Dog dit ontbijt stondt mij duur, en ik kan betuigen, dat ik nooit

schijnheiliger en teffens onbermhartiger waard ontmoet heb; waarom ik

bij mij zelven zeide, dat het beter was, wat minder te bidden, en wat

meer Godvrugtige werken te betrachten. Ik ontveinsde egter mijn

hartzeer, wetende dat het gevaarlijk is den fijnen te tergen. Zoo veele

burgers als 'er in deeze Stad waren, zoo veele strenge Catoos,

tugtmeesters der zeden, waren 'er ook. Zij gaan alle door de Stad, met

hangenden hoofde, en neergebogen takken, hebbende het geduurig geladen

op de ijdelheid der waereld, en veroordeelende zelfs geoorloofde

vermaken; want zij berispen alles ten strengsten, zelfs tot gebaarden en

lachen toe, en trachten door geduurige berispingen, en de lieden

blaauwbloemtjes op den mouw te spellen, den naam van heiligen te

verkrijgen. En wanneer ik, vermoeit en afgemat zijnde, door zoo veele

ongemakken, door 't een of 't ander spel, daar niets in stak, mijne

geesten wat zogt op te scherpen; wierd ik daar om over den hekel

gehaalt, zodanig, dat elk huis mij een strengen Biegt-stoel scheen te

zijn, waar voor men genoodzaakt wierdt belijdenis zijner zonden te doen.

Maar ik scheide 'er af met mij verder uit te laten over 't karakter

dezes volks; en zal alleen één voorbeeld bijbrengen, 't geen den inborst

der _Tumbackers_ naar 't leven uitdrukt, en waar uit men 't overige

gemakkelijk zal kunnen afnemen. Zeker wilde Olijf-boom, die eertijds,

toen wij beide in _Potu_ waren, mij een zeer goed vriend was, zag mij

bij geval voorbij eene herberge gaan, en verzogt mij daar binnen te

treden. En nademaal hij gehoort hadt, dat ik somtijds wel eens uit de

borst konde vrolijk zijn, begon hij mijn leven en bedrijf zoo dapper

over den hekel te haalen, dat mij de hairen te berge reezen, en alle de

leden begonnen te schudden. Dog terwijl onze Cato in diervoegen afgaf,

dronken wij 'er al een steevig glaasje onder, tot dat wij eindelijk

beide vol en zoet op den grond vielen, en, door de gene die daar op aan

kwamen, half dood naar huis gebragt wierden. Na dat de dronk

uitgeslapen, en ik wakker geworden zijnde, weder tot mij zelf gekomen

was, liet ik mijne gedagten ernstiglijk gaan over deezen Godsdienst,

wanneer het mij klaar bleek, dat de ijver deezer Natie eer uit zwarte

gal en bedorven sappen, dan uit beweeging van Godvrugtigheid

voortvloeide. Egter zeide ik aan niemant mijne gedagten, maar pakte mij

kort naderhand stillekens weg.

Na eene tusschenpoozing van twee maanden, kwam ik eindelijk t'huis, zeer

vermoeit; want mijne beenen, door 't gestadig te voet reizen verzwakt,

konden naauwlijks mijn ligchaam ophouden. Tredende binnen de Stad

_Potu,_ den tienden der Eikemaand, bood ik mijn dagregister terstond den

Vorst op het nederigst aan; en zijne Doorlugtigheid beval hetzelve

terstond te doen drukken, (want men moet weten, dat de Druk-konst,

waarvan die van Europa en de Indianen zeggen de uitvinders te zijn, hier

veel eer bekend geweest is). Mijne reis-beschrijving was zodanig in den

smaak der _Potuaners_, dat zij zig niet verzadigen konden in dezelve te

leezen. Daar liepen door alle oorden en wijken der Stad, hoorntjes, met

deeze dagregisters, roepende: REISBESCHRIJVINC VAN DEN HOFPOSTLOOPER

SCABBA, RONDOM DE GEHEELE WAERELD. Ik, moedig op dien uitslag, begon

naar grooter zaken te staan, belovende mij zelf 't een of 't ander ampt

van aangelegenheid. Maar toen ik zag, dat ik in mijne hoop bedrogen was,

deed ik een nieuw verzoek aan den Vorst, waar in ik, mijne verrigtingen

zeer hoog verheffende, de schuldige vergelding voor mijne verdiensten

afsmeekte. De Vorst, gelijk hij opregt en goeddoende was, wierdt bewogen

door mijne smeekingen, en zeide mij op eene gunstige wijze, dat hij zorg

voor mij zoude dragen: hij hieldt ook zijn woord wel; dog die geheele

gunstbewijzing kwam uit op eene vermeerdering mijner jaarwedde. Ik had,

om de waarheid te zeggen, eene gantsch andere belooninge voor mijne

verrigtingen verwagt. Waarom ik met die gunst geen genoegen konde

neemen. Dog vermits ik den Vorst met geduurige verzoeken het hoofd niet

kon breken, gaf ik aan den Groot-cancelier het verdriet, dat mij op 't

harte lag, te kennen. Die verstandige man nam mijne klagten op met zijne

gewoonlijke beleeftheid, belovende mij te zullen behulpzaam zijn,

vermanende mij egter te gelijk, dat ik zoude afstaan van zulken

ongerijmden eisch, en mij bevelende mijne eigene kragten te kennen, en

op de geringheid van mijn oordeel agt te slaan. "De Natuur, zeide hij,

is u eene stiefmoeder geweest, en gij hebt geen begaaftheden, waar door

u de weg tot Staatsbedieningen van belang geopent moge worden. Gij moet

niet naloopen 't geen gij nooit bekomen kunt, of, den aart van andere

willende navolgen, uwen eigenen vergeten. Wijders zeide hij, indien gij,

't geen gij dwaaslijk eischt, al eens mogt bekomen, zoo zoude 'er de

Vorst om gelastert, en de Wetten door verkragt worden. Zijt dan te

vreden met uw Lot, en werpt de hoop van u, daar uwe Natuur tegen

strijdt." Hij erkende wel mijne verdiensten en prees mijne verrigtingen,

die ik in de laatste reize gedaan had; dog hij zeide, dat ze niet

zodanig waren, dat ze mij den weg konden baanen tot bedieningen van

Staat; want zoo om iedere verrigtinge, om elke verdienste, men zoude

moeten worden bevordert tot de hoogde eerampten, zoo zoude een ieder

werkman, een Schilder of Beeldhouwer om zijne snedigheid in een stuk

Schilderij te maken, of Beeld uit te houwen, eens Raadsheers

bedieninge, als eenen prijs en belooninge hem toekomende, vorderen

kunnen; dat de verdiensten wel konden beloont worden, dog dat welgepaste

belooningen moesten gegeven worden aan de gene die ze verdient hadden,

op dat het Gemeenebest geen schade leede, of aan bespottinge wierde

bloot gestelt. Door deeze vermaningen overtuigt zijnde, hield ik mij

wederom eenigen tijd stil. Dog vermits het mij al te hard en bitter

voorkwam, in zulk gering beroep oud en grijs te worden, hernam ik dat

wanhopig voornemen, waarvan ik al had afgezien: namentlijk ik lei mij

toe om eenige verbetering in den burgerstaat te maken, op dat ik, door

eene nieuwe uitvindinge, dienst aan 't Gemeen, en mij zelf voordeel

zoude toebrengen.

Even voor mijne laatste reize, had ik mijne gedagten naauwkeurig laten

gaan over den Staat deezes Vorstendoms, om te zien of ik eenige

gebreken, die daar wel 't meest in zwang gingen, konde ontdekken, en

teffens de hulpmiddelen daar tegen uitvinden. Uit den Staat der

Provincie _Cocleku_, was ik ontwaar geworden, dat een Staat naar zijnen

ondergang helde, wanneer aldaar vrouwen tot Staatsbedieningen wierden

toegelaten: aangezien dezelve, uit den aart heerschzugtig zijnde, haare

magt en gezag onbepaalt trachten te maken, en nooit rusten, alvorens zij

een volstrekte en onbepaalde magt verkregen hebben. Hierom besloot ik

voor te stellen, dat 'er eene Wet gemaakt mogte worden, om de wijven uit

te sluiten van alle bedieningen van Staat, hopende dat ik 'er niet

weinige zoude krijgen, die mij zouden toevallen, vermits ik de zaak

klaar aantoonen, en in hoe grooten gevaar het man-volk konde worden

ingewikkelt, ten ware de magt van het vrouw-volk bij tijds ontzenuwt

wierde, mij niet zwaar zoude vallen iedereen voor oogen te stellen. En

bijaldien eene geheele afschaffing deezer gewoonte aan eenige, wat te

hachelijk mogte voorkomen, stond ik te beweeren, dat de magt der wijven

ten minsten beteugelt, en meer bepaalt moest worden. Het aanraden deezer

Wet hadt driederlei oogmerken, 1. Ik zoude 'er door schijnen te willen

genezen een gebrek, waar aan 't Gemeenebest onderhevig was. 2. Door

eene edelmoedige en verstandige uitvindinge een proefstuk van mijn

oordeel en vernuft gevende, stond ik mijnen staat wat te verbeteren. 3.

Ik zoude mij wreken over 't ongelijk, dat mij van de vrouwen was

aangedaan, en den smaad, mij menigmaalen door dezelve aangewreven,

uitwisschen; want ik wil gaarne bekennen, dat eige voordeel of wraaklust

de voornaamste beweegredenen van deeze raadgevinge waren. Ik wist egter

mijn voornemen fijntjes te ontveinzen, op dat ik, onder den dekmantel

van 't algemeen nut, niet moge schijnen alleen mijn eigen voordeel te

bevorderen, en andere uitvinders op het spoor te volgen, wier

raadgevingen dikwils breed opgeven van het algemeen nut, schoon het,

wanneer dezelve met een naauwkeurig oog beschouwd worden, terstond

blijkt, dat eige voordeel de voornaamste beweegreden is, die hen daar

toe aanzet.

Die raadgevingen dan, zoo fraai als ik kon opgestelt, en met de

doordringende redenen bekragtigt hebbende, bood ik op het nederigste

den Vorst aan. Hij, mij altijd eene bijzondere gunste hebbende

toegedragen, stondt verbaast over zulk een stout en roekeloos voornemen,

voorspellende daar uit mijnen ondergang en verderf; waarom hij mij door

bidden en smeeken van die poogingen trachtte te doen afzien, voegende,

op eene Vorstelijke wijze, dreigementen bij zijne gebeden. Dog ik,

steunende niet minder op de nuttigheid mijner uitvindinge, dan op de

gunst van het geheele man-geslagt, welk ik vertrouwde de hand te zullen

houden aan eene zaak die hen alle aanging; bleef onwankelbaar bij mijn

voornemen: invoegen mijne hardnekkigheid door geen vermaningen kon

bewogen worden. Om deeze reden dan wierd ik, volgens gebruik, met den

strop om den hals naar de markt gebragt, om aldaar het besluit van den

Raad af te wagten. De Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde,

wierdt het vonnis aan den Vorst gezonden, om dat te bekragtigen, en, van

denzelven te rug gezonden zijnde, door den uitroeper, met de volgende

woorden afgekondigt.

"Na rijpe overweginge oordeelen wij dat de wet door D. Scabba,

voormaamsten Postlooper van 't Hof, voorgestelt, ten einde om de Vrouwen

van alle Staatsbedieningen uit te sluiten, niet door den beugel kan, ten

zij met het uiterste nadeel des Gemeenenbests, nademaal de helft der

Natie, uit de vrouwelijke Sexe bestaande, deeze inbreuk zeer hoog zoude

opnemen, en ten dien opzigte den Staat lastig vallen en vijandig zoude

worden. Wijders meenen wij, dat het de onbillijkheid zelve is, de braave

Vrouwenboomen van de eerampten, welke zij zig waardig maken, geheel en

al uit te sluiten: vooral, vermits het zeker is, dat dezelve door de

Natuur, die niets roekeloos doet, niet tevergeefsch met zoo veele

uitnemende gemoeds-gaven versiert zijn. Ook gelooven wij dat de welvaart

van den Staat vereischt, dat men in 't bevorderen tot eerampten meer agt

slaâ op de verstanden zelve, dan op den naam. En aangezien het Land

meenigmaalen gebrek heeft aan kloekmoedige boomen, vinden wij dat het

dwaasheid zoude zijn, door een eenig Placcaat of Raadsbesluit, de

gantsche helft des Gemeenenbests, enkel en alleen om 't lot der

geboorte, tot de bedieningen onbekwaam en onwaardig te verklaren. Al

waaromme wij, de zaak ernstig en rijpelijk overwogen hebbende, den

voornoemden Scabba, om zijne dwaaze en roekelooze raadgevingen,

oordeelen strafbaar te zijn, naar ouder gewoonte."

Boven mate trof dit geval den Vorst; dog mits hij nooit gewoon was een

Raadsbesluit te niet te doen, onderteekende hij het vonnis met eigen

hand; bekragtigde het met zijn gewoon zegel, en gaf bevel dat af te

kondigen; alleenlijk daarbij voegende deeze bepaling: dat aangezien ik

een vreemdeling was, gebooren in eene nieuwe en onbekende Waereld,

alwaar een vlug verstand onder de zielsbegaaftheden gerekent wordt, ik

uit dien hoofde de halsstraffe konde ontgaan. Dog op dat door

kwijtscheldinge van straffe, de wetten niet kragteloos mogten worden

gemaakt, zoude men mij in 't gevangenhuis bewaren, tot het ingaan der

Berkenboommaand, en als dan, te gelijk met alle andere overtreders der

wetten, naar 't Firmament verzenden.

Het vonnis afgekondigt zijnde, wierd ik in hegtenisse gebragt. Eenige

mijner goede vrienden raadden mij toen aan, dat ik tegen dit vonnis

zoude protesteeren, nademaal 'er onder mijne Regters zoo veele getrouwde

Vrouwen en jonge Dogters waren geweest, die in haare eigene zaak Regters

geweest waren. Dog anderen kwam het veiliger vóór, dat ik schuld

bekende, en dat ik de daad, als begaan uit eene dwaasheid die aangeboren

en met mijn Geslagt gemeen was, verontschuldigde. Dog dien raad wees ik

standvastig van de hand: en zulks ten aanzien van de Opper-aardlingen,

welker agtinge door zodanige bekentenisse geen geringe vlek zoude worden

aangewreven.

Kort daar na verstond ik dat de Vorst besloten hadt mij van alle straffe

te ontheffen, had ik slegts eenvoudiglijk zijne gunst, en kwijtschelding

der misdaad verzogt, hoe zeer ook _Rabagna_, die het ampt van Thesaurier

bekleedde, hemel en aarde bewoog, dat ik niet op vrije voeten mogte

worden gestelt. Maar, om de waarheid te zeggen, ik nam dat vonnis niet

kwalijk. Want de bediening die ik bekleedde, was mij bitterer dan de

dood, en het smertte mij langer met deeze boomen, die gezwollen waren

van al te grooten hoogmoed, om te gaan. Ook hoopte ik op beter lot in 't

Firmament, alwaar ik verdaan had, dat alle vreemdelingen, zonder

onderscheid, gunstiglijk wierden ontvangen.

[1] Publicus Civitatis Physicus.

[2] Logicos.

[3] Polybistoros.

TIENDE HOOFDSTUK.

_Reize naar 't Firmament_

Tot hier toe heb ik geen woord gesproken van die verbazende verbanning

naar 't Firmament; waarom ik hier, als zijnde de bekwaamste plaatze, een

afbeeldzel van die reize zal geven. Zeker slag van vogels, van eene

ongewoone grootte, zijn gewoon alle jaar zig hier te vertoonen: zij

worden _Cupac_ of Postvogels genoemt, die op gezette tijden komen en

wederom vertrekken. Met het naspeuren der oorzaaken van deeze gezette

komst en vertrek, hebben do Onderaardsche Natuurkundigen lang hun hoofd

gebroken. Eenige zijn van gedagten, dat die vogels, derwaards gelokt

door eenige bloedelooze diertjes, of door zekere groote vliegen, waar

van 'er op deezen tijd des jaars eene groote menigte te zien is, en waar

naar dezelve zeer begeerig zijn, op deeze Planeet nederdalen; en ik heb

niets tegen dat gevoelen. Zij meenen dat de zaak hierom te klaarder is;

nademaal die vliegen verdwijnende, ook die vogels weder terstond te rug

vliegen naar 't Firmament. Dat dit door zeker ingeven der Natuur kan

geschieden, blijkt uit het voorbeeld van andere vogels, welke op gezette

tijden in zekere Landen, buiten twijfel om dezelve redenen, zig

vertoonen. Andere willen, dat deeze vogels van de inwoonders des

Firmaments zodanig onderwezen en geoeffent zijn, dat zij van dezelve

konnen worden uitgelaten even als Valken, of Jagt-vogels, om een roof

van elders over te brengen. Deeze stelling is gegrond op die groote zorg

en snedigheid, welke zij vertoonen, na dat zij die reis afgelegt hebben,

wanneer zij hunnen buit, of de gene welke zij overgebragt hebben, ter

nederzetten. Ook doen deeze vogels uit andere omstandigheden blijken,

of dat zij voorbedagtelijk daar op geleert, of met reden begaafd zijn;

want wanneer de tijd dat zij vertrekken, aanstaande is, worden zij zoo

mak en tam, dat zij zig netten of strikken laten aandoen, waar onder zij

eenige dagen lang stil en gerust blijven leggen; en in dien

tusschen-tijd van de inwoonders als met de hand gevoed worden met

bloedelooze diertjes, waar van men 'er ten dien einde eene groote

menigte verzamelt heeft: En met dat aas moet men ze daar houden, tot dat

al het noodwendige voor de op reis gaande ballingen vervaardigt is. De

toestel van dat vertrek pleeg aldus gemaakt te worden: Een klein hutje

of kistje wordt aan de strikken, waar aan de vogels leggen, met touwen

vastgemaakt. In ieder hutje kan niet meer dan een boom of mensch te

gelijk zijn. Wanneer nu de tijd van hun vertrek aanstaande, en het aas

der bloedelooze diertjes, waar mede de vogels gespijst worden, op is,

vliegen de vogels op, en neemen de terugreis aan, door de lugt. Zodanig

was deeze wonderlijke overvoering, welke ik met de andere gevangenen

naar de nieuwe Waereld moest ondergaan. Toen ter tijd stonden met mij

reisvaardig twee Burgers van welke om andere misdaden in ballingschap

waren verwezen. Een van die was een Overnatuurkundige, die de Wet hadt

overtreden, door te disputeeren over het Wezen Gods, en over de Natuur

der Geesten. Die stoutheid hadt hij met de aderlating moeten boeten, en

wanneer hij kort daarna bevonden werd in zijn voornemen voort te varen,

werd hij tot ballingschap naar 't Firmament verwezen. De ander was een

Geestdrijver, die twijfelingen omtrent den Godsdienst en 't regt van

heerschappij in den Burgerstaat maakende, de gronden van beide scheen te

ondermijnen. Dees wilde aan de Wetten van den Staat niet gehoorzamen,

voorwendende dat alle Burgerlijke onderwerping tegen zijn gemoed

streedt. Zijne Vrienden ondernamen om hem met de bondigste bewijzen

deeze kregelheid uit den kop te krijgen, doende hem zien, aan hoe veele

bespottingen die gemoeds-voorschriften en ingebeelde inblazingen

onderhevig waren; zeggende menigmalen, dat de ijver, conscientie, of

inblazinge met zwaarmoedigheid of bedorven ligchaams-vogten vermengd

wierden; en toonden wijders aan, hoe dwaas het is zig te beroepen op het

aanporren der conscientie, en hoe onbillijk het is te beweeren, dat de

bewegingen zijns gemoeds het rigtsnoer zouden zijn van eens anders

geloof, die zig van dezelve bewijsrede bedienen, en de eene conscientie

tegen de andere kan zetten. Eindelijk vertoonden zij hem, dat niemant

die deeze beginselen halstarriglijk vasthieldt, bezwagtelende zijne

koppigheid mee den dekmantel der conscientie, in den Burgerstaat geduld

konde worden; aangezien de pligt van een goed ingezeten vereischt, dat

hij de Wetten van den Staat blindelings gehoorzame; en dat een

Geestdrijver zodanige onderdanigheid nog wil nog kan bewijzen, nademaal

in 't burgerlijke het voorschrift zijner conscientie zijn eenige

rigtsnoer is. Dog, aangezien beweegredenen of bewijzen op de

Geestdrijvers weinig vat hebben, wierdt hij als hardnekkig en

onverbeterlijk gebannen, en naar het Firmament verwezen. Wij waren dan

ter dezer tijd met ons drieën, die deeze reize stonden te doen,

namenlijk een Uitvinder van Nieuwigheden, een Over-natuurkundige, en een

Geestdrijver.

Omtrent het einde der Berkenboommaand, wierden wij elk uit het

Gevangenhuis naar eene bijzondere plaats gebragt. Wat mijne makkers

naderhand overgekomen is, is mij onbekend: want voor mij zelf alleen

zorgende, moeide ik mij nergens anders mede. Ter bestemder plaats

gebragt zijnde, wierd ik terstond in 't kistje of hutje gesteken, en met

spijze, zoo veel voor eenige dagen genoeg was, voorzien. Niet lang daar

na, wanneer de vogels gewaar wierden dat men hen geen aas meer aanbragt,

even als of zij voelden dat het tijd van vertrekken was, verlieten zij

dien Aardbol, klievende de lugt met eene ongelooflijke snelheid. Men

gelooft gemeenlijk onder de Onderaardlingen, dat de afstand van de

Planeet _Nazar_ omtrent honderd mijlen van 't Firmament is. Dog in hoe

veel tijds ik die reize afgelegt hebbe, kan ik niet wel zeggen; maar wel

dat mij dunkt met deeze hemelsche schipvaart vier-en-twintig uuren onder

weg geweest te zijn. Na een langwijlig stilzwijgen kwam mij eindelijk

een verward geroep ter ooren, waar uit ik gissinge maakte niet ver van

land af te zijn. Toen bleek het mij, dat deeze vogels wel degelijk met

voordagt hier op geleert en geoeffent waren, want zij zetteden zoo

konstiglijk en zoo zorgvuldiglijk het hutje op den grond neer, dat 'er

niets aan beschadigt wierdt; Terstond wierd ik omringt door een groot

getal van Aapen, op welker gezigt ik met geen geringe vrees bevangen

wierd, nademaal ik dp de Planeet _Nazar_ van die dieren magtig gekwelt

was geweest. Mijn opgevatte schrik vermeerderde, wanneer ik deeze Aapen

met malkanderen hoorde praten, en wanneer ik zag dat zij kleederen van

verscheide kleuren aan hadden, en met geregelde stappen voortgingen.

Toen giste ik dat zij de bewoonders deezes Lands waren. Dog vermits mij

in dat mengelmoes van zeldzaamheden, waar aan ik al zedert eenen

geruimen tijd was gewoon geworden, niets nieuw of ongewoon meer kon

schijnen, schepte ik weder moed, vooral toen ik zag, dat die Aapen mee

eene wonderlijke gemaniertheid nader kwamen, en mij, hunnen nieuwen

gast, op eene beleefde wijze, uit het hutje haalden: want naauwlijks

wordt in onze geheele Waereld een Ambassadeur met meer statie ingehaalt.

Elk op, zijnen rang naar mij toe komende, sprak mij aldus aan: _Pul

Asfer_. Na dat zij deeze welkomst dikwils herhaalt hadden, en ik

eindelijk die woorden hen had nagezegt, begonnen zij uittermate te

lachen, en gaven met koddige gebaarden te kennen, dat zij veel vermaak

schepten in die woorden te hooren nazeggen. Aanstonds bemerkte ik dat

deeze inwoonders ligtveerdig, liefhebbers van nieuwigheden, en groote

snappers waren. Als zij, spraken zou men gezworen hebben dat de trommel

geroert wierdt, met zulk eene labberheid en vlugheid bragten zij de

woorden als in eenen adem uit. Om kort te zijn, zij waren in opschik,

manieren, spraak, en ligchaams-gedaante geheel en al verscheiden van de

_Potuanen_. Op 't eerste gezigt van, mijne gestalte, scheenen zij

gantsch verbaasd, en de voornaamste reden daar van was, dat ik geen

staart had: want gelijk 'er onder alle schepzelen geen beesten zijn, die

meer de figuur van een mensch verbeelden dan de Aapen, zoo zouden zij

mij, had ik anders eenen staart gehad, voor een dier van hun geslagt

gegroet hebben: vooral, vermits zij alle de gene die tot nog toe uit de

Planeet _Nazar_ herwaards overgevoert waren, zig zeer ongelijk hadden

bevonden. Ter zelver tijd toen ik in dat Land kwam, was de Zee overal

onstuimig, om de nabijheid der Planeet _Nazar_: want even gelijk bij ons

de vloed der Zee overeenkomt met den loop der Maan, zoo vloeit en ebt

ook de Zee van dit Firmament te gelijk met dezelve, als zijnde in

denzelven zwaai-kring met de Planeet _Nazar._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 11 / 21 段