Na eenen steilen berg, en die zeer moeilijk te beklimmen was,

overgetrokken te hebben, kwam ik in het Landschap _Mutak_, welkers

hoofdstad zig als een Wilgen-bosch vertoont, vermits 'er de inwoonders

Wilgen-boomen zijn. Op de markt komende, zag ik aldaar een sterk

jongeling, zittende op eenen Patrocliaanschen-stoel, en smeekende den

Raad om ontferminge. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij gezegt, dat

hij een booswigt was welken men heden voor de vijfde maal geneesmiddelen

stondt in te geven. Verwondert zijnde over dit antwoord, stapte ik wat

te rug, om mijnen huiswaard uitlegging van dit raadzel te vragen; welke

aldus begon: "Geesselen, brandmerken, hangen en diergelijke straffen,

zeide hij, waar door onze nabuuren de misdaden beteugelen, zijn bij ons

te eenemaal onbekend; mits wij meer toeleggen op 't verbeteren der

booswigten, dan op 't straffen der misdaden. De misdadige welken gij

daar zoo even hebt zien zitten op den Stads stoel, is een Schrijver van

gekke boeken, die om zijnen schrijflust, welken de Raad nog door

wetten, nog door vermaningen in hem heeft kunnen beteugelen; thans de

openbaare straffe of het inneemen van genees middelen daar tegen heeft

moeten ondergaan; en de Stadsonderzoekers, die alle Geneesheeren zijn,

gaan voort met hem door gestadige purgatiën af te matten, tot dat, de

wortel der schrijflust in hem verdorven zijnde, hij, ophoudt met boeken

uit te geven". Naauwlijks had hij dit gezegt, of ik wierd in den

Stads-apotheek gebragt, alwaar ik met de uiterste verbaasdheid de doozen

netjes geschikt en met deeze opschriften beplakt zag: POEDER TEGEN DE

GIERIGHEID. PILLEN TEGEN DE WELLUST. TINCTUUR of INFUSIE, dienende om de

EERZUGT te temperen. SCHILLETJES tegen de GEILHEID, enz. Ik kan 't niet

uitdrukken wat draaijingen in mijn hoofd verwekt wierden door deeze

kneepen. Dog ik viel bijna in verrukking van zinnen, wanneer, ik geheele

bondels van geschriften zag met deeze tytels: GESPREK VAN MEESTER PISAG,

'T WELK 'S MORGENS GELEZEN WORDENDE, ZES AFGANGEN OF BUIKZUIVERINGEN

VERWEKT. BEDENKINGEN VAN DEN GENEESHEER JUKES, WELKE BY DE GEENE DIE

NIET SLAPEN KUNNEN, OVERDAGT MOETEN WORDEN. Hier uit bespeurde ik, dat

dit een zeer vreemd slag van volk was, en, om de kragt deezer

geneesmiddelen wat naauwer te onderzoeken, sloeg ik het eerste boek

open. Dog 't was zoo gekkelijk geschreven, dat ik onder 't leezen van 't

eerste hoofdstuk al begon te geeuwen, en toen ik voortvoer met leezen,

mijne ingewanden begonnen te rommelen, en ik terstond buikpijn gevoelde.

Waarop ik, frisch en gezond zijnde, en geen purgatie noodig hebbende,

het boek neerlei en mij weg pakte. Dog dit deedt mij zien, dat niets in

de waereld te eenemaal onnut is, en dat men zelfs van de allergekste

boeken eenig gebruik kan maaken. Wijders bespeurde ik, dat, hoe vreemd

dit volk ook wezen mogt, het egter niet te eenemmal zot was. Mijn

huiswaard betuigde, dat hij, eenen langen tijd niet hebbende kunnen

slapen, alleenlijk door 't lezen van Doctor _Jukes_ boek gezond was

geworden; en dat 'er zoo veel in dat boek stak, dat het de waakzaamheid

zelve deedt ronken. Deeze en diergelijke dingen hoorende, wierd ik

wonderlijk van mijne gedagten geslingert. Dog om niet te eenemaal van

mijne oude Wijsgeerte af te geraken, verliet ik schielijk dit Land; 't

geen mij zeker zeer wel te pas kwam: want nieuwe zeldzaamheden onder

andere Volkeren, en de verschijnzelen die mij allerwegen ontmoetten,

lieten mij niet toe langer bij deeze gedagten te blijven. Maar toen ik

mijne reize door deeze Planeet voltrokken had, en de _Mutaciaanschere_

Philosophie wat naauwkeuriger onderzogt; oordeelde ik, dat de

Geneeskunst deezes volks niet geheel en al te verwerpen was: want ik

dikwils in ons Europa ondervonden heb, dat 'er boeken zijn, die de

Leezers doen braken, of slapen. Dog wat aangaat de zielsgebreken, kan ik

aan de grondbeginzelen van die van _Mutak_ geenszins mijn zegel hangen,

hoe zeer ik bekennen moet, dat 'er eenige ligchaams-zwakheden zijn,

welke wij met de zielsgebreken verwarren, gelijk zeker Digter van onze

waereld, met dit volgende vers voorzigtiglijk waarschuuwt.

_Gij hebt, ô Sextus! lang nu met mij, ziek gelegen_

_In 't zelve Gasthuis. 't Heugt mij dat wij beide kregen_

_De scherpe vogten, die ons pijn'gen lijf en ziel;_

_En waar van, voor als nog, aan ons geen helpen viel._

_Dog wijl mijn' kwaal bestaat, (ik moet het u eens klagen,)_

_In eene ziekte die mij is om 't hart geslagen,_

_En daar halstarrig blijft; word ik van elk gelaakt_

_Voor knorpot, grommer en kwaadaarden uitgemaakt;_

_Daar gij beklaagd, beschreid wordt van uw goede vrinden,_

_Om dat kwanswijs de kwaal zig in uw voet laat vinden_.

_Als gij niet danssen wilt, hoe zeer daar toe verzogt,_

_Ontschuldigt m'u van zelfs: ach! vergt hem dat niet, 't mogt_

_Hem schaad'lijk zijn, en pijn verwekken, is het zeggen._

_De man wil graag; maar kan bijna geen voet verleggen,_

_Laat staan verzetten. Is 't nog onlangs niet geschied,_

_Dat hij een' Passepied zou danssen? maar hij liet_

_Dat werk haast steeken: zoo zit 't Pootje hem in de beenen!_

_Maar mij rampzalige, (wat of zij daar mee meenen?)_

_Schoon dat ik kerm van pijn, beklaagt bijna geen mensch:_

_Mijn ziekte is niet geagt; en, ging het naar hunn' wensch,_

_'k Zou op een gastmaal nog een deuntje moeten neuren,_

_Al moest mijn krank gestel dat met den dood betreuren._

_'t Is: zing eens; wil ik niet, straks gaat het schelden aan._

_Ik ben een buffel, die met niemant om kan gaan._

_En zulks, ô Sextus! daar een halven dag te springen_

_U nooit zoo moeilijk viel, als mij een uur te zingen._

Dat Land verlatende, en een stilstaand water, welks kleur ros was,

overgevaren zijnde, kwam ik in 't Landschap _Mikrok_. Dog toen ik stond

om de stad, die denzelven naam voert, binnen te treden, vond ik de poort

voor mijnen neus gesloten. Dierhalve moest ik eene wijle wagten, tot dat

ze, wel gegrendelt en gesloten zijnde, van den slaperigen Poortier

geopend wierdt. 't Was alles binnen de stad in eene diepe rust, behalven

alleen dat 't geronk der slapenden mij de ooren doof maakte; invoegen ik

als in de waare verblijfplaats des slaaps, zodanig als dezelve door de

Poëten versierd wordt, scheen overgebragt te zijn. Dit deedt mij

stillekens zeggen: Ach! mogt het eenige Burgermeesters, Raadsheeren en

andere eerlijke burgers in mijn Vaderland gebeurd zijn, dat ze hier

geboren waren, die, vermits zij zeer vredelievende menschen zijn, in

deeze gelukkige stad, in rust en vrede hun leven zouden doorbrengen. Uit

de uithangborden en opschriften aan de huizen, bleek het egter, dat

aldaar konsten en handwerken, mitsgaders Regtsplegingen in zwang gingen.

Door deeze opschriften ontdekte ik eene herberge, alwaar' ik egter

geenen ingang kon vinden, nademaal de deuren gesloten en gegrendelt

waren: want schoon het al over den middag was, zoo was 't egter nagt bij

de inwoonders. Eindelijk, na dat ik door gestadig kloppen niet weinig op

de deur gebonst had, wierd ik binnen gelaten. De dag wordt hier in

drie-en-twintig uuren verdeeld, waarvan 'er eerst negentien voor den

slaap geschikt zijn, en de overige met waken doorgebragt worden. Hierom

denkende, dat hier zoo wel de Lands- als bijzondere zaken wonderlijk

verzuimt wierden, deed ik mij van 't geen voor de hand was, ras wat te

eeten geven, vermits ik dugtte dat de nagt onzen kok in 't gereed maken

der spijs mogte overvallen. Dog wijl alles hier bij verkorting

geschiedt, en al wat overtollig is nagelaten wordt, is een

_Mikrokiaansch_ dagje lang genoeg, om te doen dat gedaan dient te

worden. Na 't middagmaal, 't geen mij rasser dan ik verwagt had, wierdt

opgedischt, wierd ik van mijnen huiswaard door de stad gebragt. Wij

kwamen in eenen Tempel, alwaar eene leerrede wierdt gedaan, die wel kort

was te rekenen naar den tijd; dog lang genoeg als men op 't zakelijke

zag. Want de Leeraar kwam terstond tot de zaak, zonder omwegen te

gebruiken, zonder ééne zaak tweemaal te zeggen, of zonder daar iets bij

te hangen, dat 'er niet te passe kwam, zoo dat, wanneer ik deeze

Onderaardsche leerrede zoude willen vergelijken met de langdradige

sermoenen van Meester _Petri_, die mij zoo dikwijls hebben doen walgen,

dezelve mij wel tweemaal zoo zakelijk voorkwam. Met dezelve beknoptheid

worden de Regts-zaken behandelt. De Advocaten zeggen veele zaken met

weinig woorden, en brengen terstond hunne getuigen voor, om gehoord te

worden. Mij heugt aldaar gezien te hebben een Verbondstractaat, korts te

voren met een nabuurig volk gesloten, bestaande in deeze woorden, _Daar

zal eens eeuwige vriendschap zijn tusschen het volk van Mikrok en die

van Spenlik. De Vloed Klimak met het gebergte Zaber zullen de

grensscheidingen der beide Rijken zijn. Was geteekent,_, enz. enz. Dus

was aldaar in drie regels vervat, 't geen bij ons geheele boeken

vereischt. Hier uit blijkt, dat men met minder omslag, en in veel

korter tijd, eene zaak kan afdoen, als men 't overtollige van de hand

wijst, even gelijk den reizigers de wegen veel korter zouden vallen, zoo

zij regt uit regt aan gaan konden. De inwoonders deezer Stad zijn alle

Cypressenboomen, door verheven voorhoofden van de andere boomen

onderscheiden. Dog die verhevenheid der voorhoofden zwelt en slinkt naar

mate van haaren bepaalden aanwas of afgang. En wanneer de voorhoofden

beginnen te zwelen, geeft de toevloeijende zinking, vermits de vogten

van 't gezwel des voorhoofds tot op de oogen vallen, te kennen, dat de

nagt aanstaande is.

Omtrent eenen dag reizens van dit Land, is gelegen het Gewest _Makrok_

anders gezegt der wakers: want mitsdien 'er de inwoonders nooit slapen,

brengen zij hunnen leeftijd dóór in een gestadig waken. Zoo als ik de

Stad inkwam, sprak ik eenen jongeling, die grooten haast maakte, aan;

verzoekende hem zeer vriendelijk, dat hij van de goedheid wilde wezen,

van mij eene goede herberg aan te wijzen; dog hij, zeggende veele

bezigheden te hebben, vervolgde met dezelfde drift zijnen weg: En zoo

groot was de haast, dien ieder een daar maakte, dat zij door de wijken

en straaten der Stad niet scheenen te wandelen, maar te loopen, of, om

beter te zeggen, te vliegen; even als of zij vreesden te laat te zullen

komen. Hierom dagt ik dat 'er brand in de Stad of dat de Burgerij door

't een of 't ander onverwagt toeval verschrikt was, en dwaalde lang

alleen, tot dat ik aan eene herberg kwam, welke ik gewaar wierd aan het

uithangbord dat boven de deur hing. Hier zag ik deeze uitgaan, gene naar

boven klimmen, andere, door al te grooten haast te maken, struikelen;

invoegen ik bijna een kwartier-uurs in 't voorhuis moest blijven staan,

eer ik binnen gelaten wierd. Terstond wierden mij oneindige en onnutte

vragen voorgestelt. Dees vraagde mij waar ik van daan was, waar mijne

reize naar toe lag, en hoe lang ik in die Stad stond te verblijven; gene

of ik alleen, of aan de gemeene tafel wilde eeten; of ik in de roode,

groene, witte of zwarte kamer mijn verblijf houden, en of ik een vertrek

op de bovenste of onderste verdieping hebben wilde, en honderden van

diergelijke grollen. Mijn huiswaard, die te gelijk Clerq van eene zekere

laage Regtbank was, eerst zijnde gaan eeten, kwam straks daar na weerom,

en verhaalde mij met eenen langen sleep van woorden, een Proces, dat

tien jaren geduurt, en thans al voor de veertiende Regtbank hing:

zeggende, dat hij hoopte, dat het zelve binnen twee jaren tijds zoude

worden uitgesproken, vermits 'er nog maar twee hooger Regtbanken waren,

waar na 'er geen hooger beroep meer plaats hadt. Niet weinig maakte mij

zijn zeggen verwondert, en daar uit bleek het, dat dit volk zeer

naarstig bezig is, in niets met allen uit teregten. Terwijl mijn

huiswaard afwezig was, ontdekte ik, 't huis overal eens doorsnuffelende,

een soort van eene Bibliotheek, die redelijk groot en wel voorzien was,

ten aanzien van 't getal der boeken; dog geheel schraal, zoo men naar

derzelver waarde te werk ging. Onder die zelve boeken, die alle net

gebonden waren, vond ik deeze volgende.

1. Beschrijving der Hoofdkerk, in 24 deden.

2. Belegering des Kasteels Pehunc, in 36 deelen.

3. Van het gebruik des Kruids Slac, in 13 deelen.

4. Lijkredenen over 't afsterven des Raadsheers Jackfi, in 12 deelen.

Mijn huiswaard wederom gekomen zijnde, deedt mij een verhaal van de

gelegenheid der Stad, waar uit ik kon afnemen, dat 'er meer zaken

verrigt worden, door de slapende _Mikrokianen_, dan door de altijd

wakende _Makrokianen_; aangezien de eerstgemelde tot in het pit en kern

der zaken indringen, daar de laatste zig alleenlijk de schors en bast in

de hand laten stoppen. De inwoonders deezes Landschaps zijn mede

Cypressen-boomen, en in 't uiterlijk gelaat, uitgenomen de verhevenheid

der voorhoofden, weinig van de _Mikrokianen_ verschillende. Zij hebben

egter geen bloed nog sappen, gelijk als de andere bezielde boomen deezes

Aardbols. Dog in plaats van bloed vloeit door hunne aderen een soort van

verdikter vogt, dat den aart van kwikzilver heeft. Zelfs meenen eenige,

dat het regt en onvervalscht kwikzilver is, nademaal het in de

Weêrglazen het zelve gewrogt veroorzaakt.

Twee dagen reizens van dit Landschap, legt de Republijk _Siklok_, welke

in twee verbonden ligchamen van Staat, dog onder verschillende en zelfs

tegenstrijdende wetten levende, verdeelt wordt. Het eerste wordt genaamt

_Miho_, zijnde gestigt door zekeren _Mihac_ eertijds een vermaard

Wetgever, dog die onder de Onderaardlingen voor eenen anderen Lycurgus

gehouden wordt. Dees, zullende den Staat met goede wetten, vooral met

die tegen 't maken van onnoodige kosten, onderschragen, heeft allen

pragt en overdaad strengelijk beteugelt. Hierom zoude men dien Staat, om

de ingetogenheid en spaarzaamheid aldaar, met regt het nieuwe _Sparte_

mogen noemen. Dog ik verwonderde mij zeer, dat in eenen

zeer-welgestelden Staat, en die trots was op zijne voortreffelijke

wetten, zoo veele bedelaars wierden gevonden; want alwaar men zijne

oogen sloeg, zag men eenen boom, vragende om eene aalmoesse, zoo dat men

geen moeilijker weg voor eenen reiziger bedenken kan Den Staat deezer

Republijk wat nader overwogen hebbende, ondervond ik, dat deeze

ongelegenheden voortkwamen zelfs uit de spaarzaamheid der ingezetenen:

want alle overdaad verboden zijnde, en de rijken zelve hunne natuur te

kort doende, leidt het slegt volkje een lui, ledig en arm leven, wijl

zij niets bij de hand hebben, om iets mede te winnen. Dit leerde mij dat

de vasthoudendheid en spaarzaamheid in het burgerlijke leven het zelve

uitwerken, 't geen de stilstand des bloeds in 't menschelijke ligchaam

te weeg brengt.

In 't ander ligchaam van Staat, _Liho_ geheeten, wordt ruim en rijkelijk

geleeft, en geen kosten ontzien. Hier van daan komt het, dat de Konsten

en Wetenschappen daar allerwege bloeijende, zij tot den arbeid, waar

door zij niet alleen de armoede verdrijven, maar zelfs de Burgerij rijk

wordt, worden aangespoort. En zoo 'er al iemant gevonden mogt worden,

die door armoede gedrukt wordt, mag hij zijn gebrek aan zijne eigen

luiheid toeschrijven; aangezien 'er gelegenheid genoeg is om winst te

doen. Dus bezielt de verkwisting der Grooten als den geheelen Staat,

niet anders, dan gelijk de omloop des bloeds alle de leden des ligchaams

versterkt, en frisch en gezond maakt. Aan die Landschap is het Gewest

_Lama_ gelegen, de zoo zeer vermaarde zetel der Geneesheeren. Daar wordt

de Geneeskunde met zoo veel vlijt geoeffent, dat niemant een regtschapen

Geneesheer geagt wordt, ten zij hij op de vermaarde Hoogeschoole te

_Lama_ gelegen heeft. Daarom is de Stad zodanig vervult met

Geneesheeren, dat men veel gemakkelijker eenen Geneesheer, dan een

mensch kan vinden. De Apothekers-winkels, en de gene die Anatomische

instrumenten verkoopen, beslaan 'er ook geheele straaten. Terwijl ik

eens, niet veel te verrigten hebbende, eens wandelinge door de Stad ging

doen, kwam mij een vrouw-boomtje tegen, dat mij de lijsten der

overledenen van dat jaar te koop aanboodt. Ik zag niet zonder

verbaasdheid, dat in het voorleden jaar honderd-en-vijftig boomen

geboren waren; dog dat 'er wel zeshonderd waren gestorven. Om de

waarheid te zeggen, ik kon 'er niet wel begrip van maken, dat 'er in de

verblijfplaats van Apollo, jaarlijks, zulk eene slagtinge onder de

Burgers voorviel: vervolgens vraagde ik eenen Boekverkooper, of 'er ook

de eene of de andere ongewoone plaag of pest, het voorleden jaar de

Stad aangegrepen en ontvolkt mogt hebben? Dog hij gaf mij ten antwoord,

dat 'er twee jaren te voren nog vrij wat meer waren gestorven, en dat

dit eene gewoonlijke proportie was tusschen de gene die sterven en

geboren wierden: ja dat het getal der eersten doorgaans driemaal grooter

was; nademaal de inwoonders van die Stad onderhevig waren aan geduurige

ziekten, en die hun den dood verhaastten, zodanig, dat, ten ware 'er

niet jaarlijks toevloed uit de aangrenzende gewesten kwam, de Stad

eerlang ontvolkt zoude wezen. Dit deedt mij mijne reize verhaasten; het

niet geraden agtende hier lang mij zelven op te houden: vooral, wijl de

naam van Geneesheer, en het zien der Anatomische instrumenten, na 't

gene mij in 't land der Philosophen was overgekomen, mij nog niet uit

het geheugen was. Derhalven, uit dit Land vertrekkende, liet ik geen

gras onder mijne voeten wassen, tot dat ik aan een gehugt, vier duizend

treden daar van daan leggende, gekomen was, alwaar de inwoonders zonder

Geneesheeren, en te gelijk zonder ziekten leeven.

Na eene reize van twee dagen, kwam ik in 't vrije Land. Daar is een

iegelijk zijn eigen meester, en de inwoonders bestaan uit afzonderlijke

huisgezinnen, die nog onder wetten, nog onder eenig gebied staan,

behoudende egter een soort van Burgerstaat. Over zaken, 't Gemeenebest

aangaande, hebben de oudsten toeverzigt, die altoos voor de vreede en

eendragt zijn, gestadig aanradende dat voornaamste gebod der Natuur, te

weten: dat gij niet wilt, dat u geschiede, doe dat aan een ander niet.

Aan den ingang van alle Steden en Dorpen, stondt het uitgehouwen Beeld

der Vrijheid; banden en boeijen met voeten tredende, met dit opschrift:

GULDEN VRIJHEID. In de eerste Stad, daar ik binnen tradt, zag ik alles

genoegzaam in stilte en rust; dog de burgers waren onderscheiden aan

zekere gordels, welke kenteekenen en leuzen waren van de partijschappen,

waar in de Stad toen ter tijd verdeelt was. De toegangen der voornaamste

huizen waren bezet met gewapende Wagten, vermits de stilstand van

wapenen geeindigt zijnde, 's anderendaags de oorlog wederom stondt te

beginnen. Hierom koos ik, bevreest zijnde, het haazenpad, niet

geloovende dat ik vrij was, alvorens ik mij zelven buiten 't gezigt van

het vrije Land geborgen had.

Naast aan dit Land is 't Landschap _Jochtana_ gelegen, op welks

beschrijving ik met schrik bevangen wierd, nademaal ik aldaar alles meer

overhoop, onveilig en verwart oordeelde te zijn, dan in 't vrije Land;

aangezien dit Gewest zoo veel als de vergadering en stinkkolk aller

Godsdiensten was, en alle de leerstukken, die over deeze geheele Planeet

verspreid waren, hier, als in hun middelpunt zijnde, openlijk geleert

wierden. Mij derhalven te binnen brengende, hoe veele opschuddingen de

verscheidenheid van Godsdiensten, in de meeste Staaten van Europa plegen

te veroorzaken, durfde ik naauwlijks binnen de Hoofdstad van _Jochtana_

treeden, alwaar even zoo veele Tempelen van verscheide en tegenstrijdige

gezindheden wierden gevonden, als oorden, wijken en straaten. Dog mijne

vrees verdween wel haast, zoo dra ik zag, dat aldaar de grootste

eendragt, en die door geen twist gestoort wierdt, op den throon zat.

Men kon aldaar niet het minste onderscheid in den Burgerstaat bespeuren:

alle waren zij eensgezint, alle vreedzaam en gerust, en iedereen aan

zijn werk. Want vermits het onder halsstraffe verboden was, iemants

Godsdienst te stooren, of dat de een den anderen, om de verscheidenheid

der leerstukken, eenige moeilijkheid zoude aandoen; waren alle

verschillen, zonder vijandelijkheden, alle zintwistingen, zonder

krakkeel, en daar kon geen haat stand grijpen, daar geen vervolginge

plaats hadt. Alleenlijk was 'er eene gestadige, schoon zedige, ijverzugt

onder de verschillende; nademaal elke gezindheid haaren Godsdienst, door

een heilig leven en gedrag, eenen luister poogde bij te zetten.

Derhalven hadt de zorg der Overigheid te weeg gebragt, dat het verschil

in de leere hier geen meerder beroerte verwekte, dan de verscheide

kramen der kooplieden, of de winkels der handwerkslieden op de markten

plegen te doen, alwaar alleen de deugdzaamheid der waaren, of de

gemaakte dingen, de koopers tot zig trekken, zonder dat 'er bedrog,

geweld, of afgunst bij komt, waar door het geschiedt, dat alle zaad van

tweedragt, dat anders zoude kunnen opschieten, gesmoort wordt, en alleen

eene eerlijke en voor 't Gemeenebest heilzame ijverzugt wordt

aangekweekt. Hier uit blijkt het, dat de opschuddingen, die elders

plegen in zwang te gaan, niet door verscheidenheid van Godsdienst, maar

alleenlijk uit vervolgingen voortkomen. Zeker geleerd _Jochtaner_ heeft

mij breeder de levenswijze deezes volks, den aart van deszelfs

regeeringe, en de redenen van hunnen gerusten staat, in 't breede

uitgelegt, en ik, zeer naarstig toeluisterende naar zijn verhaal,

bewaarde dat in mijn geheugen. Ik sprak hem met mijne tegenwerpingen wel

eenen geruimen tijd tegen, dog eindelijk wierd ik genoodzaakt het hem

gewonnen te geven, wijl hij zijne stellingen met klaare proeven bewees;

waarom ik ook, gelooven moetende, 't geen ik met mijne oogen zag, en

niet kunnende halstarrig ontkennen, 't geen met 'er daad bewezen wierdt;

erkende, dat vrijheid in 't stuk des geloofs, de eenige en waaragtige

bronader van die rust en eendragt was. Maar mijnen tegenstreever aan

eene andere zijde aanklampende, zeide ik, dat het der Wetgeveren pligt

was, om in 't stigten van Gemeenebesten, meer agt te slaan op het

toekomende, dan op het tegenwoordige, heil der menschen, en zoo zeer

niet te zien naar het gene hen in die leven gelukkig maakt, als op het

welbehagen des Scheppers; waar op hij mij in deezer voegen antwoordde:

"Gij bedriegt u, Vreemdeling! zeide hij, zoo gij gelooft dat God, die de

Fontein der waarheid is, met eenen geblanketten Godsdienst, of met

huichelaarij gedient is. Wanneer onder andere Volkeren iedereen door

hoog gezag genoodzaakt wordt, volgens een zeker bepaald rigtsnoer te

gelooven, zien wij dat 'er eene deur geopent wordt voor de onwetenheid,

of voor de geveinsdheid; nademaal niemant de waare gevoelens van zijn

hart wil of durft te kennen geeven; maar de meeste anders met den mond

belijden, en anders in hun hart gelooven. Daar komt het vandaan, dat 'er

zig zoo weinige in de Godgeleerdheid oeffenen, en zoo weinig werks

gemaakt wordt van de waarheid te ontdekken: ja daar door komt het, dat

'er aan andere Weetenschappen meer tijd besteed wordt, vermits zelfs de

Geestelijken, vreezende met den schandelijken naam van Ketter

gebrandmerkt te worden, zig onthouden van stichtlijke overwegingen, en

tot andere letter-oeffeningen, in welke zij met minder gevaar zig

oeffenen kunnen, en welke de vrijheid niet zoo zeer in boeijen klinken,

overgaan. De gene die van eenige leere, welke de teugels der Regeering

in handen heeft, afwijken, worden doorgaans veroordeelt. Dog God is

verre van huichelaars en veinzers; en eene dwalende opregtigheid is hem

aangenamer, dan de geveinsde belijdenisse des waren geloofs." Naauwlijks

had ik dit geleert, of ik hield den mond toe, niet bestaan durvende te

zintwisten met een volk dat daar in zoo zeer bedreven was.

Ik had bijna eenen tijd van twee maanden met deeze reize doorgebragt,

wanneer ik eindelijk te _Tumbac_ kwam, zijnde een Gewest grenzende aan

het Prinsdom _Potu_, en 't welk ik als mijn Vaderland aanzag, toen ik

zag dat ik die moeilijke reize nu bijna afgelegt had. De inwoonders

deezes Landschaps zijn voor 't meerdergedeelte wilde Olijf-boomen, en

eene Natie, zoo Godsdienstig als streng. In de eerste herberg daar ik

binnen trad, was ik genoodzaakt bijna twee uuren te blijven staan,

zonder mij te kunnen ontnugteren, wagtende op het ontbijt, waarom ik

dikmaals te vergeefsch verzogt had. De ontijdige Godsdienstigheid van

mijnen huiswaard, was de oorzaak van dat vertoef, vermits hij geen hand

aan 't werk begeerde te slaan, eer hij zijn morgengebed voleindigt hadt.

Na dat hij zig dan van zijnen gewoonlijken Godvrugts-pligt hadt

gekweten,

_Zoo komt hij eindlijk, bleek van boosheid binnen treden,_

_En biedt mij brood aan, daar ik lang om had gebeden,_

_Niet zonder knorren: daar benevens discht hij op,_

_Aan mij ellendigen, een stinkend koolen-sop._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 10 / 21 段