Van deeze averegtsche levenswijze zag ik zeer gevaarlijke gewrogten.

Want gelijk men in andere Landen baldadige en geile snollen vindt, die

voor een stuivertje haar lichaam ten besten geven, en haare kuischheid

te koop dragen, zoo verhuuren zig ook hier de jongelingen, en 't manvolk

voor een nagtje, en huuren ten dien einde bordeelen, welke, door

opschriften en hoeragtige uithangborden boven de deuren, bekent zijn.

Die zelve, wanneer zij al te openbaar en onbeschaamdelijk hunnen

hoerenhandel drijven worden vastgezet, en, even als oude hoeren in 't

openbaar met roeden gegeesselt. Daarentegen vrouwen van aanzien en jonge

dogters zien het manvolk op straat onder de oogen, knikken die toe,

wenken hen, schuiffelen die na, schelden hen, roepen ze, vallen ze

lastig, schrijven lofgedigtjes boven hunne deuren; en belijdende

openlijk haare Venusjankerijen, zijn 'er als op zoo veele overwinningen

moedig op, even gelijk bij ons de dertele jongelingen al pochende

pleegen op te tellen hoe veele vrijsters en vrouwen zij al onder de knie

gehad hebben. Wijders wordt het nog vrouwen nog dogters voor oneer

gerekent, dat zij den jongelingen eenige verliefde gedigtjes of kleine

presentjes aanbieden; dog deeze veinzen koel en zedig te zijn, daar het

integendeel den jongelingen fraai staat, wanneer dezelve, op de driftige

aanzoekingen der jonge dogters, terstont gereed zijn. Niet weinig

beweging was 'er ter zelver tijd over eens Raadsheers zoon, die door een

jonge dogter onteert was. Men sprak van dat meisje om dat stuk overal

zeer kwalijk; en ik hoorde dat de vrienden des jongelings onder zig

mompelden, dat men de jonge dogter zonder uitstel in rechten stondt te

vervolgen, en dat zij in de naaste zittinge zoude gevonnist worden hem

te moeten trouwen en zijne eere op te leggen: vooral, wijl geene wettige

getuigen ontbraken, dat de jongeling, welken de vrijster tot

ongeoorloofden minnehandel vervoert hadt, bevorens was geweest van een

onbesproken levensgedrag. Terwijl ik met deeze Jenever-boomen omging,

dorst ik deeze averegtsche levenswijze niet openlijk tegenspreken. Maar

toen ik uit de voornaamste Stad vertrok, zeide ik tegen eenige, dat men

aldaar tegen de Natuur te werk ging, vermids het volgens het algemeen

regt, en naar het gevoelen van alle Volkeren, vastging, dat de

mannelijke Sexe geschapen was tot hooge en gewigtige bezigheden. Waar op

zij mij te gemoet voerden, dat ik de gewoonte en de inzettingen met de

Natuur vermengde, nademaal de zwakheden, die men in de vrouwelijke Sexe

gewaar wordt, alleen voortvloeijen uit de opvoedinge, 't geen wel 't

meest bleek uit de gesteltheid en wijze van dat Gemeenebest, alwaar men

in 't vrouwvolk zoodanige deugden en gemoedsgaven zag uitblinken, welke

de mannen elders zig zelven alleen toeëigenen. Want de _Cocklekuaansche_

vrouwen zijn zedig, deftig, verstandig, standvastig, en stilzwijgende;

daar het manvolk in tegendeel ligt vaardig, schielijk en snapagtig is;

waarom ook, wanneer 'er iets vreemds verhaalt wordt, men aldaar het

spreekwoord gebruikt, _dat het mans grollen zijn_; en wanneer 'er iets

schielijk en onbedagtelijk uitgevoert is, zeggen de inwoonders, _dat

men der mannelijke zwakheid iet moet toegeven_. Dog met deeze

bewijsredenen nam ik geen genoegen; maar oordeelde dat deeze averegtsche

wijze van leven, wanhebbelijk, en geheel en al strijdig was tegen de

Natuur. De verontwaardiging, welke mij de trotschheid van 't vrouwvolk

in 't hart als ingedrukt hadt, was oorzaak van het ongelukkig

voornoemen, 't welk ik nam een weinig tijds na mijne wederkomste: een

voornemen, 't geen mij zoo veele moeilijkheden veroorzaakt heeft, zoo

als ik te zijner plaatse zal melden.

Onder de pragtigste gebouwen deezer Stad was het Koninglijke Vrouwen

getimmer, voorzien met driehonderd zoo mannen als jongelingen, van de

allerschoonste gedaante en geest, welke alle gehouden wierden op kosten

der Koningin, en tot haaren wellust dienden. Hoorende dat de gestalte

mijns lichaams van eenige zeer geprezen wierdt, en vreezende door de

Oploopers in dat Vrouwen-getimmer te zullen gebragt worden, verhaastte

ik mijn vertrek, en

_.... De vrees scheen, onder 't rekken,_

_Aan mijne voeten nog voor vleugels te verstrekken._

Aan dit Vorstendom grenst het Landschap der _Philosophen_, aldus genoemt

van deszelfs inwoonders die in de wijsgeerte en andere spitsvinnige

wetenschappen als geheel en al verzopen liggen. Ik brandde van ongeduld

om dat land te zien, wijl ik mij het zelve verbeeldde als het middelpunt

aller wetenschappen en de waare verblijfplaats der Zang-godinnen. Hier

dagt ik niet te vinden akkers en weilanden, maar wel aaneengeschakelde

tuinen,

_Versiert en flonkerende met allerleie bloemen,_

_Zoo schoon dat Flora zelv' daar op zou mogen roemen._

En geheel met dit denkbeeld ingenomen, stapte ik wakker aan, tellende op

mijne vingers de uuren en oogenblikken. De paden waar langs ik ging,

waren steenagtig en moeilijk door gragten en kuilen, zoo dat ik nu eens

langs steilten, dan wederom door moerassen, en overzulks tot mijn

middel toe nat, vermits 'er geen bruggen waren, gekwetst en bemoddert

voortsukkelde. Dog tegen deeze moeilijkheden was ik wel gehard, wetende

dat men langs ruuwe en ongebaande wegen naar het gestarnte klimt. Na dat

ik dan een gantsch uur lang met deeze moeilijkheden geworstelt had, kwam

mij een boer tegemoet, welken ik beleeft aansprekende vraagde, hoe verre

ik nog van _Mascattia_, of 't Landschap der Philosophen was. Zijn

antwoord was: _dat ik liever vraagen zoude, hoe veel wegs ik nog hadde

af te leggen, aangezien ik bereids midden in dat gewest was_. Verbaast

zijnde door dit antwoord: _hoe komt het_, hernam ik, _dat een Land,

alleen door Philosophen bewoont, eer de gedaante van afschuuwelijke

kreupelbosschen, dan van een welbebouwd gewest heeft_? Daar op

antwoordde hij, dat de gedaante van dat land binnen korten tijd beter

zoude wezen, zoo haast de inwoonders den tijd zouden hebben, om zig met

diergelijke kleinigheden op te houden; maar dat zij thans alle

alleenlijk bezig waren met boven-maansche zaaken, en wel inzonderheid om

eenen weg naar de Zonne uit te vinden: en dat men derhalven behoorde

door de vingeren te zien dat zij het land voor eenigen tijd onbebouwd

lieten: want dat het niet gemakkelijk viel te gelijk te blaazen en te

slorpen. Aanstonds begreep ik waar de redenen van dien doorslepen boer

op doelden; en, mijnen weg vervolgende kwam ik eindelijk aan de Hoofstad

_Cuskam._ In de poorten der Stad zag ik dat 'er, in plaats van eene

wagt, gansen, hoenderen, vogelnesten en spinnewebben waren. Door de

straaten der Stad waarden allerwegen Philosophen en Varkens, waar van de

eerstgemelde alleen door hunne ligchaams-gedaante onderscheiden waren

van de Varkens, zijnde anderszins door morsigheid en ontijigheid aan

dezelve gantsch gelijk. Alle de Philosophen droegen het zelve soort van

mantels; dog van wat kleur die waren, viel mij onmogelijk te

onderkennen, wijl dezelve met stof en slijk bedekt waren. Eenen

derzelven, welken ik, gantsch opgetogen in zijne gedagten, regt toe op

mij zag aankomen, sprak ik aldus aan: _Ik bid u, Meester, zeg mij tog

hoe deeze Stad genoemd wordt._ Maar hij bleef onbeweeglijk staan als een

paal; en niet eens zijn gezigt verdraaijende, als of hem de ziel uit

het lichaam verhuist was, stondt hij lang zonder zig te verroeren, dog

eindelijk zijne oogen naar den hemel slaande, antwoordde hij mij: _wij

zijn niet verre van den middag._ Zulk een gekkelijk antwoord, te kennen

gevende eene wonderlijke verstrooijing van gedagten, deedt mij zien, dat

het beter is matelijk te studeeren, dan door al te groote geleerdheid te

kolderen. Daarop stapte ik naar binnen de Stad, willende zien of 'er

behalven de Pnilosophen, ook menschen of redelijke schepzelen te vinden

waren. De markt der Stad, die zeer groot was, pronkte met standbeelden

en pilaaren onderscheiden door tytels en opschriften. Ik wendde mij

derwaards, om te zien of ik eenige puntdigten daar onder leezen konde.

Dog terwijl ik al mijn verstand daar aan te kosten lag, voelde ik dat

mijn rug warm en vogtig wierdt. Waarom ik, agterwaards ziende, om den

oorsprong van dien warmen vloed te ontdekken, gewaar wierd dat een

Philosooph mij 't geheele agterlijf bepiste; want hij, in gedagten

opgetogen zijnde, nam mij voor een standbeeld, waartegen hij gewoon was

zijne blaas te ontlasten. Ik, dien smaad niet konnende verdragen,

vooral wijl die Philosooph daar over luidkeels begon te lachen, gaf hem

eene lustige muilpeer; waarop hij, zwellende van gramschap, mij in de

lokken vloog, en mij al schreeuwende de geheele markt over sleepte. Dog

toen ik zag dat hij niet tot bedaren te brengen was, stelde ik mij in

postuur, en betaalde hem met gelijke munt, invoegen wij malkanderen

niets schuldig bleeven. Eindelijk, en na een scherp gevegt, geraakten

beide de kampvegters onder den voet. Op dat gezigt schoten onnoemlijk

veel Philosophen toe, en als verwoed aanvallende, sleepten zij mij, met

vuisten en stokken deerlijk van lid tot lid afgerost en bijna

zieltogend' zijnde, bij 't hair over de geheele markt. Eindelijk moede,

maar niet verzadigt, van slaan zijnde, bragten zij mij naar een groot

huis, en toen ik mij met de voeten tegen de deur tegenhield, halstarrig

weigerende daar binnen te treden, trokken zij mij hals over kop als een

schreeuwend varken daar binnen, leggende mij midden op den vloer op

mijnen rugge. Alles lag in dat huis overhoop en 't onderste boven, en 't

was 'er niet anders gesteld, dan wanneer het bij ons naar St. Michiel

of Paasschen gaat, wanneer alle meubelen en huisraad, staande om naar

een ander huis overgevoert te worden, hol over bol onder een geworpen

worden. Toen was 't, dat ik onze wijsaarts ootmoedig begon te bidden,

dat zij tog hunnen toorn wilden matigen, en zig laaten bewegen tot

barmhartigheid, hen vertoonende, hoe onbetaamelijk het was voor

wijsgeeren en menschen die verstand wilden hebben, als wilde dieren te

worden, en de hartstogten, waarop zij 't zoo pleegen geladen te hebben,

den al te ruimen teugel te vieren. Dog ik klopte vooreen doov'mans deur:

want de Philosooph die mij den rug zoo bepist hadt, begon wederom het

gevegt, en sloeg en beukte mij zoo ellendig, als of hij een aambeeld

hadt voorgehad, zodanig dat hij niet scheen te kunnen bevredigt worden

dan door mijnen dood. Toen ondervond ik dat 'er geen verwoeder dier is,

dan een vergramde Philosooph, en dat de gene die 't allermeest van deugd

schreeuwen, dezelve 't minst betrachten.

_Want dit uitzinnig dier, ô, schrik! van geen bedaaren_

_Meer wist; maar woedde al voort: 't bloed kookt' hem in zijn' aêren._

Ten lange laatsten kwamen 'er vier Philosophen binnen treden, welker

mantels te kennen gaven dat zij van eene bijzondere gezinte waren. Deeze

de dreigementen der woedende menigte met hand en mond ter nederzettende,

scheenen met mijnen staat medelijden te hebben; en na dat zij met de

andere ter zijde afgesproken hadden, bragten zij mij over in een ander

huis. Ik was blijde dat ik verlost was uit de klaauwen van die

struikroovers, en eerlijke lieden ontmoet had; en lag hen op hun verzoek

de oorzaak deezer opschuddingen in 't breede uit. Zij, grimlachende op

't hooren van zulk een klugtig voorval, zeiden, dat de Philosophen

gewoon waren, als zij op de markt wandelden, tegen die standbeelden te

pissen, en dat het waarschijnlijk was, dat mijn bespringer, staroogende

op zijne Philosophische bespiegelingen, mij voor zulk een standbeeld

genomen hadt. Voorts zeiden zij dat hij een zeer vermaard Sterrekijker

was, en dat de overige, die mijne schouders zoo toegedekt hadden,

Leeraars in de zedelijke Wijsgeerte waren. Nu dagt ik in eene behouden

haven en alle gevaar ontkomen te zijn, luisterende met groot vermaak

naar die en andere hunner, vertellingen. Dog het al te naauwkeurig

beschouwen mijner gestalte, gaf mij eenigzins kwaad vermoeden. Wijders

waren de dikwils herhaalde ondervragingen, die zij mij deden, naar

mijnen staat, naar de oorzaak mijner reize, en naar mijn vaderland,

mitsgaders de stille rugspraak, mij zoo veele voortekenen van een

aanstaande ongeluk. Dog ik stierf bijna van schrik, wanneer ik in een

soort van eene Snijkamer wierd geflooten, alwaar ik eenen overgrooten

hoop doodsbeenderen en lijken opgestapelt zag, die dat gantsche vertrek

vervulden met eenen afschuwelijken stank. Ik dagt in 't eerst niet

anders dan dat het eene spelonke van moordenaars was; maar de

Anatomische instrumenten, die tegen de muuren hingen, verminderden

allengskens dien schrik, vermits het daar uit bleek, dat mijn huiswaard

een Geneesheer of Chirurgijn was. Na dat ik in dit rasphuis een half

uur lang alleen gezeten had, en zonder mij te durven verroeren, tradt

'er eene aanzienelijke vrouw binnen met het middagmaal, 't geen zij voor

mij bereid hadt. Zij scheen zeer vriendelijk te wezen; dog met

bedaardheid mij aanziende, zugtte zij zomtijds zeer zwaar; en toen ik

naar de oorzaak haarer droefheid vraagde, antwoordde zij, dat mijn

aanstaande lot haar dit zugten afperste. _Gij zijt_, sprak zij, _in een

fatsoenlijk huis gekomen; want mijn man, die Heer van dit Eiland is, is

alhier tot openbaar Stads Natuurkundige[1] en Leeraar in de Geneeskunde

aangestelt, en de andere die gij gezien hebt, zijn zijne amptgenoten.

Dog deeze, verwondert over de ongewoone gestalte uwes lichaams, hebben

besloten, het onderstel van het zelve, en daar benevens uwe ingewanden,

naauwkeurig te onderzoeken en, uw lichaam ontledigende, te zien, of zij

daar in iets nieuws, tot opheldering der Ontleedkunde, konnen

ontdekken_. Deeze woorden deeden mijn hart en ziel trillen, waarom ik

eenen vervaarlijken schreeuw gevende, uitriep: wel! Mevrouw, hoe kan men

hen braave lieden noemen, die een onnozel en eerlijk man niet schromen

den buik op te snijden? Waarop zij wederom zeide:

_Hadt g'uwen vinger eerst hier in den grond gesteken,_

_Wel honderd mijlen verr' waart gij van hier geweken._

_Dit niet tegenstaande zijt gij onder de handen van fatsoenlijke lieden,

die niets ter kwaader trouw, zullen ondernemen maar enkel en alleen, uit

liefde om de Ontleedkunde op te helderen, besloten hebben dat stuk werks

aan u te onderstaan_. Hierop antwoordde ik, dat ik liever had van

moordenaars vrijgelaten, dan van fatsoenlijke lieden aan stukken te

worden gesneden, en ter stond voor haar op mijne knieën vallende, niet

zonder overvloedige traanen te storten, bad ik haar vóór mij ten besten

te willen spreeken. Haar antwoord was: _weinig zal u mijn ten besten

spreeken helpen tegen 't besluit der Faculteit, 't geen onwederroepelijk

pleeg te zijn; dog ik zal door een ander middel trachten u den dood te

ontrukken_. Dit zeggende nam zij mij bij de hand, en leidende mij, die

beefde als een juffers hondtje, door eene agter-deur, vergezelschapte

zij mij tot aan de poort der Stad. Daar trachtte ik van mijne

behoudster afscheid zullende nemen, met de welspreekendste taal die ik

ooit geleerd had, mijn dankbaar hart, zoo als 't behoorde, te betuigen;

dog zij viel mij al in den beginne in mijne woorden, betuigende dat zij

niet zoude weggaan, alvorens zij mij in alle veiligheid zag, en voer

voort mij op zijde te blijven, hoe zeer ik mij daar tegen stelde.

Terwijl wij t'zamen voortgingen hadden wij verscheide discoursen over

den staat van dat gewest, en ik luisterde met opene ooren toe. Dog

eindelijk viel zij op te verhaal, dat mij weinig aangenaam was, vermits

ik daar uit afnam, dat zij voor haaren bewezen dienst iets verzogt, 't

geen mij zedelijker wijze onmogelijk was haar toe te staan. Want zij

vertoonde mij op eene zielroerende wijze, hoe ongelukkig het lot der

aanzienlijke vrouwen in dat gewest was, nademaal deeze Philosophische

Schoolmeesters, verzopen leggende in de studien, geheel en al de

huwelijks pligten verzuimden. "Ik kan, _zeide_ zij, onder eede betuigen,

dat wij 'er om koud waren, zoo niet dees en gene eerlijke en mededogende

vreemdeling onze ellenden verzagtte, en aan de kwalen, waar aan wij

jammerlijk gaan kwijnen, somtijds de hand tot genezinge sloeg". Ik hield

mij als gek, en al niet te konnen verstaan waar zij met die stigtelijke

praatjes heen wilde: ja ik begon braaf aan te stappen; dog mijne

koelheid deedt haaren brand des te meer ontvlammen. Waarom?

_Na zij mij langen tijd haar lijden had vertelt:_

_Is 't smeeken te vergeefs? zoo dient 'er dan geweld._

_Dus boezemdz' uit, en komt, met ongebonden vlegten_

_En opgestroopten arm, mijn' tronie straks bevegten._

Daar benevens verweet zij mij mijne ondankbaarheid. Dog vermits ik egter

niet naliet mijnen weg te vervorderen, vatte zij de slip van mijnen rok,

en trachtte mij, die 'er tegen worstelde, staande te houden. Ik toen 't

geweld te baat nemende, maakte Mevrouw uit de handen te komen, en wijl

ik gaauwer ter been was, was ik in 't kort uit haar gezigt. Hoedanig zij

toen in razernij op mij ontsteken wierd, kon ik uit de woorden _kaki

spolaki,_ dat is, _gij ondankbaare hond_, welke zij mij gestadig

naschreeuwde, gemakkelijk afnemen. Maar haare scheldwoorden met eene

Spartaansche edelmoedigheid opkroppende, was ik blijde, dat ik uit dit

land der Wijzen, waar aan ik niet zonder schrik kan denken, genoegzaam

heels huids ontkomen was.

Het naast-aangrenzende gewest is de Provincie _Nakir_, hebbende eene

Stad of overgroot Dorp dat eveneens genoemt wordt, en waar van ik niet

veel zeggen kan, vermits ik met zoo grooten haast als mij mogelijk was,

alle Landschappen, grenzende aan dat der Philosophen, voorbij liep,

haastende mij naar zulke volkeren die weinig werks maakten van de

Philosophie en vooral van de ontleedkunde. Want zoodanig zat 'er mij de

schrik van in de leden, dat ik al wie mij maar op den weg ommoette,

vraagde, of hij een Philosooph was; ook waarden mij die lijken en

Anatomische instrumenten nog langen tijd in de gedagten. De inwoonders

van het Dorp _Nakir_ scheenen mij zeer gespraakzaam: want alle die mij

tegen kwamen, boden mij hunnen dienst, hoezeer ongevraagd, aan, met eene

breede betuiginge van haare eerlijkheid. Om de waarheid te zeggen, ik

vond die betuigingen gantsch belachelijk, wijl ik hen geen teeken altoos

van kwaad vermoeden had laten blijken, of iemants opregtheid ooit of

ooit in twijfel had getrokken. Dog toen ik aan eenige had te kennen

gegeven dat ik niet konde begrijpen, waar toe zij alle die zelve

betuigingen, met bijgevoegden eede, zoo dikwils herhaalden; ontmoette

ik, zoo als ik het Dorp uitgetreden was; eenen reiziger, langzaam

voortgaande en zugtende onder den last van zijn pak. Zoo haast als hij

mij zag, stondt hij stil, vragende, waar ik van daan kwam; maar toen ik

hem zeide, dat ik onlangs het dorp _Nakir_ was doorgegaan, wenschte hij

mij geluk dat ik 'er zonder kleerscheuren uitgekomen was, vermits de

inwoonders, bekent door hunne dieve-streken, de reizigers niet dan naakt

en bloot pleegen te laten vertrekken. Ik gaf daar op ten antwoord, dat,

zoo hunne daden met hunne woorden overeenkwamen, zij zeer opregte lieden

moesten zijn, vermits ieder een, hoe zeer ongevraagd, op zijne

eerlijkheid, met duure eeden, pochte. Waar op hij lachende, mij zeide;

_wagt u, dat gij u niet te veel vertrouwt op de gene die zoo breed

afgeven van hunne eige eerlijkheid; maar vooral op zulke, die den Duivel

tot getuigen daar van nemen_. Deeze vermaning heb ik lang in mijn hart

bewaart, en op de proef ondervonden dat die Onderaardling mij wel te

regt gewaarschuwt hadt: waarom ik ook, wanneer een schuldenaar mij op

zijne eer zweert, de onder handelinge afbreeke en 't geleende

wedereische.

Aan de landpalen van dit gewest gekomen, zag ik een water, ros van

kleur, aan welks oever eene roeischuit die te huur was, gereed lag om af

te konnen varen, en waar mede men voor een prijsje naar het _Land der

Reden_ kon oversteken. Over de vragt afgesproken hebbende, stapte ik in

de schuit, en nam met het meeste genoegen der waereld de reis aan: want

de Onderaardsche schepen worden door verborgen werktuigen zonder eenig

toedoen des bootsvolks voortgedreven, en klieven het water met eene

ongelooflijke snelheid. Aan land gezet zijnde, zag ik naar eenen

kruijer, en ging onder deszelfs geleide naar de Stad _der Reden_. Onder

weg zijnde, wierd ik door mijnen reisbroeder van de gelegenheid

derzelve, en van den aart der inwoonders genoegzaam onderrigt: ik vernam

dat alle de burgers, niemant uitgezonderd, Reden-konstenaars[2] waren,

en dat deeze Stad de waare zitplaats der _Reden_ was, en daar van den

naam ontleent hadt. Binnen de Stad getreden, ondervond ik waaragtig te

wezen, 't geen hij mij daar van gezegt hadt: aangezien ieder burger, om

de spitsvinnigheid van zijn verstand, om zijne deftigheid en gemaakte

staatigheid, mij een Raadsheer scheen te zijn: waarom ik, mijne handen

hemelwaards heffende, uitriep: ô drie-ja vierwerf gelukkig land, daar

niet dan Catoos geboren worden. Maar toen ik de gelegenheid der Stad wat

naauwkeuriger bezigtigde, wierd ik gewaar, dat veele dingen aldaar

slordig behandelt wierden, en dat het Gemeenebest, door gebrek aan

gekken, als ging kwijnen. Want nademaal de ingezetenen alles in de

schaal der Reden opwegen, en door geene schoone beloften, glimpende

redenen, of aanlokzelen zig omzetten laten; zijn de beweegredenen, waar

door de gemoederen der onderdanen tot die doorlugtige, en, voor het

Gemeenebest heilzame, poogingen, met gemak, en zonder kosten van 't

Gemeen aangespoort worden, aldaar verre te zoeken.

De onheilen in den Staat; voortvloeiende uit dat naauwkeurig onderzoek,

wierden mij, op eene hartbrekende wijze, door eenen bedienden der

Finantien, aangetoont met deeze woorden: _hier verschilt de eene boom

niets van den anderen, dan alleen in naam en in gestalte des lichaams.

Men vindt hier geen naijver onder de Burgerij, vermits 'er geen kans is,

om eenig kenteeken van onderscheid te krijgen, en niemant schijnt wijs

te zijn, vermits zij 't alle zijn. 't Is waar, de gekheid is eene

ondeugd; maar egter niet te wenschen, dat ze 'er in 't geheel niet

gevonden worde. Dat is genoeg voor eenen Staat, dat 'er zoo veele

verstandige als Staats-ampten in zijn. Dat 'er dan Regenten zijn; maar

laaten 'er ook teffens zijn die geregeert worden. 't Geen de Regeerders

van andere Staaten door enkele beuzelingen en speelpoppen weten te

krijgen, konnen de onze niet meester worden dan door waaragtige

belooningen, die doorgaans de schatkist ledig maaken. Want voor den

dienst aan 't Vaderland bewezen, eisschen de Verstandige het pit; daar

de gekken zig met den dop laten paaien. Zoo brengt, bij voorbeeld, het

uitdeelen der eerampten en tytels, waar aan de gekken als aan zoo veel

verlokkend aas hangen blijven, en tot het ondernemen der zwaarste zaken

aangezet worden; weinig te weeg bij eene Burgerij die zig laat

voorstaan, dat de waare agting en de regte eer niet dan alleen door

deugd en innerlijke waardij verkregen kan worden; en die zig derhalven

door glimpende beloften nooit bij den neus laten leiden. Wijders wordt

bij u het Krijgsvolk aangezet om alle gevaren voor 't Vaderland te

ondergaan, op hoop dat, na hunnen dood, hunne namen in de Jaarboeken

zullen leeven; maar bij ons rekenen zij dat voor gehoorstreelingen, wijl

hen de spreekwijze_, te weten: inderdaad te sterven, dog in de

geschiedenissen te leeven, _'t eenemaal onbekend is; 't enkel ijdelheid

agtende voor de gene die 't niet meer hooren kunnen, dat hun lof

opgehaalt wordt. Ik ga voorbij zeer veele andere onheilen, welke uit een

al te naauw onderzoek van zaken voortkomen, en welke genoegzaam

aantoonen, dal het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten

minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij: want daar door

wordt in den Burgerstaat het zelve te weeg gebragt, 't geen het zuur in

de maag doet, waar van wij, ziek zijnde, te weinig of te veel hebben._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 8 / 21 段