Wij wierden eindelijk gebragt in een zeer groot huis, de gewoonlijke

intrek der gene die uit alle de kweek-schoolen des gantschen Vorstendoms

worden verzonden. Uit dat zelve huis worden ze gebragt om voor den Vorst

gesteld te worden. Onze Leidsman of de _Katatti_ beval ons, dat wij ons

gereed zouden houden, terwijl hij heen ging om den Vorst van onze

aankomst te verwittigen. Zoo dra was hij niet uitgegaan, wanneer wij een

zeer groot geroep als dat van eene zegepraal hoorden; en 't leedt niet

lang, of het geschal der trompetten en 't geraas der trommels klonk

allerwegen. Door dit gerugt genoopt, en voor de deur gegaan zijnde,

zagen wij eenen boom aankomen, verzeld van eenen heerlijken stoet, en

met een bloemkransje om het hoofd, en straks wierden wij gewaar, dat het

die zelve burger was, dien wij op de markt hadden zien staan met den

drop om den hals. De reden der zegepraal was 't goedkeuren der wet,

welke hij, met gevaar zijns levens, hadt aangeraden. Dog wat redenen

hij tot afschaffing der oude wet mag hebben bijgebragt, kon ik niet

vernemen, en heb 'er nooit konnen agter komen, door de diepe

stilzwijgendheid der inwoonderen, waar door het geschiedt dat de

allergeringste zaak, het Gemeenebest belangende, of in den Raad

verhandelt wordende, nooit het gemeen ter ooren komt; geheel anders dan

bij ons pleeg te geschieden, alwaar de Raads besluiten en Resolutien van

Staat daags daarna, op de gemeene wegen en in de gaarkeukens, verhandelt

en bedilt worden. Na een uur vertoevens kwam de _Karatti_ wederom, en

beval ons alle hem te volgen. Wij volgden onzen Leidsman op zijn bevel.

Onder weg ontmoetten wij overal hoorntjes, die van allerlei raare en

gedenkwaardige zaaken, gedrukte boekjes te koop veilden. In die

rommelzoô van boekjes ontdekte ik een werkje welks tytel was: _Van het

nieuw en ongewoon hemelsteeken, of vliegenden Draak, die in 't voorleden

jaar zig vertoont heeft_. Ik zag mij zelv', zoodanig ik was, toen ik met

mijnen haak en den slenter van het touw rondom de Planeet wierdt

gewentelt, in koper gesneden. Op dat gezigt kon ik mij naauwlijks

bedwingen van lachen, en zei stilletjes in mij zelv':

_O! welk een vreemd gezigt! een tronie zoo verwildert,_

_Is waardig door Apell' te worden uitgeschildert!_

Hebbende niet te min het boekje gekogt voor drie _Kilac_, makende

omtrent twee schellingen van ons geld uit, bedwong ik mijn lachen:

vervolgende stillekens mijnen weg naar 't Paleis, een gebouw dat

aanzienlijker is om deszelfs konst en nettigheid, dan door deszelfs

kostelijkheid.

_Geen voorhof pronkte alhier van koninglijke pragt,_

_Nog glinsterend' marmer, daar de schilderkunst in wragt_

_Verscheidenheid van kleur en verw'...?_

Ik zag 'er maar weinige hovelingen of deurwaarders, want de

spaarzaamheid der Vorsten hadt allen overvloed afgesneden. Ook heeft men

hier niet noodig zoo veele dienaars, als 'er wel aan de Hoven bij ons

vereischt worden, want zoo veele takken als deeze boomen hadden, waren

zoo veele handen: zoo dat de handwerken en huislijke bezigheden drie- of

vier-maalen rasser alhier verrigt worden.

Het was juist op de maaltijd, toen wij 's Vorsten Paleis intraden; en

vermits zijne Doorlugtigheid, alvorens dezelve aan tafel ging, met mij

afzonderlijk wilde spreken, wierd ik alleen in de eetzaal binnen

gelaten. Dees Vorst bezat eene wonderlijke goedertierenheid en te gelijk

deftigheid. Zoo groot was zijne standvastigheid, dat de deftigheid van

zijn gelaat en wezen door geene de minste gestoordheid kon verdonkert

worden. Op 't gezigt van den Vorst viel ik terstond op mijne knieën. Dog

bij die aanbidding stonden de omstanders als verdomt; en wanneer ik de

reden van mijn vallen op de knieën den Vorst te kennen gegeven had,

beval hij mij op te staan: zeggende dat zoodanig eene eerbewijzing

niemand dan de Godheid toekwam: voegende vervolgens daarbij, dat men

aldaar alleenlijk door gehoorzaamheid, arbeid en vlijt, 's Vorsten gunst

konde gewinnen. Na dat ik opgestaan was, wierden mij verscheidene

vragen gedaan. En wel voor eerst

_Door welken weg ik daar te lande was gekomen?_

_Om welke reden ik die reis had ondernomen?_

_In welken oord ik 't licht eerst zag: hoe 'k wierd geheeten?_

_Waarop ik antwoord gaf: zoo gij mijn' naam wilt weten._

_Die heeft niet veel om 't lijf, KLAAS KLIM word' ik genoemd,_

_En Berg' in Noorwege is (onnoodig hier geroemt)_

_Mijn Vaderland: 'k ben in een grooter Waerelddeel_

_Geboren, dan Gij Vorst, O! dat scheelt al te veel!_

_Mijn' reis aangaande, daar valt vrij wat van te zeggen:_

_Ik liet daar toe geen schip, dat bruist door zee, aanleggen:_

_Ook reisde ik niet te land, maar door het starrendak_

_Nam 'k herwaards mijnen koers, en kwam 'er met gemak._

Vervolgens ondervraagde hij mij over de dingen die mij op mijne reize

bejegent waren, en te gelijk over de wetten en de zeeden onzer waereld.

Toen ging ik op eene zielroerende wijze ontvouwen de deugden der

menschen, derzelver aart en inborst, de wijze van leven in de Steden, en

andere zaken, waarop het menschdom meerendeels zijnen roem pleeg te

dragen. Dog hij nam mijn verhaal geheel koeltjes op, en op verscheide

zaken, welke mijns oordeels grootelijks in hem verwondering hadden

moeten verwekken, begon hij te geeuwen. Toen zeide ik in mij zelv': _wat

zijn ook de smaaken en verkiezingen der menschen verscheiden! daar wij

de meeste aandoeninge van hebben, daar trekken deeze de neus van op_.

Dog 't geen ik in den Vorst 't ergst van allen in de ooren hoorde

klinken, was, 't geen ik hem verhaalde van de manier van procedeeren,

van de welsprekendheid onzer Advocaten, en van de vaardigheid onzer

Regters in 't vonnis uit te spreeken. Ik trachtte hem dat wat nader te

ontvouwen; dog hij mij in de reden vallende, wendde het over een'

anderen boeg, en begon eindelijk te vernemen naar onzen Godsdienst en de

plegtigheden daar omtrent. Daar op leide ik hem kortelijk uit alle de

Artikelen van 't Geloof, op welker meldinge hij eenigermate rimpels uit

zijn voorhoofd trok: betuigende, dat hij gaerne elk van die zoude

onderteekenen: zig alleenlijk verwonderende dat een Volk van zoo weinig

oordeel, zulke gezonde gevoelers hadt van God en Godsdienst. Maar

straks, toen hij hoorde, dat de Christenen in ontelbaare Secten verdeeld

waren, en om die oneenigheid onderling het harnas aanschooten, zeide

hij: "Bij ons zijn 'er ook verscheide gevoelens over de zaken die den

Godsdienst betreffen; dog de een vervolgt daarom den anderen niet:

aangezien alle vervolgingen over zaken, rakende alleen de leere of

dwaalingen, en spruitende alleenlijk voort uit de verscheide

bevattingen, niet dan uit hoogmoed voortkomen, vermits de een dwaaslijk

meent dat hij meer doorzigt bezit dan de ander; welke hoogmoed aan God,

die ons de verdraagzaamheid en nederigheid beveelt, niet welbehaaglijk

kan wezen. Een iegelijk", zeide hij, "die ter goeder trouw en in

opregtigheid des harten van een aangenomen gevoelen in 't stuk der leere

is afwijkende, laten wij zijn oordeel vrij, zoo hij maar in de practijk,

die eigenlijk den dienst Gods betreft, toestemt: en hierin volgen wij de

voetstappen onzer voorzaten na, die 't voor eene onmenschlijkheid

hielden, het verstand der stervelingen de boeijen aan te doen, en over

de conscientien te heerschen. Deezen regel bevelen wij ook in 't

burgerlijke zeer zorgvuldig te volgen: invoegen dat zoo de gevoelens der

onderdaanen, rakende de form onzer lichaamen, de manier van leven, de

huishouding, en wat diergelijken meer is, verscheiden zijn, en egter

dezelve mij voor wettigen Vorst, welken zij gehoorzaamheid schuldig

zijn, erkennen; ik ze alle mee malkanderen voor goede onderdaanen

houde."

Hier op antwoordde ik: _Allerdoorlugtigste Vorst, dat wordt bij ons voor

Syncretismus[1] uitgekreten en ten uitersten van onze Godgeleerden

veroordeelt_. Meer liet hij mij niet toe te spreeken, maar ging

gramstoorig weg: bevelende mij te blijven tot dat hij zijn middagmaal

gehouden hadt.

Aan de tafel zat de Vorst met zijne doorlugtige Gemalin, als mede de

Prins zijn Zoon met den Groot-cancelier of _Kadoki_. Die zelve _Kadoki_

was om zijne beleeftheid en bekende voorzigtigheid zeer onder de

_Potuanen_ gezien. Geduurende twintig jaaren agter een, hadt hij nooit

zijn gevoelen in den Raad gezegt, of 't was van alle anderen toegestemd

geworden: ook hadt hij niets in den Staat vastgestelt, 't geen niet

onwrikbaar was staande gebleven; en zijne woorden waren als zoo veele

zetregels. Dog hij was te gelijk van zulk eene langzaame bevattinge, dat

hij, om het allergeringste Placcaat op te stellen, den tijd van veertien

dagen pleeg noodig te hebben: invoegen dat zoo hij op onzen Aardbol was

overgebragt geweest, alwaar alle vertoef met den naam van luiheid en

traagheid gedoopt wordt, hij daar zoude doorgaan voor een man van weinig

bekwaamheid om zaken van gewigt waar te nemen. Maar om dat hij al 't

gene hij bevattede in den grond verstont, en niets besloot, dan na een

voorgaand en ernstig onderzoek, kon hij gezegt worden meer te hebben

uitgevoert, dan tien zulke die de zaken ras en schielijk ten uitvoer

brengen, en door de bank schrandere verstanden genoemt worden; wier

verrigtingen menigmaal verbetert en verandert worden, ja niet zelden

eene netter beschaavinge moeten ondergaan: zoo, dat bij 't uitgaan

hunner bedieninge bevonden wordt, dat zij niets onbezogt gelaten, maar

ook teffens niets voltooit hebben; dierhalven onder de zinspreuken aan

dat Hof deeze zeer aanmerklijk is, te weten: dat de gene die met al te

groote vlugheid hun ampt bedienen, vergeleken kunnen worden bij de

ledige straatslijpers, welke nu eens voortgaande, dan weder te rug

tredende, op denzelven weg blijven hangen, en schoon gestadig in

beweging zijnde, egter niets vorderen.

Na dat het geheele Doorlugtige Huis was gaan aanzitten, tradt 'er eene

dienstmaagd binnen die agt takken hadt, en met dezelve even zoo veele

schotelen en assietten droeg; invoegen dat in eenen oogenblik de

geheele tafel van geregten voorzien was. Aanstonts wierdt zij gevolgt

van eenen anderen boom, dragende agt flessen, gevult met most van

allerlei soorten van wijn, of andere vogten. Dees boom hadt negen

takken, om welke redenen hij zeer bekwaam geoordeelt wierdt tot allerlei

huiswerk. Dus wierdt alleen van twee bedienden zeer gevoeglijk verrigt

al 't gunt aan de Aardsche Hoven kwalijk van eenen geheelen troep van

dienaars wordt te wege gebragt. Met dezelve vaardigheid daar zij mede

opgebragt waren, wierden de geregten ook wederom afgenomen. Het

middagmaal was sober, doch teffens zinnelijk. Onder alle de opgedischte

geregten hadt de Vorst slegts van een, 't geen 't meest naar zijnen mond

was, gegeten; geheel anders dan onze Grooten, die 't daar voor houden,

dat 'er niet wel opgeschaft is, tenzij de afgedragen geregten door

grootere en betere worden vervangen. Over de maaltijd hadden ze

verscheide discourssen over de deugden en ondeugden, als mede over zaken

van Staat; zoo, dat het vermaak als met de letter oeffeningen gesaust

wierdt. Ook maakten ze geduurig gewag van mij, welken zij geloofden om

de vlugheid mijns begrips nooit goed timmerhout te zullen wezen.

_Na dat de honger door het eeten was verdreven,_

_Wierdt tot het wegdoen van de tafel last gegeven._

En toen was het, dat men mij belastte mijn _Testimonie_ voor den dag te

haalen. De Vorst dat gelezen hebbende, sloeg zijne oogen op mijne

voeten: zeggende, dat de _Karatti_ regt hadden geoordeelt, en dat het

ook zoo moest geschieden. Door dat antwoord als door eenen donderslag

opgewekt, eischte ik niet zonder overvloedige traanen te storten,

herzieninge van 't gewijsde, vermits ik, mijne bekwaamheden en gaven des

geests een weinig nader onderzogt zijnde, eenige verzagtinge in mijn

vonnis verhoopte. De Vorst, gelijk hij een goedertieren en regtvaardig

Heer was, over dit moeilijk en ongewoon verzoek niet gram wordende, lei

den tegenwoordig zijnde _Karatti_ op, mijne zaake op nieuw en

naauwkeuriger te onderzoeken. Geduurende die beproevinge hieldt hij zig

wat aan eenen kant, om ook de overige _Testimonia_ te leezen. De Vorst

weggegaan zijnde, stelden de _Karatti_ nieuwe vragen vóór om die te

beantwoorden. Ik antwoordde daarop met mijne gewoonlijke schielijkheid:

waar over hij, zig verwonderende, zeide: _Gij begrijpt de zaake wel zeer

gaauw; maar gij treedt geenszins tot in het binnenste derzelve; want Uwe

antwoorden geven klaarlijk te kennen, dat het geschilstuk veel eer

vaardig bevat, dan wel en grondig begreepen is_. Na dat hij de proef

genomen hadt, tradt hij in de eetzaal van den Vorst, en keerde straks

wederom met een vonnis van deezen inhoud: Dat ik zeer kwalijk en

onvoorzigtiglijk had gedaan, met het oordeel der _Karatti_ in twijfel te

trekken, en dat ik deswegen waardig was te draagen de straffe, bij 't

derde kleine Artikel van 't vierde grooter Artikel der wet, tegen de

roekelooze Betigters vastgestelt; (door grootere en kleindere Artikels,

anders gezegt _Skibal_ en _Kibal_ verstaan zij Boeken en Hoofdstukken)

en dat ik vervolgens verdient had, dat mij op beide mijne takken of

armen een ader geopent wierdt, volgens het oude gebruik; en in het

openbaare rasphuis vastgezet te worden. De woorden der wet in het 3.

Hoofdstuk van het IV. Boek van de valsche Betigting zijn deeze: _Spik.

Anri. Flak. Skak. Mak. Tabu. Mihalatti. Silak_. Dog dat, schoon de zin

klaar en duidelijk was, en dat de straffe, bij de wet vastgesteld, geen

uitzondering konde lijden; egter zijne Doorlugtigheid besloten hadt, dat

deeze zwaare overtreding, zoo uit hoofde dat de misslag was begaan uit

eene al te groote vlugheid van geest, als uit onkunde der wet, mij te

vergeven was, aangezien de misdaad, begaan door eenen vreemdeling en

uitlande, zonder de wet geweld aan te doen, eenigzins konde worden

kwijtgescholden. Einde dat hij, om daar mede te meer gunst en

genegenheid 't mijwaarts te betoonen, mij hadt beschonken met eene

plaatse onder de gewoonlijke Hof-postloopers, met welke gunst ik

genoegen behoorde te nemen.

Dat vonnis uitgesproken zijnde, wierdt de _Kina_ of Secretaris ontboden,

die mij met de overige onlangs aangekomen Candidaten zoude stellen op de

lijst der gene die gevordert stonden te worden. Die Secretaris was een

man schoon van gedaante, hebbende elf armen, waarom hij ook elf brieven

te gelijk met hetzelve gemak, waarmede wij 'er eenen schrijven, konde

ontwerpen; dog hij was van een middelmatig verstand, om welke reden hij

ook niet hooger gevordert, maar in die bediening, welke hij bijna dertig

jaren bekleed hadt, oud en grijs stont te worden. Dees was de man, met

welken ik naderhand zeer gemeenzaam omging, en welken ik het meest had

te ontzien, vermits hij de eerste ontwerpen der Placcaaten of Brieven

opstelde, welke ik als Postlooper door de Provinciën stond om te

brengen. Menigmaalen stond ik versteld, over de handigheid waarmede hij

zijne bedieninge waarnam, vermits hij niet zelden elf voorschriften op

eenen en denzelven tijd schreef, en op dezelve te gelijk ook zoo veele

zegels drukte. Hier van daan is het, dat onder de voordeeligste zaaken

in de familien gerekent worden, de kinderen die gebooren worden mee

veele takken; en dat de kraamvrouwen, na dat zij gelukkig verlost zijn,

aan haare buuren plegen bekend te maken, met hoe veele takken de

kinderen ter waereld zijn gekomen. Men zeide aldaar dat de Vader van

onzen Secretaris twaalf takken gehad hadt; en zijn geheele geslagt is

boven alle andere vermaard door de meerderheid van takken. Na dat ik,

onder de gewoonlijke Postloopers des Vorsts aangenomen was, ging ik naar

bed. Dog hoe vermoeid ik ook wezen mogt, moest ik egter, niet konnende

rusten, het meerendeel van den nagt, alle moeite doen tot slaapen: want

geduuriglijk kwam mij in de gedagten die verachte bediening, waar toe ik

verwezen was, en 't scheen mij gantsch onbetamelijk en schandelijk te

zijn, dat een Proponent en Baccalaureus in de grooter Waereld, voor een

slegt en veracht Postlooper zoude speelen in de onderaardsche. Met deeze

droevige gedagten bragt ik een goed deel van den nagt zonder slaapen

door; en in deezen drift las en herlas ik mijn Academisch _Testimonie_

geen ik had mede genomen, (want ik heb reeds boven gezegt, dat nagt en

dag hier weinig verschillen.) Eindelijk afgemat zijnde door deeze

muizennesten en kommer, bekroop mij een diepe slaap. Terwijl ik lag te

rusten, waarden mij verscheide droomen in den geest. Mij dagt, dat ik

in mijn Vaderland wedergekeert zijnde, aan mijne Landslieden al wat mij

op de Onderaardsche reize ontmoet was, tot het allergeringste toe,

verhaalde: straks daarop mij de lugt-schipvaart verbeeldende, dagt mij,

dat ik met den wreeden Griffioen te doen had, die mij zoo veel spel

maakte, dat, terwijl ik mij tegen hem verweerde, alle slaap van mijne

oogen week. Maar wakker wordende, zag ik, niet zonder schrik, eenen Aap

van eene ongemeene grootte, die door de deur mijner slaapkamer, welke

door onagtzaamheid niet wel gesloten was, ingekomen, en in mijn

slaapvertrek gesloopen was, voor mij staan. Dat onverwagt verschijnzel

joeg mij zodanigen schrik op 't lijf, dat ik met een groot geroep, waar

van de kamer weergalmde, om hulp schreeuwde. Eenige boomen, die op de

kamers naast aan mijn vertrek sliepen, op dit geroep wakker geworden

zijnde, traden binnen, schooten mij, die reeds met den Aap aan 't

worstelen was, te hulp, en stootten dat leelijk gedierte buiten de deur.

Het leedt niet lang, of het kwam mij ter ooren, dat deeze klugt aan den

Vorst veel stoffe tot lachen hadt verschaft. Dog op dat dat zelve geval

niet weer mogt voorkomen, beval hij terstont mij op de Onderaardsche

wijze te kleeden en met takken toe te takelen.--De Europische kleederen,

welke ik tot nog toe gedraagen had, en die mij waren ontnomen, waren in

't Kabinet of de Rariteit kamer van den Vorst, om de ongewoonheid der

zaake, opgehangen, met dit opschrift: OPSCHIK VAN EEN BOVENAARDSCH

SCHEPSEL. Toen dagt ik bij mij zelv': bijaldien de Bergsche snijder _Jan

Andriesz_, die deeze kleederen 't fatsoen heeft gegeven, eens te weten

kwam dat zijn handwerk onder de Onderaardsche rariteiten bewaart wierdt,

zonder twijfel zoude hij van hoogmoed opzwellen, en na deezen naauwlijks

voor de Burgermeesters of Kapiteins van de Stad willen zwigten.

Na dit voorval bragt ik het overige van den nagt door, zonder een oog te

konnen toedoen, tot dat de Zon opging. Toen ik opstond wierdt mij mijne

acte gebragt, waar bij mij gegeven wierdt de bedieninge van Post looper.

Van stonden aan kreeg ik oneindig werk, en was als een geduurig

beweegrad, brengende Placcaaten en Brieven over, zoo naar de groote als

kleine Steden. Op deeze mijne togten den aart deezes volks wat

naauwkeuriger onderzogt hebbende, ontdekte ik in de meeste eene

verwonderlijke heuschheid en eene zeldzaame wijsheid. Alleen de

inwoonders van _Maholki_, die alle Doornboomen zijn, kwamen mij voor

niet zeer geslepen of beschaafd te wezen: want iedere Provincie heeft

haare bijzondere boomen of inwoonders, 't geen zeer klaar blijkt in de

Boeren of Landlieden, die alle inboorlingen zijn: want in de groote

Steden, vooral in de Stad daar zig de Vorst ophoudt, was een mengelmoes

van allerhande boomen. Het gevoelen dat ik van 't verstand der

inwoonders deezes Vorstendoms opgevat had, nam toe, naar mate dat ik

gelegenheid kreeg om hunne bekwaamheden wat dieper in te zien. De wetten

en inzettingen, welke ik het meeste veroordeelt had, begon ik hooglijk

te prijzen om derzelver billijkheid en regtvaardigheid: zoo was de

verachting in verwonderinge verkeert! 't Zoude mij niet moeilijk

vallen, een geheele lijst op te geven van zaaken en gewoonten, die mij,

wanneer ik ze terloops beschouwde, dwaas, maar als ik ze nader inzag,

verstandig en voorzigtig voorkwamen. Uit een oneindig getal van

voorbeelden zal ik alleenlijk dit bijbrengen, 't welk den aart deezes

volks zeer duidelijk uitdrukt. Toen eens een Student in de Litterature

stont naar het Rectorschap van zekere School, wierdt zijn verzoek

ondersteunt met deeze aanprijzing, te weten: de Burgerij der Stad

_Nahami_ getuigde, dat hij, geduurende den tijd van vier jaaren, met een

dertele en ontrouwe vrouw gerust en stil hadt geleeft, en een gewillige

hoorndrager was. Deeze Attestatie was bijna met deeze of diergelijke

woorden opgesteld:

"Nademaal de zeer geleerde en eerwaardige Heer _Jocthan Hu_ van zijne

Gebuuren verzogt heeft eene Attestatie, nopende zijn leven en gedrag,

zoo verklaaren wij burgers, wonende in de wijk of in den oort der Stad

_Posko_, dat dezelve geheele vier jaaren agter een mee zijne huisvrouwe,

die eene ligtekooi is, zonder eenig huiskrakeel, in den egt geleeft

heeft: dat hij zijne hoornen geduldig heeft gedragen en met zodanige

gematigdheid die ziels-smerte geleden heeft, dat wij hem oordeelen te

zullen wezen een waardig Rector der openstaande School, zoo anderszins

zijne studien met zijn gedrag overeenkomstig zijn."

"Gegeven op den tienden dag der Palmboommaand, in het jaar drie duizend,

na den grooten Zundvloed."

Bij deeze aanprijzing was gevoegd eene verklaaring; van de _Karatti_ van

het Kweekschool, aangaande deszelfs studien en geleerdheid, 't geen meer

scheen ter zake te zullen doen: want wat aanbelangde de verdiensten van

dien gehoornden Schoolvos boven die andere leeraars, daarvan kon ik niet

wel begrip vormen. Maar van die klugtige Attestatie was dit de regte

zin: Onder de deugden welke eenen leeraar 't meest aangenaam maken, is

de gematigdheid: want, tenzij zulk een Jobs lijdzaamheid bezitte, zal

hij met den gantschen opschik zijner geleerdheid weinig bekwaamheid

hebben om 't Schoolmeesters ampt waar te nemen, 't geen zonder

strengheid en oploopenheid moet worden bedient, op dat, door zijne

ontijdige tugtigingen, de gemoederen der jeugd niet verbitterd worden.

Nu gelijk 'er kwalijk een voorbeeld van grooter gematigdheid kan worden

gegeven dan van die, waar mede de aanstaande Rector zoo een aanmerklijk

huis-kruis verdragen hadt, zoo trokken ook des Verzoekers gebuuren niet

lang in twijfel, dat zij op deeze drangreden moesten aandringen, om daar

mede aan te toonen, wat men van eenen Schoolmeester, die boven andere

met deeze deugd pronkte, te wagten hadt. Men zegt dat de Vorst over die

ongewoone aanprijzing boven mate in lachen uitbarstte; dog wijl hij

dezelve niet geheel en al ongerijmd bevondt, begiftigde hij den

Verzoeker met het openstaande Rectorschap: en het is zeker dat dezelve

dat ampt met zoo veel snedigheid heeft bedient, en de leerlingen door

verdraagzaamheid en goedertierenheid zoo zeer aan zig heeft verbonden,

dat zij hem eerder voor eenen Vader, dan voor eenen Schoolmeester

hielden, en zoodanige liefde voor de letter-oeffeningen, onder zulk

eenen zagtzinnigen en gematigden bestierder, kreegen, dat 'er

tegenwoordig weinige Schoolen in 't geheele Vorstendom zijn, waar uit

zulke vermaarde, geleerde, en wel opgevoedde boomen jaarlijks te

voorschijn komen.

Vermits ik nu, geduurende den tijd van vier jaaren dat ik het ampt van

Post looper bediende, gelegenheid had, zoo om den aart deezes lands, als

om den inborst, zeden, staatkunde, Godsdienst, wetten en

letteroeffeningen deezes volks na te speuren; hoop ik de Leezers niet

onaangenaam te zullen wezen, als ik al het geen wijd en zijd in dit werk

gevonden wordt, hier als in eenen bondel betrekke.

[1] Mengelmoes van gevoelens.

VIJFDE HOOFDSTUK.

_Van den aart des Landschaps Potu; en van den inborst der Natie._

De Landpaalen des Vorstendoms _Potu_ strekken zig niet wijd uit, en

beslaan slegts een tamelijken landstreek van dien Aardbol. De gantsche

Bol Nazar behelst in zijnen omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche

mijlen. Elk reiziger kan dien gemakkelijk zonder Leidsman omreizen: want

overal wordt eenerlei taal gesproken, hoe zeer ook die van _Potu_ door

wetten en gewoonten van de overige Vorstendommen en Staaten grootlijks

verschillen. En even gelijk in onze Waereld de Europeers boven andere

Natiën uitsteeken, zoo zijn ook die van _Potu_ in bekwaamheid en

schranderheid verre boven de andere bewoonders deezes Aardbols te

achten. De wegen worden doorgaans met steenen, die de mijlen te kennen

geven, afgeteekent; en hebben of uitstekende handen of andere teekenen

die naar elke Stad of wijk het pad aanwijzen. Het geheele Vorstendom

door, vindt men veele schoone Steden en Gehugten. Voorzeker is dit

verwonderlijk en merkwaardig, dat alle bewoonders dezes Aardbols

eenerlei spraak hebben, schoon elke Natie in staat, zeden, wetten en

gaven des geests zoodanig verschilt, dat dees Aardbol eene zeer klaare

afbeeldinge verschaft van de verscheidenheden waarin zig de Natuur,

verlustigt: en ten dien opzigte kan zij gezegt worden de reizigers niet

zoo zeer aandoeninge te geven, als wel te verbaazen, en ze als bijna te

brengen in eene verrukkinge van zinnen.

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 3 / 21 段