vensters, marmer, kostelijken huisraad en tapitzeryen zeer fraai
opgepronkt was. Aan de deur stonden wagters, waar uit ik besloot dat dit
geen huis was van eenen gemeenen Aap. Hij zelf, verlangende om met mij
te spreken, huurde eenige meesters, die mij in de taal zouden
onderwijzen. Omtrent drie maanden wierden met dit onderwijs doorgebragt,
welke verstreken zijnde, ik, vermits ik redelijk prompt spreken kon,
geloofde, dat ik om de vlugheid mijns geests, en snedige memorie, de
verwondering van alle verdient had. Dog mijne meesters hielden mij voor
eenen domkop en plomp-aard, zoo, dat zij telkens van hunnen discipel
dreigden af te zien. Hierom, gelijk ik op de Planeet _Nazar_ om de
vlugheid mijns verstands, al spottende _Scabba_ of den gaauwert was
genoemt geweest, zoo gaven mij deeze Aapen, om mijne domheid, den naam
van _Kakidoran_, dat is gezegt plomp-aard of traag-aard. Want deeze
alleen worden daar geagt, die eene zaak vaardig begrijpen, bezwagtzelen
in den zin, verdraaijingen in de woorden, en streeken in 't spreeken
gebruiken. Terwijl ik in de Aapen-taal onderwezen wierd, bragt mijn
huiswaard mij dikwils door de Stad, welke ik zag dat in allerlei soort
van weelde en pragt verdronken lag: want door het groot getal van
wagens, koetzen, lakeijen en de menigte des volks, dat van alle kanten
toevloeide, en ginds en herwaards liep, gedrongen en gefloten wordende;
wierden wij genoodzaakt met geweld opening te maken, en ons den weg te
baanen. Dog dat kwam in geen vergelijking bij de pragt in de hoofdstad,
alwaar men als in zijn middelpunt bijeen gebragt zag al wat de
menschelijke verwaandheid bedenken kan. Toen ik de taal verstond,
geleidde mij mijn huiswaard naar de hoofdstad, als hoopende door deeze
nieuwe en ongewoone gifte, ligtelijk de gunst van een zeker Raadsheer te
zullen verkrijgen: want men heeft hier eene Volks-regeering, invoegen
dat het hoogste gezag in de Republyk bij den Grooten Raad berust, en dat
alle de Raadsheeren van 't geslagt der Patricen zijn: want die uit het
volk zijn, kunnen niet hoopen verder dan tot een hopman, of tot een
bevelhebber in de Provinciën of mindere steden aangestelt te worden.
Somtijds worden zij nog wel tot Burgemeesters aangestelt; dog deeze
bevordering pleeg niet te geschieden, dan na voorgaande verdiensten. En
uit dien hoofde was mijn huiswaard Burgemeester geweest; want die had
zulken snedigen vernuft, dat hij binnen den tijd van eene maand,
agt-en-twintig nieuwe Wetten of Placcaaten (_Projecten_) hadt
uitgevonden. En schoon deeze nieuwigheden, welke hij uitgevonden hadt,
zodanig waren, dat zij met het algemeene welzijn niet hadden konnen
bestaan; waren 't egter proefstukken van een vrugtbaar verstand, waar
door hij zig agtinge hadt verkregen; want in de geheele Onderaardsche
waereld zijn de uitvinders van nieuwigheden nergens zoo gezien, als in
deeze Republyk. De hoofdstad deezer Republyk wordt genaamt _Martinia_,
waarvan ook het gantsche Landschap den naam gekregen heeft. De Stad is
zeer wel gelegen en zeer vermaart door treffelijke gebouwen, kennisse in
de Zeevaart, en 't uitrusten van Oorlogschepen. Ik geloof niet dat
dezelve in grootte en in 't getal haarer inwoonderen voor _Parijs_
behoeft te wijken zijnde de straaten aldaar zodanig opgepropt met volk,
dat wij met vuisten en stokken ons eenen weg moesten maken, om ter
plaatse te geraken, daar de Vice-President van den Grooten Raad woonde:
want dit was de man aan welken mijn huiswaard mij tot eene vereering
dagt te geven.
Wanneer wij digt bij des Vice-Presidents huis waren gekomen, tradt mijn
huiswaard in eene herberg, om aldaar zijne kleederen wat in orde te
schikken, vermits hij wel en zindelijk gekleed bij den Vice-President
voor den dag wil de komen. Terstond kwamen met geheele troepen eenige
huurlingen toeschieten, gemeenlijk _Maskatti_ of opschikkers geheeten,
welke iedereen gewoon is te gebruiken, alvorens hij het Paleis van een
Raadsheer ingaat. Deeze borstelen de kleederen, doen 'er de vlakken uit,
en herstellen met een wonderbaarlijke zorg en handigheid al wat 'er aan
ontbreekt, zelfs tot de allerminste vouwtjes toe. Een deezer _Maskatti_
des Burgemeesters degen genomen hebbende, maakte dien schoon en
polijstte hem. Een ander bondt hem eenen bos linten van allerlei kleuren
op den staart: want niets is 'er daar deeze Aapen zoo zeer mede vermaakt
zijn dan met den opschik haarer staarten. Daar waren Raadsheeren en
vooral Raadsheers vrouwen, welker staarten op Heilige dagen naauwlijks
met de onkosten van duizend daalders, onzer munte, naar behooren konden
opgeschikt worden. De derde deezer _Maskatti_ of opschikkers kwam met
een instrument van de Landmeetkunde, waar mede hij de kleederen mat, om
te zien of alles naar behooren en evenredig geschikt was. Een vierde
kwam gelopen met een flesje blanketzel, waar mede hij hem 't aangezicht;
opsierde. Een vijfde sloeg naauwkeurig agt op de voeten, nemende met
eene uitstekende gaauwigheid het vuilnis van tusschen de teenen en
nagelen weg. Een zesde bragt riekend water, aan, waar mede hij de handen
en voeten des Burgemeesters besproeide. Kortom, dees, boodt eenen
scheerdoek aan om te scheeren, die eene kam om te krullen, een ander
eenen spiegel voor 't gezigt, en dit alles wierdt met geen minder zorg
en vlijt verrigt, dan de Landmeeters bij ons de Landkaarten gewoon zijn,
na te zien en te verbeteren. Dit deedt mij in mij zelven zeggen: "Wat
tijd en kosten zal de opschik der vrouwen niet vereischen, daar 'er met
het versieren, oppoetzen, blanketten, en kammen van 't man-volk, zoo
veel werks gemaakt wordt!" En zeker de _Martiniaansche_ Vrouwen gaan
alle paalen te buiten, en weeten zodanig de gebreken aan haare ligchamen
door bedrog te bedekken, dat zij door al te groote nettigheid vuil zijn.
Want wanneer zig het zweet met de welriekende zalven komt te vermengen,
rieken zij terstond daar naar, even als wanneer een kok allerhande sop
onder een giet. Waar zij naar rieken weet men niet: die alleen weet men,
dat men ondervindt dat ze zeer kwalijk rieken.
Mijn huiswaard dan aldus geschooren, geschildert, gehult, en glad
gemaakt, stapte naar het Paleis van den Vice-President, alleen verzelt
van drie knegts. Zoo dra hij in 't voorhuis kwam, trok hij zijne
schoenen uit, om den marmeren vloer niet beslijkt of bestoven te maken.
Hier moest hij bijna een geheel uur lang blijven staan, eer men den
Vice-President van zijne komste konde verwittigen: ook wierdt hij niet
binnen gelaten, dan na dat 'er eenige kleinigheden, waarmede men in dit
Land gewoon is de gunst der deurwagters te koopen, waren voorafgegaan.
De Vice-President, zittende op een verheven verguld gestoelte, hadt mij
met mijnen huiswaard niet zoo dra zien binnen komen, of hij barstte uit
in overmatig lachen, en deedt mij terstond veele gekke en ijdele
vragen,
_Zoodanig dat mij 't zweet afguste langs de beenen_
_Waar van een gantsche plas lei op de marmer-steenen._
En op ieder antwoord
_Berst hij, al bevende, gestaag in lachen uit,_
_Dat de omgekrulde neus hem tegen 't voorhoofd stuit._
Ik dagt dat zig aan te stellen als een tooneelspeeler, hier order de
deugden gerekent wierdt, vermits de Republyk eenen man, die zulk een
potzenmaker was, tot Vice-President, dat is eenen die de tweede plaats
in den Raad bekleedt, hadt aangestelt; en ik zei mijne gedagten daar
over terstond aan mijner huiswaard. Dog die betuigde mij, dat het een
man was ten uitersten aanzienlijk door de gaven zijns Geests. Want hoe
groot zijne schranderheid was, bleek uit het groot getal van allerlei
zaken, welke hij, zelfs in zijne aankomende jeugd, hadt uitgevoert;
aangezien hij van zulken snedigen begrip was, dat hij, al was 't onder
een glaasje, zaken van 't uiterste gewigt konde verrigten: ja zelfs
onder 't avond- of middagmaal, tusschen elk geregt, eene Ordonnantie of
een Placcaat konde schrijven. Hier op vraagde ik van hoe langen duur die
Placcaaten plegen te zijn, die zoo ter loops beslagen waren? Waarop mij
geantwoord wierdt, dat ze gemeenlijk zoo lang duurden, totdat het den
Raad behaagde dezelve te niete te doen, of af te schaffen.
Na dat de Vice-President een half uur lang met mij gepraat, en met
dezelve snapagtigheid, als onze Europische baardscheerders, veele
woorden den hals gebroken hadt; keerde hij zig naar mijnen huiswaard,
tegen hem zeggende, dat hij mij onder zijne dienaars aannam, schoon hij
bespeurde uit de traagheid van mijnen geest, dat ik
_In een verdikte lugt, of in het Varkens-land_
_Geboren, nooit zou zijn een man van goed verstand,_
en dat ik vervolgens tot eene bedieninge van aangelegenheid naauwlijks
bekwaam was. _Ik heb ook_, zei mijn huiswaard, _bespeurt, dat 'er eene
aangebooren vadzigheid in hem is; dog wanneer men hem tijd geeft, om de
zaak wat langer te overwegen, oordeelt hij 'er niet kwalijk over_. Hier
op antwoordde de Vice-President. "Hier heeft men prompte en vaardige
dienaars van noden, vermits de veelheid der zaken geen draalen kan
lijden." Dit gezegt hebbende, begon hij ernstig op de sterkte mijns
lichaams te letten, en geboodt mij een zwaar gewigt van den grond op te
heffen; dit zonder moeite gedaan hebbende, zeide hij: "De Natuur, welke
hij in zielsbegaaftheden tot eene Stiefmoeder gehad heeft, heeft dat
gebrek eenigzins door de sterkte zijns ligchaams vergoedt." Toen wierdt
mij bevolen een weinig aan eenen kant en naar eene andere plaats te
gaan, alwaar ik van de dienaars en slaven met eene wonderlijke
beleeftheid ontvangen, maar ook te gelijk door haare overgroote
snapagtigheid en potzen ellendiglijk geplaagt wierd. Zij vraagden mij
zoo menigvuldige vraagen aangaande onzen Aardkloot, dat ik niet meer
wist wat ik zoude de zeggen, zodanig dat ik eindelijk genoodzaakt
zijnde leugenen onder waarheid te mengen, egter nog hunne
nieuwsgierigheid niet konde voldoen. Mijn huiswaard eindelijk bij mij
komende, gaf mij te kennen, dat ik onder de hovelingen van zijne
Excellentie eene plaats had gekregen. Uit het voorgaande praatje van den
Vice-President had ik eenigzints konnen afnemen, dat de bediening die
mij toegeschikt wierdt, niet veel bijzonders stondt te wezen. Ik giste
dat het die van Poortier of Hofmeester zoude wezen, waar mede men mij
stondt te begiftigen; dog vragende aan mijnen huiswaard wat het voor
eene bedieninge was, gaf hij ten antwoord: _Zijne Excellentie heeft u
allergenadigst aangestelt tot eersten drager (Porteur) om zijnen
draagstoel, met eene jaarlijksche wedde van vijf-en-twintig
Stercolaten_. (Iedere _Martiniaansche_ Stercolaat wordt gerekent op twee
daalders onzer munte.) Daarenboven heeft hij belooft dat gij dien dienst
aan niemant zult moeten doen, dan aan hem zelv' en aan zijne edele
Gemalinne. Door dit antwoord als door een bliksem getroffen, gaf ik,
zonder doekjes daar om te winden, te kennen, hoe onwaardig zulks was
voor een vrijgebooren man, en die van goeden huize was. Dog terwijl ik
sprak, vielen mij de hovelingen in de reden, komende bij troepen
toeloopen, en met haare snapperijen mij, die bereids half dood was,
voorts vermoorden: want de _Martinianen_ zijn altemaal ligt volkje,
ijdele snappers en lastige babbelaars, die op geen zaken van gewigt
altoos gevat zijn, en alleen veele woorden den hals breeken. Eindelijk
wierd ik naar mijne slaapplaats gebragt, alwaar het avondmaal gereed
stondt, en na dat ik matelijk gegeten had, wierdt mij mijne slaapsteê
aangewezen om te rusten.
Ik ging terstond naar bed; dog in die gemoedsgisting kon ik niet in
slaap geraken. De hoogmoed, waar mede ik van deeze Aapen ontvangen was,
hadt mij bijna razend gemaakt; en waarlijk ik had Jobs lijdzaamheid van
noden om zulk eenen doorslaanden smaad op te kroppen. Ik beschreide mijn
noodlot, 't welk ik bespeurde wreeder in dit Land te zijn, dan 't in de
Planeet _Nazar_ was geweest, en begon aldus in mij zelf te spreken: Wat
zou 't zijn zoo de groote _Kadokus_ van het Vorstendom _Potu_, die
volmaakte man, en wiens waardij tegen geen goud is op te wegen, eens in
deze Gewesten was overgevoert? Waarlijk men zou 'er weinig werks maken
van eenen man, die eene geheele maand noodig heeft om een Placcaat op te
stellen! Wat zoude _Palmka_ in dit Land beschooren staan, alwaar de
Raadsheeren over 't avondmaal zittende, Placcaaten opstellen en die te
gelijk schrijven? Na ernstige overweginge bespeurde ik dat ik uit het
Land der wijzen was overgebragt in de verblijfplaats der
tooneelspeelers. Eindelijk afgemat zijnde door deeze zorgen, bekroop mij
de slaap. Ik zou, met geen zekerheid, zeggen kunnen hoe lang ik sliep;
nademaal 'er in dat Land geen onderscheid is tusschen dag en nagt: want
men heeft 'er geen duisternis dan die op eenen gezetten tijd voorvalt,
wanneer het, door tusschenkomste van de Planeet _Nazar_, Eclipsis is in
de Onderaardsche Zon. Dog die Eclipsis is zeer aanmerkelijk, nademaal de
Planeet _Nazar_, die niet ver van 't Firmament dobbert, met haare
schaduwe de Zon geheel verduistert. Men heeft 'er ook om de gestadige
nabijheid van dat gesternte, 't geheele jaar door, eenerlei weer. Hier
om verdrijven de inwoonders, door verscheide uitvindingen, als door de
lommer der bosschen, koele wandelwegen en onderaardsche kelders, de
ongemakken der hitte.
Naauwlijks was ik wakker geworden, wanneer een zekere Meerkat in mijne
kamer tradt, zeggende mijn amptgenoot te zijn, en bij zig hebbende
eenige touwen niet eenen loozen staart, welken hij vast maakte aan mijne
billen, ten einde ik zoude schijnen te zijn van dezelve figure als de
overige Aapen. Dit gedaan zijnde, beval hij dat ik mij zoude gereed
houden, nadien de Vice-President binnen een uur tijds naar een school,
alwaar hij door schriftelijk bevel uit den Raad met de andere
Raadsheeren verzogt was, moest overgebragt worden. Daar was eene
Doctorale Promotie te doen, tegen veertien uuren voor den middag. Hier
staat te letten, dat, schoon, om het gestadige licht, de dag van den
nagt niet kan worden onderscheiden, de dagen egter omschreven zijn in
zekere uuren, half uuren, en quartier-uuren; en zulks door 't gebruik
der Horologien, en Zandloopers, invoegen dat de dag met den nagt in
twee-en-twintig _Martiniaansche_ uuren worden begrepen. Waarom het ook,
bijaldien alle de Stads-horologien te gelijk stil stonden, den
Stedelingen onmogelijk zoude zijn de uuren wederom te regt te brengen,
alvorens zij door de Horologien der nabuurige plaatsen het stil staan
der hunne hadden verholpen: want daar zijn geen Zonnewijzers, nog zij
kunnen 'er wezen, om dat 'er nooit schaduwen zijn, vermits de Zon aldaar
juist boven het hoofd staat, en haare straalen lijnregt nederwaards
schiet. Hier vandaan, is het, dat als men eenen put graaft, dezelve
geheel en al beschenen wordt. En aangaande het jaar, dat wordt aldaar
geregelt en geschikt naar den loop der Planeet _Nazar_, die eens zoo ras
als het Onderaardsche Firmament haaren loop om de Zon aflegt.
Ten veertien uuren eenen vergulden draagstoel op de schouderen nemende,
droegen wij zijne Excellentie naar het school. Komende in de
gehoorplaats, zagen wij aldaar naar rang zitten de Leeraars en Meesters,
welke alle voor eenen voorbijgaanden Raadsheer opreezen en hem den
staart toekeerden. Dit is een teeken van eerbiedigheid; en daarom
versieren zij zoo zorgvuldiglijk hunne staarten. Dog mij kwamen die
averegtsche groetingen gekkelijk en belachelijk voor. Want iemant den
rug toe te keeren, is bij ons een teeken, of van verkoeling of van
veragting; dog ieder Land heeft zijnen eigenen smaak. De gemelde
Leeraars en Meesters zaten aan weêrszijden der gehoorplaats; en aan 't
einde, van de gehoorplaats was een gestoelte gestelt, 't welk bekleed
wierdt door den genen die Doctor stondt te worden. Eer de Promotie
aanging wierdt 'er over een twistschrift gehandeld, waar van dit de
tytel was. _Inwijings-Natuurkundig vertoog, waar in onderzogt wordt en
beslist, het zwaarwigtig vraagstuk: of het geluid, 't welk de vliegen en
andere bloedelopze diertjes maken, hen door den mond, of door 't
agterste uitgaat_. De Præses hadt op zig genomen het eerste gevoelen te
verdedigen, welk met zoodanige ijver van de tegenpartijders bestreeden
wierdt, dat men vreesde dat dat krakkeel op een bloedig krabbelvuistje
zoude uitkomen. En waarlijk men zoude handgemeen zijn geworden, ten ware
de Raad, oprijzende, de hevigheid niet hadt doen bedaaren. Zoo lang het
dispuut duurde, wierdt 'er op de fluit gespeelt. Want daar was een
fluitspeeler aan welken 't bestier des strijds was opgedragen, die dan
eens met streelende, dan met hevige toonen, de verflaauwende zintwist
opbeuren, of wanneer dezelve tot oploopenheid en woede oversloeg, zoude
bedwingen. Dog door deeze en andere middelen wierdt 'er dikwils niet
veel uitgerecht: want het is moeilijk maat te houden wanneer 'er over
zwaarwigtige zaken gehandelt wordt; 't geen wij in onze waereld dikwils
hebben ondervonden, alwaar met geen mindere gemoeds-bewegingen, het
zintwisten over een geschil dat veelerlei is en veele omwegen heeft,
dikwils onstuimig wordt. Dog dit krakkeel, dat bloedvergieten en
doodslag scheen te dreigen, wierdt schielijk geëindigt door onderlinge
loftuitingen en dankzeggingen; niet anders dan op onze Academiën,
alwaar, volgens eene doorgaans aangenomene gewoonte, de Præses
overwinnaar uit het gestoelte komt.
Het disputeeren geëindigt zijnde, ging de Promotie zelve op deze wijze
voort: hij die gepromoveert stondt te worden, wierdt te midden in de
gehoorplaats gestelt, alwaar drie Pedellen of dienaars der Academie met
eenen statigen tred naar hem toegaan, en hem een geheel mud koud water
over 't hoofd gieten: straks daar op berooken zij hem met wierook, en
bieden hem eenen spuwdrank aan te drinken. Dit met de uiterste eerbied
en buiging haarer hoofden verrigt hebbende, kondigen zij af, dat hij tot
Leeraar verkoren is. Ik stond verbaasd over zulke wonderbaarlijke en
nooit gehoorde plegtigheden, en vraagde aan zekeren geleerden Aap, die
bij mij stondt, wat dat alles te beduiden hadt. Dees, medelijden
hebbende met mijne onwetendheid, zeide, dat door 't water, den wierook,
en den braak-drank te kennen gegeven wierdt, dat de vlekken der oude
gebreken moesten uitgewischt, en nieuwe zeden, onderscheiden van die van
't gemeen, aangenomen worden. Dit verstaan hebbende, beschuldigde ik
mijne domheid, en vol van verwondering zijnde, vraagde ik niet verder,
om niet door te gaan voor eenen die nooit onder fatsoenlijke Lieden
verkeert hadt.
Eindelijk wierdt alles vervult door het geraas van trommels, fluiten en
trompetten, en die nieuwe Leeraar, uit de gehoorplaats gaande,
gelauwriert, en met eenen riem omgord, wierdt door de gantsche
vergadering der Geleerden tot in zijn huis toe verzeld. Dog vermits hij
maar van een burgerlijk geslagt was, wierdt hij in geen stoel gedragen;
maar slegts op een wagentje met de hand voortgetrokken, eenige
getabberde loopers, vooruitloopende. De plegtigheid, zoo als doorgaans
pleeg te geschieden, wierdt besloten met een pragtig gastmaal, en een
brave roes der gasten: want daar wierdt zoo rijkelijk wijn geschonken,
dat de meeste vol en zoet naar huis wierden gebragt, en, niet zonder
behulp van geneesmiddelen, eerst na eenige dagen weder tot hun zelven
kwamen, invoegen dat in die geheele verrigtinge, van 't begin af tot het
einde toe, niets te vinden was, dat niet met de uiterste plegtigheid
toeging; en ik moet bekennen dat ik in onze waereld nooit eene Promotie
gezien heb; die meer was naar den trant van de Academie, nog geen
Candidaat, die met meer regt Doctor gemaakt is.
In de Geregtshoven worden de zaken met eene wonderlijke vaardigheid
afgedaan, zoo, dat ik mij niet genoeg kan verwonderen over de vlugheid
en de gemaklijke bevattinge die dat volk zoo bijzonder eigen is: want
éér de Advocaten hunne pleidoyen geeindigt hebben, staan de Regters
menigmaal op om hunne stemmen, die niet minder vaardig als fraai zijn te
geven. Ik heb mij menigmalen in deeze Geregts-hoven laten vinden, om de
wijze van Procedeeren bij de _Martinianen_ te hooren. De Vonnissen
kwamen mij in 't begin zeer zakelijk voor, en scheenen gegrond op het
natuurlijk regt; maar toen ik die wat grondiger onderzogt vond ik die
onregtvaardig, gekkelijk en vol van tegenstrijdigheden, zoo dat ik het
beter oordeelde te wezen, de zaken aan 't lotgeval te betrouwen, dan een
geding te onderwerpen aan het Vonnis der _Martiniaansche_ Regters. Van
de wetten deezer Natie kan ik niets zeggen om de groote wisselvalligheid
welke dezelve onderworpen zijn: want wetten en regten worden hier alle
jaren even als kleederen verandert. Om deeze redenen worden 'er veele om
misdaden gestraft, die geen misdaden waren toen ze bedreven wierden:
Veele verliezen ook daarom alleenlijk hun Proces, om dat hunne Actie,
welke volgens de wetten geoorlooft was, naderhand door eene nieuwe wet
ongeoorloofd wordt. Ten dien opzigte beroepen zij zig ook alle van lager
Regtbanken tot de hooge, hopende--dat, hangende het geding, de eerste
wet zal worden afgeschaft. Dit gebrek wordt geboren uit het al te
vaardig ontwerp der wetten. Voeg hier bij dat deeze Natie, al te zeer
hakende naar nieuwigheden, afkeerig is van de allerbeste wetten en
gewoonten, alleen omdat ze oud zijn. Geen mindere ligtvaardigheid
bespeurde ik ook in den opschik des ligchaams en in de kleederen. De
Advocaten zijn hier in groote agtinge om hunne spitsvinnigheid in 't
zintwisten, en daar zijn 'er onder dezelve, die, gelijk men zegt,
doornaait als eens bedelaars huik, geen zaak aannemen te verdedigen, ten
zij dezelve twijfelagtig en onregtvaardig zij: en zulks om aan te toonen
hoe zeer zij geslepen zijn in 't hairklooven, en hoe konstig zij van
zwart wit konnen maken. Om deezer geslepenheids wille begunstigen de
Regters meenigmaal eenen voorstander van eene onregtvaardige zaak,
nadien 't hen genoeg is dat de zaak bepleit, en volgens de Practijk
behandelt zij. Hierom zijn zij gewoon te zeggen: "Wij zien zeer wel de
onbillijkheid der zake; dog aangezien, dezelve met zoo veel
behendigheid, en volgens de Practijk beweert is, kunnen wij niet
nalaten, om de snedigheid des Advocaats, een weinig van 't regt af te
zien." De regten worden hier van de Leeraars, voor verscheide prijzen,
naar de natuur der zaken, geleert: bij voorbeeld die hunne leerlingen
onderrigten om eene kwade en onbillijke zaak voor te staan, of, gelijk
de Grieken zeggen, τὸν ἤτζω λόγον κρείτω ποιεῖν,[1] eisschen twintig
stercolaten; dog die eene billijke zaak leeren beweeren, vorderen
slegts tien stercolaten. 't Geen tot het Regt vereischt wordt, is zoo
veel en zoo groot, dat in dien onmetelijken hoop van wetten, de eene op
de andere gestapelt, geen einde te zien is: want gelijk de _Martinianen_
van een zeer spitsvinnig en fijn vernuft zijn, en daar bij eene zeer
gaauwe bevattinge hebben, walgen zij van alles wat klaar en eenvoudig
is, niets aanzien willende dan 't geen doortrapt, kwastig en verdraait
is.
Eveneens is 't met den Godsdienst gelegen, welke geenszins in
betrachtinge, maar slegts alleen in ijdele bespiegelingen bestaat. Zoo
zijn 'er tweehonderd en dertig verscheide gevoelens over de gedaante
welke God moet worden toegeschreven, en driehonderd zes en negentig over
de natuur en hoedanigheid der Ziele. De Tempelen of heilige
gehoorplaatsen alwaar de Godskennis geleert wordt, worden door de
_Martinianen_ niet bezogt, om aldaar te leeren wat hun te betrachten
staat, of waar naar zij zig in leven en sterven te rigten hebben; maar
slegts om te hooren, hoe geleerd en met welk eene fijnheid van verstand
de heilige Redenaars zig uitdrukken, welke ook hoe zij duisterder
spreeken, hoe zij te meer toejuichinge krijgen, invoegen de
_Martinianen_ ongaarne iets hooren, dan 't geen zij niet verstaan. Men
let 'er meer op de woorden dan op de zaken, vermits de Redenaaren zig
meer toeleggen op de uitgezogte spreekwijzen en welgeschikten zin, dan
op het gewigt der bewijzen of beschaaftheid des oordeels, en de
toehoorders niet dan op vleijende redenen en welluidende woorden agt
geven. Hierom durfde ik van den Christelijken Godsdienst, die eenvoudig
en niet opgetooid, maar op de waarheid gegrond is, geen woord reppen.
Nergens worden de Uitvinders van nieuwigheden meer dan in deeze
Republijk geagt: hoe moeilijker en ongerijmder de uitvinding is, hoe
meer dezelve aangenaam is. Toen ik aan zekeren Meerkat eens uitgelegt
had de natuur van onzen Aardbol, en hem aangetoond had, dat deszelfs
oppervlakte bewoond was, stelde hij terstond voor om de korst der aarde
te doorgraven en eenen weg te banen naar de Bovenaardlingen. Die
uitvinding wierdt terstond van allen toegejuicht en daar wierdt eene
_maatschappij, of genootschap van den bovenaardschen handel_ aangestelt,
waar naar de inwoonders terstond met geheele troepen liepen, en de
biljetten nagezien hebbende, _Actiën_, gelijk de Kooplieden zeggen,
gingen koopen. Dog toen door deeze bewegingen het gantsche Landschap te
onderste boven geraakte, en Verscheide Familien door deeze _Actiën_ tot
den bedelzak vervielen, begrepen zij eindelijk de dwaasheid deezer
uitvindinge, en lieten 't werk steeken. Egter is den Uitvinder om deeze
dwaasheid, die den Staat, zoo duur hadt gestaan, niets kwaads overkomen:
ja hij wierdt zelfs, om de voortreffelijkheid van 't werk van iedereen
geprezen, zoo dat de _Martinianen_ plegen te zeggen: dat schoon zijne
pogingen hem niet gelukt waren, hij egter als een andere Phaëton
_............... den Zonnewagen mende,_
_En, schoon hij stortte, stout voorbij den stoutsten rende,_