Onder andere Wetten deezes Vorstendoms is deeze niet minder heilzaam,

waardoor de Vorsten de gelijkheid, zoo veel 't Gemeenebest toelaat,

onder hunne onderdanen trachten te houden. Daar van daan heeft men 'er

geen hooger of laager rang in de bedieningen, wordende alleenlijk de

mindere genoodzaakt de meerdere te gehoorzamen, en de jongere de gene

die ouder zijn, allen eerbied te bewijzen. De Onderaardsche

gedenkschriften melden wel dat dat onderscheid eenige eeuwen geleden,

plaats hadt, en zelfs bij de Wetten was vastgesteld; dog het blijkt ook

teffens, dat het zelve oorzaak gegeven heeft tot groote beroerten:

nademaal het aan eenen ouderen broeder hard en bitter scheen, voor

zijnen jongeren broeder te moeten opstaan, en den Ouderen onverdraaglijk

voorkwam, beneden hunne kinderen geacht te worden: zoo, dat de eene boom

des anderens bijzijn schuwde, en eindelijk alle bijeenkomsten en

gezelschappen geheel en al ophielden. Dit was het kwaad niet alleen;

maar dat onderscheid bragt ook in vervolg van tijd te weeg, dat aan de

uitneemendste en uitstekendste boomen, die door de natuur met de

allergrootste bekwaamheden en met de meeste takken waren begiftigd, in

de gastmaalen en gezelschappen, de laagste plaatsen wierden aangewezen.

Want ieder boom, die iets üitsteekends bezat, en door deugd en verstand

aanzienlijk was, kon van zig zelven niet verkrijgen, dat hij den tytel

en de hooger hand ging bejagen: daar in tegendeel de ongeagte boomen,

die niets waardig waren, om, ware 't mogelijk, hunne natuurlijke

gebreken en onbekwaamheid met eenige grootsche eertytelen eenigzins te

bedekken, den Vorst met hunne Verzoeken zoo lang het hoofd braken, tot

dat zij hem deezen of genen tytel hadden afgeperst. Dit bragt te weeg,

dat de tytels eindelijk doorgingen voor ken- en merkteekenen der

waardigste boomen. Derhalven verschaften de staatelijke gezelschappen en

gastmaalen wonderlijke en belachelijke vertooningen aan de

Vreemdelingen, wanneer zij zagen dat doornen en braambossen de hoogere

gestoelten toegewezen, en in tegendeel de Palm-boomen, de Ceder en en

aanzienlijke Eiken van tien of twaalf takken, agteraf geplaatst wierden:

want geduurende deezen stand van zaaken, waren 'er weinig doornen zonder

deeze of gene waardigheid. Aan de Vrouwen wierdt de tytel gegeven van

Raadsvrouwen der huishouding, des bewinds, of des Hofs, en dit verwekte

in die Sexe grooter opschuddingen, dan onder de Mannen. De ijdele

Staatszugt van verscheiden boomen klom tot die hoogte, dat, schoon zij

van de natuur slegts begunstigd waren met twee of drie takken, zij egter

de tytels van tien of twaalf takken bejaagden, en die maar doornen of

braambossen waren, Palm boomen wilden geheeten worden: 't geen al zoo

belachelijk stondt, als of een leelijk wanschapen man, zig den tytel van

welgemaakt (_welgebooren_) of een janhagel zig dien van doorlugtig

(_edelgeboren_) toeschreef. Waarom ook, toen dat kwaad op zijn hoogst

was geklommen, en het geheele Landschap als tot deszelfs eersten Bajert

gebragt was, wijl iedereen naar ijdele schimmen en namen zonder eer

stondt; een inwoonder der Stad _Keba_ de stoutheid hadt van eene Wet

voor te stellen om die gewoonte af te schaffen. Dees wierdt met den

strop om den hals, volgens 't aloud gebruik, naar de Vierschaar

gesleept; dog de Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt

hetzelve met eenparigheid van stemmen, en zonder tegenspreken van

iemant, heilzaam voor den Staat geoordeeld: waarop zijn hoofd met

bloemen bekranst, en hij zelf van al het volk met toejuichingen verzeld,

als in zegepraal, door de Stad geleid wierdt. En toen men in vervolg

van tijd bemerkte hoe groote nuttigheid de afschaffing deezer gewoonte

hadt te weeg'gebragt, wierdt hij _Kadoki_ of Groot-Zegelbewaarder

gemaakt.

Zedert dien tijd is de Wet van degelijkheid onder de Burgerij voor

altoos te bewaren, heiliglijk onderhouden geweest. Egter heeft door 't

afschaffen dier gewoonte niet alle naijver opgehouden, maar heeft elk

een getragt enkel en alleen door deugd en verdiensten den anderen te

overtreffen; en het is klaar uit de Onderaardsche geschiedenissen, dat

'er zedert dien tijd maar één uitvinder van nieuwigheden is geweest, die

de Wet van de Orde der Waardigheden tweemaal bedektelijk heeft trachten

te doen intrekken; dog welke ook over zijne eerste poging met de ader

latinge gestraft, en, toen hij beschuldigd wierdt in zijn voorneemen te

volharden, eindelijk naar het Firmament in ballingschap wierdt

verzonden. Dit is de reden dat 'er tegenwoordig in dat Vorstendom geen

Orde van Waardigheden of Tytels altoos meer is; alleenlijk verklaart de

hooge Regeering, door een soort van onderscheid te maken, eenige

beroepen voortreffelijker te zijn dan andere; door welke verklaring

egter aan niemant wordt toegestaan het regt om zig de eerste plaats toe

te eigenen in de bijeenkomsten. Dit onderscheid wordt gevonden in de

Placcaaten of Bevel-brieven des Vorsts, welke gemeenlijk besloten worden

met deeze woorden: WY GEBIEDEN ENDE BEVELEN ONZEN LANDLIEDEN, UITVINDERS

VAN HANDWERKEN, KOOPLIEDEN, AMBAGTSLIEDEN, WYSGEEREN, KONSTENAARS,

HOFBEDIENDEN ENZ. Ik ben 'er agter gekomen, dat 'er, onder de

Staatsschriften van den Vorst, zekere naamrolle van Waardigheden bewaard

wordt van den volgenden inhoud.

ORDE DER WAARDIGHEDEN.

1. Die door hunne middelen den Staat in benaauwde tijden zijn te hulp

gekomen.

2. Staatsdienaars, die om niet en zonder jaarwedde dienen.

3. Boeren en Land-lieden met agt takken en daar boven.

4. Land lieden met zeven takken en daarbeneden.

5. Stichters van Handwerken en Ambagten.

6. Werkmeesters, die noodige werken maken.

7. Wijsgeeren, en die met de Doctorale muts begiftigd zijn, zoo Mannen

als Vrouwen.

8. Konstenaars.

9. Kooplieden.

10. Bedienden van 't Hof, die eene jaarwedde trekken van 500. Rupati.

11. Dezelve, welken jaarlijks eene wedde van 1000. Rupati wordt betaald.

Deeze naamlijst van Eer, als waarop in onze Waereld niemant zijne

toestemming zoude geven, kwam mij zeer belachelijk voor. Ik maakte wel

eenige gissingen over de redenen van die omgekeerde orde, waarop dezelve

mogt gegrond zijn, en met welke bewijzen de Onderaardlingen die mogten

staande houden; dog ik moet bekennen dat ze mij tot nog toe voorkomt als

eene wonderspreuke, welke ik niet kan begrijpen.

Onder andere aanmerkelijke zaaken nam ik ook de volgende in agt, te

weten: dat, hoe iemant meer bedieningen heeft, hoe hij zig zediger en

onderdaniger aanstelt. Zoo zag ik meermalen dat _Bospolak_, een

schatrijk man onder de _Potuaners_, met zoo groote nederigheid, de hem

ontmoetende Burgerij bejegende, dat hij alle zijne takken ter aarde

boog, en met het neigen zijns hoofds den allergemeensten boom zijn

dankbaar hart betuigde. Toen ik daarvan de redenen vraagde, wierdt mij

geantwoord; dat zulks zoo behoorde, aangezien niemant met zoo veele

bedieningen was begiftigd, en hij uit dien hoofde de grootste

schuldenaar van 't Gemeenebest was geworden. Tot die plegtigheid wordt

egter niemant 'door de Wet' gedwongen; maar vermits die van _Potu_ alles

met een gezond oordeel overwegen, oeffenen zij die deugd uit zig zelv',

meenende dat zij tot eene beleeftheid, die voorkomt uit een dankbaar

hart, verpligt zijn: voorwaar geheel anders dan bij ons, alwaar de gene

die met de hoogste eerampten en met de meeste inkomsten als opgehoopt

zijn, de mindere over schouder aanzien en met de uiterste trotsheid

veragten. Maar de meest aanzienlijkste Burgers, en welke elk een in eere

en agtinge moet houden, zijn de Vaders van een talrijk kroost. Deeze

zijn de Onderaardsche Helden, en haare gedagtenis blijft bij de

nakomelingen in zegening. Ook zijn zij de eenige aan welke de naam van

de Grooten wordt opgedragen: geheel anders dan bij ons, alwaar met den

naam van Grooten begroet worden de Verhoorders en uitroeijers van het

menschelijk geslacht. Hier uit valt ligtelijk op te maken wat de

Onderaardlingen zouden oordeelen van Alexander den Grooten, of van

Julius Cæsar, welke beide ettelijke, duizenden van menschen om hals

hebben gebragt, en zonder lijfs-erven gestorven zijn. Het staat mij

voor, binnen _Keba_ gezien te hebben het Grafschrift van eenen Landman,

hebbende dit opschrift: HIER LEGT JOCHTAN DE GROOTE, VADER VAN DERTIG

KINDEREN, DE HELD ZIJNER EEUWE. Dit dient egter geweten, namentlijk: dat

om dien roem te verkrijgen, het niet genoeg is slegts de kinderen

geteelt te hebben; maar dat 'er ook vereischt wordt, dat zij behoorlijk

worden opgevoed.

In het afkondigen der Wetten en Placcaaten gaat alles langzaam toe, wijl

de Wetten gemeenlijk hier gemaakt worden bijna op dezelve wijze als bij

de oude Romeinen. De voorstelling om eene nieuwe Wet te maken, wordt in

alle karspels der Stad aangeplakt. Als dan staat het der Burgerije vrij

die te toetsen, en haare aanmerkingen aan de vergadering der

Rechtsgeleerden, tot dien einde in de Stad van _Potu_ aangesteld, over

te geven. Daar wordt alles, wat nopende de afkondiginge, tegenstellinge

eener andere, afschaffinge, goedkeuringe, verbeteringe, bepalinge, of

uitbreidinge der Wet bijgebragt is, naauwkeurig overwogen. En wanneer nu

alles naar behooren door de Rechtsgeleerden overlegt is, wordt de Wet

die afgekondigt staat te worden, ter goedkeuringe en onderteekening van

den Vorst gebragt. Deeze langzaamheid kan aan sommigen wel belachelijk

voorkomen; dog daar uit ontstaat der Wetten eeuwige geduurzaamheid; en

ik heb mij laten zeggen, dat geen van de Wetten deezes Vorstendoms,

geduurende den tijd van vijfhonderd jaren, eenige de minste verandering

is onderhevig geweest.

De naamlijst der boomen, die voor de voortreffelijkste worden gehouden,

is onder 's Vorsten bewaringe, te gelijk met het getuigenisse, zoo

hunner geleerdheid, 't welk hen door de Onderzoekers of _Karatti_ wordt

gegeven, als hunnes gedrags, bij hen van de gebuuren hunner wijk

verworven. Hier door heeft de Staat geen gebrek aan bekwame Mannen, om

de openstaande bedieningen te vervullen. Boven al is dit aanmerkelijk,

dat niemant vergunt wordt het regt om in eenigen oord of wijk der Stad

te mogen woonen, ten zij hij voorzien zij van eene verklaringe van den

oord of wijk daar hij te voren gewoont heeft, en dat hij borg stelle

voor zijn goed gedrag in 't toekomende.

Op eene Wet, eenmaal afgekondigt en met het publyk gezag bekragtigt, is

het op halsstraffe verboden eenige aanmerkingen te maken: invoegen de

vrijheid aldaar meer bepaald is in Staats dan in Kerkelijke zaaken. Van

die inzettinge geven zij deeze reden, namentlijk: dat, zoo iemant komt

te dwalen in zaaken aangaande Godsdienst of Geloof, hij enkel en alleen

afdwaalt voor zig zelv'; dog dat, zoo iemant in twijfel trekt de

Wetten, gestaaft door 't publyk gezag, of die door zijne uitleggingen in

eenen anderen zin tracht te verdraaijen, hij den Burgerstaat komt te

beroeren.

Van den staat des Hofs en deszelfs huishoudinge, heb ik boven al eenig

gewag gemaakt, en aangetoont dat de _Kadoki_ of Groot-Cancelier de

eerste plaats bekleedt onder de Hofbedienden. Op hem volgt de _Smirian_

of Groot-Thesaurier. Dat ampt wierdt toen ter tijd bekleed door eene

Weduwe met zeven takken _Rabagna_ geheeten; om haare opregtheid en

ongemeene geeststalenten, tot een ampt van zoo veel gewigts bevordert.

Zij had langen tijd die bedieninge bekleed, en zelfs al eenige jaaren

voor haars mans dood, die, schoon zelf in de zaaken, rakende het bestier

der geldmiddelen, zeer ervaren; egter gehouden was zig te schikken naar

den raad en goeddunken zijner egtgenoote, zoo, dat hij niets op zijn

eigen gezag kon beschikken, en eer haar Stedehouder dan haar Man genoemt

moge worden. Hij schreef wel brieven op zijnen eigenen naam, en deede

wel, eigener gezag, Placcaaten aanplakken, zoo dikwils zij in de kraam

lag, of, door ziekte belet, geen zaaken kon waarnemen; dog niets wierdt

voor vast en van waarde geoordeelt, voor dat het met zijns huisvrouws

zegel of onderteekeninge bekragtigt was. _Rabagna_ hadt twee broeders;

waar van de een Hof-keldermeester, en de andere Hof-slagter was, dog die

uit hoofde, van hun gering verstand, hoe zeer ook hunne zuster in zulk

eenen verhevenen post gestelt was, naar geen hooger ampt durfden staan.

Met zoo veel regtmatigheid worden hier de ampten uitgedeeld!

Die zelve _Rabagna_, schoon zij zulke netelagtige zaaken bij de hand

hadt, zoogde egter zelve haaren zoon, die naar zijns Vaders dood

gebooren was. Toen ik oordeelde dat zelve haar kind te zoogen, een al te

lastig, en voor zulk eene aanzienlijke Vrouw onwaardig, werk was, gaven

mij de Onderaardlingen ten antwoord: "Gelooft gij dan dat de Natuur aan

de Vrouwen de tepels der borsten, als geestige vlekjes tot versieringe

haarer boesems, en niet om daar mede haare kinderen te voeden, gegeven

heeft? In het inenten der zeden komt het meerendeels aan op den inborst

der Voedster en op de natuur van de melk: zij, die haare vrugt te

zoogen, anderen toevertrouwen, snijden den band en vereeniging beide van

liefde en inborst af. Daarom voeden alle Vrouwen van aanzien in dit

Vorstendom, haare kinderen op met haar eige melk."

De Erfprins van _Potu_ was een jongeling van zes jaaren, waar in men

bereids eenen braven inborst, en beginselen van groote bekwaamheden

bespeurde, hebbende al zestien takken, 't geen zeldzaam is in zulk een

teedere jeugd: wijl niemant met meer dan vijf of zes takken gebooren

wordt, de overige wassen uit met de jaaren. Zijn Leermeester, de wijsste

boom in 't gantsche Vorstendom, onderwees zijnen leerling in den

Godsdienst, in de Geschiedenissen, in de Wiskunst, en in de zedelijke

Wijsgeerte. Ik heb dat zoo vermaarde samenstelzel of kort begrip der

Staatkunde gezien, 't geen hij tot gebruik des Vorsts hadt opgestelt:

het voert den naam van _Mabalda Libab Helil,_ 't welk in de

Onderaardsche taal zeggen wil: _Sleutel des Gemeenebests_. Hetzelve

behelst alleszins gewigtige en heilzaame Leerstukken, waar van ik 'er

eenige nog heb onthouden, die de volgende zijn.

1. Niet ligtelijk geloof te staan aan beschuldigingen of loftuitingen;

maar zijn oordeel op te schorten, tot dat men rijper kennisse van zaaken

verkregen heeft.

2. Zoo iemant over eene misdaad aangeklaagd en daar van overtuigt is;

moet onderzogt worden, of de schuldige voormaals iets goeds gedaan

heeft; op dat aldus een overslag zijner goede en kwaade verrigtingen

gemaakt, en, dezelve tegen elkanderen opgewogen zijnde, het vonnis

eindelijk gevelt worde.

3. Op de Raaden die geen Ja-broêrs, maar gestadig Tegenspreekers zijn,

kan zig de Souverain, als op de omzigtigde onderdanen, 't allerbest

verlaaten: aangezien niemant zig in de waagschaal zal willen dellen om

de waarheid te spreeken, ten zij hem de weiland van 't Vaderland meer

dan zijn eigen welvaren ter harte gaa.

4. Dat 'er in den Raad geen andere worden gebragt, dan welgehuisde en

gehoofde Lieden: aangezien derzelver welwezen met dat des Gemeenebests

verknogt is: daar in tegendeel de gene die geen vaste goederen bezitten

het Land niet voor hun Vaderland; maar, even als de reizigers, voor

hunne herberg en optrek houden.

5. Men kan wel den dienst van eenen Man, die niet eerlijk is, voor eenen

tijd gebruiken, zoo hij anderzins tot zekere zaaken bekwaamheid heeft;

dog dien rijk te maaken of te begunstigen, is gantsch ongeraaden;

nademaal een oneerlijk of gehaat man onder 's Vorsten gunstelingen

aangenoomen zijnde, onder deszelfs bescherminge zig komen op te doen

kwade ingezetenen, die zig indringen in Staatsbedieningen.

6. Die dikwils ten Hove komen, en zig gestadig in 's Vorsten Paleis

laten zien, zijn grootelijks verdagt te houden; want de gene die al te

dikwils, en zonder aldaar geroepen te zijn, den drempel van 't Hof

betreden, zijn zulke, die of bereids een schelmstuk begaan hebben, of

die 't zoeken te doen.

7. Die met de allerbrandendste begeerte naar eer-ampten staan, moeten

niet dan met het geringste ampt begiftigd worden: want gelijk niemand

eenen duit eischt, dan die arm is en gebrek lijdt; zoo staat ook niemand

vieriglijk naar eerampten, ten zij de geen die zig door deugd en

verdiensten geen agtinge heeft weeten te verkrijgen.

8. Het agtste leerstuk is van zeer groot nut; dog waar aan ik egter mijn

zegel niet kon hangen, om het hatelijk voorbeeld, waar mede het zelve

bekragtigt wordt. Geen Burger moet geheel en al onnut geoordeeld worden:

want niemand is zoo bot of plomp, die niet, zoo 'er anderzins eene goede

verkiezinge gedaan wordt, ergens toe nuttig is: ja zelfs in deeze of

geene zaak zal uitmunten. Bij voorbeeld: de een heeft een schrander

oordeel, de andere heeft veel vernuft: een derde munt uit in verstand,

een vierde in ligchaams-kragten: dees is bekwaam om Rechter, gene om

Beamptschrijver te zijn; die is scherpzinnig in iets uit te vinden, of

iets te ontdekken, een ander wederom kloekmoedig om zaaken ter uitvoer

te brengen: hierom zijn 'er weinige, die gezegt konnen worden nergens

toe te deugen: want dat 'er zoo veele schepzelen zoo schijnen te zijn,

is niet den Schepper te wijten, maar aan de gene, die niet genoeg naar

behooren eens ieders kragten weten te onderkennen, en 'er daarom niet

naar derzelver bekwaamheden van weten te oordeelen. Deeze stellinge

bewijst hij met mijn voorbeeld, in deeze woorden: in onze dagen hebben

wij gezien een Bovenaardsch schepzel, dat naar iedereens gevoelen, om

deszelfs voorbarig vernuft, gehouden is geweest als onnuttelijk de aarde

beslaande, daar 't egter, vermids het snel in 't gaan en rap ter been

was, ons van groot nut is geweest. Niet zoo haast had ik dit Artikel

gelezen, of ik zeide bij mij zelv': _de voorreden is van een eerlijk

man; dog het besluit en 't einde is van een schobbejak._

9. In de konst van regeering make men zijn voormaamste werk, dat de

Vorst den Erfprins van een bekwaam Leermeester voorzie, en daar toe

verkieze den geleerdsten en deugdzaamsten, vermids van 't onderwijs van

den aanstaanden Opvolger het heil van den Staat afhangt: want 't geen

wij in onze tedere jeugd leeren, gaat als tot de natuur over. Hier van

daan is het noodzakelijk dat de Leermeester van den Vorstelijken

Jongeling, een liefhebber van zijn Vaderland zij, en den Prins liefde

tot zijne onderdanen inboezeme: want daar op moeten alle lessen, die hij

zijnen leerling geeft, doelen en uitloopen.

10. Zeer noodig is 't, dat de Vorst den aart en inborst zijner

onderdanen wel en te regt doorgronde, zig daar naar schikke, en zoo hij

hunne misdagen tracht te verbeteren, dat hij zulks liever doe door

voorbeelden dan door wetten.

_Gebreken zullen ras tot ondeugd ons verwekken;_ _Doorlugte daaden haast

een spoor ter deugd versrekken, Als we in ons Vaderland die steeds in

zwang zien gaan:_ _'t Gedrag der grooten kleeft altijd de mind'ren aan._

11. Ledig-gangers en straat-slijpers zijn in den Staat niet te dulden:

nademaal de gene die niets te doen hebben, 't Gemeenebest slegts tot een

last zijn: want door naarstigheid en gestadige bezigheid neemt de Staat

toe in magt, en de kwaade raadslagen en listige onderneemingen worden

verstrooit, en verdwijnen. Hierom is het voor eenen Staat raadzamer, dat

de onderdanen met onnutte zaaken, beuzelingen en spelen zig ophouden,

dan dat zij zig aan de ledigheid, bronader van kwaade aanslagen,

overgeven.

12. De pligt van den Vorst is, dat hij de eendragt bewaare onder zijne

onderdanen; schoon hij niet kwalijk doet, wanneer hij eenigen naijver

onder zijne Raaden voedt: aangezien op die wijze de waarheid menigmaalen

ontdekt wordt: even gelijk een Rechter de waare gelegenheid des gedings

ontwaar wordt uit het krakkeel der Advocaten.

13. Voorzigtiglijk handelt een Vorst, zoo hij in zaaken van belang het

oordeel van alle zijne Raaden aanhoort: veiliger is het egter elk een

zijner Raaden afzonderlijk te ondertasten, dan op een en den zelven tijd

de gevoelens van den vollen Raad te overwegen: want in den vollen Raad,

en daar een iegelijk zijn gevoelen opentlijk te kennen geeft, gebeurt

het meestentijds, dat een welspreekend Raadsheer als door den droom

zijner welspreekendheid de anderen medesleept, en aldus de Vorst, in

plaats van veele, niet dan een eenig gevoelen komt te hooren.

14. Niet minder noodzakelijk zijn de straffen dan de belooningen: want

door gene wordt het kwaad geduit, door deeze het goede aangekweekt.

Hierom moet men een slegt kaerel, zoo hij iets heilzaams verrigt heeft,

met belooningen aanwakkeren, op dat andere behoorlijk aangezet worden om

hunne bedieningen wel waar te nemen.

15. In 't bevorderen tot eer ampten en staatsbedieningen wil hij dat men

voornamentlijk lette, op de snedigheid: want schoon vroomheid en

opregtigheid deugden zijn die zig zelven aanprijzen, zijn 't egter

dezelve door welker schijn wij dikwils bedrogen worden: want elk een

waant vroom te zijn, om dat hij weet dat door zulk voorgeven van deugd

hem de weg gebaant wordt tot eer-ampten. Met dat zelve oogmerk waant elk

een ook eerlijk en opregt te zijn. Voeg hier bij, dat men van eenes mans

vroomheid en opregtigheid niet ligt een vonnis kan strijken, alvorens

hij gevorderd is tot eene bedieninge, waarin hij, als op een openbaar

tooneel, proeven zijner deugd staat te geven. Maar snedigheid kan men

door een voorafgaand onderzoek, gemakkelijk ontdekken: want eenen domkop

en weet niet, valt het zwaarder zijne domheid en onkunde te bedekken,

dan eenen veinzer zijne ondeugendheid, of eenen guit zijne schelmerij.

Wijders zijn bekwaamheid en eerlijkheid niet altijd tegenstrijdige

deugden: ja zij worden beide ligtelijk in een en 't zelve mensch

gevonden, even gelijk de domheid met de vroomheid niet altoos gepaard

gaat. Maar indien een bekwaam man te gelijk vroom is, is hij in alle

opzigten volmaakt. Een man die dom is, is of goed of kwaad: indien

kwaad, zoo is het bekend, hoe veele wanschepzels de onkunde aankweekt,

wanneer dezelve met boosaartigheid gepaart gaat; maar is hij goed, zoo

kan hij om zijn domheid zijne deugden niet te pas brengen. En al is 't,

dat hij zelf nog kan nog durft een schelmstuk ondernemen, zoo zal egter

zijn slaaf of knegt, waar van hij zig bedient, dat ligtelijk bestaan:

want eer heer van een landgoed, die een kwast is, heeft gemeenlijk een

pagter die een looze vos is, en een domme Rechter heeft doorgaans eenen

snedigen Beamptschrijver, die zonder vrees zijne schalkheid oeffent,

nadien al zijn misbedrijf op zijns meesters rekening wordt gestelt.

Daarom moet 'er voornamentlijk in 't uitdeelen der bedieningen op de

snedigheid worden agt geslagen.

16. Niemant moet als eerzugtig ligtvaerdiglijk veroordeelt, nog om die

reden alleen uit eer-ampten gehouden worden, om dat hij naar eene

bedieninge staat, waar toe hij oordeelt bekwaamheid te hebben. Want zoo

de Vorst zig in 't uitdeelen der ampten te zeer bindt aan dien regel,

zal de eerzugtigste zelf het mom-aangezigt van nederigheid aandoen;

verzekert zijnde, dat hij door dien weg te ligter zijn oogmerk zal

bereiken; en de Vorst zal, tegen zijn voornemen, de allerijverigste

bejagers van eer-ampten daar mede voorzien, om dat hij niet dan

allerwege schijn-nederige beschouwt; dat is zulke, die, wanneer 'er een

ampt openvalt, dat schijnen te vlieden, en zig te verstecken: ja die

door hunne vrienden overal uitstrooijen, dat zij van alle waardigheden

en staats-bedieningen eenen afkeer hebben. Hier brengt hij bij het

voorbeeld van een zeker man, die bij 't open vallen van een aanzienlijk

ampt, en 't geen hem de tanden niet weinig waterig hadt gemaakt, den

Vorst met eenen brief deedt weten; Dat hem ter ooren gekoomen was, hoe

zijne Doorlugtigheid besloten, hadt, met de waardigheid, waar naar

andere zoo zeer haakten, hem te bekleeden; waarom hij die aanzienlijke

bediening, waar toe hij bekende geen bekwaamheid te hebben, van de hand

wees: ootmoedig verzoekende, dat een ander, die meer bekwaamheid hadt,

daar mede werde begiftigt, vooral, wijl hij met zijnen staat vergenoegt

zijnde, naar geen hooger zaaken stondt. Door welke betuiginge van

nederigheid de Vorst zodanig bewogen wierdt, dat hij, tegen zijn

voornemen, met die waardigheid begiftigde den genen die ze afsloeg. Dog

't leet niet lang, of hij ondervondt, dat hij door schijn van

nederigheid om den tuin geleid was: naardien die nieuwe Amptenaar door

hoogmoed en trotsheid alle andere verre te boven ging.

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 5 / 21 段