De landerijen worden afgescheiden door wateren, zoo door groote als door

kleine, waar door schepen varen, die met riemen als door tooverkonst

worden voortgedreven: want dezelve worden niet als bij ons met handen

voortgeroeit; maar door konst werktuigen, even als door zulke werktuigen

die door zig zelv' bewegen, aangezet. Den aart en het maakzel deezer

kunstwerktuigen kan ik niet bepaalen, omdat ik mij niet grondig verstaan

op de Wiskonst: voeg hier bij, dat deeze boomen zoo vernuftelijk alles

uitvinden, dat niemant, ten ware hij nog meer oogen hadt dan Argus zelf,

en met een bijna Godlijk doorzigt begaafd was, ontdekken kan hoedanig

het gemaakt en in een gezet is. Die Aardbol wordt even als de onze op

driederlei wijzen bewogen, invoegen dat de tijden hier niet anders dan

bij ons worden, onderscheiden in. Dag en Nagt, Zomer en Herfst, Winter

en Lente, en dat de oorden, gelegen aan de Poolen of Aspunten, kouder

zijn dan de andere. Maar aangaande het licht is 'er weinig onderscheid

tusschen dag en nagt, om redenen boven gemeld. Ook kan in eenige

opzigten de nagt aldaar gezegt worden aangenamer te zijn dan de dag;

want men kan niets heerlijker bedenken dan het licht dat van de Zon

komende op deeze Planeet afstuit, en op het halfrond of 't verdikte

Firmament te rug gekaatst wordende, als tot een soort van eene

overgroote nabij staande Maan, wijd en zijd te samen vergaderd wordt. De

inwoonders bestaan uit boomen van verscheiden soort; te weten: uit

Eiken, Linden, Populieren, Palm-boomen, Doornboomen, enz. waar uit

zestien maanden haare naamen ontleenen, in welke het Onderaardsche Jaar

omschreven wordt; want op elke zestiende maand, komt de Planeet _Nazar_

weer op haar eerste loopspunt; dog egter niet op eenen vasten dag, om

derzelver ongelijke beweginge, vermits zij, even als onze Maan, door

veelerlei afwijkingen de Verstanden der lugtbewoonders genoeg te doen

geeft. De Jaarrekeningen zijn 'er zeer verscheiden, en nemen haar begin

van de meest gedenkwaardigste zaaken: voornamentlijk van eene groote

Staartsterre, die men gelooft over drie duizend jaaren eenen algemeenen

Zundvloed te hebben veroorzaakt, waarin het gantsche geslagt der boomen,

met al wat leven hadt en bezield was, versmoort is geworden, uitgezonden

alleen eenige weinigen, die op de heuvelen en toppen der bergen den

algemeenen Zundvloed zijn ontvloden; en waar uit de tegenwoordige

inwoonders afkomstig zijn. De grond, die zeer vrugtbaar is in vrugten,

kruiden en peulgewassen, brengt bijna dezelve vrugten voort, welke in

Europa vallen; egter wast daar geen haver, ook is die daar niet noodig,

wijl die Aardbol geen Paarden uitlevert. De Zeeën en staande waters

verschaffen smakelijke Vis, en de gebouwen der Dorpen, die dan eens aan

een grenzen, dan wederom door eenigen afstand van een gescheiden zijn,

versieren de stranden en oevers door eene zeer aangename

verscheidenheid. De drank die daar gedronken wordt, wordt geperst uit

zekere kruiden, die, alle tijden van 't jaar door, groen zijn. Die

deezen drank verkoopen worden gemeenlijk genaamt _Minhalpi,_ dat is

kruiden-kookers, waar van 'er in elke Stad een bepaald getal is, en

welken alleen het vergund is kruiden te moogen kooken. Die met dit

voorregt begiftigt zijn, zijn genoodzaakt van alle andere bedieningen,

neeringen en handteeringen af te zien. Maar wel inzonderheid legt 'er

een gebod, dat niemant der gene die ampten of bedieningen hebben en

wedden van den Staat trekken, deeze neeringe zal mogen doen, en zulks om

dat ze uit hoofde van het gezag waarmede zij in den Staat bekleed zijn,

alle koopers tot zig trekken, en, om andere voordeelen welke zij

genieten, de waaren beter koop konnen geven: gelijk wij meenigmaalen in

onze Waereld zien gebeuren, daar de gene die bedieningen hebben en

jaarwedden trekken, door zoodanige middelen, binnen weinige jaren rijk

worden van het zweet en bloed der andere handwerkslieden.

De veelheid der inwoonders wordt door de heilzaame wet, die op de

voortteelinge der kinderen gemaakt is, wonderlijk bevordert. Want naar

het getal der kinderen worden de bedieningen of vrijheden vermeerdert of

vermindert, en die vader is van zes kinderen, wordt zoo wel van de

gewoonlijke als van de ongewoonlijke schattingen ontheven. Hier van daan

is 't, dat de voortteeling en het getal der kinderen daar niet minder

heilzaam wordt gerekent, dan dezelve in onze Waereld, alwaar op de

hoofden der kinderen eene belastinge gesteld pleeg te worden, moeilijk

valt en schadelijk is. In dat land bedient niemant ooit twee ampten te

gelijk, vermits men aldaar vaststelt, dat de minste bezigheid een geheel

man vereischt. Om deeze reden (het zij met oorlof van de bewoonders

onzes Aardbols gezegt) worden de ampten daar getrouwer en beter bedient

dan bij ons; en zoo heiliglijk wordt 'er die wet onderhouden, dat een

Geneesheer aldaar zig niet inlaat in het onderzoek der geheele

Geneeskunde; maar zig alleenlijk met alle naarstigheid uitlegt in het

doorgronden van den aart van een eenige ziekte. Een Musicant oeffent zig

niet dan maar op een eenig instrument; geheel anders dan in onze

Waereld, alwaar door de verscheidenheid der bedieningen dieningen de

inschikkelijkheid gekrenkt, de koppigheid vermeerdert, en het waarnemen

der bedieningen versloft wordt; en waar door wij gemeenlijk nergens

zijn, om dat wij overal zijn. En gelijk een Geneesheer, die terwijl hij

de ziekten van het menschelijk lichaam tracht te geneezen, ook te gelijk

het Gemeenebest wil helpen, beide mist; even zoo is 'er van eenen

Musicant, zoo hij te gelijk voor Musicant en Raadsheer wil speelen, geen

harmonie te verwagten. Wij verwonderen ons over de gene, die niet

schroomen om verscheide ampten te gelijk te bedienen, die zig zelf in

zaken van 't uiterste gewigt indringen, en meenen dat zij tot allerlei

bedieningen bekwaam zijn; maar het is enkel roekeloosheid en zijne

eigene kragten niet te kennen, daar wij ons dwaaslijk over verwonderen,

aangezien dat, zoo zij de zwaarwigtigheid der zaaken wisten, en daarbij

hunne eigene zwakheden kenden, zij het aangeboden bewind uit eige

beweginge afstaan zouden, en zidderen op het zelve te hooren noemen.

Niemant dan neemt hier iets aan, daar hij geen bekwaamheid toe heeft.

Het heugt mij nog, dat ik over deeze lesse den vermaarden Wijsgeer

_Rakhazi_ hebbe hooren redeneeren, en wel in deezer voegen: "Elk moet

zijne eigene bekwaamheid kennen, en een streng regter over zig zelven,

over zijne misslagen en goederen zijn, op dat niet misschien een

tooneelspeeler meer verstands en voorzigtigheids schijne te hebben dan

wij; die kiezen nooit de beste, maar wel de voor hen best passende

klugtspelen uit. Zal een klugtspeeler op een tooneel dat gene zien, wat

een wijs man in zijnen leevensloop niet zal zien?"

De inwoonders deezes Vorstendoms zijn niet onderscheiden in Edelen en

Gemeene. Voortijds hadt dat onderscheid van rang plaats; dog toen de

Vorsten bespeurden dat daar door het zaad van tweedracht verspreid

wierdt, namen zij voorzigtiglijk weg alle voorregt uit geboorte

spruitende; zoo, dat de boomen thans geschat worden enkel en alleen naar

mate dat zij deugd bezitten, en naar hunne bedieningen en bezigheden,

waar van ik elders uitvoeriger zal spreeken. 't Eenige, dat de geboorte

voorheeft, bestaat in de veelheid van takken; want naar mate dat de

vrugt die geboren wordt, die min of meer heeft, wordt dezelve ook min of

meer adelijk gerekent, aangezien de overvloed van takken den boomen

bekwaamheid verschaft tot alle handwerken. Van den inborst en zeeden des

volks heb ik boven, zoo hier en daar, al vrij wat gemeld, waarom ik, den

Lezer wijzende naar 't geen boven gezegt is, dit Hoofdstuk zal

besluiten, en overgaan tot de verhandeling van andere zaaken.

ZESDE HOOFDSTUK.

_Van den Godsdienst des volks van Potu._

Het samenstelzel des Godsdiensts van die van _Potu_, kan onder menige

Hoofddeelen worden begrepen, en behelst eene korte Geloofs-belijdenisse,

die een weinig breeder uitgestrekt is, dan onze Apostolische

Geloofs-belijdenisse. 't Is hier verboden, op straffe van bannissement

naar het Firmament, over de Heilige Boeken eenige aanmerkingen te

maaken. En overzulks zoo iemant zig verstout te disputeeren over het

Wezen en de Eigenschappen van God, over de hoedanigheden der Geesten en

Zielen, wordt hij verwezen tot de aderlatinge, en in het publyke

Stads-dolhuis gezet. Want zij houden het voor dwaasheid dingen te willen

schrijven en bepaalen, waarop ons verstand niet minder schemert, dan de

oogen van eenen nagtuil op het licht der Zonne. Alle stemmen zij over

een in het dienen en eeren van een Opperwezen, door wiens Almagt alle

dingen geschapen zijn, en door wiens Voorzienigheid dezelve worden

onderhouden. Uitgenomen deeze dienst wordt niemant, om verschillende

gevoelens, belangende de maniere en wijze des diensts, eenige

moeilijkheid aangedaan: alleenlijk worden de gene die in 't openbaar den

Godsdienst, bij de wetten vastgesteld, tegenspreeken, als verstoorders

der gemeene rust gestraft. Uit deezen hoofde wierd ik in de oeffeninge

mijnes Godsdiensts niet gedwongen, nog van iemant gestoord. Die van

_Potu_ bidden weinig, maar zeer ijverig: invoegen dat zij, zoo lang

hunne gebeden duuren, schijnen als in verrukkinge van zinnen te zijn.

Waarom dezelve, toen ik hen verhaalde dat wij onder ons huiswerk

gebeden deden; en zelfs onder ons handwerk heilige liederen zongen, ons

dat tot eene misdaad rekenden, zeggende, dat een aardsch Prins het

kwalijk zoude opneemen, zoo hem iemant iets willende verzoeken, naderde,

en te gelijk in zijne tegenwoordigheid zijne kleederen af borstelde, of

zijn hair kamde. Ook vonden zij geen meer smaak in onze heilige

liederen: want zij hielden het daar voor, dat het belachenswaardig was

met Musiektoonen smert en leedwezen uit te boezemen, vermits de toorn

Gods door tranen en zugtingen, en niet door zangwijzen, fluiten of

trompetten, gestilt wordt. Deeze en andere dingen hoorde ik niet zonder

verontwaardiginge: inzonderheid vermits mijn Vader zaliger, eertijds

Voorzanger van de kerk, verscheiden lofzangen, die nog heden ten dage

gezongen worden, op noten hadt gestelt, en ik zelf besloten had te staan

naar eene openstaande Voorzangers-plaats; maar ik trachtte mijne

gramschap te bedwingen: want onze Onderaardlingen beweeren hunne

gevoelens met zoo groote scherpzinnigheid, en leggen alles zoo

waarschijnlijk uit, dat het gantsch niet gemakkelijk valt zelfs hunne

allertastelijkste dwalingen te wederleggen. Daar zijn nog andere

dwalingen in den Godsdienst, welke zij, met dezelve snedigheid en schijn

van waarheid, staande houden: zoo, dat zij, wanneer ik aan eenige onder

hen, waar mede ik gemeenzaam omging, menigmaalen gezegt had, dat 'er

voor hen, als welke in de duisternisse wandelden, na den dood, geen

zaligheid te wagten was; mij ten antwoord gaven; dat al wie strengelijk

anderen verdoemt, zelf het meeste gevaar liep van verdoemt te worden:

want dat een ander te veroordeelen doorgaans spruit uit hoogmoed, welke

God, die niets meer dan de nederigheid gebiedt, haat, en in 't schepzel

niet verdraagen kan: dat ook eens anders gevoelen te verdoemen, en die

van ons in gevoelen verschillen, met geweld tot het onze te willen doen

overgaan, even eens is, als of men zig zelven alle wijsheid alleen wilde

toeëigenen: 't geen 't werk van dwaazen is, die zig inbeelden, alleen

wijs te zijn. Voorts wanneer ik eens een gevoelen zullende verdedigen,

mijnen tegenstreever tegemoet voerde, dat ik in mijn hart daarvan ten

vollen overtuigd was; prees hij mijne drangreden en beval mij voort te

gaan in 't licht mijner conscientie te volgen; belovende, dat hij altoos

het zelve zoude doen; aangezien dat, bijaldien een iegelijk in de

verschillen kwam op te volgen het voorschrift der conscientie, alle

twist ter nedergelegt, en alle stoffe tot disputeeren zouden worden

afgesneden. Onder andere dwalingen, die de inwoonders deezes Vorstendoms

voorstonden, waren ook deeze volgende. Zij ontkenden wel niet dat de

goede werken van God beloond en de kwaade gestraft zullen worden; dog

zij oordeelden dat de gerichtsoeffening, bestaande in het toewijzen van

belooning of straffe, eerst plaats zal hebben na dit leven. Ik bragt

hierop verscheiden voorbeelden bij der gene die om hunne misdaaden en

Godloosheden bereids in dit leven gestraft waren; dog zij bragten daar

tegen in even zoo veele tegengestelde, namentlijk: van zeer ondeugende

boomen, die te gelijk Godloos en zeer gelukkig waren geweest tot hunnen

dood toe: zoo menigmaalen zeiden zij, als wij tegen de gene die van ons

verschillen eene zaake verdedigen, vestigen wij onze redenen op het geen

wij dagelijks zien gebeuren, en letten alleenlijk op zulke voorbeelden

die ons van nuttigheid zijn, en onze stellingen gewigt bijzetten,

overslaande of voorbij gaande alle die daar tegen strijden. Ik bragt een

voorbeeld bij van mij zelv', doende zien, dat veele die mij geweld en

ongelijk hadden aangedaan, een rampzalig einde hadden gehad; dog zij

voerden mij daar op te gemoet, dat dat alles voortkwam uit eigeliefde,

terwijl ik geloofde, dat ik in de oogen Gods meer en beter was dan

andere, welke, schoonze ten onregte groot ongelijk hadden geleden, hunne

vervolgers egter hadden zien oud en grijs worden in eenen geduurigen

voorspoed tot hunnen dood toe. Wanneer ik wijders eens aanprees, dat men

God dagelijks moest bidden, antwoordden zij; dat zij wel de

noodzakelijkheid des gebeds niet ontkenden, maar dat zij wel verzekerd

waren, dat de Godsvrugt en waare Godsdienst meest bestonden in de

onderhoudinge der Wet Gods. Om dit te bewijzen, ontleenden zij dusdanig

argument van eenen Vorst of Wetgever: Een Vorst, zeiden zij, gebiedt

over tweederlei slag van onderdanen. Eenige zondigen dagelijks, en

overtreden, 't zij uit zwakheid, 't zij uit kwaadaartigheid of

halstarrigheid, zijne geboden: dog zij staan ook dagelijks in den

voorhof van zijn Paleis met Verzoek- en Smeek-schriften; biddende om

vergevinge van misdaaden, welke zij straks wederom staan te vernieuwen.

De andere daarentegen komen zelden, en nooit dan verzogt zijnde, aan 't

Hof; maar altijd t'huis blijvende, volgen zij de bevelen van den Vorst

getrouwelijk en met allen ijver op, betoonende aan hem hunne

gehoorzaamheid door eene gestadige onderhouding zijner wet. Wie kan 'er

aan twijfelen, of hij zal de laatst gemelde al zijne liefde waardig

agten, daar hij de eerste voor booze, afkeerige, en teffens lastige

onderdanen zal aanzien, zoo ten opzigte hunner overtredingen als hunner

geduurige verzoeken.

Deeze en andere zintwistingen verschaften mij dagelijksch werk; dog

zonder vrugt: aangezien ik niemant konde overhaalen tot mijn gevoelen.

Waarom ik alle andere verschillen van Godsdienst daar latende, zal

voortgaan met hunne andere algemeene en merkwaardigste leerstukken te

verklaaren; aan 't oordeel des Lezers overlatende, of dezelve goed of

kwaad gekeurd moeten worden.

De _Potuanen_ gelooven in eenen God, die almagtig is, die alle dingen

geschaapen heeft, en onderhoudt; en zij bewijzen deszelfs Almagt en

Eeuwigheid uit de grootheid der geschaapen dingen, en uit derzelver

overeenstemminge. En gelijk zij in de Sterre- en Natuur-kunde zeer

ervaren zijn, hebben ze zulke treffelijke gevoelens van het Wezen en de

Eigenschappen Gods, dat zij het voor dwaasheid rekenen, dingen te willen

bepaalen, die ons begrip te boven gaan.--Het jaar wordt 'er

onderscheiden door vijf Feest-dagen, waar van de eerste zeer

Godsdienstiglijk geviert wordt in donkere plaatsen, alwaar het daglicht

niet kan doorbreken; en zulks om daar mede te kennen te geven, dat de

Godheid, welke zij aanbidden, onbegrijpelijk is. In die plaatsen blijven

zij, als in den Geest opgetogen, onbeweeglijk van dat de Zon opkomt tot

dat dezelve ondergaat. Dit Feest wordt genoemt de _dag des

Onbegrijpelijken Gods_, en valt in op den eersten dag der _Eikemaand_.

De overige vier Feesten worden geviert op de vier getijden des jaars, en

zijn ingestelt ten einde God te danken voor zijne bewezene weldaden.

Weinige zijn 'er in 't gantsche Vorstendom, die op deeze plegtige

Feest-dagen niet verschijnen. Die 'er egter niet komen, en geene wettige

redenen hunner afwezigheid geven, worden voor kwaade onderdanen

gehouden, en leeven in gestadige veragtinge. De Formulieren der

openbaare gebeden zijn zoodanig ingerigt, dat ze niet op de bidders

zelve, maar alleenlijk op den Vorst en op de gemeene welvaart

betrekkelijk zijn. Hier van daan is het, dat niemant in 't openbaar voor

zig zelven bidt. Het oogmerk deezer instellinge is, om de _Potuaners_ in

te prenten, dat de welvaart der bijzondere lieden, zoo naauw verknogt is

met die van 't Gemeenebest, dat zij daar van niet kan worden

afgescheiden. Niemand wordt tot den dienst van God nog door geweld nog

door geldboete genoodzaakt: want overmits zij oordeelen, dat de

Godsvrugt voornamentlijk bestaat in liefde, en dat de ervarenheid

leert, dat de liefde eer door geweld verkoelt, dan ontsteken wordt;

gelooven zij 't niet alleen onnut, maar ook schadelijk te zijn, de

traage door dwang tot Godsvrugt aan te zetten. Deeze stellinge bewijzen

zij met dit voorbeeld: Bij aldien een man, zeggen ze, eene wederzijdsche

liefde van zijne egtgenoote begeerende, derzelver laauwheid of

verkoelinge met stokken- en vuistslagen daar tracht uit te drijven; is

het 'er zoo verre van daan, dat de liefde door die middelen zoude worden

ontsteken, dat de verkoeling veel eer toeneemt, en eindelijk op haat en

afkeer uitkomt.

Dit zijn de voornaamste Hoofstukken der Godgeleerdheid in _Potu_ welke

aan eenigen niet anders zal voorkomen, dan als een bloote natuurlijke

Godsdienst, zoo als die ook mij zelv' in den beginne voorkwam. Maar de

_Potuaners_ beweeren, dat hen alles door Goddelijke ingevingen

geopenbaart, en daar benevens een boek, behelzende hun Geloof en

Pligten, is ter handgestelt. Hunne Voorouderen, zeggen zij, hebben

eertijds alleen den natuurlijken Godsdienst beleden; dog de

ondervinding had hen geleerd, dat het licht der Natuur niet genoeg was,

vermits door de onagtzaamheid en zorgeloosheid van sommigen de Wet der

Natuur, geheel en al verwaarloost wierdt, en door de al te spitsvinnige

wijsgeerte van anderen, vermits vrijheid van denken geen bepalinge kent,

alles verergerde: en dat hen daarom de geschreven Wet van God gegeven

was. Daar uit blijkt het ook, hoe grootelijks zij dwaalen, die

halstarrig ontkennen, dat 'er eene Openbaringe van nooden is. Ik wil wel

bekennen, dat verscheiden Leerstukken der _Potuaansche_ Godgeleerdheid,

zoo dezelve al niet te prijzen zijn, egter niet geheel en al te

verachten schijnen; dog egter kan ik aan die alle mijne toestemminge

niet geven. Dit egter scheen mij niet alleen loffelijk, maar zelfs

verwonderenswaardig voor te komen, te weten: dat de gene, die bij

oorlogs-tijden als verwinnaars hunner vijanden t'huis komen, in plaats

van vreugde en blijdschap, waar mede wij over onze overwinningen vieren,

en _Te Deum_ zingen; ettelijke dagen in een bedrukt stilzwijgen

doorbrengen, even als of zij zig schaamden van wegens het

bloedvergieten in de overwinninge. Om deeze reden wordt 'er zelden in de

Onderaardsche Geschiedenissen gewag gemaakt van Oorlogs-Zaaken; maar

haare Jaarboeken behelzen alleen Burgerlijke Zaaken, Instellingen,

Wetten en Geschriften.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

_Van de Staatkunde._

In het Vorstendom _Potu_ heeft de erflijke opvolging geheele duizend

jaaren lang plaats gehad; en wordt 'er thans nog onderhouden. De

Jaarboeken wijzen egter aan, dat de _Potuaners_ eens van dien regel van

opvolging zijn afgeweken: want vermits de gezonde reden schijnt te

leeren, dat zij die regeeren, boven andere begaaft moeten zijn met

bekwaamheden, vonden eenige geraden, meer naar deugd dan naar geboorte

te zien, en dat men den genen verkiezen moest, die de uitmuntendste der

ingezetenen was. Hierom wierdt de oude opvolging afgeschaft, en het

Vorstendom aan zekeren Wijsgeer, genaamd _Rabaku_, opgedragen. Dees

bestierde in 't begin den Staat met zoo veel voorzigtigheid en rust, dat

zijne regeering een voorbeeld scheen te wezen, om van anderen te worden

nagevolgt. Dog dit was van korten duur: en die van _Potu_ bemerkten al

te laat, dat de spreuk, die zegt, dat een Staat gelukkig is daar

Wijsgeeren aan 't roer zitten, onwaaragtig was. Want nademaal de nieuwe

Vorst, tot het toppunt van eer gesteegen, uit eenen laagen stand was,

waren zijne deugden en bekwaamheden tot de regeering alleen niet genoeg,

om het ontzag en de majesteit, die in den Staat de kragt en den klem aan

de zaaken geven, te verwekken en staande te houden. De gene die onlangs

met hem in gelijke waardigheid hadden gedaan, of boven hem uitgesteeken

hadden, konden bezwaarlijk daar toe worden gebragt, dat zij huns

gelijken of die beneden hen geweest was, konden verdragen, en die

gehoorzaamheid aan den nieuwen Vorst bewijzen, welke onderdanen hunnen

Souverain schuldig zijn: en daar kwam het bij toe, dat, zoo dikwils hen

iets moeilijks of lastigs wierdt opgelegt, zij doorgaans murmureerden;

niet denkende, wie de Vorst nu was, maar wie hij voor zijne verheffinge

was geweest. Hier van daan was hij genoodzaakt, om, bij wege van

verzoek, hen alles met zagtheid af te vorderen. Maar weinig vorderde hij

met streelingen: want zij, zig weinig kreunende aan zijne wetten en

bevelen, toonden op 't afkondigen van elk Placcaat hun ongenoegen.

Waarom _Rabaku_, ziende dat 'er, om zijne onderdanen bij hunnen pligt te

houden, andere middelen vereischt wierden, van goedertierenheid en

rekkelijkheid tot strengheid oversloeg. Dog door dit andere uiterste

barstten de vonken die onder den asch verborgen waren, tot eene lichte

vlam uit; en de onderdanen stonden in 't openbaar tegen den Vorst op: ja

zoo dra was de eene kwalijk gestilde beroerte niet over of de andere nam

haaren aanvang: zoo, dat hij, eindelijk bespeurende dat de Staat niet

konde behouden blijven, ten zij onder eenen Bedierder uit doorlugtigen

bloede, en wiens geboorte het volk eenen indruk van eerbied pleeg te

geven, zelf 't gebied neerleide; dragende de Vorstelijke waardigheid

over aan den Prins, welke dezelve door zijne geboorte toekwam. En op

deeze wijze kwam de rust weder, en te gelijk het oude heerschende Huis

op den throon; en de stormen die op den Staat, zoo lang gewoed hadden,

geraakten tot bedaren. Zedert dien tijd wierdt op halsstraffe verboden

in het toekomende eenige veranderinge te maken in de maniere van

opvolginge.

Dit Vorstendom is dan erflijk, en het is waarschijnlijk dat de oude

wijze van opvolginge altoos onwrikbaar zal blijven staan; zodanig dat

men nooit dan bij de alleruiterste noodzakelijkheid den eerstgeboorenen

Vorst daar in zal voorbijgaan. Dit niet tegenstaande wordt 'er in de

Jaarboeken van _Potu_ gewag gemaakt van eenen Wijsgeer, die, trachtende

eene inbreuk te maken in die wet, eenen middelweg daar op uitdagt;

aanradende het Koninglijke Stamhuis nooit voorbij te gaan; maar na

gedane verkiezing, uit de Zoonen van den overledenen Vorst, het gebied

op te dragen aan den genen, die in verdiensten voorlag, en door de

onderdanen bekwaam geoordeelt wierdt om den last der regeeringe te

konnen torsschen. Die Wijsgeer deeze Wet in bedenken hebbende gegeven,

onderwierp zig naar gewoonte aan derzelver onderzoek, staande, terwijl

de stemmen wierden opgenomen of zijn raad goed was, met den strop om den

hals. De Raadsvergadering gescheiden, en de stemmen opgenomen zijnde,

wierdt de voorstelling deezer Wet als roekeloos en verderflijk voor den

Staat verworpen: aangezien men oordeelde, dat dezelve een bron ader

zoude zijn van veele opschuddingen, en eenen vrugtbaaren grond stondt te

verstrekken voor het zaad van tweedragt onder het Koninglijke kroost: en

dat het derhalven beter zoude wezen, dat de oude gewoonte plaats hielde;

en veiliger, dat het regt tot het Vorstendom op den oudsten Prins

overging, schoon de jongere Vorsten hem, in gaven des Verstands, kwamen

te overtreffen. De Wet dan verworpen zijnde, wierdt de uitvinder met de

koorde gestraft. Want aan niemant wordt in dit Vorstendom de halsstraf

geoeffent, dan alleen aan de uitvinders van nieuwe Wetten: aangezien de

_Potuaners_ vastelijk van gevoelen zijn, dat alle verandering en

hervorming, hoe wel ook dezelve mengen wezen geschikt, gelegenheid

verschaffen tot opschuddingen en beroerten, en den gantschen Staat in

gevaar stellen; dog kwalijk geschikt en ontijdig zijnde, dien naar

zijnen ondergang doen hellen, en eindelijk geheel en al ter neder

storten.

't Gebied der _Potuaansche_ Vorsten hoe zeer ook het zelve door geene

Wetten bepaald wordt, is veel eer eene Vaderlijke bestiering, dan

Koninglijke regeering: want vermits zij naar verstand, niet naar wetten,

Justitie oefenen; ziet men aldaar eene gestadige mengeling van

heersching en vrijheid: twee zaaken die elders niet konnen te samen

gevoegd worden.

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 4 / 21 段