betaalen kan, het bewind over de Schatkist te vertrouwen, is even zoo
veel, als aan eenen uitgehongerden hond de spijskamer te bevelen. Het
zelve heeft plaats in eenen rijken vrek: want gene heeft niets; en deeze
nooit genoeg.
18. Geen Legaten of Stichtingen te bekragtigen, welke alleen dienen om
luijen boomen den kost te verschaffen, of derzelver onkunde te
koesteren. Hier van daan worden in alle Kloosters deezes Vorstendom en
teffens in alle Collegien, niet anders aangenomen dan naarstige en
spaarzame boomen; te weten zulke die door eenig handwerk het Gemeenebest
ondersteunen, of door Studiën en Letter-oeffeningen de Maatschappij,
waarvan zij leden zijn versieren konnen. Uitgezonden alleen eenige
weinige Kloosters, die onderhoud geven aan boomen die uitgedragen, of
door ouderdom verdort zijn: want die zijn, om hunnes ouderdoms wille,
van allen arbeid ontslagen.
19. Wanneer 't met de ondeugden zoo verre gekomen is, dat zij eene
verbeteringe van den Staat vereisschen, moet men als kruipende daar toe
overgaan. Want alle verouderde gebreken eensklaps te willen uitroeijen,
is even zoo veel, als of men eenen zieken een braakmiddel, eene
buikzuivering en eene aderlatinge, op een en den zelven tijd,
voorschreef.
20. Die alles stoutelijk belooven, en veele zaaken te gelijk op zig
nemen, zijn of gekken, die hunne eigene kragten niet kennen, en het
gewigt der zaaken niet beseffen, of kwade en verbasterde burgers die zig
zelven en niet het Gemeenebest ten dienst staan. Een voorzigtig man meet
zijne kragten af eer hij den jast op zig neemt, en een regtaartig
onderdaan, welken de welvaart des Vaderlands ter harte gaat, weet al te
wel, dat geen paard al loopende beslagen moet worden.
AGTSTE HOOFDSTUK.
_Van de Hooge School._
In dit Vorstendom zijn drie Hooge Schoolen of Academiën, waar van de
eerste is _Potu_, de tweede _Keba_, en de derde _Nahami._ De
Wetenschappen die aldaar aangekweekt worden, zijn de Geschiedkunde, de
Landbouw, de Wiskunde en de Rechtsgeleerdheid. Aangaande de
Godgeleerdheid: dewijl dezelve zoo besnoeit en beknopt is, dat zij bijna
in twee bladzijden vervat en opgestelt kan worden, en nademaal dezelve
alleen deeze Leerstukken bevat, dat wij liefde en eerbied voor God
hebben, die de Schepper en Bestierder van al het geschapene is, die in
het toekomende leven de deugd beloonen en de ondeugd zal straffen; zoo
is 'er geen Academische Studie, nog zij kan 'er ook niet wezen, vermits
bij de wetten stiptelijk bevolen is, dat niemant over het Wezen of de
Eigenschappen Gods zal hebben te disputeeren. Ook wordt de Geneeskunde
hier onder de Academische Letter-oeffeningen niet gerekent: want
overmits deeze boomen soberlijk leeven, zijn 'er de inwendige ziekten
voor het meerder gedeelte onbekend. Van de Overnatuurkunde en van de
hoogdravende Studiën zal ik niet spreeken, nademaal ik boven hebbe
aangetoont, dat alle de gene die over de natuur des Goddelijken Wezens,
over de hoedanigheid der Engelen, en over 't bestaan der Ziele
disputeeren, na voorafgaande aderlatinge, in het publyke dol- of
tugt-huis worden gezet.
De Academische Oeffeningen bestaan hier in: De jonge Studenten zijn
gehouden in 't begin haarer Letter oeffeningen over te geeven eene
ontleeding van die moeijelijke en fraaije geschilstukken. De zwarigheden
die zij daar in staan op te lossen, worden hen op gezette tijden
voorgestelt, zekere belooning gestelt zijnde voor den genen, die 't
allergeleerdst en 't allerfraaist het raadzel weet op te lossen. Door
deeze middelen wordt een iegelijk inderdaad aangespoort tot vordering,
en speuren de Opzigters der Letter-oeffeningen na, hoe verre eens
iegelijks bekwaamheid gaat, en in welke Wetenschap hij wat groots
belooft. Niemant legt zig meer dan op eene Wetenschap uit: want zig in
die alle te willen oeffenen, wordt bij hen voor 't werk van een zwak en
onbestendig vernuft gehouden: en om deeze redenen is het, dat de Studiën
aldaar, vermits dezelve zoo eng bepaalt zijn, binnen korten tijd tot
rijpheid worden gebragt. De Leermeesters zelfs zijn gehouden jaarlijks
proeven hunner geleerdheid te geven. Aan eenen Leeraar in de
Zedekundige-Wijsgeerte wordt bevolen, het een of 't ander moeijelijk
geschilstuk te verklaren: die in de Geschiedkunde, eene Historie of een
gedeelte daar van op te stellen: den Huisman en Wiskundigen wordt
opgelegt duistere zaaken na te speuren, en hunne wetenschappen door
nieuwe uitvindingen licht bij te zetten. De proefstukken der
Rechtsgeleerden bestaan in welgepaste en verstandig opgestelde
redenvoeringen: want deeze alleen zijn genoodzaakt in de _Rhetorica_ of
Redeneerkunde zig te oeffenen; aangezien zij het alleen zijn, welken
deeze oeffeningen in 't vervolg te passe komen, en tot het ampt van
Advocaat, 't geen in kragten klem van welspreekendheid beslaat, bekwaam
maken. Hierom was het, dat toen ik hen zeide, dat alle Academische
Proefstukken bij ons in 't doen van eene redenvoeringe geschiedden, zij
dat gebruik geheel en al verwierpen, zeggende; dat zoo alle
handwerkslieden eene proef moesten geven met schoenen te maken, de
meeste proefstukken onvoltooit en onbeschaaft voor den dag komen, en de
schoenmakers alleen den prijs zouden wegdragen. Ik maakte maar alleen
gewag van de redenvoeringen, niet durvende reppen van zintwistingen,
vermits dezelve aldaar onder de Schouwspelen worden gerekent. De
openbaare Leeraars onderwijzen aldaar op geen strenge of heerschagtige
wijze, in zaaken die noodig zijn vermaant of geweten te worden, even
gelijk het de manier is onder onze Wijsgeeren; maar geestige en
aangename gelijkenissen uitgedagt hebbende, geeven zij als door een
soort van betovering eenen indruk van de zaaken, die zij nuttiglijk
hebben opgemerkt.
Het is verwonderlijk met welk eene deftigheid en luister de Academische
Handelingen verrigt worden, en de Promotien hier geschieden: want men
draagt 'er de aller uiterste zorg, dat 'er niets in de Academische
Handelingen gevonden worde, 't geen oorzaak tot lachen geeven, of tot
een soort van Schouwspel verstrekken kan: immers zij houden het daar
voor, dat alle Academische Plegtigheden, van de Tooneelspelen te
onderscheiden zijn in deftigheid en aanzienlijkheid, ten einde de
Wetenschappen, door op eene onbetamelijke wijze behandeld te worden,
niet in veragtinge komen. Hierom durfde ik geen gewag maken van de
Plegtigheden, waar mede in onze Waereld de Promotien geschiedden,
nademaal 'er uit 't geen mij te _Keba_ was overkomen, toen ik onze
Doctoraale Promotien beschreef, reden genoeg was, om 'er voor altoos van
te zwijgen.
Behalven deeze Academiën hebben alle andere Steden haare hooge
Kweek-schoolen, en mindere Schoolen, alwaar op de neigingen der
vernuften naauwkeurig gelet wordt, om al vroeg te konnen zien, waar naar
een iegelijk het hoofd staat te hangen, of in wat soort van
Letter-oeffeningen hij de grootste hoop zal geven. Terwijl ik mijne
leerjaaren in het Kweek-school te _Keba_ doorbragt, had ik tot mijne
makkers vier jongelingen, zoonen van den Opperpriester, welke alle in de
Krijgskunde; vier andere van een Raadsheers geslagt, die in handwerken
en ambagten; en twee jonge Dogters die in den Scheepvaart onderwezen
wierden: want hier wordt enkel en alleen op der leerlingen geneigdheid,
zonder onderscheid van staat of kunne, agt geslagen. De Bestierders der
Kweek-schoolen, de vernuften grondig ondertast hebbende, geven een
iegelijk een getuigenisse naar waarheid, gelijk wij boven vermeld
hebben. Die getuigenissen worden gehouden voor zeer opregtelijk, en
zonder aanzien van persoon verleent te zijn, schoon 't mij anders
voorkwam: aangezien ik het getuigenisse dat mij van het Kweek-school te
_Keba_ afgegeven was, voor gek, onbetamelijk en onbillijk hield.
Niemant staat het hier vrij Boeken te schrijven, voor dat hij dertig
jaaren oud, en van de Bestierders der Letter oeffeningen bekwaam daar
toe geoordeelt is. Hierom komen 'er weinige, maar geleerde en zeer wel
doorwrogte, schriften in 't licht: waarom ik ook, hebbende beneden mijne
jaaren van onderscheid vijf of zes verhandelingen geschreven, dat aan
niemant durfde zeggen, uit vreeze van uitgelachen te zullen worden.
Dit zij genoeg gezegt van den Inborst, Godsdienst, Staatkunde en
Letter-oeffeningen deezes Volks. Daar is nog overig van eenige
merkwaardige zaaken, en die deeze Natie eigen zijn, iets te melden.
Wanneer de eene boom den anderen tot een tweegevegt uitdaagt, wordt aan
den uitdager voor altoos het gebruik der wapenen ontzegt, daarenboven
wordt hem bevolen om als een kind onder voogdij te staan, vermids hij
zijne driften geen meester is: geheel anders dan bij ons, alwaar
zoodanige uitdagingen bekent, en voor teekenen van eenen heldenmoed
gehouden worden, voornamentlijk in onze Noorsche Landen, in welke deeze
kwaade gewoonten geboren zijn; nademaal de uitdagingen onder de Grieken,
Romeinen, en andere oude Volkeren ten eenemaal onbekent zijn geweest.
In de _Potuaansche_ Rechtsgeleerdheid heb ik dit zeldzaame stuk
aangeteekent. De namen der gene die in een onderling rechtsgeding zijn,
blijven voorde Rechters verborgen, en het geding zelf wordt niet beslist
in de plaats alwaar het zijnen oorsprong heeft gekregen; maar wordt naar
de afgelegenste Provinciën ter beslissinge verzonden. De reden deezer
vreemde gewoonte is deeze: de ondervinding leert, dat veele Rechters zig
door vereeringen laten omkoopen, of dat zij door eenzijdigheid vervoert
worden. Derhalven meenen zij dat tegen zoodanige bekoringen 't allerbest
voorzien wordt, wanneer de namen dergene die in geding zijn, verzwegen
worden, en als de Aanlegger en Verweerder te gelijk met de zaaken, haave
of erve waar over geschil is, onbekent blijven. Alleen worden de
bewijsstukken voor en tegen aan scheidsmannen, naar 's Vorsten
goeddunken, met eenige verkortingen en letters verzonden: bij voorbeeld:
_of A. die in 't bezit is, de zaak, door hem in bezit genomen, behoort
weder te geven aan B. die dezelve eischt, en hem daar over in rechten
vervolgt_. Het ware te wenschen dat die manier bij ons was ingevoert,
nademaal wij menigmalen ondervonden hebben wat partijschap of andere
aanlokzelen op het gemoed der Rechters konnen te weeg brengen.
Het recht wordt onbedwongen en zonder aanzien van Persoon geoeffent. De
Vorst alleen is ongehouden voor de Rechtbank te verschijnen. Maar zoo
haast is hij niet dood, of de publyke aanklagers, anders gezegt 's
Lands-Advocaten, zenden den Overledenen eene dagvaarding t'huis. Als dan
worden in den vollen Raad de verrigtingen des afgestorven Vorsts
onderzogt, en eindelijk een vonnis gevelt, 't welk naar gelang van des
Overledens, verdiensten uit zekere bekortingen onderscheiden wordt. Die
bekortingen zijn ten naasten bij de volgende. _Loffelijk, niet
onloffelijk; wel; niet kwalijk; duldelijk; tamelijk._ Welke afgebroken
woorden op de markt aan het volk door den openbaaren uitroeper worden
voorgeleezen; en dat gedaan zijnde op des Overledens graf-tombe
uitgehouwen. Van deze gewoonte geven de _Potuaners_ deeze reden: dat
namentlijk de Vorst, zoo lang hij in leven is, niet voor 't recht kan
gedaagd worden, zonder opschuddingen en beroerten, aangezien men hem,
zoo lang hij leeft, schuldig is eene blinde gehoorzaamheid, en eene
geduurige eerbied, waar door een Staat staande gehouden wordt; dog dat
dat verband, waar mede de Onderdanen aan hunne Souverainen verbonden
zijn, ophoudt, zoo dra de Vorst komt aflijvig te worden, en dat ze om
die reden als eenigermaten hun eigen meester geworden zijnde, ook zig
zelven konnen bestieren. Door deeze heilzaame, schoon zeer zeldzaame,
Wet, wordt 's Vorsten veiligheid gehandhaaft, de hoogheid des
oppergezags niet benadeelt, en egter teffens betracht het welvaren van
den Staat: want die characters, hoe zeer ook op den Overledenen
toegepast, zijn egter prikkels tot de deugd voor de levenden, en het
blijkt uit de Geschiedenissen van _Potu_ dat 'er in den tijd van
geheele vierhonderd jaaren agter een, slegts twee Vorsten zijn geweest,
welke alleenlijk het laatste character, te weten dat van _tamelijk_,
hebben weggedragen. Bijna alle de andere hebben dat van _loffelijk_, of
_niet onloffelijk_ verdient, gelijk de opschriften hunner tomben
aantoonen, die nog gaaf en ongeschonden, en van den alverslindenden tijd
bewaard zijn. Het character van _tamelijk_, dat in de _Potuaansche_ taal
door _Rip-sac-si_ wordt uitgedrukt, verwekt zoodanige droefheid in de
Vorstelijke Familie, dat de Opvolger van den overledenen Prins, en te
gelijk zijn gantsche Huis, zes volle maanden daar over in den rouw
gekleed gaan. En het is 'er zoo verre van daan, dat de opvolgende
Vorsten op de Rechters, over derzelver onaangename vonnissen, eenigzins
vertoornt zouden zijn, dat dezelve hen veel eer tot prikkels zijn, om
loffelijk te regeeren; en om door deugd, voorzigtigheid, gerechtigheid
en bescheidenheid, de vlekke, waar mede de Vorstelijke Familie besmet
is, uit te wisschen.
De reden, waarom een van die twee Princen een met dat character
getekent geweest is, was deeze: dat, hoe zeer ook die van _Potu_ ervaren
zijn in 't stuk der krijgskunde, zij egter niemand den oorlog aandoen;
maar zig dapper verweeren, wanneer zij aangetast worden: waar door het
ook geschied is, dat zij tusschen andere die in den oorlog zaten,
scheidsmannen geworden zijn, en dat verscheide volkeren deezes Aardbols
zig aan het regtmatig en vreedzaame gebied dezer Natie onderworpen
hebben. Dog de Vorst _Mekleta,_ de palen zijns gebieds willende
uitbreiden, deedt zijne nabuuren den oorlog aan, en bragt ze eerlang te
onder. Maar zoo veel die van _Potu_ door den aanwasch van die overwonnen
volkeren in magt toenamen, even zoo veel verlooren zij ook, wijl de
genegenheid hunner nabuuren tot schrik en afgunst oversloeg: en die
overgroote agtinge van regtmatigheid en billijkheid, waar door de Staat
van _Potu_ was magtig geworden en staande gebleven, zedert aan 't
waggelen was geraakt: om welke redenen ook de _Potuaners_, om wederom de
toegenegenheid van andere volkeren tot zig te trekken, de geheugenisse
van den overleden Vorst met deeze vlekke gebrandmerkt hebben. Waar in
nu de misslag van den anderen Vorst, mede met zodanig character
beteekent, bestondt, is mij niet gebleken.
De openbaare Leeraars zijn de gene die bereids den derden ouderdom
hebben bereikt. Om dit wat nader te verklaaren, moet men weeten, dat het
leeven der boomen verdeeld wordt in drie soorten van ouderdom. De eerste
is der gene die in landszaaken onderwezen worden. In den tweeden
ouderdom stellen zij die zaaken te werk welke zij geleerd hebben; en in
den derden, op eene eerlijke wijze van 's Lands dienst ontslagen zijnde,
onderwijzen zij wederom andere. Hierom heeft niemant het recht om in 't
openbaar te leeren, ten zij hij in landszaaken bejaard geworden is: wijl
niemant geoordeeld worde leerstukken te konnen opgeven die op hunne
beenen staan, ten zij alleen de gene die, door ondervinding, eene
bondige kennisse daar van gekregen heeft.
Wanneer iemant, wegens een ergerlijk levensgedrag geschandvlekt zijnde,
eenen treffelijken en voor den Staat heilzamen raad heeft opgegeven,
wordt deszelfs naam verzwegen, op dat een goede raad niet bevlekt worde
door den schandelijken raadgever; en men beveelt dien te stellen op den
naam van eenen man van eere: aldus blijft de goede raad in stand, alleen
met veranderinge van den schandelijken raadgever.
In het stuk des Godsdiensts heb ik ondervonden, dat het verboden is over
de grondstukken des Geloofs, en vooral over 't Wezen en de Eigenschappen
Gods te zintwisten; dog nopende andere zaaken zijn oordeel op te geven,
en bijzondere gevoelens in overweginge voor te stellen, staat elk een
vrij. De _Potuanen_ zeggen, dat het nadeel dat uit zodanige twistredenen
ontstaat, vergeleken kan worden bij de onweders die huizen en boomen om
verre werpen; dog te gelijk de lugt zuiveren, bedervinge daar in
voorkomen, en verhoeden, dat zij door al te lange stilte niet verrotte.
De reden waarom zij zoo weinige Feestdagen hebben, is op dat het geslagt
der boomen door ledigheid niet vadzig worde: want de _Potuanen_ stellen
vast, dat de Godsdienst meer bestaat in noodzaakelijke werken te
verrigten, dan in bidden en geloften te doen. Van de Poëzy wordt 'er
niet veel werk gemaakt, schoon het Vorstendom niet geheel en al van
Dichters ontbloot is. Dog de Onderaardsche Poëzy verschilt, van Onrijm
alleen in hoogdravendheid der taal; waarom zij ook als iets kinderlijks
belachten, 't geen ik hen verhaalde van de voeten en het rijm onzer
Vaarsen.
Onder de Leeraars van _Potu_ zijn 'er, die Hoogleeraars van goeden smaak
genoemt worden. Deezen is opgelegt te bezorgen dat de jeugd zig niet
ophoude met wisjewasjes, of zaaken van weinig belang, op dat 'er geen
ongezoute of straatgeschriften, die den goeden smaak bederven, voor den
dag komen; en dat uit de Boeken, die gedrukt staan te worden, al 't geen
tegen de gezonde reden aanloopt, uitgeligt worde. Om welke redenen
alleen aldaar een gebod legt, dat de Boeken moeten onderzogt en nagezien
worden; geheel anders dan in onze Waereld; alwaar zelfs van de
allerbeste Onderzoekers de Boeken enkel en alleen opgehouden plegen te
worden, om dat ze in de kraam der Regeering niet dienen, of om dat ze
eenigzins afwijken van den aangenomen spraakstijl, of om dat 'er de
menschelijke gebreken, al schertsende en naar waarheid, in worden
doorgehaald: waar door het geschiedt, dat de Letter-oeffeningen gestuit,
en de welopgestelde geschriften geen licht konnen geven. Maar vermits
die van _Potu_ eenen vrijen koophandel met hunne nabuuren hebben,
sluipen 'er dikwils prulschriften, of die naar den smaak van 't slegt
volkje opgestelt zijn, binnen. Hierom zijn 'er Onderzoekers aangesteld,
die zig dagelijks in de Boekwinkels laten vinden. Zij worden
_Syla-Macatie_, dat is Boekerijveegers, genaamt: want gelijk 'er in onze
Waereld een soort van volk is, die de schoorsteenen en vuurovens
jaarlijks vegen, zoo zoeken ook deeze Onderzoekers, na dat zij de
Boeken, die te koop geveilt worden, doorsnuffelt hebben, 'er
naauwkeuriglijk de prullen uit, en werpen al 't geen zij vinden lorren
en vodden te zijn, alleen dienende om den goeden smaak te bederven, in
de riolen. Hierom zeide ik in mij zelv': ô! wat zou dat eene slagtinge
maaken onder de Boeken, zoo die instellinge in onze Waereld plaats hadt!
Maar boven al is te prijzen het toevoorzigt der gene, die uit den
inborst der jeugd afneemen, welken levensloop dezelve te verkiezen staa:
want gelijk het gehoor der Musikanten de allerminste ongelijkluidendheid
der snaaren gewaar wordt; zoo weten ook deeze Kenners en Opzienders der
deugden en gebreken, dikwils uit het star-oogen, uit het strak-houden of
zamentrekken der wenkbrauwen, uit de somberheid, uit het vrolijk gelaat,
uit den lach, uit de spraak, uit de agterhoudinge, en uit diergelijke
zaaken, ligtelijk te oordeelen, wat een iegelijk dienstig, of tegen
deszelfs natuur strijdig is.
Maar om weer van mij zelv' te spreken. Ik sleet mijnen tijd gantsch niet
genoeglijk met deeze wonderbaarlijke boomen, welke ik ten spot en
veragtinge verstrekte, om dat men mij nagaf dat ik van een vlug verstand
was: ook nam ik zeer kwalijk op de schampscheuten die mij deswegens
wierden toegeworpen: want door de bank heetten zij mij _Skabba_, dat is
te zeggen, den gaauwert of den schielijkaart. Maar 't meest van allen
stak mij in den krop, dat zelfs mijne waschvrouw zoodanig vonnis over
mij streek, die, schoon zij van het uittrekzel van 't janhagel, en een
rampzalige Lindeboom, geen penning waardig, was, egter geen zwaarigheid
maakte om mij, met dien haatelijken naam te noemen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
_Reize van_ KLIM _om de Planeet Nazar._
Na dat ik twee jaaren lang de moeijelijke bedieninge van Postlooper had
waargenomen, en, belast met bevel-brieven, het geheele Landschap had
doorgeloopen, kreeg ik eindelijk verdriet in mijn moeijelijk en te
gelijk onwaardig ampt: waarom ik met smeekingen op smeekingen den
doorlugtigen Vorst om mijn ontslag lastig viel, verzoekende teffens
eene aanzienlijker bedieninge. Dog ik liep gestadig een blaauwen scheen,
wijl de Vorst van gedagten was, dat mijne schouderen te zwak waren om
een ampt van gewigt te torsschen. Ook haalde hij eenige wetten en
gewoonten aan, regelregt strijdig met mijn verzoek, en welke tot hooge
en gewigtige bedieningen alleen bekwame mannen vereischten: waarom hij
zeide noodig te zijn, dat ik mijn eenmaal aanvaardde ampt bleef
bedienen, tot dat ik door verdiensten mij den weg baande tot iets
grooters; besluitende zijne redenen met deeze vermaning:
_Die naar wat groots wil staan, die dient vooral te weten._
_Dat hij zig zelf steeds heeft met eigen maat te meten._
_Men wil dat van de Goon het groote KEN U ZELF_
_Zij eertijds neergedaalt: ook pronkte Apoll's gewelf,_
_Weleer met deeze spreuk Gij dan wilt dit gedenken,_
_Betrachtend' uwen pligt......_
Dit dubbel blaauwtje deedt mij een stout en wanhoopig besluit nemen.
Zedert dien tijd trachtte ik wat nieuws uit te vinden, waar door ik de
voortreffelijkheid van mijn verstand mogt toonen, en teffens den smaad,
mij opgelegt, wegnemen. Ik had mij bijna een geheel jaar lang uitgelegt
in 't doorsnuffelen der wetten en gewoonten deezes Vorstendoms, zullende
onderstaan, of ik niet bij geval eenige gebreken, die verbetering noodig
hadden, zoude konnen ontdekken. Ik had mijn voornemen aan zekeren
Braambosch, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, en met welken ik van
jok en ernst pleeg te praten, geopenbaart. Dees vondt mijne uitvindinge
juist zoo vreemd niet; dog maakte veel zwarigheid of dezelve wel
heilzaam voor den Staat zoude zijn. Het was, zeide hij, de pligt van een
Verbeteraar, den aart en gesteldheid van het Land, dat hij trachtte te
verbeteren, zig zelv' voor oogen te stellen: want een en dezelve zaak is
van eenen gantsch verscheiden uitslag, volkeren, even gelijk een en het
zelve geneesmiddel, waar door het eene lichaam herstelt wordt, gantsch
schadelijk is aan 't andere. Voorts deedt hij mij zien, aan hoe groot
een gevaar ik mij bloot gaf met deeze kans te wagen; dat de Raad stondt
te vergaderen over mijn leven of dood, en dat het met mij gedaan was,
zoo mijn aanraden van de Onderzoekers verworpen wierdt. Derhalven badt
hij mij zeer, dat ik alles rijper wilde overwegen schoon hij mij van
mijn voornemen niet geheel en al wilde afschrikken, nademaal het
mogelijk was, dat ik, na rijp overleg, iets heilzaams, zoo voor mij
zelv', als voorden Staat, kwam te ontdekken: volgende dan den raad van
mijnen Vriend, rekte ik den tijd; en zedert mijn Postloopers-ampt met
geduld waarnemende, doorliep ik, naar gewoonte, Landen en Steden. En op
dat mij niet uit de geheugenis ginge, 't geen ik op reis had opgemerkt,
gaf ik, alles in zoo goeden stijl, als 't in mijne magt was, aangetekent
hebbende, den Vorst een Boek over dat niet klein was. Hoe zeer dit werk
naar 's Vorsten smaak was, bleek terstont daar uit, dat hij mijnen
arbeid in den Raad mee eene openbaare loftuitinge verhefte, en 't Boek
naarstig hebbende doorgelezen, besloot, zig van mij te bedienen in 't
ontdekken van de geheele Planeet _Nazar_. Ik had eene andere belooninge
voor mijnen arbeid gewagt; waarom ik stillekens met den Digter zeide
_De deugd wordt wel geprezen;_
_Maar zelden loon bewezen._
Dog vermids ik gaarne van staat verandert had, en na mijne wederkomste,
van 's Vorsten milddadigheid belooninge wagtte, was ik niet geheel en al
onwillig om mijnen dienst toe te zeggen.