schijnheiliger en teffens onbermhartiger waard ontmoet heb; waarom ik
bij mij zelven zeide, dat het beter was, wat minder te bidden, en wat
meer Godvrugtige werken te betrachten. Ik ontveinsde egter mijn
hartzeer, wetende dat het gevaarlijk is den fijnen te tergen. Zoo veele
burgers als 'er in deeze Stad waren, zoo veele strenge Catoos,
tugtmeesters der zeden, waren 'er ook. Zij gaan alle door de Stad, met
hangenden hoofde, en neergebogen takken, hebbende het geduurig geladen
op de ijdelheid der waereld, en veroordeelende zelfs geoorloofde
vermaken; want zij berispen alles ten strengsten, zelfs tot gebaarden en
lachen toe, en trachten door geduurige berispingen, en de lieden
blaauwbloemtjes op den mouw te spellen, den naam van heiligen te
verkrijgen. En wanneer ik, vermoeit en afgemat zijnde, door zoo veele
ongemakken, door 't een of 't ander spel, daar niets in stak, mijne
geesten wat zogt op te scherpen; wierd ik daar om over den hekel
gehaalt, zodanig, dat elk huis mij een strengen Biegt-stoel scheen te
zijn, waar voor men genoodzaakt wierdt belijdenis zijner zonden te doen.
Maar ik scheide 'er af met mij verder uit te laten over 't karakter
dezes volks; en zal alleen één voorbeeld bijbrengen, 't geen den inborst
der _Tumbackers_ naar 't leven uitdrukt, en waar uit men 't overige
gemakkelijk zal kunnen afnemen. Zeker wilde Olijf-boom, die eertijds,
toen wij beide in _Potu_ waren, mij een zeer goed vriend was, zag mij
bij geval voorbij eene herberge gaan, en verzogt mij daar binnen te
treden. En nademaal hij gehoort hadt, dat ik somtijds wel eens uit de
borst konde vrolijk zijn, begon hij mijn leven en bedrijf zoo dapper
over den hekel te haalen, dat mij de hairen te berge reezen, en alle de
leden begonnen te schudden. Dog terwijl onze Cato in diervoegen afgaf,
dronken wij 'er al een steevig glaasje onder, tot dat wij eindelijk
beide vol en zoet op den grond vielen, en, door de gene die daar op aan
kwamen, half dood naar huis gebragt wierden. Na dat de dronk
uitgeslapen, en ik wakker geworden zijnde, weder tot mij zelf gekomen
was, liet ik mijne gedagten ernstiglijk gaan over deezen Godsdienst,
wanneer het mij klaar bleek, dat de ijver deezer Natie eer uit zwarte
gal en bedorven sappen, dan uit beweeging van Godvrugtigheid
voortvloeide. Egter zeide ik aan niemant mijne gedagten, maar pakte mij
kort naderhand stillekens weg.
Na eene tusschenpoozing van twee maanden, kwam ik eindelijk t'huis, zeer
vermoeit; want mijne beenen, door 't gestadig te voet reizen verzwakt,
konden naauwlijks mijn ligchaam ophouden. Tredende binnen de Stad
_Potu,_ den tienden der Eikemaand, bood ik mijn dagregister terstond den
Vorst op het nederigst aan; en zijne Doorlugtigheid beval hetzelve
terstond te doen drukken, (want men moet weten, dat de Druk-konst,
waarvan die van Europa en de Indianen zeggen de uitvinders te zijn, hier
veel eer bekend geweest is). Mijne reis-beschrijving was zodanig in den
smaak der _Potuaners_, dat zij zig niet verzadigen konden in dezelve te
leezen. Daar liepen door alle oorden en wijken der Stad, hoorntjes, met
deeze dagregisters, roepende: REISBESCHRIJVINC VAN DEN HOFPOSTLOOPER
SCABBA, RONDOM DE GEHEELE WAERELD. Ik, moedig op dien uitslag, begon
naar grooter zaken te staan, belovende mij zelf 't een of 't ander ampt
van aangelegenheid. Maar toen ik zag, dat ik in mijne hoop bedrogen was,
deed ik een nieuw verzoek aan den Vorst, waar in ik, mijne verrigtingen
zeer hoog verheffende, de schuldige vergelding voor mijne verdiensten
afsmeekte. De Vorst, gelijk hij opregt en goeddoende was, wierdt bewogen
door mijne smeekingen, en zeide mij op eene gunstige wijze, dat hij zorg
voor mij zoude dragen: hij hieldt ook zijn woord wel; dog die geheele
gunstbewijzing kwam uit op eene vermeerdering mijner jaarwedde. Ik had,
om de waarheid te zeggen, eene gantsch andere belooninge voor mijne
verrigtingen verwagt. Waarom ik met die gunst geen genoegen konde
neemen. Dog vermits ik den Vorst met geduurige verzoeken het hoofd niet
kon breken, gaf ik aan den Groot-cancelier het verdriet, dat mij op 't
harte lag, te kennen. Die verstandige man nam mijne klagten op met zijne
gewoonlijke beleeftheid, belovende mij te zullen behulpzaam zijn,
vermanende mij egter te gelijk, dat ik zoude afstaan van zulken
ongerijmden eisch, en mij bevelende mijne eigene kragten te kennen, en
op de geringheid van mijn oordeel agt te slaan. "De Natuur, zeide hij,
is u eene stiefmoeder geweest, en gij hebt geen begaaftheden, waar door
u de weg tot Staatsbedieningen van belang geopent moge worden. Gij moet
niet naloopen 't geen gij nooit bekomen kunt, of, den aart van andere
willende navolgen, uwen eigenen vergeten. Wijders zeide hij, indien gij,
't geen gij dwaaslijk eischt, al eens mogt bekomen, zoo zoude 'er de
Vorst om gelastert, en de Wetten door verkragt worden. Zijt dan te
vreden met uw Lot, en werpt de hoop van u, daar uwe Natuur tegen
strijdt." Hij erkende wel mijne verdiensten en prees mijne verrigtingen,
die ik in de laatste reize gedaan had; dog hij zeide, dat ze niet
zodanig waren, dat ze mij den weg konden baanen tot bedieningen van
Staat; want zoo om iedere verrigtinge, om elke verdienste, men zoude
moeten worden bevordert tot de hoogde eerampten, zoo zoude een ieder
werkman, een Schilder of Beeldhouwer om zijne snedigheid in een stuk
Schilderij te maken, of Beeld uit te houwen, eens Raadsheers
bedieninge, als eenen prijs en belooninge hem toekomende, vorderen
kunnen; dat de verdiensten wel konden beloont worden, dog dat welgepaste
belooningen moesten gegeven worden aan de gene die ze verdient hadden,
op dat het Gemeenebest geen schade leede, of aan bespottinge wierde
bloot gestelt. Door deeze vermaningen overtuigt zijnde, hield ik mij
wederom eenigen tijd stil. Dog vermits het mij al te hard en bitter
voorkwam, in zulk gering beroep oud en grijs te worden, hernam ik dat
wanhopig voornemen, waarvan ik al had afgezien: namentlijk ik lei mij
toe om eenige verbetering in den burgerstaat te maken, op dat ik, door
eene nieuwe uitvindinge, dienst aan 't Gemeen, en mij zelf voordeel
zoude toebrengen.
Even voor mijne laatste reize, had ik mijne gedagten naauwkeurig laten
gaan over den Staat deezes Vorstendoms, om te zien of ik eenige
gebreken, die daar wel 't meest in zwang gingen, konde ontdekken, en
teffens de hulpmiddelen daar tegen uitvinden. Uit den Staat der
Provincie _Cocleku_, was ik ontwaar geworden, dat een Staat naar zijnen
ondergang helde, wanneer aldaar vrouwen tot Staatsbedieningen wierden
toegelaten: aangezien dezelve, uit den aart heerschzugtig zijnde, haare
magt en gezag onbepaalt trachten te maken, en nooit rusten, alvorens zij
een volstrekte en onbepaalde magt verkregen hebben. Hierom besloot ik
voor te stellen, dat 'er eene Wet gemaakt mogte worden, om de wijven uit
te sluiten van alle bedieningen van Staat, hopende dat ik 'er niet
weinige zoude krijgen, die mij zouden toevallen, vermits ik de zaak
klaar aantoonen, en in hoe grooten gevaar het man-volk konde worden
ingewikkelt, ten ware de magt van het vrouw-volk bij tijds ontzenuwt
wierde, mij niet zwaar zoude vallen iedereen voor oogen te stellen. En
bijaldien eene geheele afschaffing deezer gewoonte aan eenige, wat te
hachelijk mogte voorkomen, stond ik te beweeren, dat de magt der wijven
ten minsten beteugelt, en meer bepaalt moest worden. Het aanraden deezer
Wet hadt driederlei oogmerken, 1. Ik zoude 'er door schijnen te willen
genezen een gebrek, waar aan 't Gemeenebest onderhevig was. 2. Door
eene edelmoedige en verstandige uitvindinge een proefstuk van mijn
oordeel en vernuft gevende, stond ik mijnen staat wat te verbeteren. 3.
Ik zoude mij wreken over 't ongelijk, dat mij van de vrouwen was
aangedaan, en den smaad, mij menigmaalen door dezelve aangewreven,
uitwisschen; want ik wil gaarne bekennen, dat eige voordeel of wraaklust
de voornaamste beweegredenen van deeze raadgevinge waren. Ik wist egter
mijn voornemen fijntjes te ontveinzen, op dat ik, onder den dekmantel
van 't algemeen nut, niet moge schijnen alleen mijn eigen voordeel te
bevorderen, en andere uitvinders op het spoor te volgen, wier
raadgevingen dikwils breed opgeven van het algemeen nut, schoon het,
wanneer dezelve met een naauwkeurig oog beschouwd worden, terstond
blijkt, dat eige voordeel de voornaamste beweegreden is, die hen daar
toe aanzet.
Die raadgevingen dan, zoo fraai als ik kon opgestelt, en met de
doordringende redenen bekragtigt hebbende, bood ik op het nederigste
den Vorst aan. Hij, mij altijd eene bijzondere gunste hebbende
toegedragen, stondt verbaast over zulk een stout en roekeloos voornemen,
voorspellende daar uit mijnen ondergang en verderf; waarom hij mij door
bidden en smeeken van die poogingen trachtte te doen afzien, voegende,
op eene Vorstelijke wijze, dreigementen bij zijne gebeden. Dog ik,
steunende niet minder op de nuttigheid mijner uitvindinge, dan op de
gunst van het geheele man-geslagt, welk ik vertrouwde de hand te zullen
houden aan eene zaak die hen alle aanging; bleef onwankelbaar bij mijn
voornemen: invoegen mijne hardnekkigheid door geen vermaningen kon
bewogen worden. Om deeze reden dan wierd ik, volgens gebruik, met den
strop om den hals naar de markt gebragt, om aldaar het besluit van den
Raad af te wagten. De Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde,
wierdt het vonnis aan den Vorst gezonden, om dat te bekragtigen, en, van
denzelven te rug gezonden zijnde, door den uitroeper, met de volgende
woorden afgekondigt.
"Na rijpe overweginge oordeelen wij dat de wet door D. Scabba,
voormaamsten Postlooper van 't Hof, voorgestelt, ten einde om de Vrouwen
van alle Staatsbedieningen uit te sluiten, niet door den beugel kan, ten
zij met het uiterste nadeel des Gemeenenbests, nademaal de helft der
Natie, uit de vrouwelijke Sexe bestaande, deeze inbreuk zeer hoog zoude
opnemen, en ten dien opzigte den Staat lastig vallen en vijandig zoude
worden. Wijders meenen wij, dat het de onbillijkheid zelve is, de braave
Vrouwenboomen van de eerampten, welke zij zig waardig maken, geheel en
al uit te sluiten: vooral, vermits het zeker is, dat dezelve door de
Natuur, die niets roekeloos doet, niet tevergeefsch met zoo veele
uitnemende gemoeds-gaven versiert zijn. Ook gelooven wij dat de welvaart
van den Staat vereischt, dat men in 't bevorderen tot eerampten meer agt
slaâ op de verstanden zelve, dan op den naam. En aangezien het Land
meenigmaalen gebrek heeft aan kloekmoedige boomen, vinden wij dat het
dwaasheid zoude zijn, door een eenig Placcaat of Raadsbesluit, de
gantsche helft des Gemeenenbests, enkel en alleen om 't lot der
geboorte, tot de bedieningen onbekwaam en onwaardig te verklaren. Al
waaromme wij, de zaak ernstig en rijpelijk overwogen hebbende, den
voornoemden Scabba, om zijne dwaaze en roekelooze raadgevingen,
oordeelen strafbaar te zijn, naar ouder gewoonte."
Boven mate trof dit geval den Vorst; dog mits hij nooit gewoon was een
Raadsbesluit te niet te doen, onderteekende hij het vonnis met eigen
hand; bekragtigde het met zijn gewoon zegel, en gaf bevel dat af te
kondigen; alleenlijk daarbij voegende deeze bepaling: dat aangezien ik
een vreemdeling was, gebooren in eene nieuwe en onbekende Waereld,
alwaar een vlug verstand onder de zielsbegaaftheden gerekent wordt, ik
uit dien hoofde de halsstraffe konde ontgaan. Dog op dat door
kwijtscheldinge van straffe, de wetten niet kragteloos mogten worden
gemaakt, zoude men mij in 't gevangenhuis bewaren, tot het ingaan der
Berkenboommaand, en als dan, te gelijk met alle andere overtreders der
wetten, naar 't Firmament verzenden.
Het vonnis afgekondigt zijnde, wierd ik in hegtenisse gebragt. Eenige
mijner goede vrienden raadden mij toen aan, dat ik tegen dit vonnis
zoude protesteeren, nademaal 'er onder mijne Regters zoo veele getrouwde
Vrouwen en jonge Dogters waren geweest, die in haare eigene zaak Regters
geweest waren. Dog anderen kwam het veiliger vóór, dat ik schuld
bekende, en dat ik de daad, als begaan uit eene dwaasheid die aangeboren
en met mijn Geslagt gemeen was, verontschuldigde. Dog dien raad wees ik
standvastig van de hand: en zulks ten aanzien van de Opper-aardlingen,
welker agtinge door zodanige bekentenisse geen geringe vlek zoude worden
aangewreven.
Kort daar na verstond ik dat de Vorst besloten hadt mij van alle straffe
te ontheffen, had ik slegts eenvoudiglijk zijne gunst, en kwijtschelding
der misdaad verzogt, hoe zeer ook _Rabagna_, die het ampt van Thesaurier
bekleedde, hemel en aarde bewoog, dat ik niet op vrije voeten mogte
worden gestelt. Maar, om de waarheid te zeggen, ik nam dat vonnis niet
kwalijk. Want de bediening die ik bekleedde, was mij bitterer dan de
dood, en het smertte mij langer met deeze boomen, die gezwollen waren
van al te grooten hoogmoed, om te gaan. Ook hoopte ik op beter lot in 't
Firmament, alwaar ik verdaan had, dat alle vreemdelingen, zonder
onderscheid, gunstiglijk wierden ontvangen.
[1] Publicus Civitatis Physicus.
[2] Logicos.
[3] Polybistoros.
TIENDE HOOFDSTUK.
_Reize naar 't Firmament_
Tot hier toe heb ik geen woord gesproken van die verbazende verbanning
naar 't Firmament; waarom ik hier, als zijnde de bekwaamste plaatze, een
afbeeldzel van die reize zal geven. Zeker slag van vogels, van eene
ongewoone grootte, zijn gewoon alle jaar zig hier te vertoonen: zij
worden _Cupac_ of Postvogels genoemt, die op gezette tijden komen en
wederom vertrekken. Met het naspeuren der oorzaaken van deeze gezette
komst en vertrek, hebben do Onderaardsche Natuurkundigen lang hun hoofd
gebroken. Eenige zijn van gedagten, dat die vogels, derwaards gelokt
door eenige bloedelooze diertjes, of door zekere groote vliegen, waar
van 'er op deezen tijd des jaars eene groote menigte te zien is, en waar
naar dezelve zeer begeerig zijn, op deeze Planeet nederdalen; en ik heb
niets tegen dat gevoelen. Zij meenen dat de zaak hierom te klaarder is;
nademaal die vliegen verdwijnende, ook die vogels weder terstond te rug
vliegen naar 't Firmament. Dat dit door zeker ingeven der Natuur kan
geschieden, blijkt uit het voorbeeld van andere vogels, welke op gezette
tijden in zekere Landen, buiten twijfel om dezelve redenen, zig
vertoonen. Andere willen, dat deeze vogels van de inwoonders des
Firmaments zodanig onderwezen en geoeffent zijn, dat zij van dezelve
konnen worden uitgelaten even als Valken, of Jagt-vogels, om een roof
van elders over te brengen. Deeze stelling is gegrond op die groote zorg
en snedigheid, welke zij vertoonen, na dat zij die reis afgelegt hebben,
wanneer zij hunnen buit, of de gene welke zij overgebragt hebben, ter
nederzetten. Ook doen deeze vogels uit andere omstandigheden blijken,
of dat zij voorbedagtelijk daar op geleert, of met reden begaafd zijn;
want wanneer de tijd dat zij vertrekken, aanstaande is, worden zij zoo
mak en tam, dat zij zig netten of strikken laten aandoen, waar onder zij
eenige dagen lang stil en gerust blijven leggen; en in dien
tusschen-tijd van de inwoonders als met de hand gevoed worden met
bloedelooze diertjes, waar van men 'er ten dien einde eene groote
menigte verzamelt heeft: En met dat aas moet men ze daar houden, tot dat
al het noodwendige voor de op reis gaande ballingen vervaardigt is. De
toestel van dat vertrek pleeg aldus gemaakt te worden: Een klein hutje
of kistje wordt aan de strikken, waar aan de vogels leggen, met touwen
vastgemaakt. In ieder hutje kan niet meer dan een boom of mensch te
gelijk zijn. Wanneer nu de tijd van hun vertrek aanstaande, en het aas
der bloedelooze diertjes, waar mede de vogels gespijst worden, op is,
vliegen de vogels op, en neemen de terugreis aan, door de lugt. Zodanig
was deeze wonderlijke overvoering, welke ik met de andere gevangenen
naar de nieuwe Waereld moest ondergaan. Toen ter tijd stonden met mij
reisvaardig twee Burgers van welke om andere misdaden in ballingschap
waren verwezen. Een van die was een Overnatuurkundige, die de Wet hadt
overtreden, door te disputeeren over het Wezen Gods, en over de Natuur
der Geesten. Die stoutheid hadt hij met de aderlating moeten boeten, en
wanneer hij kort daarna bevonden werd in zijn voornemen voort te varen,
werd hij tot ballingschap naar 't Firmament verwezen. De ander was een
Geestdrijver, die twijfelingen omtrent den Godsdienst en 't regt van
heerschappij in den Burgerstaat maakende, de gronden van beide scheen te
ondermijnen. Dees wilde aan de Wetten van den Staat niet gehoorzamen,
voorwendende dat alle Burgerlijke onderwerping tegen zijn gemoed
streedt. Zijne Vrienden ondernamen om hem met de bondigste bewijzen
deeze kregelheid uit den kop te krijgen, doende hem zien, aan hoe veele
bespottingen die gemoeds-voorschriften en ingebeelde inblazingen
onderhevig waren; zeggende menigmalen, dat de ijver, conscientie, of
inblazinge met zwaarmoedigheid of bedorven ligchaams-vogten vermengd
wierden; en toonden wijders aan, hoe dwaas het is zig te beroepen op het
aanporren der conscientie, en hoe onbillijk het is te beweeren, dat de
bewegingen zijns gemoeds het rigtsnoer zouden zijn van eens anders
geloof, die zig van dezelve bewijsrede bedienen, en de eene conscientie
tegen de andere kan zetten. Eindelijk vertoonden zij hem, dat niemant
die deeze beginselen halstarriglijk vasthieldt, bezwagtelende zijne
koppigheid mee den dekmantel der conscientie, in den Burgerstaat geduld
konde worden; aangezien de pligt van een goed ingezeten vereischt, dat
hij de Wetten van den Staat blindelings gehoorzame; en dat een
Geestdrijver zodanige onderdanigheid nog wil nog kan bewijzen, nademaal
in 't burgerlijke het voorschrift zijner conscientie zijn eenige
rigtsnoer is. Dog, aangezien beweegredenen of bewijzen op de
Geestdrijvers weinig vat hebben, wierdt hij als hardnekkig en
onverbeterlijk gebannen, en naar het Firmament verwezen. Wij waren dan
ter dezer tijd met ons drieën, die deeze reize stonden te doen,
namenlijk een Uitvinder van Nieuwigheden, een Over-natuurkundige, en een
Geestdrijver.
Omtrent het einde der Berkenboommaand, wierden wij elk uit het
Gevangenhuis naar eene bijzondere plaats gebragt. Wat mijne makkers
naderhand overgekomen is, is mij onbekend: want voor mij zelf alleen
zorgende, moeide ik mij nergens anders mede. Ter bestemder plaats
gebragt zijnde, wierd ik terstond in 't kistje of hutje gesteken, en met
spijze, zoo veel voor eenige dagen genoeg was, voorzien. Niet lang daar
na, wanneer de vogels gewaar wierden dat men hen geen aas meer aanbragt,
even als of zij voelden dat het tijd van vertrekken was, verlieten zij
dien Aardbol, klievende de lugt met eene ongelooflijke snelheid. Men
gelooft gemeenlijk onder de Onderaardlingen, dat de afstand van de
Planeet _Nazar_ omtrent honderd mijlen van 't Firmament is. Dog in hoe
veel tijds ik die reize afgelegt hebbe, kan ik niet wel zeggen; maar wel
dat mij dunkt met deeze hemelsche schipvaart vier-en-twintig uuren onder
weg geweest te zijn. Na een langwijlig stilzwijgen kwam mij eindelijk
een verward geroep ter ooren, waar uit ik gissinge maakte niet ver van
land af te zijn. Toen bleek het mij, dat deeze vogels wel degelijk met
voordagt hier op geleert en geoeffent waren, want zij zetteden zoo
konstiglijk en zoo zorgvuldiglijk het hutje op den grond neer, dat 'er
niets aan beschadigt wierdt; Terstond wierd ik omringt door een groot
getal van Aapen, op welker gezigt ik met geen geringe vrees bevangen
wierd, nademaal ik dp de Planeet _Nazar_ van die dieren magtig gekwelt
was geweest. Mijn opgevatte schrik vermeerderde, wanneer ik deeze Aapen
met malkanderen hoorde praten, en wanneer ik zag dat zij kleederen van
verscheide kleuren aan hadden, en met geregelde stappen voortgingen.
Toen giste ik dat zij de bewoonders deezes Lands waren. Dog vermits mij
in dat mengelmoes van zeldzaamheden, waar aan ik al zedert eenen
geruimen tijd was gewoon geworden, niets nieuw of ongewoon meer kon
schijnen, schepte ik weder moed, vooral toen ik zag, dat die Aapen mee
eene wonderlijke gemaniertheid nader kwamen, en mij, hunnen nieuwen
gast, op eene beleefde wijze, uit het hutje haalden: want naauwlijks
wordt in onze geheele Waereld een Ambassadeur met meer statie ingehaalt.
Elk op, zijnen rang naar mij toe komende, sprak mij aldus aan: _Pul
Asfer_. Na dat zij deeze welkomst dikwils herhaalt hadden, en ik
eindelijk die woorden hen had nagezegt, begonnen zij uittermate te
lachen, en gaven met koddige gebaarden te kennen, dat zij veel vermaak
schepten in die woorden te hooren nazeggen. Aanstonds bemerkte ik dat
deeze inwoonders ligtveerdig, liefhebbers van nieuwigheden, en groote
snappers waren. Als zij, spraken zou men gezworen hebben dat de trommel
geroert wierdt, met zulk eene labberheid en vlugheid bragten zij de
woorden als in eenen adem uit. Om kort te zijn, zij waren in opschik,
manieren, spraak, en ligchaams-gedaante geheel en al verscheiden van de
_Potuanen_. Op 't eerste gezigt van, mijne gestalte, scheenen zij
gantsch verbaasd, en de voornaamste reden daar van was, dat ik geen
staart had: want gelijk 'er onder alle schepzelen geen beesten zijn, die
meer de figuur van een mensch verbeelden dan de Aapen, zoo zouden zij
mij, had ik anders eenen staart gehad, voor een dier van hun geslagt
gegroet hebben: vooral, vermits zij alle de gene die tot nog toe uit de
Planeet _Nazar_ herwaards overgevoert waren, zig zeer ongelijk hadden
bevonden. Ter zelver tijd toen ik in dat Land kwam, was de Zee overal
onstuimig, om de nabijheid der Planeet _Nazar_: want even gelijk bij ons
de vloed der Zee overeenkomt met den loop der Maan, zoo vloeit en ebt
ook de Zee van dit Firmament te gelijk met dezelve, als zijnde in
denzelven zwaai-kring met de Planeet _Nazar._