min om haar

voornaam geslagt aanzienlijk was. Dog in vervolg van tijd begon ik uit

haare dubbelzinnige taal eenig vermoeden op te vatten. En dit werdt

vermeerdert door

_Haar verw', haar magerheid, gelaat, betraande oogen_

_En zugten, zonder reên uit haare borst getoogen._

Eindelijk wierden mijne oogen verlicht, toen toen eene jonge dogter mij

eenen brief van den volgenden inhoud bragt.

_Allerliefste Kikidorian!_

"Mijne hooge geboorte, en de schaamte onze Kunne aangeboren, hebben de

vonken der liefde, die langen tijd in mijn hart verborgen geweest zijn,

tot nog toe belet in eene ligte vlam uit te barsten. Dog thans daar door

overwonnen zijnde, kan ik het geweld der liefde niet langer wederstaan."

_.....Hebt tog meêdoogen met mij, arme krolsche kat!_

_Die 't u niet vragen zou, ten waar' ze 'er spel mee hadt._

_Ptarnufa._

Ik kan 't niet zeggen welk eene onstuimigheid die onverwagte

liefde-betuiging in mij verwekte. Dog vermits ik beter oordeelde aan de

wraak deezer razende Vrouw bloot gestelt te zijn, dan, door mij te

vermengen mengen met een schepsel van een ongelijk geslagt, de natuur

te verkragten, antwoordde ik bijna in deezer voegen:

"_Allergenadigstee Vrouwe!_

"De gestadige gunst met welke mij de zeer voortreffelijke Vice-President

heeft bejegent, de groote weldaden waar mede hij mij onverdient heeft

opgehoopt, de zedelijke onmogelijkheid van uw verzoek, en zeer veele

andere zaken, welke ik daar zal laten, vereischen, dat ik mij liever zal

onderwerpen aan de gramschap en verontwaardiging van Mevrouw, dan dat ik

mijne toestemminge zoude geven aan eene zaak die mij den onwaardigsten

en schelmagtigsten aller tweevoetige dieren zoude maken. Men vergt mij

't geen mij harder dan de dood zoude vallen; en men eischt van mij eenen

dienst, dien ik, zonder de doorlugtigste Familie te brandmerken, nooit

bewijzen kan: want het is een dienst die zelfs nadeelig is voorde gene

die ze gebiedt. Des betuig ik heiliglijk, u, Mevrouw, in dit verzoek

niet te kunnen te wille zijn, hoe zeer ik in alle andere zaken eene

blinde gehoorzaamheid beloove."

_Kikidorian_

Aan het einde des Briefs voegde ik deeze Vermaninge:

_.......... Beschouwt, Mevrouw! beschouwt_

_De leelijkheid des stuks dat ge ondernemen zoudt._

_Dog wijl die misdaad nog door u niet is bedreven,_

_Zoo laat de billijkheid u staag voor oogen zweven._

_Al wie ooit eerbaarheid en trouw hadt in den zin._

_Stondt pal, en kwestbaar, voor den pijl der wufte Min._

Dit antwoord, bezegeld met mijnen ring gaf ik diezelve jonge dogter over

om aan haare Mevrouw te behandigen. De zaak viel juist uit gelijk ik ze

begrepen had, te weten, dat de liefde oversloeg tot den allerbittersten

haat:

_........ de smert sluit haar den mond,_

_En niet een eenig woord welt op uit 's harten grond,_

_Dat haar schijnt scherp genoeg, om naar den eisch te melden_

_Den bitt'ren haat, dien zij mij toedroeg. Traanen stelden_

_Nooit 't woedend wijf ter neêr. De felle wraak alleen_

_Die zij te nemen denkt, stelt haar een poos te vreên:_

_Zij troost zig met de straf die zij mij zal doen lijden,_

_'t Zij regt of onregt: dit alleen kan haar verblijden._

Zij stelde egter eenigen tijd haare wraak uit, tot dat zij den

minnebrief, welken zij mij geschreven hadt, weder in handen hadt

gekregen. Dog zoo dra hadt zij dien in haare magt niet, of zij bestelde

valsche Getuigen, die onder eede zouden verklaren, dat ik, terwijl de

Vice-President van huis was, zijn bed had willen bevlekken. Dees leugen

was met zoo veel snedigheid en waarschijnlijkheid belegt, dat de

Vice-President, niet twijfelende aan de waarheid der zake, beval, mij in

hegtenisse te zetten. In dat gewrigt van zaken bestondt mijn eenig

behoud in de misdaad te bekennen, en mijnen Heer om genade te smeeken,

waar mede ik hoopte, of zijnen toorn te stillen, of de straffe te zullen

matigen: want in 't regt te treden met een Huis, dat zoo veel magts

hadt, vooral in zulk een Land, alwaar nooit op de regtvaardigheid der

Zaak, maar alleen op de hoedanigheid der Persoonen wordt agt geslagen,

scheen mij loutere dwaasheid te zijn. Hierom, alle verdediging varen

latende, nam ik mijnen toevlugt tot traanen en ootmoedige gebeden; niet

af biddende de straffe, maar alleen smeekende om verzagtinge.

Dus door 't belijden ener misdaad, welke ik nooit begaan had, van de

halsftraffe verlost zijnde, wierd ik verwezen tot eene eeuwige

gevangenisse. De Brieven van Adeldom wierden mij terstond ontnomen en

door den Scherpregter aan stukken gescheurt, en ik zelf naar een

Zee-rasphuis, de Galei namenlijk gesleept, om aldaar tot het slaven-werk

ingewijd te worden. Het was een Landsschip 't geen zeilreê lag naar de

_Mezendores_, of vreemde Landen, 't geen op eenen gezetten tijd,

namenlijk in de maand _Radir_, gewoon was de reize aan te nemen. Uit die

Landen worden goederen overgebragt, die in _Martinia_ niet vallen,

invoegen de _Mezendorische_ Landen aan die van _Martinia_ voor _Indiën_

verstrekken. De Maatschappij des _Mezendorischen_ handels bestaat uit

Kooplieden, zoo Adelijke als Burgerlijke, onder welke de goederen van

het t'huiskomende Schip, naar gelang of naar 't getal hunner _Actiën_ of

aandeel, worden verdeelt. De Schepen gebruiken riemen en zeilen, en een

tweegespan misdadigen wordt aan elke riem gezet. Tot zodanig werk was ik

op deeze reize verwezen. Hoe ik te moede was in dat jok te ondergaan, is

gemakkelijk te gissen, vooral wijl ik door geen misdaad altoos verdient

had, onder schelmen en met geesselslagen, aan eenen slaafschen arbeid

gezet te worden.

Onder de _Martinianen_ waren over dit geval, naar mate dat de gemoederen

verscheiden waren, ook verscheide gevoelens. Eenige geloofden wel dat ik

straf verdient had; dog die om 't gewigt der misdaad te beschuldigen

was, vondt ook verdediging uit ontferming over 't gevelde vonnis. Andere

meenden, men hadt eenigen aanschouw op mijne verdiensten moeten nemen,

en oordeelden dat de straffe uit dien hoofde had behooren verzagt te

worden. Dog de allereerlijkste Aapen geloofden onder elkanderen dat ik

valschelijk beschuldigt was; maar niemant durfde openbaar mijne zaak

voorspreken, uit vreeze voor de magtige beschuldigers. Ik besloot

derhalven het ongeval geduldig te dragen, en in mijne verslagenheid gaf

mij de aanstaande reis de grootste troost, wijl ik, een groot liefhebber

van nieuwigheden zijnde, hoopte op deeze reize wonderlijke en

verbaazende dingen te zullen zien, schoon ik egter aan alle, welke mij

van het Bootsvölk verhaalt werden; geen geloof sloeg, nog in mijne

gedagten kon krijgen dat 'er zoo veele en zoo groote zeldzaamheden in de

Natuur gevonden wierden. Op ons Schip waren verscheiden tolken, welken

van de _Mezendorische_ Maatschappij op deeze togten wierden gebruikt:

want door middel van hunnen dienst wierden de handelingen van koop en

verkoop verrigt.

[1] van krom regt te maken.

ELFDE HOOFDSTUK.

_Togt naar vreemde Landen._

Alvoorens tot het beschrijven van deezen togt toe te treden, wil ik de

grijnige en straffe Vitters gewaarschuwt hebben, dat zij niet al te zeer

den neus optrekken van een verhaal van zaken, welke schijnen tegen de

natuur te strijden, en bijgevolg alle geloof te boven te gaan.

_Ik heb niet vóór mijn boek met grollen op te schikken;_

_Veel min dit treflijk werk met leugens te verdikken._

_Neen: dat 's mijn toeleg niet; maar wel de zaak in 't licht_

_Te stellen, en 't verhaal te geven zijn gewigt._

't Zijn ongelooflijke dingen die ik verhaal; dog egter waaragtige, en

waar van ik zelf ooggetuige ben geweest. Plompers en Ongeleerden, die

nooit buiten hun moeders keuken geweest zijn, achten alles voor fabelen,

't geen hun in hunne pap niet te eten gegeven is; dog de Geleerden, en

vooral de Natuurkundigen die door ondervindinge geleerd hebben, hoe

vrugtbaar de Natuur is in 't voortbrengen van allerlei schepselen,

vellen een veel billijker oordeel van de verhaalde zaken, hoe vreemd die

ook mogen schijnen.

_Wie is verwondert in de staag besneeuwde Alpen,_

_Daar nimmer stroom, ten zij met ijs vermengd komt zwalpen,_

_Den Berg-bewooner met zijn dik-gezwollen krop_

_Te zien? En wie gaf ooit voor 't agtste wonder op_

_Dat 't Vrouwvolk aan den Nijl de borsten dikker zwellen_

_Dan 't kind is, dat ze zuigt? Of zal men gaan vertellen,_

_Als iets dat zeldzaam is; dat men nooit Duitscher vondt_

_Wiens oog niet hemelsblaauw in zijnen hoofde stondt:_

_Wiens hair niet blond is, en wiens langgekrulde lokken,_

_Van geur'gen balzem-reuk geheel als zijn doortrokken?_

_Daar steekt niets zeldzaams in: de bezige Natuur_

_Heeft hen aldus gevormt, bezielt met hemels-vuur._

_Men ziet in Thracie bijna geheele wolken_

_Van Kraanen snorren, en straks storten op de Volken_

_Van dat Gewest, Pygmeen geheeten; die verbaast

Hunn' ouden vijand nooit ontvlugten; maar wel haast_

_In 't harnas loopen, en, gewapent tot de tanden,_

_Met t' zaamgevoegde magt den dapperen Kraan aanranden_

_Met ongelijken kans: want de getergde Kraan_

_Grijpt met zijn kromme klaauw de zwakke Dwergen aan,_

_En voert ze door de lugt. Zoo dit bij ons gebeurde,_

_Wie lachte niet dat hem bijna de reuzel scheurde!_

_Maar daar, vermits die slag al meer dan eens geschiedt,_

_En dikwils dat gevegt gebeurt, zoo lacht men niet_

_Om een gewone zaak; schoon niemand, in die bende,_

_Een krijgsman immer, meer dan twaalf duim lang, kende._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 13 / 21 段