aan; maar toen hij mij uit naam van den Raad het Burgerschap aanboodt,
en mij aldaar neer te zetten een- en andermaal verzogt, wierd ik
beschaamt, vermoedende dat dat verzoek voortkwam uit eene opgevatte
meeninge van mijne gekheid, en dat hij mij voor 't zuur nam, 't geen een
Staat, kwijnende door al te veel wijshoofden, zoo noodig heeft: en ik
wierd in dat vermoeden versterkt, toen ik verstond dat de Raad besloten
hadt een groot getal Burgers naar de Volkplantingen te zenden, en, om
het zelve wederom vol te maken, even zoo veele gekken van de nabuurige
Volkeren te ontleenen. Hierom vertrok ik gestoort uit die redeneerende
Stad. Dog lang maalde mij in het hoofd die Onderaardsche zetregel, onzen
Staatkundigen voor als nog onbekent, te weten: dat het in eenen
welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen
met den kop gekwelt zij. Ik verwonderde mij, dat zulk eene heilzaame
lesse aan de Philosophen van onzen Aardbol zoo lang onbekent was
gebleven. Maar mogelijk is ze aan eenige bekent geweest; dog die dezelve
onder de Staatkundige lessen niet hebben willen brengen, nadien de
gekken bij ons het meeste brood eeten, en 'er ('t zij zonder iemant te
beledigen gezegt) geen Dorp of Stad is, die aan dat heilzaame zuur
gebrek heeft.
Na dat ik een weinig uitgerust had, begaf ik mij wederom op reis,
doorloopende verscheide Gewesten, welke ik met stilzwijgen voorbijgaa,
nademaal mij aldaar niets vreemds, of 't geen men ook elders niet vindt,
ontmoette. Toen dagt ik dat 'er voortaan op de Planeet _Nazar_ niets
wonderlijks meer zoude te vinden zijn; dog toen ik in 't land, _Cabak_
geheeten, mijne voeten zettede, ontdekte ik nieuwe wanschepzels, en wel
zoodanige die alle geloof schijnen te boven te gaan. Onder de
inwoonders deezes Landschaps zijn 'er eenige die hoofdeloos, en ook
zonder hoofd geboren zijn. Zij spreeken door eenen mond; die midden op
hunne borst staat: om welke reden, en uit hoofde van welk natuurlijk
gebrek, zij zig ook onthouden van alle moeielijke bedieningen en daar
harssenen toe vereischt worden; want zwaare zaaken konnen niet wel
betrouwt worden als aan zulke daar een hoofd op staat. De bedieningen
waartoe zij gebruikt worden, zijn meerendeels Ampten aan 't Hof. Hierom
worden de Kamerlingen, Hofmeesters, Bewaarders der Vrouwentimmers, en de
Deurwaarders meestentijds genomen uit de bende der hoofdeloozen. Daar
uit worden ook gekooren de Pedellen, Kosters, en met een woord alle
zulke, welker bedieningen eenigermate zonder harssenen verrigt konnen
worden. Ook worden 'er wel eenige van hen, door eene bijzondere gunst
der Magistraat, en om de verdiensten hunner Voorouders, in de Regeeringe
genomen, 't geen zonder gevaar van het Gemenebest al kan geschieden,
nademaal de ondervinding leert, dat de gantsche klem en het gezag van
den Raad alleenlijk berust in weinige Raadsheeren, en dat de rest maar
bijloopers zijn, en alleen nuttig om 't geen door de andere besloten is,
te ondertekenen. Zoo waren in de Vroedschap der Stad, ter deezer tijd,
twee hoofdelooze Leden; dog welke daarom niet te min hunne bezoldinge
trokken. Want schoon ze om hun natuurlijk gebrek harssenloos zijn, zoo
kunnen ze egter _ja_ zeggen, en te gelijk met de andere hunne stemmen
geven; hier in gelukkiger zijnde dan hunne Amptgenoten, dat niemant die
zijn proces verliest, zulks de hoofdeloozen wijt, maar alle zijne gal op
de anderen komt uit te braaken. Hier uit bleek het ook, dat het
menigmaal 't veiligst is zonder hoofd geboren te worden. Deeze Stad
behoeft in pragt en nuttigheid voor weinige andere van dien Aardbol te
wijken. Zij heeft een Hof, eene Universiteit, en pragtige Tempels.
In beide de andere Provinciën, waarin ik naderhand kwam, te weten in
_Cambara_ en in _Spelek_, zijn alle de inwoonders Lindeboomen. Dog zij
verschillen daar in, dat de eerstgenoemde niet boven de vier jaaren
levens hebben, daar de laatste zeer oud worden: want zij bereiken
gemeenlijk boven de vierhonderd jaaren. Hier van daan komt het, dat gij
aldaar veele Groot-vaêrs, Oud-groot-vaêrs, Over--oud--groot-vaêrs en
Bet-over-oud-groot-vaêrs ziet; dat gij 'er oude vertellingjes en
verhaalen van den ouden tijd hoort; en dat gij daar komende, meenen
zoudt, dat gij al voor eenige eeuwen gebooren waart. Zoo zeer ik nu 't
lot der eersten beklaagde, zoo zeer agtte ik deeze gelukkig. Dog na dat
ik de gelegenheid dier beide volkeren wat nader beschouwt had, zag ik,
dat ik in mijn oordeel bedrogen was. Dusdanig was de Haat van de
Provincie _Cambara_. Ieder inwoonder komt binnen weinige maanden na
zijne geboorte tot den volkomen wasdom, zoo zijns lichaams als zijns
verstands; invoegen het eerste jaar tot deszelfs vorming genoeg zoude
zijn, en hem de andere niet, dan om zig ter dood te bereiden, schijnen
vergunt te wezen. En vermits het aldus met de zaaken gelegen was,
vertoonde dat Landschap als 't ware een soort van een waaragtig
Platonisch Gemeenebest, waarin alle deugden tot volkomen rijpheid
gebragt zijn. Want gelijk zij, uit hoofde van de kortheid des levens,
als geduurig reisvaardig staande, dit leven niet anders aanmerken, dan
als de deur, waar door zij schielijk tot het andere leven overgaan; zoo
zweeft hen ook de beeldtenis van den staat des toekomenden levens meer
voor oogen, dan die van het tegenwoordige; waarom 'er ook een ieder voor
een waaragtig Wijsgeer kon gehouden worden, die, zig niet bekommerende
met aardsche zaaken, alleenlijk trachtte naar den schat die duurzaam en
onverganklijk is, bestaande in deugd, Godvrugt, en eenen goeden naam.
Kortom, dit scheen het Land der Engelen, of de verblijfplaats der
Heiligen, en de waare school, waar in deugd en Godvrugt 't allerbest
geleerd wierden. Hier uit blijkt, hoe onbillijk de klagten der gene
zijn, die klagen over de kortheid des levens; en uit dien hoofde met God
als in geding komen. Want ons leven kan kort genoemt worden, om dat wij
't meerder gedeelte daar van in ledigheid en wellust doorbrengen: en het
zelve zoude langduurig genoeg wezen, zoo anders de tijd beter besteed
wierdt.
Maar in dat andere Gewest, alwaar de leeftijd boven vier eeuwen haalen
kon, zag ik alle gebreken, die onder 't menschelijk geslagt bekent zijn,
op den throon zitten. Alleenlijk hielden zij het tegenwoordige, als ware
het zelve eeuwig en onvergankelijk, voor oogen. Waarom ook
_De Schaamte, Waarheid, Trouw en Eerbaarheid verstooven._
_Verraad, Geweld, Bedrog en Gierigheid staan boven._
Voorts brengt die langduurigheid des levens nog een ander doodlijk
gewrogt voort. Want de gene die door 't verlies hunner goederen schade
geleden hadden, of in hunne leden verminkt, of ook wel die in
ongeneeslijke ziekten vervallen waren, pleegen, met eene bevende stemme,
den levensloop voor lang en van te traagen voortgang te beschuldigen, en
eindelijk de handen aan zig zelf te leggen, vermits zij, om de
langduurigheid des levens, geen uitkomst van smerte zagen: want de
kortheid des levens is voor de ellendige en moedelooze de
allerkragtigste troost. Beide die Gewesten gaven mij stoffe tot
verwonderinge; en ik vertrok daar niet uit, dan overstelpt met
Philosophische bespiegelingen.
Ik vervolgde mijne reize langs steilten en woeste plaatsen waar langs
men naar het Gewest der onnozelheid gaat, dat gemeenlijk _Spalank_
geheten wordt. Dit Landschap wierdt aldus genaamt van de eenvoudigheid
en vreedzamen inborst der Ingezetenen. Alle waren zij breedbladige
Eiken, en wierden voor de gelukkigste aller Stervelingen gehouden: want
zij waren aan geen driften, of hartstogten onderhevig, en vervolgens
bevrijd van alle gebreken.
_............Elk gezint_
_Ter deugd, uit zijnen aart regtvaardigheid bemint:_
_Ook zonder dwang van wet. Men wist van vrees, nog straffen:_
_Men hadt met halsgeregt of boeijen niet te schaffen._
_Het volk ontzag versaagt des Regters opzigt niet;_
_Maar leefde veilig, vrij van vierschaaren verdriet._
_Men hoorde geen trompet nog krommen hoorn steeken:_
_Men voerde helm nog zwaard: het volk, in alle streeken_
_Zat vreedzaam, zonder krijg......_
In dit Land gekomen, bevond ik dat alles waar was, wat mij bij gerugte
daar van ter ooren gekomen was, te weten: dat de deugden door de
geneigtheden der menschen, en niet door de wetten aangekweekt worden.
Hier zag ik Nijd, Begeerlijkheid, Gramschap, Haat, Hoogmoed, Eerzugt,
Tweedragt, en verder alle ondeugden, onder de menschen bekend,
verbannen. Dog te gelijk met de ondeugden ontbraken 'er veele andere
dingen, welke geagt worden Stervelingen grootelijks te versieren en de
redelijke schepzelen van het onvernuftig vee te onderscheiden. Behalven
de Godgeleerdheid, Natuurkunde en Sterrekunde, waren ook alle Konsten en
Weetenschappen onbekent. De Regtsgeleerdheid, Staatkunde,
Geschiedenissen. Zedekunde, Wiskunde, en veele andere Wetenschappen
waren hen zelfs niet met den naam bekent. En nademaal de Nijd en
Eerzugt onder hen niet gevonden werden, was 'er ook geen naijver die tot
alle groote en voortreffelijke zaaken een spoor pleeg te zijn. Hier
waren geen Paleizen nog pragtige Gebouwen, geen Raadkamers, geen Markten
nog Rijkdommen: en vermits 'er geen Magistraten waren, waren 'er ook
geen Processen: ja zelfs was 'er de heb-lust niet. Om niet veele woorden
te gebruiken, daar waren geen ondeugden, en te gelijk waren 'er geen
sieraaden, geen konsten, geen luister, en oneindige andere zaaken, die,
onder den naam van deugden voorkomende, de Burgerlijke samenlevinge
aangenaam, en de menschen beschaaft en geslepen maken: invoegen ik veel
meer in eene warande van breedbladige Eikenboomen, dan in een
Burgerstaat scheen te zijn. Hierom stond ik lang in twijfel, wat ik van
dat volk maken zoude, en of deeze Natuurstaat den mensen wel wenschelijk
was. Eindelijk nogtans overwegende dat het beter was een onbeschaafd dan
ondeugend leven te leiden, en dat, met de onbedreevenheid in sommige
wetenschappen, ook te gelijk niet gevonden wierden stroperijen,
diefstallen, doodslagen, en andere euveldaden, die dikwijls ziel en
lichaam beide verderven; agtte ik dezen staat gelukkig. Terwijl ik op
mijn gemak en zonder zorg dit Gewest doorwandelde, stootte ik met den
enkel van mijn linkerbeen, tegen eenen steen, waar door ik 'er eene
zwaare wonde en groote zwelling aan kreeg. Zeker huisman dit ziende,
kwam terstont toegelopen, en lag 'er een zeker kruid, dat hij met de
hand geplukt hadt, op, waar door de pijn schielijk verzagtte, en de
zwelling begon te slinken. Daar uit kon ik afnemen dat dit volk ervaren
was in de Geneeskunde; ook bedroog mij mijne gissing niet; want overmits
de Letter-oeffeningen der _Spalankers_ zoo naauw bepaalt zijn, zijn zij
niet te vreden met den bast, zoo als wel onze geleerden in allerlei
soort van wetenschappen[3] zijn; maar zij doorzoeken alles ten
naauwsten. Toen ik mijnen Geneesheer, over zijne hulp aan mij bewezen,
bedankte, zeggende, dat God het aan hem zoude vergelden; antwoordde hij
mij zoo zakelijk, zoo geleerd, en zoo Godvrugtig, schoon met eenvoudige
en boersche bewoording, dat ik mij verbeeldde eenen Goddelijken man of
eenen Engel in de gedaante van eenen boom te zien. Hier uit bleek, hoe
zeer wij ten onregte gestoort worden op de gene die belijdenis van
onverschilligheid doen, welke wij, terwijl zij niets verlangen, nergens
smerte over hebben, nergens over gestoort of verblijd zijn; maar alle
pligten, voortkomende uit de hartstogten, besnoeit en afgelegt
hebben,--gelooven oud en grijs te worden met een vadzig, uitgeleeft, en
als ontzenuwt lichaam. Dog nog veel meer bleek het hoe zeer zij dwalen,
die den stervelingen als eene noodzakelijkheid van ondeugden aantijgen,
die de gramschap de wetsteen der dapperheid, den naijver het spoor der
naarstigheid, en het wantrouwen de voedster der voorzigtigheid stellen
te zijn; aangezien uit kwade eijeren niet dan kwade kuikens voortkomen,
en de meeste deugden, waarop de menschen trots zijn, en die wij met
lofgezangen verbreiden, eer schandvlekken dan sieraaden zijn, wanneer
wij dezelve met wijsgeerige oogen beschouwen.
Uit dit Land vertrekkende, nam ik mijne reize door de Provincie
_Kiliac_, alwaar de inwoonders geboren worden met zekere teekenen op het
voorhoofd gedrukt, te kennen gevende 't getal der jaaren welke zij te
leeven hebben. Deeze agtte ik almede gelukkig: aangezien 'er niemant in
't bedrijf der zonde onverhoeds door den dood overvallen wordt. Maar
aangezien ieder een de vastgestelde sterfdag bekent was, stelden zij de
bekeering uit tot op den laatsten tijd huns levens. Alwaarom ook,
wanneer men onder hen een vroom en eerlijk man zag, dezelve zodanig een
was, welken de tekenen te kennen gaven, dat het tijd was om den aftogt
te blaazen. Ik zag 'er eenige allerwege met hangende hoofden door de
Stad gaan; welke alle nabij den dood waren, tellende de dagen en
oogenblikken op hunne vingers, en 't aannaderend' laatste uurtje met
verschrikkinge te gemoet ziende. Dit deedt mij zien, dat de Schepper ook
wijslijk daar in voorzien hadt: en ik oordeelde 't voor de schepzelen
best te wezen, dat hen de uure des doods onbekent was.
Dit Gewest al mede doorreisd hebbende, stak ik eene zee--engte, welkers
kleur zwart was, met eene boot over, en kwam in het Land van _Askarak_.
Hier deeden zig nieuwe wanschepzels aan mijn gezigt op: want gelijk het
land _Cabak_ schepzelen zonder hoofd uitlevert, zoo komen ook eenige
inwoonders deezes Gewests met zeven hoofden voor den dag. Deeze zijn bij
uitnemenheid in allerlei wetenschappen ervaren, en wierden eertijds door
de andere burgers, om zulke groote natuurgaven bijna met Goddelijke eere
geëert, dermate dat uit hunne bende alleen de Veld-Oversten, de
Burgemeesters, de Raadsheeren en de Regters gekoren wierden. Dog vermits
dezelve, zoo veele hoofden zij hadden, ook van zoo veele verscheide
inborsten waren, namen zij wel wakker en kloekmoedig verscheide
bedieningen te gelijk waar, en lieten, zoo lang zij de teugels der
regeering in handen hadden, niets onbezogt; maar om dat zij zoo veele
zaaken te, gelijk bij de hand hadden, en om die zoo verschillende, en in
een eenigen ingezeten zoo strijdige, denkbeelden, begonnen zijn alles
overhoop te werpen; en daar kwam, bij vervolg van tijd, zoo groote
verwarringe van zaaken, dat 'er eene geheele eeuwe noodig was, om de
beroerten, welke die, alles kundig zijnde, Magistraat verwekt hadt, ten
eenemaal te stillen. Daarom wierdt 'er bij eene wet vastgestelt, dat de
zevenkoppige ten eeuwige dage van alle gewigtige en van alle Staatszaken
zig hadden te onthouden; en dat het Gemeenebest in 't vervolg van
eenvoudiger lieden, dat is van zulke die niet meer dan een eenig hoofd
hadden, zoude geregeert worden. Hierom is 't, dat de gene die eertijds
voor zulke bekwame mannen, en zelfs den Goden bijna gelijk, gerekent
wierden, tegenwoordig bijna in denzelven staat zijn, als de hoofdelooze
in 't Landschap _Cabak_. Want gelijk deeze, in 't geheel geen hoofd
hebbende, niets konnen uitregten; zoo doen ook gene, om hunne
veelhoofdigheid, alles verkeert; en om deeze redenen worden onze
zevenhoofdige, uit alle Staats-ampten gezet zijnde, oud en grijs, zonder
ergens toe in bedenken te komen. Zij dienen egter eenigermate tot een
sieraad van 't Gemeenebest, aangezien zij, even als tooneelspelers,
allerwege omgevoert worden om haare konsten te toonen, en te doen zien
hoe mild de Natuur geweest is in hen toe te stellen; dog zoo dezelve zoo
kwistig niet was geweest, en hen alleen een eenig hoofd gegeven hadt,
zoude men die veel goedertierener konnen noemen. Uit het geheele geslagt
der zevenhoofdige waren 'er toen ter tijd niet meer dan drie in
bedieningen; dog zij waren ook daar toe niet toegelaaten dan na 't
afhouwen van zes hoofden, waar door het gebeurt, dat 'er maar een hoofd
overblijvende, de verwarde denkbeelden, waar aan zij onderhevig waren,
verdwijnen, en zij wederom tot redelijk verstand gebragt worden, even
gelijk de boomsnoeijers dikwils eenige takken afkappen, waardoor de nog
overblijvende sterker en gezonder worden. Egter staan zeer weinige onder
de zevenhoofdige deeze proef uit, zoo om de geweldige pijn, als om 't
doodsgevaar. Dit deedt mij zien, dat al wat te veel is niet dan schade
aanbrengt; en dat het regte verstand in de eenvoudigheid der harssenen
en de welgeschiktheid van den geest gelegen is.
Uit dit Landschap gaat men door woeste plaatsen naar 't Vorstendom
_Bostanki_, welks ingezetenen, zoo veel betreft de uiterlijke
ligchaams-gestalte, weinig verschillen van de _Potuaners_; dog inwendig
hebben zij dat bijzondere, dat hen 't hart geplaatst is in de
regterdije, zulks zij wel te regt kunnen gezegt worden hun hart in hunne
dijen te dragen. Hier van daan worden zij onder de ingezetenen dezes
Aardbols voor de vreesagtige en tot den oorlog minst bekwaamde gehouden.
Toen ik, gemelijk zijnde om de moeielijke reis, in eene herberg, nabij
de poort der Stadt, trad, voer ik niet weinig uit tegen den langzaamen
en het futzelboek zoekenden waard. Dog hij op zijne knien vallende,
verzogt mij met tranen, erbarming met hem te willen hebben, biedende mij
aan, zijne regterdije te betasten, waar uit ik het kloppen van zijn hart
gewaar zoude konnen worden. Hierom, mijne gramschap in lachen verandert
zijnde, wischte ik de traanen des smeekenden waards af; gebiedende hem
goedsmoeds, te zijn. Hij, opstaande, kuschte mij de hand, en ging 't
avondmaal gereedmaken. Dog niet lang daar na weergalmde de keuken van
zugtingen en van een verschrikkelijk gehuil. Ik daarop toelopende zag
onzen vreesagtigen waard woedende met vuist- en geesselslagen tegen zijn
Wijf en Dienstmaagden. Zoo haast zag hij mij niet, of hij begaf zig
terstond op den loop en koos het hazenpad. Hierom mij keerende naar de
schreiende Vrouw en Dienstmaagden vraagde ik, door welke schade of
misdaad zij eenen man, die zoo zagtzinnig was, zoodanig tot toorn
verwekt hadden? Dog zij de oogen naar de aarde slaande, stonden langen
tijd zonder spreeken, niet durvende hunne smert te kennen geven; maar
toen ik voortging met haar te vragen, en bij mijn verzoek ook
bedreigingen voegde, begon de Vrouw aldus te spreeken: "U schijnt niet
genoeg bekend te zijn, Vreemdeling, de aart en inborst der stervelingen.
De inwoonders deezes Vorstendoms, die geenen gewapenden vijand onder de
oogen durven zien, en die op het minste gerugt buiten 's huis van angst
plegen te beeven, speelen den dwingeland in de keukens, en woeden als
wreedaards tegen hunne weerlooze huisgezinnen: vermits zij met de
gewapende geenen oorlog voeren, moeten 't weerlooze zijn daar zij 't
tegen hebben. Daarom is deeze Staat bloot gestelt voor de plunderingen
en bespottingen van de nabuurige volkeren. Maar in een Landschap aan 't
onze grenzende, en waar aan wij cijnsbaar zijn, is 't manvolk van eenen
gantsch anderen aart: die worden nooit handgemeen dan met, den
gewapenden vijand: buiten zijn zij baazen; maar t'huis hebben zij niets
te zeggen". Ik stond verwondert over 't verstand van die Vrouw, welke ik
oordeelde een beter lot waardig te zijn. En na dat ik de reden en
inborst der menschen een weinig nader beschouwd had, vond ik, dat die
vrouw de waarheid gesproken hadt, nademaal 't uit zeer veele voorbeelden
blijkt, dat het Hercules niet alleen is, die voor de tabbert zijner
huisvrouw heeft moeten zwigten; maar dat het gemeenlijk het lot der
braafste mannen is dat zij hunne halsen gewilliglijk moeten onderwerpen
aan 't jok hunner wijven, daar integendeel de allervreesagtigste, en die
met de ingezetenen van _Bostanki_ het hart in de dije geplaatst hebben,
helden in de keukens zijn. Dit volk leeft in gestadige afhankelijkheid
en onder de bescherming van een nabuurig volk, waar aan zij cijnsbaar
zijn.
Uit dit Land vertrekkende, stapte ik in eene andere boot, die mij
overbragt in 't Land _Mikolac_; en terwijl ik in de boot zat, wierdt mij
mijn mantel ontfutzelt. Na lang twistens met den Veerman, die den
diefstal hardnekkig loogchende, nam ik mijnen toevlugt tot den Regter
van de plaats, te kennen gevende, dat de Veerman ten minsten gehouden
was tot de enkele wedergeving des gestolen goeds, uit hoofde van misdaad
door wetduiding, zoo 't mij al mogt geweigert worden hem over
bewaargeving of diefstal te dagvaarden. Dog hij bleef 't niet alleen
hardnekkig ontkennen, maar deedt mij nog daar en boven een Proces van
_injurie_ aan. In eene zoo twijffelagtige zaak eischte de Raad getuigen;
dog, wijl ik die niet konde voortbrengen, stelde ik mijnen tegendinger
voor, zig onder eede daar van te zuiveren. Op dat woord van eed begon de
Regter te grimlachen, zeggende: "Gij moet weeten, Vreemdeling, dat wij
hier door geenen Godsdienst altoos verbonden zijn: wij hebben geen
andere Goden dan de Vaderlandsche Wetten. Derhalven moeten zodanige
bewijzen volgens de Wetten gedaan worden; 't zij door eene rekeninge der
uitgeschoten kosten, wissels-aanneeming, overlegging van een
handschrift, onderteekend extract uit een schuldboek, of tusschenkomst
van getuigen. Al wie van zoodanige bewijzen niet voorzien is, moet niet
alleen zijn proces verliezen, maar daar en boven verwezen worden in de
boete over valsche betigting. Bewijst de zaak door getuigen, en men zal
u het goed, in bewaring gegeven, ter hand doen stellen". Aldus door
gebrek van getuigen mijn proces verliezende, beklaagde ik niet zoo zeer
mijn eigen dan wel deezes Gemeenenbests ongeluk: aangezien hier uit
bleek, hoe zwak en onvermogende zoodanig een Burgerstaat is, wanneer
dezelve alleenlijk gegrondvest is op menschelijke Wetten; en van hoe
korten duur zodanige Staatsgebouwen zijn, ten zij dezelve met den
Godsdienst betrast zijn. Hier hield ik mij drie dagen op, leevende,
geduurende al dien tijd, in gestadige vrees: want hoe heilzame Wetten
ook een Staat moge hebben, en hoe zwaar ook de misdaden aldaar gestraft
mogen worden; kan men egter geen zekerheid altoos wagten onder een volk
dat zonder God leeft, en ontslagen is van alle banden van Godsdienst:
vermits 'er geen schelmstuk zoo groot is, 't geen zij niet zullen
uitvoeren, kan 't anders bedekt blijven.
Vertrekkende dan uit dit Land der Ongodisten kwam ik, een steil gebergte
overgetrokken zijnde, in de Stad _Bracmat_, gelegen in eene vlakte aan
den voet van eenen berg. De inwoonders aldaar zijn Jeneverboomen. De
eerste dien ik ontmoette, viel met zijn geheele ligchaam boven op mij,
en smeet mij tegen den grond; en toen ik naar de redenen van die
welkomst vraagde, verontschuldigde hij zig geheel fijntjes. Dog straks
daar aan kwam een ander en lag mij eenen paal, dien hij in zijne
regterhand hadt, zoodanig over de lendenen, dat hij mij bijna ontheupt
hadt. Dees verzogt mede dat ik zijne onvoorzigtigheid tog niet kwalijk
wilde duiden, en badt om vergiffenis met eenen langen sleep van woorden.
Ik beeldde mij in, dat het volk aldaar scheel zag, en vermijdde
zorgvuldiglijk de voorbijgangers te ontmoeten. Dog dat gebrek spruit uit
het al te scherpe gezigt van sommige, waardoor het geschiedt, dat zij de
afgelegen voorwerpen, die andere niet eens zien, zeer klaar onderkennen,
en dat zij integendeel zaken die digt bij, en hen als voor den neus
staan, door hun al te scherp gezigt geheel niet zien kunnen. Deeze
worden door de bank _Makatti_ geheeten, zig meerendeels toeleggende op
de hoogdravende Studiën, en op de Sterrekunde: want in aardsche zaken
hebben zij, om hunne al te scherpziende oogen, bijna geen gezigt altoos;
aangezien zij alle kleinigheden met de uiterste naauwkeurigheid
waarneemende, in 't zakelijke blind zijn. Egter zijn zij den Staat van
nut in het onderzoeken der Bergwerken; want de oppervlakte der aarde
niet zien kunnende, dringen zij met hun gezigt door tot het geene onder
derzelver korst verborgen is. Dit leerde mij dat 'er lieden gevonden
worden, die door hun al te scherp gezigt blind zijnde, meer zouden zien,
zoo zij min scherp zagen.