Duitsche mijlen beslaat, schijnt egter van eene groote uitgestrektheid
te zijn, wegens der inwoonderen langzaamheid van gang. Hier van daan is
het, dat de meeste Gewesten, vooral die wat afgelegener zijn, deeze
Onderaardlingen nog onbekent zijn: want geen een _Potuaan_ is in staat
om in den tijd van twee jaaren dien Bol te Voet om te reizen: daar ik
het, wijl ik zeer wel ter been was, binnen den tijd van eene maand
konde doen. Maar daar ik het meest benaauwt voor was, was, zoo als ik
mij inbeeldde, de verscheidenheid van taal. Dog eenige gaven mij moed,
betuigende dat alle de bewoonders der Planeet, hoe zeer ze kragtig
verschilden in zeden, egter alle een en dezelve uitspraak hadden; en dat
ook het geheele boomgeslagt opregt, vriendelijk, en goedertieren was,
zulks ik, zonder eenig gevaar, de gantsche Planet zoude konnen
omwandelen. Dit was een gewillig paard de sporen geven, en ik begaf mij
op reis met het begin van de _Populier-Maand._
De dingen die staan te volgen, zijn zoo verbazende, dat ze veel eer naar
de versiersels der Digters, of zuivere harsschenschimmen schijnen te
gelijken: vooral wijl die verscheidenheid zoo in lichaam ais in geest,
welke ik op mijne reize ondervonden hebbe, zelfs, niet onder de
onderling allerafgelegenste Volkeren, en die onder eene andere
lugtstreek leeven, te wagten is. Dog men moet weten, dat de meeste
Volkeren deezes Aardbols door zeeën en zee-engtens van malkanderen zijn
gescheiden; en dat deeze Planeet een soort van Archipel vertoont.
Zelden vaart men deeze zee-engtens over, en de veerluiden, die aan de
oevers op de wagt staan, worden alleenlijk op die posten geplaatst om
der reizigers wille: want de inwoonders zetten bijna nooit hunne voeten
buiten de grenzen hunner geboorteplaats, en zoo zij door den nood
gedwongen zijn die zee engtens over te vaaren, keeren zij welhaast weder
terugge, als hebbende van stonden aan eene tegenheid in een vreemd
gewest. Hier van daan is het, dat zoo veele Natien als men 'er heeft,
men ook zoo veele nieuwe Waerelden vindt. Dog de voornaamste reden
deezer ongelijkheid spruit uit den verscheiden aart des gronds, 't welk
te zien is uit de verscheide kleuren der landerijen en der akkers, en
uit de doorslaande ongelijkheid der planten, vrugten, en peulvrugten;
zoo dat het geen wonder is dat in die verscheidenheid van landerijen en
vrugten, ook zoo veel verscheidenheid in den inborst der inwoonders, en
zoo veele verscheidene natuuren in dezelve te vinden zijn. In onze
waereld is 'er weinig onderscheid van zeden, studien, kleuren,
lichaamsform, zelfs in de Volkeren die onderling 't verst-afgelegen
zijn. Want mitsdien de aart des gronds bijna overal dezelve is, behalven
alleen dat de eene aarde vrugtbaarder is dan de andere, en dat ook de
natuur der vrugten, der kruiden en des waters dezelve is, konnen 'er
niet zoo veele Schepzelen van zoo verscheiden geslagt voortgebragt
worden, als 'er op dien Onderaardschen Bol geboren worden, alwaar ieder
stuk lands zijne bijzondere hoedanigheid heeft. Den vreemdelingen wordt
'er wel vergunt te reizen en koopmanschap te bedrijven; dog geenzins
daar te woonen: ook kan het hen om den verscheiden en tegenstrijdigen
aart der landstreeken niet toegestaan worden. Daar door komt het, dat
alle vreemdelingen die men op den weg ontmoet, of reizigers zijn of
kooplieden. De landstreeken egter, die aan 't Vorstendom _Potu_ grenzen,
zijn bijna alle van denzelven aart. Derzelver inwoonders hebben eertijds
zeer zwaare oorlogen gevoert met die van _Potu;_ dog thans staan zij, of
met dezelve in onderling verbond, of t' ondergebragt zijnde, houden zij
zig stil onder derzelver zagte regeeringe. Dog wanneer men eene groote
zee engte, die den geheelen Bol klieft, oversteekt; ziet men nieuwe
Waerelden; nieuwe en den _Potuanen_ onbekende schepzelen. Dit alleen
hebben zij gemeen met dat Vorstendom, dat alle de creaturen van dien
geheelen Aardkloot, boomen zijn met verstand en reden begaafd, en ten
naasten bij eene en dezelve uitspraak hebben, Daarom valt de reize niet
moeijelijk, voornamentlijk, nademaal zij, om de veelheid der kooplieden
of reizigers, die gewesten doortrekkende, gewoon zijn, allerlei
creaturen van verscheiden geslagt, en die in 't geheel niet naar hen
gelijken, te ontmoeten. Ik heb gemeent dit vooral niet te moeten
vergeten: op dat niemand het volgende verhaal kome te verveelen, nog de
verhaaler om zijne opgepronkte leugenen in regten worde betrokken.
Het zou te lang vallen, en 't is niet der moeite waart, alles, wat mij
op deeze reize gebeurt is, in 't bijzonder, en volgens den draad der
geschiedenisse, op te halen: mijn voornemen is alleenlijk te beschrijven
de meest verwonderlijke Volkeren, in welker zeden en gewoonten ik niet
weinige zaaken gevonden heb, die zoo ongewoon en verbaazende zijn, dat
de Planeet _Nazar_ uit dien hoofde onder de wonderwerken der waereld
gerekent mag worden. Ik heb opgemerkt dat het geheele boomgeslagt in
beschaafdheid, in verstand, en in deftigheid, weinig verschilt van de
_Potuanen;_ dog in gewoonten, geneigdheden en form van ligchaam zoo zeer
verschillend is, dat elk gewest mij voorkwam als eene nieuwe waereld op
zig zelven.
In de Provincie _Quamfo_, welke 't eerste Landschap is over de
zee-engte, zijn de inwoonders aan geen ziekten of lichaamskwaal len
onderhevig, maar leeven in eene genadige gezondheid tot dat ze oud en
grijs zijn. Om die reden hield ik hen voor de gelukkigste aller
schepzelen: dog uit den korten omgang dien ik met hen had, bespeurde ik,
dat ik zeer in mijne meeninge bedrogen was geweest: aangezien gelijk ik
onder de ingezetenen deezer Provincie niemant ooit droevig gezien heb,
ik 'er ook niemant vergenoegt, laat staan blijde, vond: want gelijk wij
geen aandoening hebben van eene heldere en getemperde lugt, ten zij wij
bevorens storm en onweder hebben uitgestaan; zoo hebben ook deeze boomen
geen bezef van hun geluk, om dat het altoosduurende en onafgebrooken is,
niet wetende dat zij gezond zijn, om dat hen de ziekten onbekent zijn:
invoegen zij hun leven doorbrengen in eene gestadige gezondheid, en te
gelijk in eene geduurige laauwheid: want voorspoed zonder tegenspoed
geraakt aan 't kwijnen door zatheid, en 't allergenoeglijkste leven is,
daar het zoet met zuur getempert wordt. Ik kan betuigen in geene Natie
onaangenaamer manieren, of kouder en onbeschaafder omgang ooit te hebben
gevonden. Het is waar, de lieden zijn 'er opregt; dog egter zoo, dat ze
nog, uwe toegenegenheid, nog uwen afkeer waardig zijn: gij hebt 'er voor
niemants belediging te vreezen, nog iemants haat te wagten: kort om, gij
zult hier niets vinden dat u mishaagt, nog iets dat u aanstaat. En
nademaal die gestadige gezondheid des lichaams nooit het afbeeldzel van
den dood onder 't oog brengt, of eenig medelijden met de ellendigen en
bedrukten verwekt; zoo brengen zij ook gantsch laauw en zorgeloos, en
zonder eenige hartelijkheid of ontferminge, hun geheele leven door:
waarom 'er ook onder dat volk geen voetstap van Godvrugt, van
teerhartigheid of meêdoogen te vinden is. Want gelijk de ziekten ons de
sterflijkbeid herinneren, zoo spooren zij ons ook aan tot wel te leeven,
en bevoelen ons op onze hoede te zijn, en reisvaardig te staan; en
gelijk zij ons smerten aandoen, zoo leeren zij ons te gelijk ons te
ontfermen over de gene die bezogt zijn. Hier door bespeurde ik
ligtelijk, hoe zeer ons de ziekten en doodsgevaaren tot alle betragtinge
van Godvrugt en onderlinge hulpe aanzetten: ja hoe onwaardiglijk wij ons
vergrammen tegen den Schepper, wijl wij schijnen als geboren te zijn tot
bezoekingen, die ons egter heilzaam en noodig zijn. Het staat egter te
letten dat deeze Eiken, op andere plaatzen overgebragt zijnde, zoo wel
als andere boomen, aan ziekten en zwakheden onderhevig zijn: waarom ik
oordeele, dat dat groote gezondheids-voorregt, zoo 't anders daar voor
gerekent mag worden, enkel en alleen aan de lugtstreek en 't voedzel
moet worden toegeschreeven. De Provincie van _Lalac_, die ook den naam
van _Mascatta_, dat is de gelukkige, genoemt wordt, schijnt met regt
haaren naam te dragen; want alles komt daar van zelf voort.
_De bloemen die van zelf uit d'aarde geurig sproten._
_De klei teelde ongebonwt, gewillig, onverdroten,_
_Het weelig veld-gewas: het veld schonk, onvermoeit,_
_De zwang're kooren-aar: de melk en nektar vloeit_
_Als water: d'Eik in 't wild' scheen honingdauw te geven._
Maar dit uitsteekend voorregt maakt de inwoonders niet boven andere
gelukkig. Want gelijk zij voor de kost niet behoeven te werken, worden
ook de meeste van hen, vadzig zijnde door ledigheid en luiheid, geduurig
met ziekten gekweld. Hier van daan sterven de meesten voor hunnen tijd,
wijl zij door wormen en verrottinge bedorven zijn. De natuur deezer
Landstreek verschafte mij geen geringe stoffe tot Wijsgeerige
overdenkingen, en het bleek klaar uit den stand en gelegentheid deezes
volks, dat handwerkslieden en de gene die dienstbaar zijn, in veele
opzigten gelukkiger leeven, dan de gene die, nooit bekommert om hunnen
leeftogt, hunne dagen in ledigheid en wellusten slijten.
_De honger pleeg altijd de beste saus te wezen;_
_En zelfs geringe spijs van d'eet-lust wordt geprezen:_
_Een hongerige maag is haast de kost bereid,_
_Die slegts aan d'overdaad verstrekt tot bitterheid:_
_Het Koninglijk geregt naauw brasser kon behagen,_
_Wiens zwakke voet ontzegt 't bedorven lijf te dragen._
Hier van daan zoo veele booze raadslagen, wanhoopige pogingen, en
geweldigen dood. Want de overvloed waar in zij leeven, hen alle
aandoeningen van smaak en geneugte benemende, verstrekt hen tot walging,
en doet hen verdriet in hun leven krijgen; zulks dat Land, 't geen ik
mij verbeeldde te zijn de woonstede der Gelukzaligen, mij niet anders
voorkwam dan eene sombere verblijfplaats der dooden, waardiger beklaagt
dan benijdt te worden.
_Dit kwam in mij den lust verwekken_
_Om haastig uit dit land te trekken._
Naast aan dit Landschap grenst het Gewest _Mardak_ geheeten, bewoond
wordende van Cypressenboomen, hebbende alle dezelve lichaams gedaante,
en alleenlijk onderling onderscheiden door den ongelijken form hunner
oogen: want sommige hebben dezelve langwerpig, andere vierkant: deeze
hebben die zeer klein, gene wederom zeer groot; zodanig, dat ze bijna
hun geheele voorhooft beslaan. Eenige worden met twee, andere met drie,
en andere wederom met vier oogen geboren. Daar zijn 'er ook die maar één
oog hebben; en welke men voor afzetzels van Polyphemus zoude groeten,
ten ware zij hun oog in 't agterhooft niet hadden. Hiervandaan is het,
dat zij naar gelang der verscheidenheid hunner oogen in even zoo veele
Stammen worden verdeelt.
_De Namen der Stammen zijn deeze navolgende._
1. _Nagiri_: dat is der gene die de oogen
langwerpig hebben, en aan welke om
die reden, alle voorwerpen langwerpig
voorkomen.
2. _Naquiri_, welker oogen vierkantig zijn.
3. _Talampi_. Deeze hebben kleine oogen.
4. _Iaraku_, met twee oogen, van welke het een wat schuins staat.
5. _Mehanki_. Deeze hebben drie oogen.
6. _Tarrafuki_. Deeze hebben 'er vier.
7. _Harramba_. Welker oogen hun geheele voorhooft beslaan.
8. _Skadolki_. Deeze zijn 't die één oog in 't
agterhooft hebben.
Van, alle deeze is de Stam der _Nagiri_, of der gene die langwerpige
oogen hebben, en welken daarom alle voorwerpen ook langwerpig voorkomen,
de talrijkste, en bij gevolg de magtigste. Uit deezen Stam alleen worden
de Staats-regeerders, de Raadsheeren en de Priesters verkooren. Deeze
alleen hebben alle bewind in handen, en laten niemant uit eenen anderen
Stam toe Staats-ampten toe, ten zij hij betuige, dat zekere ronde
schijf, de Zon toegewijd, en, op eene verheven plaats des Tempels
gestelt, hem ook langwerpig voorkomt, en dat hij die belijdenisse met
eede bevestige. Deze gewijdde schijf is het voornaamste voorwerp van den
_Mardakaanschen_ Godsdienst. Hier van daan is 't, dat de eerlijkste
onderdanen, die zig niet willen hesmetten met de misdaad van
meineedigheid, van alle Staatsbedieningen geweert, en voor geduurige
spotternijen en vervolgingen blootgestelt worden; en hoe zeer zij
betuigen dat zij gelooven moeten 't geen zij met hunne oogen zien,
worden zij egter aangeklaagt, en 't geen een gebrek in de natuur is,
wordt hen als kwaadaartigheid of koppigheid aangetegen.
Het Formulier van eedzweering, 't welk een iegelijk die tot bedieningen
of eerampten staat toegelaten te worden, onderteekenen moet, is bijna
van den volgenden inhoud:
_Kaki Manasca Quihompu Miriac Jacku Mesinbrii Caphani Crukkia Manaskar
Quebriac Krusundora._
Dat is: ik zweere dat de gewijdde Zonschijf mij langwerpig voorkomt,
belovende in dat gevoelen tot mijnen laatsten levenssnik te zullen
volharden.
Deezen eed afgelegt hebbende, worden zij verkieslijk verklaard tot
bedieningen, en onder den Stam der _Nagiri_ aangenomen.
Daags na mijne aankomste, terwijl ik, niets te verzuimen hebbende, over
de markt ging wandelen, zag ik eenen ouden man wegbrengen om gegeesselt
te worden, verzelt zijnde van eenen grooten troep Cypressenboomen die
hem de huid vol scholden. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij
geantwoort; dat hij een ketter was, en in 't openbaar geleert hadt, dat
de Zon-schijf hem vierkant voorkwam; welk verderflijk gevoelen hij,
niettegenstaande veelvuldige aanmaningen, halstarrig was blijven
aankleven.
Om deeze reden, eene kans willende wagen, of ik ook regtzinnige oogen
had, en binnen den Tempel der Zonne getreden zijnde, alwaar mij de
gewijdde schijf ook vierkant scheen te zijn; gaf ik mijnen Huiswaard,
die onlangs tot het fabryk-meesterschap der Stad verheven was, zulks
openhartiglijk te kennen. Hij, mijn zeggen met een diep gezugt
aanhoorende, betuigde mij dat dezelve hem ook vierkant voorkwam; dog dat
hij zulks aan niemant hadt durven ontdekken, ten einde hem de regeerende
Stam geen spel mogte maken, en hem zijne bedieninge afnemen.
Al beevende dan, en ter sluip, ging ik de Stad uit, vreezende dat ik
misschien de misdaad mijner oogen met den rug zoude moeten boeten, of,
met den haatelijken tytel van Ketter gebrandmerkt, op een schadelijke
wijze daar uit gezet worden. Waarlijk, nooit kwamen mij eenige wetten
zoo schrikkelijk voor, of eenige inzettingen meer barbaarsch en
onredelijk; wijl ik zag, dat men enkel en alleen door veinzerij en
meineedigheid zig eenen weg tot eerampten baande. Waarom ik ook, in 't
Vorstendom _Potu_ wedergekeert zijnde, zoo menigmaal ik gelegenheid had,
mijne gal uitbraakte op die barbaarsche Republyk. Dog toen ik op zekeren
tijd mijnen moed daar aan koelende, aan eenen Jeneverboom, waar mede ik
zeer gemeenzaam omging, mijne gramschap des wegen openbaarde, begon
dezelve aldus, te spreken: "Voorzeker zullen aan ons de inzettingen der
_Nagiri_ dwaas en onbillijk voorkomen; dog laat het u niet vreemd
schijnen, dat 'er om die verscheidenheid van oogen zulk eene groote
strengheid geoefent wordt; nadien 't mij te binnen schiet u te hebben
hooren zeggen, dat 'er in de meeste Staaten van Europa heerschende
Familien gevonden worden, die uit hoofde van het gebrek des gezigts of
des verstands, de andere te vuur en te zwaard vervolgen; en dat gij
zoodanig bedwang, als Godvrugtig, en heilzaam voor den Staat, hooglijk
kwam te roemen." Aanstonds begreep ik waar die doortrapte man met dat
zeggen heen wilde; waarom ik beschaamt zijnde, van daar ging en zedert
dien tijd altoos de verdraagzaamheid voorstaande, strijke ik een veel
zagter vonnis over de gene die niet regtzinnig zijn.
Het Prinsdom _Kimal_ wordt, om de rijkdommen die het bezit, voor 't
magtigste van alle gehouden. Want behalven de Zilvermijnen, waar van 'er
daar veele gevonden worden, wordt 'er eene groote menigte Gouds uit het
zand der rivieren gehaalt: ook levert de nabuurige zee zeer veele
Peerlen uit; dog dat in schatten alleen geen geluk gelegen is, heb ik,
met dit volk wat naauwer te ondertasten, op de proef bevonden. Want zoo
veele inwoonders als 'er zijn, zoo veele mijn gravers en duikelaars zijn
'er bijna, die op winst uit zijnde, tot eene geduurige slavernij, en tot
den allerhardsten arbeid schijnen verwezen te zijn. De gene die van
deezen arbeid bevrijd zijn, staan altoos op schildwagt om hunne schatten
te bewaren; en het geheele landschap is zoodanig onveilig door roovers,
dat niemant zig op reis durft begeven zonder eene lijfwagt.
_Geen dag zoo heilig meer, dat 't steelen wordt verschooven._
_Verraad, bedrog, geweld en gierigheid staan boven._
_Men leeft alleen op roof: de huiswaart is in last,_
_En aan zijn eigen haart niet veilig voor den gast._
_Geen schoonvaêr voor den zoon: getrouwe broederliefde_
_Is zeldzaam: want de haat den eigen broeder griefde._
_De man verhaast zijn vrouws, de vrouw haar egaês dood._
_De booze stiefmoêr mengt vergift in ekelbrood._
_De zoon t' ontijde staat den Vader naar het leven._
_Godvrugtigheid heeft uit. Astrea wordt verdreven._
_De leste van de Goon, die angstig en bedugt,_
_De waereld, rood van moord, ter naauwer nood ontvlugt._
Hier door is dat volk, dat van zijne nabuuren met nijdige oogen wordt
aangezien, meer te beklagen, dan te benijden. Want vrees, agterdogt,
wantrouwen en afgunst houden de gemoederen voor altoos gevangen, en de
een ziet den anderen niet dan als eenen vijand en belager zijner
goederen aan, zoo dat vrees, kommer, nagtbraken en een bleek wezen de
vrugten en de oogst van dien geluk-staat zijn, waarop het Prinsdom
_Kimal_ zijnen roem draagt. Dit was de reden, dat ik dat gewest niet
zonder vrees en moeilijkheid doorreisde; want op alle wegen en
grensscheidingen wierd ik genoodzaakt aan de weg-wagters te zeggen, de
oorzaak van mijne reize, mijnen naam, vaderland en diergelijke; en ik
zag mij bloot gestelt aan alle die kwellingen, welke de reizigers
pleegen te ondervinden in zulke plaatsen, daar men uit agterdogt naauw
onderzoek doet. In dat Land is een brandende berg, waar uit als met
gestadige golven onderaardsche vuuren worden uitgeworpen.
Na dat ik dit Prinsdom, 't ergste dat ik in mijnen gantschen togt
ontmoet heb, doorgetrokken was, zettede ik gestadig Oostwaards aan mijne
reize voort. Ik ontmoette allerwegen wellevende en beschaafde Volkeren,
dog ook teffens zeer zeldzaame. Maar daar ik 't meest van allen over
verwondert was, waren de inwoonders van het kleine Koningrijk
_Quamboia,_ welke de natuur met averegtsche zeden gevormt heeft, en wel
zodanig, dat hoe iemant ouder wordt, hoe hij ook te gelijk darteler en
wellustiger wordt, zulks de baldadigheid, geilheid en andere ondeugden,
die elders in de bloeijendste jeugd doorgaans gevonden worden, aldaar
met de jaaren toenemen. Derhalven wordt aldaar niemant eene
staatsbediening toebetrouwt, dan die nog tot zijn veertigste jaar niet
gekomen is: want niet zoo haast heeft hij dat bereikt, of men houdt hem
voor eenen baldadigen jongen
_Die onder 's moeders hard bedwang_
_Geweest is, al zijn leven lang._
Ik zag 'er die grijs van ouderdom waren, overal langs de straat loopen
rinkelrooijen, en hunnen tijd met kinderspel doorbrengen.
_Ik zag 'er eenige die maakten poppenhuisjes:_
_Bespanden 't wagentje met tweepaar kleine muisjes:_
_En 't paar of onpaar 's spel was anderer tijdverdrijf,_
_Die niet te paard reên op een rietje onder 't lijf._
Ik zag ook dat dezelve menigmaalen van kinderen daar over berispt, ja
zelfs met zweepen naar huis gedreven wierden. Ik zag eenen afgeleefden
grijsaard openlijk op de markt eenen drijftol voortzweepen, of met eenen
hoepel speelen; en die zelve persoon was voortijds een zeer deftig man,
en President van den Grooten Raad geweest. Deeze verkeertheid hebbe ik
zoo wel in de vrouwelijke als manlijke Sexe gevonden: en daar van daan
komt het, dat een jongeling een oud besje trouwende, zelfs het lot van
Acteon van allen man voorspelt wordt, 't geen regelregt strijdig is met
het geen bij ons voorvalt, alwaar een grijsaart een piep jonge vrijster
trouwende, bang is, dat hem hoorns opgezet zullen worden. Ik ontmoette
eens twee stok-oude mannen die al kaal waren, t' zamen vegtende op de
markt; mij verwonderende over hunne hevigheid, zoo ongewoon in dien
ouderdom, en vragende naar de oorzaak van dat tweegevegt, wierdt mij
geantwoord, dat 'er krakeel tusschen hen gerezen was over eene hoer,
welke zij beide in een hoerhuis tot hunne devotie gehad hadden. Die mij
dat verhaalden voegden 'er bij, dat men hen strengelijk met roeden de
billen zoude geesselen, zoo haast hunne voogden en bestierders die
baldadigheid zoude ter ooren zijn gekomen. Nog dien zelven avond kwam
mij ter ooren dat eene oude Matroone zig verhangen hadt, om dat zij aan
eenen jongen Beukeboom, waarop zij smoorlijk verlieft was, een blaauwtje
geloopen hadt.
Deeze averegtsche levenswijze vereischt ook averegtsche Wetten: daarom
wordt 'er in dat Kapittel der Wet, die van de voogdijen handelt, aan
niemant de beheering zijner goederen toegedaan, ten zij hij beneden de
veertig jaaren oud zij. Wijders worden geene handelingen, aangegaan bij
de gene die boven de veertig jaaren zijn, voor wettig gehouden, ten zij
dezelve door hunne kinderen of voogden bekragtigt zijn. In het Kapittel
van de afhankelijkheid worden deeze woorden gevonden: _Dat Grijsaarts en
oude Besjes gehoorzaam zijn aan het bevel hunner kinderen_. Hier door is
het, dat de gene die in bedieningen zijn even voor hun veertigste jaar
pleegen afgedankt te worden.
_Hen wordt van hoogerhand en magt en regt benomen._
_'t Bestier der Ouden moet aan jongelingen komen_
_Die hen de naaste zijn in maagschap...._
Ik dagt, dat het niet raadzaam voor mij was, langer in dat Land te
verblijven, alwaar ik, zoo ik anders nog tien jaaren levens had, door 't
bevel der Wet, zoude gedwongen zijn, weder kinds te worden.
In 't Landschap _Cocklecu_ wierdt eene gewoonte, die niet minder
verkeert is, en bij de Europische Volkeren grootelijks afgekeurt wordt,
onderhouden. Die averegtsche levenswijze spruit niet uit de Natuur, maar
alleen uit de Wetten voort. Alle inwoonders deezes Lands, zoo mannen als
vrouwen, zijn Jeneverboomen; dog de mannen alleen zijn verwezen tot
huiswerk, en alle andere geringe bezigheden. In oorlogs-tijden worden
zij wel tot den krijgsdienst opgeschreven; dog bereiken daar in zelden
hooger trap, dan dien van slegt Soldaat; vermits 'er weinige zijn, die
tot een Vaandel geraken: ook is het Vaandrigsampt de hoogste
waardigheid in den krijgsdienst, daar een manboom naar staan kan.
Daarentegen worden de vrouwen de zwaarwigtigste zaaken, zoo in het
burgerlijke als in het geestelijke, mitsgaders in het geen den krijg
betreft, aanbevolen. Ik lachte onlangs met die van _Potu_, dat zij in 't
uitdeelen der bedieningen geen onderscheid van Kunne maken; dog dit Volk
scheen mij met den kop gekwelt te zijn, en tegen de Natuur te handelen.
Om de waarheid te zeggen, ik kon de toegevendheid der mannen in mijn
hoofd niet krijgen, welke, daar zij in ligchaams-kragten verre voor
leggen, zig egter zulk een onwaardig jok lieten opleggen, en zoo veele
eeuwen lang dien smaat hebben moeten opkroppen; daar het zeer ligt zoude
vallen dat jok af te schudden, zoo zij die vrouwelijke Tyranny slegts
wilden of durfden ontzenuwen. Dog die verouderde gewoonte hadt zoo zeer
hunne gemoederen verblindt, dat het niemant in de gedagten kwam, eene
kans te wagen om dien smaat weg te nemen: ja dat zij zelfs van meeninge
waren, dat het de Natuur zoo beschikt hadt, dat de wijven baas moesten
wezen, en dat de mannen maar moesten weven, bijslapen, spinnen, het huis
schrobben, en wat rug-op krijgen. De bewijsredenen, waar mede het
vrouwvolk dit gebruik tracht goed te maken, zijn deeze: overmits de
Natuur het manvolk met ligchaams-kragten begaaft, en hunne ledematen tot
zwaaren arbeid bekwaam gemaakt heeft, is 't zeer waarschijnlijk, dat zij
alleen het geslagt der mannen tot geringen en zwaaren arbeid geschikt
heeft, 't Verbaasde de Vreemdelingen, wanneer zij in een huis komende,
aldaar de vrouw van 't huis zagen, zittende in haar boek-vertrek met
eenen schrijfpriem en een handboekje; dog den man door de keuken
warende, en potten en pannen schuurende. En zeker, in wat huis ik ook
kwam, om met den man te spreeken, ik wierd naar de keuken gewezen:
alwaar
_De een het zilver wascht, en d'andere schuurt den pot:_
_Een derde reinigt zelfs het honde- en varkenskot;_
_Terwijl 't heerschzugtig wijf al bulderende den vroomen_
_Hals met een' bullepees, vast dreigt op 't lijf te komen._